← Nederland

Gewijzigde vaststelling Welstandsnota 2004 (Scherpenzeel)

Gewijzigde vaststelling Welstandsnota 2004 De raad van de gemeente Scherpenzeel, gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 17 februari 2009, besluit De Welstandsnota 2004 gewijzigd vast te stellen. Deel A: Algemeen Afdeling1Welstandbeleid 1.1 Inleiding De welstandsnota zoals die voor u ligt is opgesteld in het kader van de per 1 januari 2003 herziene Woningwet. De nota beschrijft het welstandsbeleid van de gemeente Scherpenzeel en dient als toetsingskader voor het verlenen van bouwvergunningen. De gemeente Scherpenzeel heeft bij het opstellen van de nota samengewerkt met zeven andere gemeenten in de Gelderse Vallei. Dit zijn de gemeenten Bunschoten, Nijkerk, Putten, Barneveld, Leusden, Woudenberg en Renswoude. Zo is voor het ruimtelijk samenhangende buitengebied één welstandsbeleid ontwikkeld. Ook is er gestreefd naar zorgvuldige afstemming van criteria voor objecten die in meerdere gemeenten voorkomen. Nadat enkele jaren gewerkt is met de welstandsnota, heeft een evaluatie plaats gehad. In dat verband is met diverse ‘gebruikers’ van de nota gesproken: met de betrokken ambtenaar van de gemeente Scherpenzeel, met het Gelders Genootschap en het burgerlid, met architecten die werkzaam zijn in de gemeente Scherpenzeel en met de VAC Scherpenzeel, adviescommissie voor de woningbouw en woonomgeving. Daarnaast is op 11 november 2008 een informatieavond belegd, waar gediscussieerd is over de aanpassingsvoorstellen. Dat heeft geresulteerd in de voorliggende aangepaste versie van de Welstandsnota. 1.2 Doel en opbouw van de welstandsnota Een welstandsnota is, kort gezegd, het beleidsdocument dat moet voorzien in de criteria die burgemeester en wethouders hanteren bij het beoordelen van een bouwaanvraag op welstandsvereisten: ‘Het uiterlijk van een bouwwerk mag niet in ernstige mate in strijd zijn met redelijke eisen van welstand, beoordeeld naar de criteria, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, onderdeel b’. Artikel 12a vervolgt: “De gemeenteraad stelt een welstandsnota vast, inhoudende beleidsregels waarin in ieder geval de criteria zijn opgenomen die burgemeester en wethouders toepassen bij hun beoordeling ”. De juridisch-technische weergave van wat er van de welstandsnota wordt verwacht zal niet iedereen tegemoetkomen in het sentiment wat er rond dit fenomeen bestaat, onomstreden is welstand nooit geweest. Toch kan het geen kwaad het doel van de nota in juridische zin voorop te stellen. Het weigeren van een aanvraag om bouwvergunning wegens ‘strijd met redelijke eisen van welstand’ is ingrijpend. Dat zo’n oordeel goed is onderbouwd en de criteria democratisch zijn vastgesteld, dat het in alle openheid tot stand komt en dat er op te anticiperen valt, dat is de achtergrond van de wijziging van de Woningwet. De welstandsnota moet daaraan invulling geven op een wijze die de gevraagde duidelijkheid verschaft. Daarbij biedt het, als beleidsdocument, ruimte voor nieuwe accenten. Daarnaast is het opstellen van de welstandsnota uiteraard ook een goede gelegenheid om het ruimtelijk kwaliteitsbeleid als geheel tegen het licht te houden en de plaats van welstand daarbij duidelijk te maken. De achtergronden daarvoor worden in dit eerste hoofdstuk geschetst. Hoofdstuk 2 van het deel A (Algemeen) geeft een overzicht van de uitvoering van het beleid en de daarin opgetreden of optredende veranderingen. Een overzicht van het beschikbare instrumentarium voor de welstandsnota is te vinden in hoofdstuk

  1. Deel B omvat de beleidsregels, met de beleidskeuzen van de gemeente Scherpenzeel. In hoofdstuk 4 zijn de criteria voor kleine bouwwerken (loketcriteria) weergegeven. Daarna volgen in hoofdstuk 5 de objectcriteria voor veel voorkomende objecten, zoals (agrarische) bedrijfsbebouwing, burgerwoningen, landgoederen en recreatieterreinen. In hoofdstuk 6 moet de nadere ruimtelijke analyse van het buitengebied een antwoord geven op de vraag of (en zo ja, hoe) er aanleiding is om de welstandscriteria naar (deel-)gebied te differentiëren. In hoofdstuk 7 wordt nader op de kern Scherpenzeel ingegaan. Na een ruimtelijke analyse worden in hoofdstuk 8 de te onderscheiden deelgebieden beschreven en van gebiedsgerichte criteria voorzien. Hoofdstuk 9 bevat de procedure voorschriften bij nieuwe projecten. De in acht te nemen criteria in het kader van de excessenregeling worden in hoofdstuk 10 aangegeven. Dan volgt de Welstandskaart in hoofdstuk
  2. Tot slot worden in Deel C bijlagen toegevoegd die het gebruik van de nota kunnen vergemakkelijken zoals een straatnamenregister, een lijst van gebruikte begrippen, een literatuurlijst, het ruimtelijk kader voor het buitengebied van de gemeente en de volledige tekst van de algemene welstandscriteria. 1.3 Aanleiding en achtergronden Wie in Nederland iets wil bouwen of verbouwen van enig formaat heeft daarvoor een bouwvergunning nodig. Burgemeester en wethouders moeten die bouwvergunning verlenen als het bouwwerk voldoet aan: het bouwbesluit, het bestemmingsplan, de bouwverordening én aan redelijke eisen van welstand. Het is dus een wettelijk vereiste dat een bouwplan naar uiterlijke verschijningsvorm voldoet aan hetgeen daarover is bepaald in de Woningwet, wat er in het kort op neerkomt dat een bouwplan moet worden getoetst op zijn visuele kwaliteit, op zichzelf en in relatie tot zijn omgeving. Daar is het algemeen belang mee gediend want de buitenkant van het gebouw is de binnenkant van stad of dorp. Dat was voorheen vooral een kwestie van advisering door de welstandscommissie op basis van tamelijk globale criteria in de gemeentelijke bouwverordening: de aanvaardbaarheid van het bouwwerk in relatie tot de karakteristiek van de reeds aanwezige bebouwing, de openbare ruimte, het landschap dan wel de stedenbouwkundige context; massa, structuur, maat en schaal, detaillering, materiaalkeuze en kleurstelling; samenhang in het bouwwerk of de bouwwerken voor wat betreft de onderlinge relatie tussen de samenstellende delen ervan. Dat zijn nogal algemene omschrijvingen waaraan de welstandscommissie misschien wel maar de indiener van een bouwplan niet veel houvast heeft. De adviezen van de welstandscommissie riepen dan ook geregeld weerstand op omdat niet duidelijk was hoe en waarom er op een bouwaanvraag negatief (of positief) werd geadviseerd. De regering heeft zich dan ook afgevraagd of het niet mogelijk was om duidelijker en van tevoren aan te geven waarover een plan zou kunnen struikelen of niet. De Woningwet geeft op die vraag een antwoord. Enerzijds door een groot aantal kleinere bouwwerken ‘bouwvergunningsvrij’ te verklaren, waarmee daarvoor de welstandstoets vervalt en voor de kleinere bouwwerken, die niet aan de voorwaarden voor vergunningsvrij bouwen voldoen, zogenaamde ‘loketcriteria’ (voor iedereen begrijpelijke richtlijnen) voor te schrijven. Anderzijds worden de gemeenten geacht de overige welstandscriteria, die dan met name voor de reguliere bouwvergunning zullen gelden, neer te leggen in een door de gemeenteraad vast te stellen welstandsnota. Alleen op grond van deze criteria mogen bouwaanvragen door burgemeester en wethouders worden getoetst na een advies van de welstandscommissie. Ontbreekt zo’n nota dan is welstandstoetsing zelfs in het geheel niet meer mogelijk. Begrijpelijkerwijs kiest de gemeente er niet voor het zover te laten komen. Het besef dat ruimtelijke kwaliteitszorg ook een taak van de gemeentelijke overheid is en dat de welstandstoets daarin een belangrijke rol kan vervullen is de laatste jaren sterk gegroeid, in die zin staat welstand niet ter discussie. 1.4 Relatie met overig ruimtelijk beleid Welstand is een onderdeel van het gemeentelijk ruimtelijk kwaliteitsbeleid. Weliswaar een belangrijk onderdeel omdat het een wettelijke basis heeft maar het kan niet de andere inspanningen op dat gebied vervangen. Voldoen aan redelijke eisen van welstand wil immers zeggen dat een zeker minimum aan zorg en zorgvuldigheid aan de visuele kwaliteit bij de totstandkoming van een bouwwerk is besteed. Niet meer maar ook niet minder. Adequate plannen voor een goede ruimtelijke ordening zoals bestemmingsplannen en beeldkwaliteitplannen blijven dus onverminderd noodzakelijk evenals een doeltreffend sectorbeleid zoals een rolluiken- of reclameverordening. Ook een stimuleringsbeleid op het gebied van architectuur of het opdrachtgeverschap kan niet worden gemist als het gemeentelijk streven verder gaat dan ‘redelijke eisen van welstand’. Dit kan buiten het kader van de welstandsnota verder worden uitgewerkt. In feite vormt juist dit overige beleid de achtergrond voor welstandsbeoordeling. In het schema hierboven is aangegeven hoe de criteria voor welstandstoetsing worden opgebouwd vanuit het ruimtelijke ordeningsbeleid aan de ene kant en het sectorbeleid aan de andere kant. Tegen die achtergrond is nog wel een vertaalslag nodig voor het vaststellen van welstandscriteria. Het is gewenst om van tevoren te weten hoe zwaar het belang is dat aan de visuele kwaliteit wordt gehecht: de mate waarin. Tevens moet er geanticipeerd kunnen worden op de aspecten die bij de beoordeling aan de orde zullen komen: de wijze waarop. De criteria worden weliswaar in belangrijke mate ontleend aan de stedenbouwkundige, cultuurhistorische en landschappelijke context maar zijn zelf bouwkundig en situatief van aard; het gaat om het bouwwerk en de plaatsing ervan. Daarbij mag de welstandstoets niet in het vaarwater van het bestemmingsplan terecht komen. Het bestemmingsplan regelt, voor zover nodig voor een goede ruimtelijke ordening, de functie, de bouwplaatsen en de afmetingen van bouwwerken. Welstandscriteria mogen de absoluut geboden ruimte in het bestemmingsplan niet wezenlijk beperken. Als het bestemmingsplan alternatieve mogelijkheden biedt, bijvoorbeeld in de plaatsing van een bouwwerk of een zekere afwisseling in de goothoogte dan kan een negatief welstandsadvies worden gegeven als de gekozen stedenbouwkundige of architectonische oplossing afbreuk doet aan de ruimtelijke beleving. Uiteraard op basis van de welstandscriteria. Schema1: Welstandsnota in relatie tot andere ruimtelijke plannen In de welstandsnota kan worden verwezen naar welstandscriteria die zijn opgenomen in andere documenten zoals het beeldkwaliteitplan Dorpsstraat-West, beeldkwaliteitplan Functieverandering Gelderse Vallei, de Reclamenota of de nota Erfafscheidingen. Die moeten dan uiteraard wel voldoen aan dezelfde eisen: vaststelling enzovoort. Verwerking van die criteria in de (losbladige) welstandsnota zelf verdient de voorkeur. Omgekeerd geldt dat waar in een gemeentelijke verordening naar een welstandstoets wordt verwezen, zoals in de reclame- of terrassenverordening, de welstandsnota daarop toegesneden criteria moet bevatten. Dat is hier het geval ten aanzien van reclame-uitingen, waarvoor de gemeente gelijktijdig met de aanpassing van de Welstandsnota beleid heeft vastgesteld. 1.5Vaststelling en evaluatie De criteria worden opgenomen in een welstandsnota die door de gemeenteraad moet worden vastgesteld. Burgemeester en wethouders én de welstandscommissie leggen ten minste eenmaal per jaar een verslag voor aan de gemeenteraad, op grond waarvan tot bijstelling van het beleid en/of de criteria kan worden besloten. Afdeling2Uitvoering van het beleid 2.1Toetsing van bouwaanvragen Het college van burgemeester en wethouders is verplicht om vergunningplichtige bouwwerken te toetsen aan redelijke eisen van welstand. De onlangs herziene Woningwet is op dat punt niet veranderd. Nieuw is evenwel dat deze toets plaats heeft aan de hand van in een welstandsnota vastgelegde criteria. Bovendien is bij het ontbreken van zo’n door de gemeenteraad vast te stellen nota welstandstoetsing niet meer mogelijk. In geval van een reguliere bouwvergunning zijn burgemeester en wethouders verplicht om een advies te vragen aan een onafhankelijke welstandscommissie. Bij een lichte bouwvergunning is dat wettelijk facultatief. Er zijn gemeenten die er voor kiezen om ook die aanvragen steeds aan de welstandscommissie voor te leggen. Bij de andere gemeenten zal dat veelal beperkt blijven tot de gevallen waarin de loketcriteria niet toereikend zijn of waarin het college van de afwijkingsbevoegdheid gebruik wil maken. Ook nieuw is de gefaseerde vergunningverlening waarbij aan vergunningaanvragers van reguliere bouwvergunningen de mogelijkheid wordt geboden om in een vroeg planstadium op basis van voorlopige schetsen een besluit van burgemeester en wethouders te vragen over een bouwplan. Dat is het vastleggen van de inmiddels gegroeide praktijk van vooroverleg met de welstandscommissie met dat verschil dat daar nu ook rechten aan kunnen worden ontleend. 2.2Het welstandsadvies Het welstandsadvies op een bouwaanvraag dient tot stand te komen in een openbare vergadering van de welstandscommissie en dient, zeker in het geval van een negatief advies, voldoende te worden gemotiveerd. Burgemeester en wethouders kunnen, mits met redenen omkleed, incidenteel afwijken van dat advies. Dat kan zijn omdat zij van oordeel zijn dat de welstandscommissie de van toepassing zijnde criteria niet juist heeft geïnterpreteerd of toegepast. Dat is dus een afwijking op welstandsgronden waarvoor burgemeester en wethouders de eigen welstandscommissie eerst de mogelijkheid bieden voor een heroverweging en daarna een second opinion kunnen vragen aan een andere commissie. Een afwijking om andere redenen is nu ook mogelijk: burgemeester en wethouders hebben volgens artikel 44 lid 1 van de herziene Woningwet de mogelijkheid om bij strijd van een bouwplan met redelijke eisen van welstand toch de bouwvergunning te verlenen, indien zij menen dat daarvoor andere redenen zijn, bijvoorbeeld van economische of maatschappelijke aard. Ook deze afwijking moet in de beslissing op de bouwaanvraag deugdelijk worden gemotiveerd. Burgemeester en wethouders kunnen, ook op advies van de welstandscommissie, eveneens incidenteel afwijken van de gebieds- en objectgerichte welstandscriteria. Dit kan gebeuren bij plannen die niet voldoen aan de vastgelegde criteria maar toch niet in strijd zijn met redelijke eisen van welstand. De welstandsnota moet daarvoor voldoende duidelijkheid geven over het te voeren algemene ruimtelijk kwaliteitsbeleid. 2.3De welstandscommissie De wettelijke taak van de welstandscommissie is het uitbrengen van adviezen aan burgemeester en wethouders ten aanzien van de vraag of het uiterlijk en de plaatsing van een bouwwerk waarvoor een aanvraag om bouwvergunning is ingediend, in strijd is met redelijke eisen van welstand. Het welstandsadvies is gebaseerd op de in deze welstandsnota genoemde criteria. De welstandscommissie stelt jaarlijks een verslag op van de werkzaamheden voor de gemeenteraad. Samenstelling, inrichting en werkwijze van de welstandscommissie worden overigens geregeld in de gemeentelijke bouwverordening waarbij in ieder geval de wijze van openbaarheid van vergaderen, de verslaglegging van adviezen en de benoemingstermijn (maximaal drie jaar met eenmaal een herbenoeming van drie jaar). Afdeling3Beleidsinstrumenten 3.1Inleiding Hoewel de per 1 januari 2003 herziene Woningwet vraagt om zo concreet mogelijke criteria zal het duidelijk zijn dat ’recepten’ voor goede architectuur niet gegeven kunnen worden. Bij de zogenaamde kleine bouw kunnen de grenzen van wat niet in strijd met redelijke eisen is redelijk scherp worden getrokken. Dit kan veelal door een gemandateerd ambtenaar worden afgehandeld. Naarmate de complexiteit en de omvang van de bouwopgave toeneemt zullen de criteria minder letterlijk worden en wordt inschakeling van de welstandscommissie meer noodzakelijk. Dat geeft weliswaar minder zekerheid en duidelijkheid maar het vergroot tegelijkertijd de vrijheid voor vernieuwing en oorspronkelijkheid in het architectonisch ontwerp. In sommige gevallen zal zelfs teruggegrepen moeten worden op de algemene criteria die aan ieder welstandsadvies ten grondslag liggen. Dat is bijvoorbeeld het geval als de indiener van een bouwplan beslist zijn eigen weg wil volgen en het college van burgemeester en wethouders daaraan mee willen werken. Ook wanneer de ‘loketcriteria’ of de gebiedscriteria ontoereikend blijken zal de welstandscommissie op deze algemene criteria steunen in haar advies aan burgemeester en wethouders. In het navolgende worden de aard en de werking van welstandscriteria beschreven van abstract en algemeen tot relatief (afhankelijk van de omgeving) tot absoluut (concreet per geval). Voor kleine bouwplannen geldt een getrapte benadering (zie schema 2): eerst zal worden nagegaan of ze voldoen aan de voorwaarden om vergunningsvrij gebouwd te kunnen worden. Als dat niet het geval is dan is het een licht- of een reguliere bouwvergunningplichtig bouwwerk. Indien sprake is van een licht-bouwvergunningplichtig bouwwerk wordt eerst bezien of het binnen de termen van de ‘loketcriteria’ kan worden afgehandeld. Dit type welstandscriteria is dermate concreet dat een aspirant-bouwer als het ware aan het loket van de gemeente zelf al kan zien of zijn bouwplan daaraan voldoet. Deze benadering kan ook betrekking hebben op de beoordeling van regulier bouwvergunningplichtige specifieke objecten waarbij het object, het bouwwerk zelf, bij de toetsing voorop staat. Dit zijn de objectcriteria. Voorts is een differentiatie van de welstandscriteria naar gebieden mogelijk (gebiedsgerichte criteria). Schema 2: Bouwaanvraag en welstand In het navolgende worden de aard en de werking van de verschillende soorten welstandscriteria beschreven. 3.2Loketcriteria Voor vijf categorieën van licht-bouwvergunningplichtige bouwwerken zijn loketcriteria in een Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) voorgeschreven: artikel 2 van het Besluit bouwvergunningsvrije en licht-bouwvergunningplichtige bouwwerken (Bblb). Dat betreft aan- en uitbouwen, bijgebouwen of overkappingen, kozijn- of gevelwijzigingen, dakkapellen en erf- of perceelsafscheidingen. Het staat de gemeente echter vrij om meer soorten kleine licht-bouwvergunningplichtige bouwwerken onder dit regime te brengen. Daarom zijn er in dit kader loketcriteria opgesteld voor reclame uitingen, al zijn deze in een aparte Reclamenota weergegeven. De loketcriteria voor licht-bouwvergunningplichtige bouwwerken mogen uitsluitend betrekking hebben op de plaatsing, de vorm, de maatvoering, het materiaalgebruik en de kleur van het bouwwerk. Ze mogen per gebied verschillend zijn. De afhandeling van de welstandstoets heeft door een gemandateerd ambtenaar aan het loket plaats. In het geval een aanvraag niet voldoet aan de loketcriteria zal een bouwaanvraag worden voorgelegd aan de welstandscommissie. De commissie kan daarbij, voor zover van toepassing, de object- en gebiedsgerichte criteria en de algemene welstandscriteria gebruiken. 3.3Objectgerichte criteria Deze criteria hebben betrekking op de beoordeling van specifieke objecten waarbij het object, het bouwwerk zelf, bij de toetsing voorop staat. Dit betreft bijvoorbeeld (agrarische) bedrijfsbebouwing en burgerwoningen in het buitengebied. Daarnaast kan het betrekking hebben op regulier bouwvergunningplichtige bouwwerken, zoals dakopbouwen. De hierop betrekking hebbende aanvragen en de aanvragen die niet voldoen aan de objectcriteria worden aan de welstandscommissie voorgelegd. Die kan daarbij de gebiedsgerichte criteria en de algemene welstandscriteria gebruiken. 3.4Gebiedsgerichte criteria De gemeente kan de welstandscriteria differentiëren naar gebieden. De wijze van indeling in gebieden kan functioneel of topografisch zijn; dat wil zeggen naar soort gebruik zoals woon- en werkgebieden, het voorzieningencentrum, heideontginnings- of kampenlandschap enzovoort en/of naar specifieke plaatselijke kenmerken los van de functie die het gebied voor de gemeente heeft. Het voordeel van een functionele indeling is ongetwijfeld de rechtszekerheid; in gelijke omstandigheden geldt een gelijk welstandsbeleid. Bovendien zal daarop eensluidend beleid van toepassing zijn. Met een topografische indeling kan meer rekening worden gehouden met bijzondere omstandigheden maar dat zal niet altijd tot begrip leiden voor de verschillende uitkomsten die daarvan het gevolg zijn. Door de combinatie van vooral functionele gebiedsgerichte criteria met daar op toegespitste welstandstoetsing kan eveneens rekening worden gehouden met plaatselijke bijzonderheden. Zo wordt ook voorkomen dat het aantal deelgebieden te groot en dus onoverzichtelijk wordt. Welstandstoezicht wordt vooral gelegitimeerd vanuit het belang dat door de gemeenschap i.c. de gemeente wordt gehecht aan de kwaliteit van de openbare ruimte en de bijdrage die gebouwen en bouwwerken geacht worden daaraan te leveren. Langs de oorspronkelijke routes en de hoofdinfrastructuur van wegen, vaarwegen of spoorwegen zijn ze het visitekaartje van de kernen. Zo zal ook een beschermd stads- of dorpsgezicht om een specifieke benadering vragen. Hier zal sprake zijn van een welstandstoetsing, met welstandscriteria die betrekking hebben op alle aspecten: bebouwing en omgeving, het bouwwerk op zichzelf en detaillering, kleur- en materiaalgebruik. In het geval van een ‘normale’ woonstraat of een bedrijventerrein gaat het vooral om het handhaven en stimuleren van een zekere basiskwaliteit voor de dagelijkse woon- en leefomgeving. Daarbij zal steeds de omgeving uitgangspunt zijn voor de te hanteren criteria, met daarnaast specifieke kenmerken van de bebouwing zelf en/of de detaillering en het kleur- en materiaalgebruik ervan. Ook zijn er gebieden waar, door de aard van de functies of door het overheersen van andere aspecten (zoals het groen) de uiterlijke verschijningsvorm van gebouwen er eigenlijk niet zoveel toedoet. Daarbij zal vooral de relatie met de omgeving van het bouwwerk tot uitdrukking komen in de criteria. Maar ook in dat geval kan kleur of detail juist cruciaal zijn. Daarnaast kunnen nog gebieden en/of objecten als geheel vrij van de welstandstoets worden aangemerkt. Maar zoals het zich nu laat aanzien zijn er binnen de gemeente geen gebieden die daar voor in aanmerking komen. 3.5Nieuwe projecten De welstandsnota bevat geen welstandscriteria voor (her-) ontwikkelingsprojecten die de bestaande ruimtelijke structuur en karakteristiek doorbreken en waarvoor het ter plaatse geldende bestemmingsplan ook geen ruimte laat. Dergelijke welstandscriteria kunnen namelijk niet worden opgesteld zonder dat er een concreet stedenbouwkundig plan aan ten grondslag ligt. De welstandsnota beperkt zich in dit verband tot een procedurevoorschrift (zie hoofdstuk 9). Wanneer met het bouwen begonnen wordt voordat de gemeenteraad de nieuwe welstandscriteria heeft vastgesteld, worden bouwplannen aan de welstandscommissie voorgelegd. 3.6Excessenregeling De gemeente heeft de mogelijkheid om repressief (achteraf) in te grijpen indien bouwwerken in ernstige mate in strijd zijn met redelijke eisen van welstand. Dat geldt ook voor vergunningsvrije bouwwerken of vergunningsvrije activiteiten zoals schilderwerk. Op grond van artikel 12a lid 1 jo art. 13a Woningwet kunnen burgemeester en wethouders de eigenaar aanschrijven om de strijdige situatie ongedaan te maken. De daarbij gehanteerde criteria moeten in de welstandsnota worden vermeld. Dat gebeurt in hoofdstuk
  3. 3.7Algemene welstandscriteria De welstandstoetsing heeft steeds plaats gehad aan de hand van de volgende aspecten: het gebouw in zijn omgeving; het gebouw op zichzelf; de detaillering; het kleur- en materiaalgebruik. Deze algemene welstandscriteria vormen thans een vangnet voor die gevallen waarin de overige criteria niet toereikend zijn. Criteria zijn er om de voorspelbaarheid en doorzichtigheid van het welstandsbeleid te vergroten, niet om gemakzucht een kans te geven. Welstandscriteria ‘nieuwe stijl’ zijn bovendien beleidsregels waaraan het gemeentebestuur gehouden is, maar waarvan de burger mag vragen ze op zijn bouwplan niet van toepassing te laten zijn. In dat geval moet het college van burgemeester en wethouders over andere instructies aan de welstandscommissie kunnen beschikken. In hoofdstuk 11 van de Beleidsregels wordt daar nader op ingegaan. Daarbij is gebruik gemaakt van een notitie van voormalig rijksbouwmeester prof. ir Tj. Dijkstra. De complete tekst is te vinden in bijlage C. Deel B: Beleidsregels Afdeling4Loketcriteria Zoals in deel A van deze nota is uiteengezet, verplicht artikel 12a Woningwet de gemeenteraad een welstandsnota vast te stellen waarin criteria zijn opgenomen die worden toegepast bij de beoordeling of een bouwwerk niet in strijd is met redelijke eisen van welstand. Die criteria zijn, zo zegt lid 3 van dat artikel, zoveel mogelijk toegesneden op de onderscheiden categorieën bouwwerken en die criteria kunnen verschillen naargelang de plaats waar een bouwwerk is gelegen. Er zijn dus twee soorten criteria, die op zichzelf of in combinatie met elkaar worden gebruikt: Criteria die te maken hebben met het soort bouwwerk dat gerealiseerd gaat worden, de zogenaamde objectcriteria. Dat kunnen kleine bouwactiviteiten zijn zoals aanbouwen maar ook vaker voorkomende bouwwerken zoals boerderijen en burgerwoningen in het buitengebied; Criteria die voortkomen uit het gebied waar gebouwd gaat worden en die iets zeggen over de relatie met de omgeving (bijvoorbeeld: in een buurt met rode pannen daken moeten ook de bijgebouwen met een rood pannen dak worden afgedekt) of over bijzondere, beeldbepalende openbare ruimten. Over de objectgerichte criteria zegt het wetsartikel ook nog, in lid 4, dat er bij algemene maatregel van bestuur voorschriften kunnen worden gegeven omtrent categorieën van bouwwerken en de daarop toe te passen welstandscriteria. Die algemene maatregel van bestuur is verschenen onder de naam: “Besluit bouwvergunningsvrije en licht-bouwvergunningplichtige bouwwerken”(Bblb). Daarin zijn alle bouwwerken opgesomd die onder bepaalde voorwaarden bouwvergunningsvrij, en dus ‘welstandsvrij’ zijn en welke bouwwerken licht-bouwvergunningplichtig zijn en waarvoor de lichte en verkorte procedure geldt. Bovendien is voor een aantal nauwkeurig benoemde kleine bouwwerken aangegeven dat daarvoor ‘loketcriteria’ moeten worden opgesteld, dat zijn zodanig helder geformuleerde welstandsregels dat zij voor iedereen begrijpelijk zijn en in principe aan het loket van bouw- en woningtoezicht kunnen worden getoetst. Welke bouwwerken? Dit hoofdstuk geeft inzicht in de regels omtrent een aantal veel voorkomende bouwwerken, allereerst voor de bouwwerken die, als ze aan een aantal voorwaarden voldoen, bouwvergunningsvrij zijn en waarvoor geen welstandseisen kunnen worden opgenomen. Passen ze niet binnen die voorwaarden dan zijn ze in de meeste gevallen licht-bouwvergunningplichtig en kunnen er loketcriteria worden opgesteld voor die bouwwerken, waar aan kan worden getoetst. Als ze bij of aan een monument gebouwd worden of in een beschermd stads- of dorpsgezicht liggen wordt niet getoetst aan loketcriteria, maar geeft de monumentencommissie advies. Als ze niet voldoen aan de definitie die van het bouwwerk gegeven is (bijvoorbeeld een aanbouw in twee bouwlagen) dan geldt altijd de reguliere vergunningplicht. Het gaat om de volgende bouwwerken: Aan- of uitbouwen; Bijgebouwen of overkappingen; Kozijn- of gevelwijzigingen; Dakkapellen; Erf- of perceelafscheidingen; Reclame-uitingen. Voor reclame-uitingen is een aparte Reclamenota opgesteld, die gelijktijdig met de voorliggende welstandsnota is vastgesteld. Daarin is het reclamebeleid en de criteria waaraan reclame-uitingen dienen te voldoen, beschreven. Er is een apart Reclamenota vervaardigd, omdat ook via andere lijnen dan een bouwvergunning, zoals op basis van de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) een toetsing van reclame-uitingen plaats heeft. Wanneer een bouwvergunning moet worden aangevraagd is het bestemmingsplan op de eerste plaats maatgevend voor wat betreft afmetingen, voorgevelrooilijnen enzovoort. Als dat geen bezwaar oplevert, dan zal het bouwplan door een gemandateerd ambtenaar namens burgemeester en wethouders aan de loketcriteria voor welstand worden getoetst. Voldoet het daar niet aan dan wordt de indiener van de bouwaanvraag in overweging gegeven die aan te passen zodat de ambtenaar alsnog een positief welstandsoordeel kan geven. Zijn er niettemin redenen om van de loketcriteria af te wijken omdat er sprake is van een bijzondere situatie of omdat er twijfel bestaat aan de toepasbaarheid van de loketcriteria, dan kan, op verzoek van de aanvrager, het bouwplan worden voorgelegd aan de welstandscommissie. Die maakt bij de beoordeling van het bouwplan gebruik van de loketcriteria, de gebiedsgerichte en algemene welstandscriteria. Systematiek De opzet van de loketcriteria volgt de benadering die bij de wetswijziging is gehanteerd. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen de voor- en achterkant van woningen. Voorkant is de voorgevel en de zijgevel, voor zover gelegen aan de weg of openbaar groen. Achterkant is de achtergevel en de zijgevel die niet aan de weg of openbaar groen grenst. Naar inhoud hebben de loketcriteria, indien van toepassing, betrekking op de volgende aspecten: plaatsing; vorm; maatvoering; materiaalgebruik en kleur. Per categorie wordt eerst een definitie opgenomen van het bouwwerk en van de condities waaronder het vergunningsvrij gebouwd mag worden, dan wel licht-bouwvergunningplichtig of regulier bouwvergunningplichtig is. Dan wordt vermeld of de zogenaamde trendsetterregeling van toepassing is. Dat is het geval als een zelfde bouwwerk in dezelfde omstandigheden al is gerealiseerd of als er al een ontwerp voor is gemaakt door de architect van de woning(en). De gemeente kan deze trendsetter als welstandstoets gebruiken of verplicht stellen. De gemeente hanteert trendsetters per bouwblok. Hier wordt niet vanaf geweken. Dan volgen de welstandscriteria, als er geen trendsetter aanwezig is. Indien gewenst worden de loketcriteria bijgesteld bij de gebiedsgerichte criteria. Daaraan zal in het bijzonder behoefte bestaan bij beeldbepalende elementen of bij een afwijkende bebouwingstypologie (zoals bijvoorbeeld bij woningbouw uit de zeventiger jaren, waar het bij- en aanbouwen aan de voorzijde gebruikelijk was). De gebiedsgerichte criteria kunnen minder of meer eisen inhouden voor het betreffende bouwwerk op een bepaalde locatie. Tot slot wordt vermeld of de welstandscommissie zal worden ingeschakeld bij het toetsen van de bouwaanvraag. Dat is bij licht-bouwvergunningplichtige bouwwerken niet verplicht maar kan gewenst zijn bij kwetsbare bouwplaatsen zoals de voorzijde van woningen of bij het bouwen in een beschermd stads- of dorpsgezicht. Indien het een monument betreft of een bouwwerk in een van rijkswege beschermd stads- en dorpsgezicht, heeft geen afzonderlijke welstandsbeoordeling door de welstandscommissie plaats. Er zal dan een advies bij de monumentencommissie worden ingewonnen. 4.1Aan- of uitbouwen Omschrijving Aan- of uitbouwen zijn bouwwerken die in een directe verbinding staan met het (hoofd)gebouw waaraan zij worden gebouwd. Een aanbouw is een toevoeging van een afzonderlijke ruimte, terwijl een uitbouw een vergroting van een bestaande ruimte is. Het gebruik ervan moet direct gerelateerd zijn aan de woonfunctie. Vergunning Het bouwen van een op de grond staande aan- of uitbouw van één bouwlaag aan een bestaande woning of een bestaand woongebouw, die strekt tot vergroting van het woongenot, is bouwvergunningsvrij [1], mits voldaan wordt aan de volgende kenmerken: gebouwd aan: de oorspronkelijke achtergevel op meer dan 1 m van de weg of het openbaar groen; een niet naar de weg of het openbaar groen gekeerde oorspronkelijke zijgevel op meer dan 1 m van het voorerf, en meer dan 1 m van het naburige erf. niet hoger dan: 4 m, gemeten vanaf het aansluitend terrein, 0,25 m boven de vloer van de eerste verdieping van die woning of dat woongebouw; de woning of het woongebouw en gebouwd binnen de breedte van de gevel waaraan de aan- of uitbouw wordt gebouwd; minder dan 2,5 m diep; zij- of achtererf door dat bouwen voor niet meer dan 50% bebouwd; niet gebouwd aan een woning of woongebouw als bedoeld in artikel 45, eerste lid, van de wet, aan een woonwagen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel e, van de wet of aan een woning of woongebouw die of dat niet voor permanente bewoning is bestemd. [1]Deze tekst is gebaseerd op het Besluit bouwvergunningsvrije en licht-bouwvergunningplichtige bouwwerken, daaraan kunnen in deze weergave geen rechten worden ontleend. Een lichte bouwvergunning is vereist indien het bouwen van een aan- of uitbouw, die overigens voldoet aan de omschrijving en kenmerken om vergunningsvrij gebouwd te kunnen worden, plaatsvindt: in, op, aan of bij een monument als bedoeld in de monumentenwet 1988 of een monument als bedoeld in een Provinciale of gemeentelijke monumentenverordening, of in een beschermd stads- of dorpsgezicht als bedoeld in de monumentenwet
  4. Een lichte bouwvergunning is voorts vereist voor het bouwen van een aan- of uitbouw die niet voldoet aan de onder bouwvergunningsvrij genoemde kenmerken, met dien verstande dat: De hoogte van de aan- of uitbouw, gemeten vanaf het aansluitend terrein, minder is dan 5 m. In alle andere gevallen is voor aan- en uitbouwen een reguliere bouwvergunning vereist. AAN- OF UITBOUWEN aan de ACHTERGEVEL en de niet openbaar gelegen ZIJGEVEL Deze criteria komen aan de orde als het bestemmingsplan zich daar niet tegen verzet of wanneer burgemeester en wethouders overwegen daarvan vrijstelling te verlenen. Geen welstandsbeoordeling is vereist wanneer voor het bouwwerk een vergunning ingevolge de Monumentenwet 1988 vereist is. Voor die bouwwerken wordt advies bij de monumentencommissie ingewonnen. Het bouwwerk is in ieder geval niet in strijd met redelijke eisen van welstand als aan de onderstaande voorwaarden wordt voldaan: het bouwwerk is overeenkomstig een bestaande aan- of uitbouw op hetzelfde type en hetzelfde woningblok dat minder dan 5 jaar geleden met een positief welstandsadvies is gerealiseerd, of het bouwwerk is overeenkomstig het ontwerp van de architect, die het project ontworpen heeft waarvan het bouwplan deel uitmaakt en waarvoor een positief welstandsadvies is gegeven, of het bouwplan voldoet, indien geen trendsetter aanwezig is, zoals vermeld onder A, aan de volgende criteria: Plaatsing direct aan de oorspronkelijke achter- of zijgevel, 1 m terug van de voorgevelrooilijn. Vorm plat afgedekt. Maatvoering Materiaal overeenkomstig het hoofdgebouw, of, indien een serre wordt gebouwd, van glas. Kleur overeenkomstig het hoofdgebouw. Gebiedsgerichte criteria dit zijn basiseisen, per deelgebied kan daarvan worden afgeweken, er kunnen minder of meer eisen worden gesteld. Zie daarvoor de gebiedsgerichte criteria die voor het adres gelden. AAN- OF UITBOUWEN aan de VOORGEVEL en de openbaar gelegen ZIJGEVEL Deze criteria komen aan de orde als het bestemmingsplan zich daar niet tegen verzet of wanneer burgemeester en wethouders overwegen daarvan vrijstelling te verlenen. Geen welstandsbeoordeling is vereist wanneer voor het bouwwerk een vergunning ingevolge de Monumentenwet 1988 vereist is. Voor die bouwwerken wordt advies bij de monumentencommissie ingewonnen. Het bouwwerk is in ieder geval niet in strijd met redelijke eisen van welstand als aan de onderstaande voorwaarden wordt voldaan, of het bouwwerk is overeenkomstig een bestaande aan- of uitbouw op hetzelfde type en hetzelfde woningblok dat minder dan 5 jaar geleden met een positief welstandsadvies is gerealiseerd, of het bouwwerk is overeenkomstig het ontwerp van de architect, die het project ontworpen heeft waarvan het bouwplan deel uitmaakt en waarvoor een positief welstandsadvies is gegeven, of het bouwplan voldoet, indien geen trendsetter aanwezig is zoals vermeld onder A, aan de volgende criteria: Plaatsing gebouwd aan: - de oorspronkelijke voorgevel; - direct aan de oorspronkelijke zijgevel. Vorm - rechthoekige of een andere eenvoudige hoofdvorm; - kapvorm: plat afgedekt - geen doorgetrokken dakvlakken van het hoofdgebouw; - aan de voorgevel: zonder vergroting van de oorspronkelijke gevelopening(en). Materiaal overeenkomstig het hoofdgebouw, of; - als een serre wordt gebouwd, van glas - als een (hoek-)erker wordt gebouwd, behoudens het trasraam, in glas. De afmetingen van constructie-elementen dienen tot een minimum te worden beperkt. Kleur overeenkomstig het hoofdgebouw. Gebiedsgerichte criteria dit zijn basiseisen, per deelgebied kan daarvan worden afgeweken, er kunnen minder of meer eisen worden gesteld. Zie daarvoor de gebiedsgerichte criteria die voor het adres gelden. 4.2Bijgebouwen of overkappingen Omschrijving Bijgebouwen zijn op zichzelf staande gebouwen, zoals een schuur, een garage of een ander bijgebouw bij een (hoofd)gebouw. Bij overkappingen zal het vrijwel altijd om carports gaan. Vergunning Het bouwen van een op de grond staand bijgebouw van een bouwlaag of een op de grond staande overkapping van een bouwlaag bij een bestaande woning of bestaand woongebouw, dat of die strekt tot vergroting van het woongenot, is bouwvergunningsvrij[2] indien voldaan wordt aan de volgende kenmerken: gebouwd op: het achtererf op meer dan 1 m van de weg of het openbaar groen, of een niet naar de weg of het openbaar groen gekeerd zijerf op meer dan 1 m van het voorerf, en indien de bruto-oppervlakte van het bijgebouw of de overkapping meer is dan 10 m²: meer dan 1 m van het naburige erf; niet hoger dan 3 m gemeten vanaf het aansluitend terrein; zij- of achtererf door dat bouwen voor niet meer dan 50% bebouwd; de totale bruto-oppervlakte van de op het erf aanwezige bouwvergunningsvrij gebouwde bijgebouwen en overkappingen minder dan 30 m², en niet gebouwd bij een woning of woongebouw als bedoeld in artikel 45, eerste lid, van de wet, bij een woonwagen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel e, van de wet of bij een woning of bij een woning of woongebouw die of dat niet voor permanente bewoning is bestemd. [2] Deze tekst is gebaseerd op het Besluit bouwvergunningsvrije en licht-bouwvergunningplichtige bouwwerken, daaraan kunnen in deze weergave geen rechten worden ontleend. Voor het bouwen van een op de grond staand bijgebouw van een bouwlaag of een op de grond staande overkapping van een bouwlaag die voldoet aan de onder bouwvergunningsvrij genoemde kenmerken is niettemin een lichte bouwvergunning vereist indien dat bouwen plaatsvindt: in, op, aan of bij een monument als bedoeld in de monumentenwet 1988 of een monument als bedoeld in een provinciale of gemeentelijke bouwverordening, of in een beschermd stads- of dorpsgezicht als bedoeld in monumentenwet
  5. Een lichte bouwvergunning is voorts vereist voor het bouwen van een bijgebouw of overkapping dat of die niet voldoet aan de onder bouwvergunningsvrij genoemde kenmerken, met dien verstande dat: de hoogte van het bijgebouw of de overkapping, gemeten vanaf het aansluitend terrein, minder is dan 5 m; de bruto-oppervlakte van het bijgebouw of de overkapping minder is dan 50 m². in alle andere gevallen is een reguliere bouwvergunning vereist. BIJGEBOUWEN OF OVERKAPPINGEN Deze criteria komen aan de orde als het bestemmingsplan zich daar niet tegen verzet of wanneer burgemeester en wethouders overwegen daarvan vrijstelling te verlenen. Geen welstandsbeoordeling is vereist wanneer voor het bouwwerk een vergunning ingevolge de Monumentenwet 1988 vereist is. Voor die bouwwerken wordt advies bij de monumentencommissie ingewonnen. Het bouwwerk is in ieder geval niet in strijd met redelijke eisen van welstand als aan de onderstaande voorwaarden wordt voldaan: het bouwwerk is overeenkomstig een bestaand bijgebouw of een bestaande overkapping op hetzelfde type en hetzelfde bouwblok dat minder dan 5 jaar geleden met een positief welstandsadvies is gerealiseerd, of het bouwwerk is overeenkomstig het ontwerp van de architect, die het project ontworpen heeft waarvan het bouwplan deel uitmaakt en waarvoor een positief welstandsadvies is gegeven, of het bouwplan voldoet, indien geen trendsetter aanwezig is zoals vermeld onder A, aan de volgende criteria: Plaatsing op het achter- of zijerf, 1 m achter de voorgevelrooilijn. Vorm plat afgedekt of bij aanbouw en uitbreiding aansluiten bij bestaande dakvorm. Materiaal baksteen of hout. Kleur overeenkomstig het hoofdgebouw, of ingetogen aardkleuren en donkere tinten. Gebiedsgerichte criteria dit zijn basiseisen, per deelgebied kan daarvan worden afgeweken, er kunnen minder of meer eisen worden gesteld. Zie daarvoor de gebiedsgerichte criteria die voor het adres gelden. 4.3Kozijn- of gevelwijzigingen Van een gevelwijziging is sprake bij het veranderen of verplaatsen van een kozijn, venster, deur of gevelpaneel in de buitenmuur van een gebouw Vergunning Het veranderen van een kozijn, kozijninvulling, luik of gevelpaneel van een bestaande woning, bestaand woongebouw of een bij een bestaande woning of een bestaand woongebouw behorend bijgebouw is bouwvergunningsvrij[3] mits wordt voldaan aan de volgende kenmerken: Niet aangebracht in de voorgevel van een woning of woongebouw of een naar de weg of het openbaar groen gekeerde zijgevel van een woning of woongebouw, en De bestaande gevelopening wijzigt niet. [3] Deze tekst is gebaseerd op het Besluit bouwvergunningsvrije en licht-bouwvergunningplichtige bouwwerken, daaraan kunnen in deze weergave geen rechten worden ontleend Een lichte bouwvergunning is vereist wanneer een gevelwijziging die overigens voldoet aan de kenmerken om bouwvergunningsvrij te worden plaatsvindt: In, op, aan of bij een monument als bedoeld in de monumentenwet 1988 of een monument als bedoeld in een provinciale of gemeentelijke bouwverordening, of In een beschermd stads- of dorpsgezicht als bedoeld in monumentenwet
  6. Een lichte bouwvergunning is voorts vereist indien de gevelwijziging niet voldoet aan de onder bouwvergunningsvrij genoemde kenmerken. KOZIJN- OF GEVELWIJZIGINGEN In de ACHTERGEVEL en niet openbaar gelegen ZIJGEVEL Geen welstandsbeoordeling is vereist wanneer voor het bouwwerk een vergunning ingevolge de Monumentenwet 1988 vereist is. Voor die bouwwerken wordt advies bij de monumentencommissie ingewonnen. Het bouwwerk is in ieder geval niet in strijd met redelijke eisen van welstand als aan de onderstaande voorwaarden wordt voldaan: de gevelwijziging is overeenkomstig een bestaande gevelwijziging op hetzelfde type en hetzelfde bouwblok dat minder dan 5 jaar geleden met een positief welstandsadvies is gerealiseerd, of de gevelwijziging is overeenkomstig het ontwerp van de architect, die het project ontworpen heeft waarvan het bouwplan deel uitmaakt en waarvoor een positief welstandsadvies is gegeven, of het bouwplan voldoet, indien geen trendsetter aanwezig is zoals vermeld onder A, aan de volgende criteria: Plaatsing in de achtergevel of niet openbaar gelegen zijgevel van een woning, woongebouw of een daarbij behorend bijgebouw Vorm Maatvoering Materiaal Kleur vorm, maatvoering, materiaal en kleur zijn welstandsvrij voor wat betreft de achtergevel op de begane grond en bijgebouwen. Voor de gevels op de verdieping(en) geldt hetgeen voor de voorgevel en de openbaar gelegen zijgevel is bepaald. Gebiedsgerichte criteria dit zijn basiseisen, per deelgebied kan daarvan worden afgeweken, er kunnen minder of meer eisen worden gesteld. Zie daarvoor de gebiedsgerichte criteria die voor het adres gelden. KOZIJN- OFGEVELWIJZIGINGEN In de VOORGEVEL en de openbaar gelegen ZIJGEVEL Geen welstandsbeoordeling is vereist wanneer voor het bouwwerk een vergunning ingevolge de Monumentenwet 1988 vereist is. Voor die bouwwerken wordt advies bij de monumentencommissie ingewonnen. Het bouwwerk is in ieder geval niet in strijd met redelijke eisen van welstand als aan de onderstaande voorwaarden wordt voldaan: de gevelwijziging is overeenkomstig een bestaande gevelwijziging op hetzelfde type en hetzelfde bouwblok dat minder dan 5 jaar geleden met een positief welstandsadvies is gerealiseerd, of de gevelwijziging is overeenkomstig het ontwerp van de architect, die het project ontworpen heeft waarvan het bouwplan deel uitmaakt en waarvoor een positief welstandsadvies is gegeven, of het bouwplan voldoet, indien geen trendsetter aanwezig is zoals vermeld onder A, aan de volgende criteria: Plaatsing in de voorgevel van en woning of woongebouw of een naar de weg of het openbaar groen gekeerde zijgevel; Vorm - zonder aantasting van de bestaande gevelopening; - bij vervanging van een garagedeur door een pui: geen gemetselde borstwering; - bij vervanging van kozijnpuien: pui-indeling gelijk aan bestaand. Maatvoering - profielmaten gelijk of nagenoeg gelijk aan bestaande kozijnonderdelen; - nieuwe gevelopeningen: in de zijgevel: maximaal 1 m² voor een raam; maximaal 2,5 m² voor een deur. Materiaal - overeenkomstig de bestaande kozijnen. Bij de toepassing van ander materiaal worden profilering en afmetingen gehandhaafd. Kleur - bij vervanging van kozijnpuien: afwijkende kleurstelling van de borstweringen toepassen ten opzichte van de gevel, afgestemd op de reeds gerealiseerde wijzingen in hetzelfde blok woningen. - overeenkomstig het hoofdgebouw. Gebiedsgerichte criteria dit zijn basiseisen, per deelgebied kan daarvan worden afgeweken, er kunnen minder of meer eisen worden gesteld. Zie daarvoor de gebiedsgerichte criteria die voor het adres gelden. 4.4Dakkapellen Omschrijving Een dakkapel is een bescheiden uitbouw in de kap, bedoeld om de lichtinval te verbeteren en het bruikbaar vloeroppervlak te vergroten Vergunning Het bouwen van een dakkapel op een bestaand gebouw is bouwvergunningsvrij[4] indien wordt voldaan aan de volgende kenmerken: Gebouwd op het achterdakvlak of een niet naar de weg of het openbaar groen gekeerd zijdakvlak; Afstand tot de voorgevel meer dan 1 m; Voorzien van een plat dak; Zijwanden ondoorzichtig; Hoogte, gemeten vanaf de voet van de dakkapel, minder dan 1,5 m; Onderzijde meer dan 0,5 m en minder dan 1 m boven de dakvoet; Bovenzijde meer dan 0,5 m onder de daknok; Zijkanten meer dan 0,5 m van de zijkanten van het dakvlak, en Niet gebouwd op een woning of woongebouw als bedoeld in artikel 45, eerste lid, van de wet, op een woonwagen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel e, van de wet of op een woning of woongebouw die of dat niet voor permanente bewoning is bestemd. [4] Deze tekst is gebaseerd op het Besluit bouwvergunningsvrije en licht-bouwvergunningplichtige bouwwerken, daaraan kunnen in deze weergave geen rechten worden ontleend Voor het bouwen van een dakkapel die voldoet aan de onder bouwvergunningsvrij genoemde kenmerken, is niettemin een lichte bouwvergunning vereist indien dat plaatsvindt: In, op, aan of bij een monument als bedoeld in de monumentenwet 1988 of een monument als bedoeld in een provinciale of gemeentelijke bouwverordening, of In een beschermd stads- of dorpsgezicht als bedoeld in monumentenwet
  7. Een lichte bouwvergunning is voorts vereist indien de dakkapel niet voldoet aan de onder bouwvergunningsvrij genoemde kenmerken. DAKKAPELLEN in het ACHTERDAKVLAK of niet openbaar gelegen ZIJDAKVLAK Deze criteria komen aan de orde als het bestemmingsplan zich daar niet tegen verzet of wanneer burgemeester en wethouders overwegen daarvan vrijstelling te verlenen. Geen welstandsbeoordeling is vereist wanneer voor het bouwwerk een vergunning ingevolge de Monumentenwet 1988 vereist is. Voor die bouwwerken wordt advies bij de monumentencommissie ingewonnen. Het bouwwerk is in ieder geval niet in strijd met redelijke eisen van welstand als aan de onderstaande voorwaarden wordt voldaan: het bouwplan is overeenkomstig een bestaande dakkapel op hetzelfde type en hetzelfde bouwblok dat minder dan 5 jaar geleden met een positief welstandsadvies is gerealiseerd, of de dakkapel is overeenkomstig het ontwerp van de architect, die het project ontworpen heeft waarvan het bouwplan deel uitmaakt en waarvoor een positief welstandsadvies is gegeven, of het bouwplan voldoet indien geen trendsetter aanwezig is zoals vermeld onder A, aan de volgende criteria: Plaatsing onderzijde meer dan 0,5 m en niet meer dan 1 m boven de dakvoet; Vorm plat afgedekt; Maatvoering hoogte: max. 1,5 m. Materiaal overeenkomstig het hoofdgebouw. Kleur overeenkomstig het hoofdgebouw, of in de kleur van de dakbedekking. Gebiedsgerichte criteria dit zijn basiseisen, per deelgebied kan daarvan worden afgeweken, er kunnen minder of meer eisen worden gesteld. Zie daarvoor de gebiedsgerichte criteria die voor het adres gelden. DAKKAPELLEN In het VOORDAKVLAK of het openbaar gelegen ZIJDAKVLAK Deze criteria komen aan de orde als het bestemmingsplan zich daar niet tegen verzet of wanneer burgemeester en wethouders overwegen daarvan vrijstelling te verlenen. Geen welstandsbeoordeling is vereist wanneer voor het bouwwerk een vergunning ingevolge de Monumentenwet 1988 vereist is. Voor die bouwwerken wordt advies bij de monumentencommissie ingewonnen. Het bouwwerk is in ieder geval niet in strijd met redelijke eisen van welstand als aan de onderstaande voorwaarden wordt voldaan: het bouwplan is overeenkomstig een bestaande dakkapel op hetzelfde type en hetzelfde bouwblok dat minder dan 5 jaar geleden met een positief welstandsadvies is gerealiseerd, of de dakkapel is overeenkomstig het ontwerp van de architect, die het project ontworpen heeft waarvan het bouwplan deel uitmaakt en waarvoor een positief welstandsadvies is gegeven, of het bouwplan voldoet, indien geen trendsetter aanwezig is zoals vermeld onder A, aan de volgende criteria: Plaatsing - bij een dwarskap: afstand tot de voorgevel meer dan 3 m; - onderkant meer dan 0,5 m en niet meer dan 1 m boven de dakvoet; - bovenkant meer dan 0,5 m onder de daknok; - afstand tot de zijkant van de woning minimaal 0,5 m. Vorm - voorzien van een plat dak; - zijwanden ondoorzichtig; - geen borstwering. Maatvoering - één per dakvlak; - breedte maximaal 50% van de breedte van het dakvlak tot een maximum van 2,5 m; - hoogte maximaal 1,5 m, inclusief boeiboord. Materiaal overeenkomstig bestaande kozijnen. Bij de toepassing van ander materiaal worden profilering en afmetingen gehandhaafd. Kleur (gebroken) wit of overeenkomstig het hoofdgebouw. Gebiedsgerichte criteria dit zijn basiseisen, per deelgebied kan daarvan worden afgeweken, er kunnen minder of meer eisen worden gesteld. Zie daarvoor de gebiedsgerichte criteria die voor het adres gelden. 4.5Erf- of perceelafscheidingen Omschrijving Tuinmuren, hekwerken, schuttingen en allerhande kant- en klare afscheidingen zoals vlechtschermen kunnen als erf- of perceelafscheidingen worden gebruikt[5] Vergunning Het bouwen van een erfscheiding is bouwvergunningsvrij[6] mits wordt voldaan aan de volgende kenmerken: Niet hoger dan 1 m; Niet hoger dan 2 m en gebouwd: op een erf of perceel waarop reeds een gebouw staat; meer dan 1 m achter de voorgevelrooilijn; meer dan 1 m van de weg of het openbaar groen. [5] Hier wordt verder de term erfafscheiding gebruikt [6] Deze tekst is gebaseerd op het Besluit bouwvergunningsvrije en licht-bouwvergunningplichtige bouwwerken, daaraan kunnen in deze weergave geen rechten worden ontleend Voor het bouwen van een erfafscheiding die voldoet aan de onder bouwvergunningsvrij genoemde kenmerken, is niettemin een lichte bouwvergunning vereist indien dat plaatsvindt: In, op, aan of bij een monument als bedoeld in de monumentenwet 1988 of een monument als bedoeld in een provinciale of gemeentelijke bouwverordening, of In een beschermd stads- of dorpsgezicht als bedoeld in monumentenwet
  8. Een lichte bouwvergunning is voorts vereist indien de erfafscheiding niet voldoet aan de onder bouwvergunningsvrij genoemde kenmerken. ERF- OF PERCEELAFSCHEIDINGEN op het ACHTERERF en het niet openbaar gelegen ZIJERF Deze criteria komen aan de orde als het bestemmingsplan zich daar niet tegen verzet of wanneer burgemeester en wethouders overwegen daarvan vrijstelling te verlenen. Geen welstandsbeoordeling is vereist wanneer voor het bouwwerk een vergunning ingevolge de Monumentenwet 1988 vereist is. Voor die bouwwerken wordt advies bij de monumentencommissie ingewonnen. Het bouwwerk is in ieder geval niet in strijd met redelijke eisen van welstand als aan de onderstaande voorwaarden wordt voldaan: het bouwplan is overeenkomstig een bestaande erfafscheiding in hetzelfde type en hetzelfde bouwblok dat minder dan 5 jaar geleden met een positief welstandsadvies is gerealiseerd, of de erfafscheiding is overeenkomstig het ontwerp van de architect, die het project ontworpen heeft waarvan het bouwplan deel uitmaakt en waarvoor een positief welstandsadvies is gegeven. ERF- OF PERCEELAFSCHEIDINGEN op het VOORERF en het openbaar gelegen ZIJERF Deze criteria komen aan de orde als het bestemmingsplan zich daar niet tegen verzet of wanneer burgemeester en wethouders overwegen daarvan vrijstelling te verlenen. Geen welstandsbeoordeling is vereist wanneer voor het bouwwerk een vergunning ingevolge de Monumentenwet 1988 vereist is. Voor die bouwwerken wordt advies bij de monumentencommissie ingewonnen. Het bouwwerk is in ieder geval niet in strijd met redelijke eisen van welstand als aan de onderstaande voorwaarden wordt voldaan: het bouwplan is overeenkomstig een bestaande erfafscheiding in hetzelfde type en hetzelfde bouwblok dat minder dan 5 jaar geleden met een positief welstandsadvies is gerealiseerd, of de erfafscheiding is overeenkomstig het ontwerp van de architect, die het project ontworpen heeft waarvan het bouwplan deel uitmaakt en waarvoor een positief welstandsadvies is gegeven, of het bouwplan voldoet, indien geen trendsetter aanwezig is zoals vermeld onder A, aan de volgende criteria: Plaatsing - op het zijerf tot 1 m voor de voorgevel; - in het verlengde van de zijgevellijn of iets teruggeplaatst i.c. beplanting. Vorm - in één lijn en horizontaal; - voldoende transparantie; - visuele onderbreking door verschil in hoogte, elkaar afwisselende horizontale, verticale of diagonale geledingen Maatvoering maximaal 2 m hoog. Materiaal hout of baksteen. Kleur aardkleuren of overeenkomstig het hoofdgebouw. Gebiedsgerichte criteria dit zijn basiseisen, per deelgebied kan daarvan worden afgeweken, er kunnen minder of meer eisen worden gesteld. Zie daarvoor de gebiedsgerichte criteria die voor het adres gelden. 4.6Reclame-uitingen Omschrijving Reclame is een openbare aanprijzing om de afzet van goederen of diensten te bevorderen. Ook muren of gedeelten daarvan, waarop de reclame wordt aangebracht, vallen onder het begrip reclamebord. Onder reclame wordt ook verstaan tekeningen en opschriften voor het aankondigen van bijvoorbeeld politieke, culturele of sportactiviteiten en naamsaanduidingen. Vergunning Voor reclameborden van welke vorm dan ook is vergunning van de gemeente nodig. Er is op grond van de Algemene Plaatselijke Verordening (A.P.V.) een vergunning nodig voor borden die zichtbaar zijn vanaf de openbare weg en die u plaatst langs de openbare weg of ergens in de open lucht. De aanvraag zal ook getoetst worden aan de zogenaamde redelijke eisen van welstand. Dit laatste betekent dat de reclame-uiting esthetisch moet passen in de omgeving en bij het gebouw waar het geplaatst is. Voor het plaatsen van (permanente) reclame, waaronder lichtreclames, is meestal een bouwvergunning vereist. Tijdelijke reclame mag niet eerder dan vier weken voor de te houden activiteit worden aangebracht en moet na afloop van het evenement zo spoedig mogelijk worden verwijderd. Gezamenlijk met het bouwplan moet een reclameplan worden ingediend voor de welstandsbeoordeling. RECLAME-UITINGEN Deze criteria komen aan de orde als het bestemmingsplan zich daar niet tegen verzet of wanneer burgemeester en wethouders overwegen daarvan vrijstelling te verlenen. Geen welstandsbeoordeling is vereist wanneer voor het bouwwerk een vergunning ingevolge de Monumentenwet 1988 vereist is. Voor die bouwwerken wordt advies bij de monumentencommissie ingewonnen. Het bouwwerk is in ieder geval niet in strijd met redelijke eisen van welstand als aan de onderstaande voorwaarden wordt voldaan: Het bouwplan voldoet aan de criteria, zoals vermeld in de Reclamenota van de gemeente Scherpenzeel (vastgesteld … 2009). Afdeling5Objectgerichte criteria In het buitengebied komen verschillende soorten bebouwing voor, te weten de historische agrarische bebouwing (voornamelijk van het hallenhuis-type), agrarische bedrijfsbebouwing, agrarische woningen en burgerwoningen, recreatieterreinen en landgoederen. In het navolgende worden hiervoor objectgerichte criteria opgesteld, die eventueel per landschapstype of per gebied kunnen worden aangepast. Om die reden wordt steeds verwezen naar de gebiedscriteria buitengebied. 5.1Object 'hallenhuisboerderij' Objectbeschrijving Verspreid in de Gelderse Vallei komen hallenhuizen voor als het kenmerkend boerderijtype. In het hallenhuis zijn woonruimte en werk-/ opslagruimte onder één dak geplaatst. Het merendeel van de gebouwen is met het woongedeelte georiënteerd op de weg. Kenmerkend is de eenvoudige en veelal rechthoekige plattegrond. Er is overwegend sprake van één bouwlaag, die afgedekt wordt door een forse (rieten)kap. Meestal is sprake van een zadeldak, al dan niet met wolfseinden met de nokrichting haaks op de weg. Ook komen mansardekappen voor. Het betreft overwegend donkere dakbedekking (van donkerbruin tot antracietkleurig) met riet, gebakken pannen, of een combinatie daarvan. Als accent is vaak een stevige gemetselde schoorsteen aanwezig. Windveren sieren de overgang van de gevel naar de kap. In het algemeen hebben de houten onderdelen zoals windveren en kozijnen witte en/ of donkergroene kleuren. De gevelindeling volgt de driehoekige doorsnede van de kap en heeft veelal geen uitbouw. De openingen op de begane grondlaag zijn breed en hoog en verdeeld in twee tot vier ramen / deuren, in een symmetrisch patroon. In de topgevel bevinden zich kleinere ramen, waarvan het aantal ten opzichte van de begane grondlaag altijd kleiner is. Op deze manier ontstaat er een hiërarchische opbouw van de gevel, die rust en stabiliteit uitstraalt. De gevels zijn voorzien van een gepleisterde plint met een donkere kleur (donkergrijs, donkerbruin, antracietkleurig). De gevels zelf zijn overwegend opgetrokken uit roodachtige baksteen met donker of lichte tinten in staand verband (een kopse laag afgewisseld met een strekse laag) bij oorspronkelijke gebouwen of in halfsteens verband bij verbouwingen. De openingen zijn vaak voorzien van rollagen (rechte en gebogen) met een eenvoudige motief tot geraffineerde details. Gepleisterde gevels komen ook voor. Het opgaand pleisterwerk heeft meestal een gebroken wit / lichtgrijze tint met soms okergele / crème nuances. De gepleisterde plint kan zwart, donkergrijs of donkergroen zijn. De kozijnen zijn in dat geval ook meestal wit tot crèmekleurig. Soms is er verschil aangebracht in de materiaalkeuze van het woon- en het werkgedeelte. In ieder geval is het onderscheid zichtbaar in de gevelindeling. De ramen zijn in het bedrijfsgedeelte kleiner van omvang en kleiner in aantal. Daar tegenover staan de relatief grote openingen (toegangsdeuren). Op het achter- en/ of zijerf zijn in de loop der jaren veelal bedrijfsgebouwen ontstaan. Waardebepaling, ontwikkelingen en beleid Het hallenhuis is typerend voor de agrarische bebouwing op de zandgronden. Veel panden zijn cultuurhistorisch waardevol en een aantal is dan ook aangewezen als monument. Het hallenhuis staat reeds geruime tijd echter onder druk door de veranderingen in de landbouw. Het bedrijfsgedeelte van het hallenhuis voldoet veelal niet meer aan de eisen die op dit moment aan agrarische bebouwing gesteld worden. Daartoe verrijst naast de oorspronkelijke bebouwing grootschaliger bedrijfsbebouwing. Ook verliest een groot aantal boerderijen de oorspronkelijke functie. Veelal komt daar een (extra) niet-agrarische woonfunctie voor in de plaats. Soms is er sprake van niet-agrarische bedrijfsactiviteiten. Bij verbouw, waarvan hier dus sprake is, dienen die oorspronkelijke kenmerken gerespecteerd te worden, als vertrekpunt voor de nieuwe situatie. Objectcriteria Ruimtelijke structuur de bouwwerken passen in de omgevingskarakteristiek (bebouwing) en houden rekening met de bestaande organisatie op het perceel en zijn gerelateerd aan de landschappelijke inrichting. Plaatsing de bestaande plaatsing wordt gehandhaafd; de plaatsing van bijgebouwen is ondergeschikt aan het hoofdgebouw. Massa en vorm de hoofdvorm is enkelvoudig en rechthoekig; aan- en uitbouwen zijn in de massa ondergeschikt aan het hoofdgebouw en worden terughoudend vormgegeven; er worden ononderbroken, forse kappen toegepast; de gevelgeleding wordt gekenmerkt door een evenwichtige, hiërarchische opbouw; de oorspronkelijke indeling naar woon- en bedrijfsgedeelte blijft herkenbaar in de gevelopzet. Detaillering, kleur- en materiaalgebruik de hoofdmaterialen zijn natuurlijke materialen: (bak-)steen, pleisterwerk, hout, dakpannen en riet; de hoofdkleuren zijn gedempte (aard-)kleuren of stucwerk in gebroken wit of grijs. Signaalkleuren zijn niet toegestaan. kleurgebruik en detaillering van aan- en uitbouwen zijn afgestemd op de hoofdmassa; de kleuren van luiken sluiten aan op lokaal of regionaal gebruik; er worden in ieder geval bij het oorspronkelijke woongedeelte een plint toegepast, met een donkere tint. detaillering als gootlijsten, windveren, kozijnen e.d. zijn zorgvuldig en duidelijk, waarbij de bestaande detaillering als vertrekpunt genomen wordt. Eventuele nadere bepalingen per gebied zijn te vinden in de gebiedsbeschrijving en de -criteria. 5.2Object 'agrarische bedrijfswoning' Objectbeschrijving In het buitengebied komt veel losstaande agrarische bedrijfswoningen voor. Daarin hebben zich de afgelopen periode veel veranderingen voorgedaan, waarbij nieuwbouw is verschenen. De modernere agrarische woonbebouwing heeft in tegenstelling tot het hallenhuis de woon- en werkruimtes niet onder één dak. Soms zijn woonbebouwing en bijgebouwen geheel van elkaar gescheiden. Bijgebouwen en aan- en uitbouwen staan naast of achter de hoofdmassa. De veelal haaks op de straat staande zadeldaken zijn voorzien van rode of donkere dakpannen. De opbouw van de massa is eenvoudig met rechte lijnen en symmetrische opbouw van de gevels. Decoraties en ornamenten komen nauwelijks voor en het materiaalgebruik bestaat uit (bak)steen met kozijnen van hout. Waardebepaling, ontwikkelingen en beleid De agrarische bedrijfswoningen zijn functioneel gebonden aan het buitengebied. Er is een tendens waarneembaar waarbij de bedrijfswoning ‘los komt’ van de overige agrarische bebouwing, door de toepassing van afwijkende vormen en afwijkend kleur- en materiaalgebruik. De identiteit van het agrarische karakter van het gebied verandert daarmee. De gemeente streeft naar het herkenbaar houden van de (oorspronkelijke) agrarische functie van de bebouwing. De welstandsbeoordeling richt zich dan ook op het handhaven of het gericht veranderen en verbeteren van de basiskwaliteit van het gebied. Objectcriteria Ruimtelijke structuur de bouwwerken passen in de omgevingskarakteristiek (bebouwing) en houden rekening met de bestaande organisatie op het perceel en zijn gerelateerd aan de landschappelijke inrichting. Plaatsing in de directe nabijheid van de weg is de woning georiënteerd op de weg; Massa en vorm de hoofdvorm is enkelvoudig en rechthoekig en afgestemd op belendende bebouwing; aan- en uitbouwen zijn in de massa ondergeschikt aan het hoofdgebouw en worden terughoudend vormgegeven; er worden ononderbroken, forse kappen toegepast; de gevelgeleding wordt gekenmerkt door een evenwichtige, hiërarchische opbouw; de nokrichting is in de verkavelingsrichting van het landschap. Detaillering, kleur- en materiaalgebruik de hoofdmaterialen zijn natuurlijke materialen: (bak-)steen, pleisterwerk, hout, dakpannen, riet en grasdak; de hoofdkleuren zijn gedempte (aard-)kleuren of stucwerk in gebroken wit of grijs; kleurgebruik en detaillering van aan- en uitbouwen zijn afgestemd op de hoofdmassa; materiaalgebruik en kleuren van bijgebouwen in de nabijheid van het hoofdgebouw zijn afgestemd op het hoofdgebouw; detailleringen worden terughoudend en sober uitgevoerd. Eventuele nadere bepalingen per gebied zijn te vinden in de gebiedsbeschrijving en de -criteria. 5.3Object 'niet agrarische woonbebouwing' Objectbeschrijving Op diverse plekken in het buitengebied zijn van oudsher burgerwoningen aanwezig: bescheiden arbeidershuisjes, woningen en villa’s. Het aantal burgerwoningen neemt de laatste jaren toe. Het gaat daarbij om toevoegingen en om veranderingen waarbij agrarische functies plaats maken voor woonfuncties. Het betreft veelal vrijstaande woningen die refereren aan een boerderijstijl of villa’s met een historiserende maar ook met een moderne architectuur. De woningen hebben overwegend één bouwlaag en nooit meer dan twee bouwlagen. Er komen veel verschillende dakvormen voor. De vormen van de massa voornamelijk enkelvoudig en geometrisch. Detailleringen, kleur- en materiaalgebruik zijn zeer divers. Waardebepaling, ontwikkelingen en beleid Vooral de gebieden dicht bij de kernen hebben een grote aantrekkingskracht, door de beschikbare ruimte en de extensieve bebouwingsdichtheid. Op een aantal plaatsen binnen de gemeente wordt gebruik gemaakt van de Ruimte-voor-ruimte-regeling, waarbij agrarische opstallen verdwijnen en in een enkel geval een nieuwe burgerwoning wordt toegevoegd. Daarnaast is binnen de in het bestemmingsplan aangeduide gebieden “landgoed” en “bufferzone” op bestaande locaties landelijk wonen toegestaan. Er kan een extra grote woning worden gerealiseerd, waarvoor in ruil natuur- en landschapsontwikkeling plaatsvindt. Het extensieve karakter van het buitengebied moet behouden blijven. Objectcriteria Ruimtelijke structuur -de bouwwerken passen in de omgevingskarakteristiek (bebouwing) en houden rekening met de bestaande organisatie op het perceel en zijn gerelateerd aan de landschappelijke inrichting. Plaatsing in de directe nabijheid van de weg, is de woning georiënteerd op de weg; de plaatsing van bijgebouwen is ondergeschikt aan het hoofdgebouw. Massa en vorm de hoofdvorm is enkelvoudig en rechthoekig; aan- en uitbouwen zijn in de massa ondergeschikt aan het hoofdgebouw en worden terughoudend vormgegeven; de gevelgeleding wordt gekenmerkt door een evenwichtige, hiërarchische opbouw; er worden ononderbroken, forse kappen toegepast; de nokrichting is in de verkavelingsrichting van het landschap. Detaillering, kleur- en materiaalgebruik de hoofdmaterialen zijn natuurlijke materialen: (bak-)steen, pleisterwerk, hout, dakpannen,riet en grasdak; de hoofdkleuren zijn gedempte (aard-)kleuren; kleurgebruik en detaillering van aan- en uitbouwen zijn afgestemd op de hoofdmassa; materiaalgebruik en kleuren van bijgebouwen in de nabijheid van het hoofdgebouw zijn afgestemd op het hoofdgebouw; bij verbouw worden bestaande details gerespecteerd; de bebouwing is niet gebonden aan een bepaalde bouwstijl; de woningen hebben een individuele uitstraling. Eventuele nadere bepalingen per gebied zijn te vinden in de gebiedsbeschrijving en de -criteria. 5.4Object 'bedrijfsbebouwing' De hoofdopzet van een agrarisch of niet-agrarisch bebouwingscomplex is een hoofdgebouw (woning) met meerdere schuren en stallen. Het hoofdgebouw valt op door zijn ligging in het complex: meestal naar de weg gericht en nokrichting haaks op de weg met de bijgebouwen achter of gelijk met de voorgevellijn van het hoofdgebouw. Het hoofdgebouw kan ook geflankeerd zijn door later toegevoegde bijgebouwen of wanneer een nieuw hoofdgebouw (zoals een tweede woning voor de ‘rustende boer’) naast de oorspronkelijke bebouwing is neergezet. Bijgebouwen bestaan vaak uit één of meer lange bedrijfshallen of stallen. Daarnaast komen veelvuldig één of meer werktuigbergingen of schuren voor. Het gaat voor het merendeel om grote, eenvoudige, rechthoekige constructies met een zadeldak gedekt met grijze golfplaten. De meeste gebouwen zijn gemetseld op een simpele wijze met een oranje tot rode baksteen in halfsteens verband, soms gedeeltelijk open of bedekt met een damwandprofiel. Overwegend is sprake van een zadeldak en een situering haaks op de weg. De schuren of stallen kunnen vrijstaand zijn maar ook gecombineerd, zowel onderling als via een plat verbindingsstuk aan het woonhuis. De bijgebouwen zijn gesitueerd afhankelijk van de ruimtelijke mogelijkheden van het perceel. Bij brede en ondiepe kavels kunnen de bijgebouwen haaks staan op het hoofdgebouw. Waardebepaling, ontwikkelingen en beleid Stallen, schuren en andere bedrijfshallen kunnen een grote invloed hebben op het bebouwingsbeeld. Ze kunnen een storende invloed hebben wanneer ze hoger zijn dan de hoofdbebouwing en afwijkende vormen en kleuren hebben. De gemeente streeft naar het beeld van de ondergeschiktheid van bijgebouwen aan het hoofdgebouw. Een goede landschappelijke inpassing van deze bebouwing is van belang. De bestaande bebouwing en de hoofdgebouwen vormen het kader voor de welstandstoets. Objectcriteria Ruimtelijke structuur -de bouwwerken passen in de omgevingskarakteristiek (bebouwing) en houden rekening met de bestaande organisatie op het perceel en zijn gerelateerd aan de landschappelijke inrichting. Massa en vorm de hoofdvorm is enkelvoudig en rechthoekig; de nokrichting is in de verkavelingsrichting van het landschap. de massaopbouw op het erf is in onderlinge samenhang; de gevelgeleding is horizontaal en wordt gekenmerkt door een evenwichtige, hiërarchische opbouw. Detaillering, kleur- en materiaalgebruik de gevels worden in metselwerk uitgevoerd. Ander materiaal is toegestaan, mits in donkere tinten uitgevoerd envoorzien van een profiel en een zichtbare metselwerkplint; de dakvlakken worden in pannen uitgevoerd. Ander materiaal, is toegestaan mits in donkergrijze tinten uitgevoerd, afwijkend van de gevelkleur en voorzien van een profiel. Eventuele nadere bepalingen per gebied zijn te vinden in de gebiedsbeschrijving en de -criteria. 5.5Object 'recreatieve bebouwing' Objectbeschrijving In het gebied bevinden zich diverse recreatieterreinen voor verblijfsrecreatie. De terreinen worden veelal omringd door opgaande beplanting, waardoor deze vanaf de openbare weg niet of nauwelijks zichtbaar zijn. De bebouwing is kleinschalig en introvert ten opzichte van de omgeving, zij is niet prominent in het landschap aanwezig. De recreatieve bebouwing heeft veelal één bouwlaag met een bescheiden zadel- of tentdak. Het betreft enkelvoudige vormen, met de nadruk op rechte lijnen en een geordende gevelindeling. De geleding is evenwichtig. Detailleringen worden niet veelvuldig toegepast bij de recreatieve bebouwing. Overstekken treft men wel veel aan. Het materiaalgebruik bestaat hoofdzakelijk uit natuurlijke materialen: hout en bakstenen, pannen en riet. Waardebepaling, ontwikkelingen en beleid De kleinschaligheid van de bebouwing en de besloten ligging zijn belangrijke waarden. Het beleid van de gemeente is gericht op het in stand houden van het extensieve karakter van de bebouwing (B)
  9. Bij de (ver-)bouw van bebouwing dient extra aandacht te zijn voor de plaatsing in en het karakter van de omgeving. Objectcriteria Ruimtelijke structuur de bouwwerken passen in de omgevingskarakteristiek (bebouwing) en houden rekening met de bestaande organisatie op het perceel en zijn gerelateerd aan de landschappelijke inrichting. Plaatsing de bebouwing mag geen afbreuk doen aan het landelijk karakter van de omgeving; de bouwwerken hebben een gevarieerde plaatsing op de kavels. Massa en vorm de bebouwing is vrijstaand (B)7 de bebouwing heeft niet meer dan één bouwlaag, woonruimte onder de schuine kap is mogelijk (B)
  10. Detaillering, kleur- en materiaalgebruik gevels hebben een neutrale en horizontale geleding en worden gekenmerkt door een evenwichtige, hiërarchische opbouw; detailleringen worden terughoudend en sober uitgevoerd. het materiaalgebruik bestaat in hoofdzaak uit natuurlijke materialen, met de nadruk op hout, baksteen, pannen en riet; het kleurgebruik is ingetogen, met de nadruk op aardkleuren en donkere tinten. Eventuele nadere bepalingen per gebied zijn te vinden in de gebiedsbeschrijving en de -criteria. 7 Criteria waarachter een “(B)” staat zijn van toepassing indien dit niet geregeld is in het bestemmingsplan 5.6Object 'landgoederen' Van oorsprong liggen in het gebied diverse landgoederen, die de ontwikkeling van het landelijke gebied hebben beïnvloed. De landgoederen hebben een rijke historie die terug kan gaan naar de middeleeuwen. De bouwwerken bestaan uit een hoofdgebouw met daar omheen verscheidende bijgebouwen. Bovendien maken veelvuldig verscheidene boerderijen in de directe omgeving deel uit van het landgoed. Het hoofdgebouw van een landgoed heeft een prominente plaatsing op de kavel. De hoofdbebouwing is veelal opgebouwd uit twee bouwlagen met een kap evenwijdig aan de representatieve voorgevel. De gevels zijn overwegend geometrisch opgebouwd, met een verticale geleding en met een samenhangende massaopbouw. Objectcriteria Ruimtelijke structuur de bouwwerken passen in de omgevingskarakteristiek (bebouwing) en houden rekening met de bestaande organisatie op het perceel en zijn gerelateerd aan de landschappelijke inrichting. Plaatsing de plaatsing van bijgebouwen is ondergeschikt aan het hoofdgebouw. Massa en vorm het bouwwerk kent een representatieve gevel die op de openbare ruimte gericht is; de bebouwing wordt gekenmerkt door een rijzig karakter; er worden enkelvoudige en samengestelde kappen toegepast. Detaillering, kleur- en materiaalgebruik de gevelgeleding wordt gekenmerkt door een verticale geleding en horizontale verbanden en door een evenwichtige, hiërarchische opbouw; de hoofdmaterialen zijn natuurlijke materialen: (bak-)steen, pleisterwerk, hout, dakpannen en riet; de hoofdkleuren van de gevels zijn stucwerk in gebroken wit of grijs of gedempte (aard-)kleuren; binnen een dakvlak komen geen kleurverschillen voor; er worden rijke detailleringen toegepast, zoals ornamenten en geveldecoraties; kleurgebruik en detaillering van aan- en uitbouwen zijn afgestemd op de hoofdmassa; materiaalgebruik en kleuren van bijgebouwen in de nabijheid van het hoofdgebouw zijn afgestemd op het hoofdgebouw. Eventuele nadere bepalingen per gebied zijn te vinden in de gebiedsbeschrijving en de -criteria. Gebiedskaart Gemeente Scherpenzeel Afdeling6Gebiedscriteria buitengebied 6.1Ruimtelijke hoofdstructuur Met het oog op het formuleren van welstandsbeleid is het buitengebied van Scherpenzeel opgedeeld in een tweetal karakteristieken van het landschap, te weten het Kampenlandschap en het Heideontginningslandschap. Deze indeling kan mede de basis verschaffen voor de invloed van de uiterlijke verschijningsvorm van bouwwerken op hun omgeving. Ten noorden en ten zuiden van de kern liggen Kampenlandschappen, met enigszins verschillende ruimtelijke karakteristieken. Nabij Gooswilligen is een Heideontginningslandschap te onderscheiden. Daarbij is de begrenzing uit het Landschapsbeleidsplan Scherpenzeel

(2001)aangehouden. Anders dan de overzichtsprent van de landschapstypen van de acht gemeenten beperkt het Heideontginningslandschap zich tot een gebied aan weerszijden van de ontginningsweg Gooswilligen. Van oudsher is de doorgaande weg van Ede naar Zeist een centraal lint door het gebied. Van hieruit lopen een aantal structuurlijnen het omliggende landschap in, zoals de Marktstraat die over gaat in de Rennessersteeg en de Haar, De Willaerlaan, die overgaat in de Moorsterweg en De Oude Barneveldseweg, die overgaat in de Barneveldsestraat. Sinds de aanleg van De Dreef wordt de Oude Barneveldseweg onderbroken. Ook de Vlieterweg en de Hopeseweg zijn reeds lang bestaande wegen. Verder ligt in het gebied een aantal beken. Deze beken hebben ook bij de ontginning een rol gespeeld. Voor een deel is dit terug te zien in het verkavelingpatroon, de ligging en de vorm van de kavels. Ontwikkeling en beleid Op diverse plaatsen binnen de gemeente wordt aanspraak gedaan op de Ruimte-voor-ruimte-regeling, waarbij agrarische opstallen verdwijnen en in een enkel geval een nieuwe burgerwoning wordt toegevoegd. In dat geval is het Beeldkwaliteitplan Functieverandering Gelderse Vallei vermeldenswaard. Daarin worden specifieke uitspraken gedaan over de wijze waarop bij functieverandering in het buitengebied van o.a. de gemeente Scherpenzeel wordt omgegaan met de kenmerken van de bebouwing ten aanzien van de plaatsing, oriëntatie en massa. Ook de landschappelijke inpassing komt in dat plan aan de orde, maar dat is buiten de reikwijdte van het welstandsbeleid. Voorts is de voortdurende schaalvergroting binnen de agrarische sector van belang. Dat gaat gepaard met stallen met een lengte van 100 meter en meer. De landschappelijke inpassing is daar een belangrijk aandachtspunt, maar daarin is geen taak weggelegd voor de welstandsnota. Gebouwen langs de belangrijkste routes, De Dreef en de Barneveldsestraat, zijn het visitekaartje van Scherpenzeel. Hier wordt bijzonder belang gehecht aan de welstandstoetsing. In de overige gebieden gaat het vooral om het handhaven en stimuleren van de basiskwaliteit voor de dagelijkse woon- en werkomgeving. Steeds zal de omgeving uitgangspunt zijn voor de te hanteren criteria, met daarnaast specifieke kenmerken van de bebouwing zelf en/of de detaillering en het kleur- en materiaalgebruik ervan. De welstandscriteria hebben betrekking op de ‘overige bebouwing’, bebouwing die niet reeds via de objectcriteria is geregeld. Tevens kan een nuancering van de loket- en objectcriteria plaats hebben. 6.2Kampenlandschap Het Kampenlandschap ligt ten noorden en zuiden van de kern. In het oosten ligt de grens bij het Heideontginningslandschap aan Gooswilligen. In het zuiden ligt de grens bij de Luntersebeek. Aan de west- en noordzijde loopt het gebied over de gemeentegrens door. Het gebied wordt ruimtelijk bepaald door de Barneveldsestraat, de Haar-Kolfschoten, de Renessersteeg en de Willaerlaan. De twee laatstgenoemde wegen lopen (ruimtelijk) door in de kern van Scherpenzeel. Ook ten zuiden van de kern liggen enkele oude wegen, zoals de Vlieterweg, de Nieuwstraat en de Hopeseweg. In dit gebied liggen enkele beeklopen, zoals Gooswillegenbeek, Heintjeskamperbeek, Huigenboschbeek, Moorsterbeek, de Nattegatsloot en in het zuiden de Luntersebeek. Het verkavelingspatroon volgt de bochten in de wegen en de beken. Hierdoor heeft de verkaveling een grillig, onregelmatig en gevarieerd karakter. Het gebied is overwegend agrarisch ingericht. Langs de Ruwwinkelseweg ligt het recreatiepark Klein Ruwwinkel. De beschrijving en criteria voor dit park zijn te vinden in de objectcriteria voor recreatieve bebouwing. Langs de Nieuwstraat bevindt zich een begraafplaats. Door de groene aankleding hiervan, ondersteunt de begraafplaats de plaatselijke, kleinschalige, groene structuur. De Barneveldsestraat is de doorgaande weg door dit gebied. Hieraan ligt een groot aantal agrarische bedrijven. Ook langs De Haar ligt een concentratie van agrarische bebouwing. De oude boerenhoeven staan verspreid, maar ze liggen vrijwel allemaal op of in de directe nabijheid van de dekzandruggen. De landgoedeigenaren hebben een bepalende rol gespeeld in de ontginning. Dit is merkbaar in de variatie in het landschap waarbij landbouwgronden grenzen aan andere landschapselementen als natuurgebieden. Ondanks schaalvergroting binnen de agrarische sector en de toevoeging van bebouwing is het kleinschalige landschap behouden gebleven. De bouwpercelen liggen verspreid in het gebied, voornamelijk langs de wegen, maar ook solitair aan een insteekweg. Kenmerkend voor dit landschap is de kleinschaligheid, door de aanwezige beplanting in de vorm van houtwallen, singels, erf- en wegbeplatingen en verspreide bosschages. Rond een deel van de boerderijen ontbreekt echter de erfbeplanting, waardoor de grootschalige agrarische bebouwing het beeld van het landschap overheerst. Bebouwing Het beeld van de bebouwing varieert. In dit gebied staat een aantal oudere boerderijen haaks op de weg, daterend uit het eind van de 19e eeuw. Een voorbeeld is boerderij Het Dorp, aan Vlieterweg 11. Van oorsprong liggen de boerderijen op de smalle dekzandrug met de achterzijde naar de natte gronden van de beekdalen. De bedrijfswoningen staan over het algemeen aan de weg. Op het erf erachter staan de schuren en stallen. Een enkele keer, zoals bij Groot Orel, reiken de schuren tot aan de voorzijde van het perceel. De boerderijen die in de jaren vijftig en zestig zijn gerealiseerd, zijn voornamelijk georiënteerd op de weg. De bebouwing bestaat uit één en soms twee lagen met een zadeldak, dat dwars op de weg staat. De boerderijen die in de jaren 70 zijn gebouwd bestaan eveneens uit één laag met kap. De schuren en stallen staan vaak achter of naast de agrarische bedrijfswoningen. Recent is ook nog een enkele boerderij toegevoegd of zijn de oorspronkelijke boerderijen vervangen door nieuwere panden, dan wel grondig verbouwd. In een enkel gebouw is aangesloten bij de karakteristiek van het hallenhuistype, met zijn forse kap. Daarnaast is er een nieuw pand gerealiseerd op het landgoed Heintjeskamp. Het is een L-vormig gebouw, met een samengestelde kap. Het pand is gebouwd van witte baksteen, met marmeren pilaren. Bij een enkele boerderij is een schaapskooi aanwezig, zoals langs de Vlieterweg. De schaapskooien waren van oorsprong van belang om de schaapsmest te kunnen verzamelen voor de bemesting van de akkers. Het zijn markante kleine gebouwen met een grote ononderbroken (rieten) kap, tot zeer dicht boven de rond doorlopend. De schaapskooien hebben een bakstenen voet. Oorspronkelijk bestonden de wanden van het gebouw geheel uit hout. Ontwikkeling en beleid Rond de bebouwde kom ligt in het bestemmingsplan Buitengebied
(1988)een kernrandzone. Deze gronden behoren met name tot landgoederen. Hier is ruimte voor natuurontwikkeling en extensivering van de landbouw. Enkele boerderijen, zoals Klein Orel, zijn aangewezen als rijksmonument. Aangezien de bebouwing in dat kader voldoende beschermd wordt, zijn hierop geen extra welstandscriteria van toepassing. In het gebied ten zuiden van de kern staat ontwikkeling van natuurwaarden, gekoppeld aan de ontwikkeling van de ecologische verbindingszone langs de Luntersebeek centraal. Dit gebied zal tot een parkzone worden ontwikkeld, waarin een combinatie van functies in relatie tot het historisch karakter een plaats krijgt. Delen van het gebied bezitten landschappelijke en natuurwaarden. De bescherming van deze waarden is geregeld in het Bestemmingsplan Buitengebied en het Landschapsbeleidsplan. De bebouwing langs De Dreef en de Barneveldsestraat vertegenwoordigt een relatief groot maatschappelijk belang, door de grote mate van zichtbaarheid voor een grote groep mensen. Als nuancering van de objectcriteria worden daarom (gebieds-)criteria specifiek voor deze bebouwing toegevoegd. Welstandscriteria Algemeen de bouwwerken passen in de omgevingskarakteristiek (bebouwing) en de bestaande organisatie op het perceel en zijn gerelateerd aan de landschappelijke inrichting; Plaatsing geen Massa en vorm bebouwing de bebouwing wordt terughoudend vormgegeven; panden hebben een individuele uitstraling; de gevelindeling wordt gekenmerkt door een evenwichtige, hiërarchische opbouw; Detaillering, kleur en materiaalgebruik de hoofdkleuren zijn gedempte (aard-)kleuren. Ter nuancering van de objectcriteria voor hallenhuisboerderij, agrarische bedrijfswoning, niet-agrarische woonbebouwing en bedrijfsbebouwing geldt dat uitsluitend bij de bebouwing in de directe nabijheid van De Dreef en de Barneveldsestraat de hoofdvorm enkelvoudig en rechthoekig is. 6.3Heideontginningslandschap Het heideontginningslandschap aan weerszijden van de weg Gooswilligen is een door bosschages omgeven gebied aan de noordoostkant van de gemeente. Het gebied is ontgonnen vanaf de kaarsrechte, centrale weg, Gooswilligen. De bouwpercelen liggen aan deze weg. De kavels hebben voornamelijk een rechthoekige vorm, met enige nuancering nabij de Nattegatsloot en de Gooswilligenbeek. De agrarische bebouwing is grootschalig en al van ver zichtbaar doordat er weinig beplanting in het gebied aanwezig is. Dat geldt ook voor de erfbeplanting op de bouwpercelen.. Bebouwing De bebouwing in deze relatief jonge ontginning bestaat uit grootschalige, moderne agrarische bedrijven. De boerderijen zijn georiënteerd op de weg. De woning bestaat uit één laag met een zadeldak, dat dwars op de weg of parallel aan de weg staat. De schuren en stallen staan vaak naast de agrarische bedrijfswoning. Beleid De bescherming van de in het buitengebied aanwezige landschappelijke en natuurwaarden is geregeld in het Bestemmingsplan Buitengebied en het Landschapsbeleidsplan. Welstandscriteria Algemeen de bouwwerken passen in de omgevingskarakteristiek (bebouwing) en de bestaande organisatie op het perceel en zijn gerelateerd aan de landschappelijke inrichting; Plaatsing geen Massa en vorm bebouwing de bebouwing wordt terughoudend vormgegeven; panden hebben een individuele uitstraling; de gevelindeling wordt gekenmerkt door een evenwichtige, hiërarchische opbouw; Detaillering, kleur en materiaalgebruik de hoofdkleuren zijn gedempte (aard-)kleuren en afgestemd op de omgeving. Afdeling7Gebiedsanalyse van het dorp In Scherpenzeel zijn verschillende gebieden te onderscheiden die relevant zijn ten aanzien van de toetsing aan redelijke eisen van welstand. Voor de (gebiedsgerichte) welstandsbeoordeling is de karakterisering van de bebouwing en de stedenbouwkundige omgeving van belang. Voor een beter begrip van die situatie volgt eerst een beknopte weergave van de ontstaansgeschiedenis en de ruimtelijke structuur van het dorp. In het volgende hoofdstuk komen de te onderscheiden deelgebieden binnen de dorpskern aan de orde. Scherpenzeel is ontstaan op een langgerekte dekzandrug door de Gelderse Vallei. Al rond het jaar 1000 na Christus was hier bebouwing aanwezig. Hierop is ook de voormalige rijksweg tussen Ede en Utrecht aangelegd. Het bebouwingslint langs deze weg is het oudste deel van het dorp en vormt de kern van Scherpenzeel, met bebouwing relatief dicht op de weg en in een dicht patroon. Deze structuur is met (zicht-)lijnen gekoppeld aan het omringende landschap, zoals de Marktstraat en de Willaerlaan naar het landgoed Oud Willaer. De andere oude structuren, zoals Glashorst en de Nieuwstraat, zijn nog wel zichtbaar als structuurlijn, maar de bebouwing is gefragmenteerd, omringd door een nieuwe omgeving. De lintbebouwing kenmerkt zich in algemene zin door perceelsgewijze individuele bebouwing. De ontwikkelingen gaan aanvankelijk zeer geleidelijk, vooral in de vorm van het verdichten van de oorspronkelijke structuur. In mei 1940 lag Scherpenzeel in de vuurlinie van de Grebbelinie. Daarbij is een deel van de oorspronkelijke lintbebouwing verwoest. In datzelfde jaar is het Wederopbouwplan opgesteld dat met een grote mate van precisie (steden-)bouwkundige elementen heeft toegevoegd. De bebouwing werd veelal enigszins teruggeplaatst en er werden drie pleinen toegevoegd, het Holevoetplein, het plein bij het oude gemeentehuis en Plein 1940. De bebouwing werd gerealiseerd in Delftse School-stijl, waarbij het kenmerkende patroon met gevarieerde en individuele kleinschalige bebouwing behouden bleef. Ook in het vastgestelde beeldkwaliteitplan Dorpsstraat-West
(2000)zijn het wederopbouwplan en de daarmee samenhangende kenmerkende opzet en bebouwing tot uitgangspunt genomen voor nieuwe invullingen. Vanaf 1950 is sprake van aanzienlijke uitbreidingen met planmatig aangelegde woonbuurten en bedrijventerreinen. In de jaren vijftig is de Bomenbuurt gerealiseerd, waarna in de jaren zestig de Oranjebuurt, Vogelbuurt en Zuid volgden. Het gaat daarbij veelal om traditionele blokverkaveling, met rijenwoningen in twee lagen en een kap. In die jaren werd ook een tweetal bijzondere woonbuurten gerealiseerd: Proeftuin, een ruim opgezette buurt met overwegend vrijstaande villa’s en het Doornboomspark, met woningen in één laag naar een ontwerp van Maaskant. In de zeventiger jaren zijn Wittenberg en De Maatjes gebouwd. De eerstgenoemde buurt wordt gekenmerkt door een traditionele blokverkaveling van rijenwoningen (twee lagen en een kap). De Maatjes heeft een meer gevarieerde opzet, met een belangrijke rol voor het groen. De recente uitbreidingen bevinden zich aan de noordoostzijde van het dorp. Boskamp en Legekamp zijn gerealiseerd in de jaren 70 en 80, Hogekamp in de jaren daarna. Deze buurten kennen een gemêleerde opzet, met enkele gestapelde blokjes als ruimtelijk accenten en veelal vrijstaande woningen aan de randen. In Hogekamp is een eenheid in kleur en materiaal toegepast. Tussen deze buurt en het dorpslint is een cluster gerealiseerd van (half-)vrijstaande witte woningen. De nieuwbouwlocaties bevinden zich veelal op enige afstand (circa 30 meter) tot de bebouwing aan het oude lint, dat daarmee een herkenbaar ruimtelijk element is gebleven. De buitenranden van deze gebieden vormen vaak een heldere overgang naar het landelijke gebied. Zoals ook weergegeven in de Structuurvisie Scherpenzeel
(2001)is, behoudens enige afrondende bebouwing zoals De Nieuwe Willaer, het beleid vooral gericht op inbreidingen. Het gaat daarbij veelal om relatief kleinschalige plekken die zich richten naar de bestaande stedenbouwkundige structuur. Het terrein Overeem daarentegen introduceert op buurtniveau een nieuwe invulling. De stedenbouwkundige opzet van het dorp wordt voorts gekenmerkt door een aantal groene lobben die tot ver in het dorp reiken. Het betreft aan de zuidkant de zones aan de Brinkkanterweg/Burg. Röell-laan, de Hovenierslaan (Holevoet), Park Huize Scherpenzeel en de Hopeseweg en aan de noordkant de zone tussen Boskamp en Legekamp. Deze lobben hebben voornamelijk een (semi-)agrarische functie. Een bijzondere groene lob betreft die van ‘Park Huize Scherpenzeel’, als onderdeel van een landgoederenzone op de grens van de hogere Veluwegronden naar de lagere gelegen Rijn en IJsselvallei. Park Huize Scherpenzeel heeft een grote historische waarde. Het Kasteel bevat een middeleeuwse kern en is in de 19e eeuw in neogotische stijl verbouwd. In diezelfde tijd zijn het Koetshuis en een Poortgebouw aan de Dorpsstraat toegevoegd, in respectievelijk een neogotische en een sobere classicistische stijl. Een deel van de oorspronkelijke bebouwing is inmiddels verdwenen: een orangerie, een ijskelder en een theekoepel. Het park vormt een karakteristiek 19de-eeuws landschapspark met fraaie doorzichten en een afwisseling tussen open ruimten en besloten bomengroepen. Op het Park Huize Scherpenzeel is de Monumentenwet van toepassing. In het Wederopbouwplan werd tevens een nieuwe verkeersroute ten zuiden van de Dorpsstraat voorgesteld om het dorp te ontlasten. Delen van die route zijn gerealiseerd (Koepellaan en Ringbaan), maar is door de landschappelijke belangen van Huize Scherpenzeel nimmer voltooid. In een later stadium, begin jaren 90, is daarentegen een noordelijke omleiding gerealiseerd (De Dreef), waarna de Dorpsstraat en Holevoetplein heringericht zijn. Aan de beide uiteinden van De Dreef zijn de bedrijventerreinen ’t Zwarte Land (35 hectare) en Hogekamp-oost (7 hectare) gelegen, al is de bedrijvigheid niet met de (representatieve) voorzijde naar deze weg gericht. Er is op beide terreinen sprake van relatief grootschalige bedrijfsbebouwing. Er worden geen nieuwe bedrijventerreinen ontwikkeld. Kleinschalige bedrijvigheid kan nog wel een plek vinden binnen de stedelijke contour. Afdeling8Gebiedscriteria van het dorp 8.1Het oude dorpslint Ruimtelijke structuur Het bebouwingslint langs het Holevoetplein, de Dorpsstraat en het zuidelijke deel van de Marktstraat vormt de oude kern van Scherpenzeel. In de loop van de tijd is dit lint verdicht. De invloed van het Wederopbouwplan is hier sterk voelbaar, waarbij herbouw plaats had in de stijl van de Delftse School en met verbijzonderingen in de rooilijn. De kleinschaligheid en de individuele herkenbaarheid zijn in stand gehouden, met ook enige grootschaliger bebouwing, zoals de kerk en hotel "De Witte Holevoet". Langs de Dorpsstraat bevinden zich winkels en andere voorzieningen, met een concentratie rond het plein op de hoek van de Marktstraat-Druivenkamp-Beukenlaan en Plein 1940 en nabij de aansluiting van Vijverlaan/ de Willaerlaan op de Dorpsstraat. De bebouwing is op de weg gericht en wordt gekenmerkt door heldere, eenduidige hoofdvormen en royale kappen. De bebouwing staat van oudsher dicht op de weg, met een stenige uitstraling. Daarentegen is veelal sprake van relatief diepe percelen van circa 30 meter, met soms veel erfbebouwing van bedrijven of voorzieningen. Met het Wederopbouwplan zijn markante verbredingen en pleinen (Holevoetplein, bij het oude gemeentehuis en Plein 1940) toegevoegd aan het bebouwingslint. In een later stadium is aan de Marktstraat een verruiming van het profiel aangebracht, met grootschaliger bebouwing daaraan. De bebouwing is vooral uitgevoerd in één tot twee lagen met een kap, waarbij de kaprichting geen eenduidig beeld heeft. Van oudsher en bij de individuele panden is de kaprichting overwegend dwars op de weg, terwijl de (Delftse School-)complexen veelal voorzien zijn van kappen evenwijdig aan de weg. Aan de Marktstraat is een schaalvergroting opgetreden, mede voor voorzieningen die zich niet meer lenen voor de kleinschalige historische structuur van de Dorpsstraat. De bebouwing is over het algemeen gevarieerd en individueel vormgegeven, waarbij optisch een gesloten bebouwingswand ontstaat. De ‘korrelgrootte’ bedraagt over het algemeen zo’n 12 meter, een maat die ook in het beeldkwaliteitplan Dorpsstraat-West wordt genoemd. Detaillering, kleur- en materiaalgebruik Er is voornamelijk natuurlijk en duurzaam materiaal toegepast. Over het algemeen is voor de bebouwing roodbruine baksteen gebruikt, incidenteel is dat wit pleisterwerk. Er zijn vooral dakpannen in oranje of in donkere tinten toegepast. De panden van de Delftse School worden gekenmerkt door een rijke detaillering, met verbijzonderingen van hoeken en kopgevels (metselwerk met natuurstenen accenten). Waardebepaling, ontwikkeling en beleid Het oude bebouwingslint laat met zijn gevarieerde bebouwing de bijzondere geschiedenis van het dorp zien en is daarom waardevol voor Scherpenzeel. Dat uit zich onder meer in het feit dat panden aan het Holevoetplein en de Dorpsstraat in 1984 zijn beschermd, op basis van de gemeentelijke monumentenverordening. Het ter plaatse geldende bestemmingsplan is consoliderend van aard. De geboden ruimtelijke mogelijkheden worden (in de Beschrijving in Hoofdlijnen) afgestemd op het kleinschalige karakter en de Delftse Schoolstijl. Ook het beeldkwaliteitplan Dorpsstraat-West geeft aanbevelingen in die richting. Het beeldkwaliteitplan Scherpenzeel gaat met name in op ontwikkeling rond het plein op de hoek Marktstraat-Druivenkamp-Beukenlaan. Ook hierin is het beleid gericht op onder meer individualiteit van de bebouwing en kleinschalige parcellering. De eisen zoals die in de beeldkwaliteitplannen gesteld worden voor het dorpslint, zijn in de welstandscriteria overgenomen. Gelet moet worden op maat en schaal van het gebied en de specifieke kenmerken van de lintbebouwing, waarbij het behoud van de diversiteit van de bebouwing van belang is. Welstandscriteria Algemeen de bestaande gebouwde omgeving is het kwalitatieve referentiepunt voor ieder (vergunningplichtig) bouwwerk. Dat wil zeggen dat een bouwkundige toevoeging of verandering de bestaande stedenbouwkundige structuur, de typologie van gebouwen en de detaillering, kleur- en materiaalgebruik ervan als uitgangspunt dient te nemen. Plaatsing rooilijnen uit het Wederopbouwplan worden gevolgd (BKP); Kleine hoogte en rooilijn verspringingen zijn gewenst, aansluitend aan de huidige karakteristiek (BKP)8; oriëntatie op de weg; concentratie van bebouwing aan de voorzijde van het perceel, tot maximaal 30 m diep (BKP) 8; bijgebouwen worden achter de voorgevel rooilijn gesitueerd, in het verlengde van de zijgevels, en ondergeschikt aan het hoofdgebouw (B). Massa en vorm de hoofdgebouwen hebben een individuele uitstraling met heldere, eenduidige hoofdvormen; kleinschalige parcellering (maximaal 12 meter); royale kappen met een nok; twee bouwlagen en een kap. Op bijzondere plekken is het mogelijk een ruimtelijk accent toe te laten met bebouwing in drie bouwlagen, in beginsel zonder kap. Bijzondere locaties zijn de knik van de Dorpsstraat, nabij de aansluiting van Glashorst, de locaties in het verlengde van de Willaerlaan en van de Vijverlaan (BKP)8. In het gebied dat valt binnen het beeldkwaliteitplan Scherpenzeel zijn de panden maximaal 3 bouwlagen hoog, waarvan de bovenste laag een duidelijke beëindiging van de massa vormt, als (niet doorgebroken) kap of als terugliggende laag uitgevoerd (BKP) 8; de gevelindeling wordt gekenmerkt door een evenwichtige, hiërarchische opbouw; begane grond en verdiepingen dienen als eenheid ontworpen te worden. Samenhang in gevelopbouw, maatvoering en materialen, met een duidelijke beëindiging van een gebouw (BKP) 8; bijvoorkeur geen uitwendige balkons, loggia’s zijn wel acceptabel (BKP) 8; plaatsing en massa van bijgebouwen en aan- en uitbouwen zijn ondergeschikt aan het hoofdgebouw; bijzondere elementen zoals erkers, dakkapellen vormen een architectonisch geheel met de gevel (BKP) 8; luifels boven winkels worden geïntegreerd met het gevelbeeld (BKP) 8; een te sterke horizontale geleding dient vermeden te worden. Een samenspel moet ontstaan tussen de continuïteit van de winkeletalages en de verticale ritmiek van de 1e en 2e verdieping met bovenwoningen (BKP) 8 . Detaillering, kleur- en materiaalgebruik toepassing van natuurlijk en duurzaam materiaal. Ook moderne materialen zijn toegestaan, maar dat vereist bijzondere zorg voor de wijze van toepassing en detaillering (BKP) 8; gevel bestaat uit (bak-)stenen met natuurstenen accenten; oog voor het detail (BKP), bestaande details worden gehandhaafd bij verbouwing; aan en uitbouwen en bijgebouwen sluiten in kleur en materiaalgebruik aan bij het hoofdgebouw; toepassing van gedekte aardkleuren, dan wel in aansluiting op omgeving. 8Criteria waarachter “(BKP)” staat, zijn ontleend aan het Beeldkwaliteitsplan Centrum en/of Beeldkwaliteitsplan Scherpenzeel. 9 Criteria waarachter een “(B)” staat, zijn van toepassing indien dit niet geregeld is in het bestemmingsplan. 8.2De rest van het oude bebouwingslint Ruimtelijke structuur De uiteinden van het oorspronkelijke bebouwingslint langs de Stationsweg en het Oosteinde en de uitloper naar de zuidkant (omgeving Vlieterweg en Nieuwstraat) geven een ander beeld dan het hiervoor behandelde centrale deel van het bebouwingslint. Het lint doet hier minder stedelijk aan: het profiel is breder en de bebouwing bevindt zich op enige afstand tot de openbare weg. De bebouwing is sterk gemêleerd, met de nadruk op een individuele herkenbaarheid. Het betreft deels bebouwing uit het begin van de vorige eeuw, kavelsgewijs aangevuld met bebouwing van recenter datum. Vooral langs de Nieuwstraat en de Molenweg is vooroorlogse woonbebouwing aanwezig. De bebouwing in de Nieuwstraat bestaat deels uit rijen kleine eengezinswoningen direct aan de weg. Aan de beide uiteinden van het lint is meer bedrijfsbebouwing aanwezig dan in het centrale gedeelte. De nog aanwezige bedrijfsbebouwing heeft de maatvoering van de individuele woonbebouwing aangehouden en is vaak wat verder naar achter geplaatst. Het gaat hier veelal om vrijstaande woningen, met een voortuin. De bebouwing is relatief ruim opgezet. Het betreft in dit deelgebied overwegend vrijstaande of twee-onder-één-kapwoningen in één tot twee lagen met een kap. Er zijn ook enkele kleine rijtjes van circa vier woningen aanwezig. Er zijn voornamelijk zadeldaken toegepast, evenals mansardekappen. De kaprichting is over het algemeen parallel aan de weg, al komen ook dwars geplaatste kappen voor. Een deel van de woningen is uiterst bescheiden van omvang. Dat heeft er in enkele gevallen toe geleidt dat de kap is opgetrokken, waarmee een volledige tweede bouwlaag ontstaat. Detaillering, kleur- en materiaalgebruik De bebouwing is grotendeels opgetrokken in roodbruine baksteen. De dakpannen zijn veelal donker of roodoranje van kleur. Met name aan de Stationsweg zijn bij huizen nog erkers en glas-in-lood aanwezig, alsmede detaillering in het metselwerk rondom de gevelopeningen. Waardebepaling, ontwikkeling en beleid De structuur van de wat oudere delen van het dorpsgebied is waardevol en verdient bescherming. Het bestemmingsplan heeft primair de bestaande situatie als vertrekpunt. Behoud van de individualiteit, de diversiteit en de maat en schaal van de bebouwing in het gebied staan centraal. Welstandscriteria Algemeen de bestaande gebouwde omgeving is het kwalitatieve referentiepunt voor ieder (vergunningplichtig) bouwwerk. Dat wil zeggen dat een bouwkundige toevoeging of verandering de bestaande stedenbouwkundige structuur, de typologie van gebouwen en de detaillering, kleur- en materiaalgebruik ervan als uitgangspunt dient te nemen. Plaatsing oorspronkelijke rooilijnen worden gevolgd (B)11; oriëntatie op de weg; bijgebouwen worden achter de voorgevel rooilijn gesitueerd, en ondergeschikt aan het hoofdgebouw. Massa en vorm bebouwing hoofdgebouwen hebben een individuele uitstraling; de gevelindeling wordt gekenmerkt door een evenwichtige, hiërarchische opbouw; plaatsing en omvang van bijgebouwen en aan- en uitbouwen zijn ondergeschikt aan het hoofdgebouw. Detaillering, kleur en materiaal gebruik bestaande details worden (zoveel mogelijk) gehandhaafd bij verbouwing; gevel bestaat uit (bak-)stenen in traditionele (aard)kleuren; aan en uitbouwen en bijgebouwen sluiten in kleur en materiaalgebruik aan bij het hoofdgebouw; kleurgebruik in aansluiting op omgeving. 11Criteria waarachter een “(B)” staat, zijn van toepassing indien dit niet geregeld is in het bestemmingsplan. 8.3Bomenbuurt Ruimtelijke structuur De Bomenbuurt werd in de jaren '50 gerealiseerd en is de eerste planmatig ontwikkelde woonwijk na de Tweede Wereldoorlog. De kwaliteit van de woningen en de omgeving neemt af. De komende 10 jaar zal in delen van deze wijk herstructurering plaatshebben. De wijk kent een rationeel stratenpatroon. De voortuinen worden van de straat gescheiden door lage muurtjes en hekken. In enkele straten zijn bomen langs de weg geplant. Verstoringen van het bebouwingsbeeld doen zich vooral voor bij hoekwoningen. Aanbouwen, bijgebouwen en schuttingen in de zijtuinen vormen in vele gevallen een aantasting van de stedenbouwkundige karakteristiek. De bebouwing is overwegend gerealiseerd in rijen woningen van 3 tot 5 woningen. Die woningen hebben twee lagen en een kap en zijn straatgericht. In de meeste gevallen is een flauw zadeldak toegepast. De bebouwing kenmerkt zich door een eenvoudige hoofdmassa en een zorgvuldige, sobere detaillering. Er zijn kleine rijen woningen en woningen van het type twee-onder-één-kap toegevoegd, met een a-symmetrisch dak (Lijsterbeslaan). Detaillering, kleur en materiaal Baksteen is het meest gangbare materiaal. Er is in deze wijk bruine baksteen toegepast en er is sprake van ingetogen kleurgebruik. Waardebepaling, ontwikkeling en beleid Waardevol is de structuur van de wijk, met een heldere stedenbouwkundige opzet en de duidelijke eenheid van de hoofdbebouwing. Vooralsnog is het behoud hiervan aan de orde. Dit betekent dat aan de straatzijde het beeld van de verkaveling zichtbaar moet zijn en wijzigingen in de voorgevels met de nodige terughoudendheid moeten worden uitgevoerd. In het geval van herstructurering, waarbij ook de stedenbouwkundige structuur wordt aangepast, zal hiertoe een nieuwe paragraaf aan de welstandsnota worden toegevoegd. Welstandscriteria Algemeen de bestaande gebouwde omgeving is het kwalitatieve referentiepunt voor ieder (vergunningplichtig) bouwwerk. Dat wil zeggen dat een bouwkundige toevoeging of verandering de bestaande stedenbouwkundige structuur, de typologie van gebouwen en de detaillering, kleur- en materiaalgebruik ervan als uitgangspunt dient te nemen. Plaatsing bij nieuwbouw en uitbreiding wordt de bestaande rooilijn gehanteerd (B)12; de nokrichting van rijenwoningen is evenwijdig aan de weg. Massa en vorm per rij of cluster eenheid in massaopbouw van de hoofdgebouwen; de gevelindeling wordt gekenmerkt door een evenwichtige, hiërarchische opbouw; plaatsing en massa van bijgebouwen en aan-/uitbouwen zijn ondergeschikt aan het hoofdgebouw. Detaillering, kleur en materiaalgebruik bestaande details worden bij verbouwingen gerespecteerd; aan en uitbouwen en bijgebouwen sluiten in kleur en materiaalgebruik aan bij het hoofdgebouw; kleur- en materiaalgebruik zijn per rij/cluster in onderlinge samenhang. 12Criteria waarachter een “(B)” staat, zijn van toepassing indien dit niet geregeld is in het bestemmingsplan. 8.4Oranjebuurt Ruimtelijke structuur In de jaren zestig en zeventig van de vorige eeuw werden strak verkavelde woonwijken met rijen woningen aangelegd, de traditionele blokverkaveling. Een deel van de Oranjebuurt is hier een voorbeeld van. Het stratenpatroon is redelijk strak en symmetrisch. Sommige straten worden begeleid door bomen op de trottoirs. De bebouwing is gerealiseerd in rijen woningen van ca. drie tot vijf woningen. Aan een straat is het beeld eenvormig gehouden, door een type woonblokken toe te passen in twee lagen met kap. De bebouwing kenmerkt zich door eenvoudige hoofdmassa's en kapvormen. In de meeste gevallen is een zadeldak toegepast. De afstand tussen twee dakkapellen dient ca. 1 meter te zijn. De woningen zijn straat gericht, er is een duidelijk onderscheid tussen voorgevel en zijgevel. De tuinen zijn gescheiden van de trottoirs door lage hekken en hagen. Detaillering, kleur en materiaal De woningen zijn opgetrokken in bruine baksteen. Het kleurgebruik is ingetogen. De dakpannen hebben over het algemeen de kleur zwart, echter soms zijn ook rode pannen toegepast. Waardebepaling, ontwikkeling en beleid Waardevol is de structuur van de wijk, de heldere stedenbouwkundige opzet en de duidelijke eenheid van de hoofdbebouwing. Er is geen sprake van ingrijpende wijzigingen in dit gebied. Behoud van de huidige structuur staat voorop. Aan de straatzijde is het van belang dat het beeld van de verkaveling zichtbaar is. Wijzigingen in de voorgevels moeten met de nodige terughoudendheid worden uitgevoerd. Welstandscriteria Algemeen de bestaande gebouwde omgeving is het kwalitatieve referentiepunt voor ieder (vergunningplichtig) bouwwerk. Dat wil zeggen dat een bouwkundige toevoeging of verandering de bestaande stedenbouwkundige structuur, de typologie van gebouwen, de detaillering, kleur en materiaalgebruik ervan als uitgangspunt dient te nemen. Plaatsing bij nieuwbouw en uitbreiding wordt de bestaande rooilijn gehanteerd (B)13; de nokrichting van rijenwoningen is evenwijdig aan de weg, uitgezonderd voor vrijstaande woningen. Massa, vorm bebouwing per rij of cluster eenheid in massaopbouw van het hoofdgebouw; de gevelindeling wordt gekenmerkt door een evenwichtige, hiërarchische opbouw; bij vrijstaande woningen is een individuele uitstraling gewenst; plaatsing en massa van bijgebouwen en aan-/uitbouwen zijn ondergeschikt aan het hoofdgebouw. Detaillering, kleur en materiaalgebruik bestaande details worden bij verbouwingen gerespecteerd; aan en uitbouwen en bijgebouwen sluiten in kleur en materiaalgebruik aan bij het hoofdgebouw; kleur- en materiaalgebruik zijn per rij/cluster in onderlinge samenhang. 13Criteria waarachter een “(B)” staat, zijn van toepassing indien dit niet geregeld is in het bestemmingsplan. 8.5Vogelbuurt Ruimtelijke structuur De Vogelbuurt is in de jaren zestig van de vorige eeuw gerealiseerd. De buurt ligt tussen het bebouwingslint en de wijk Boskamp ingesloten. In de wijk komen de voor de jaren zestig en begin zeventig kenmerkende strakke, symmetrische straten voor. De bebouwing is gerealiseerd in rijen woningen van ca. drie tot vijf woningen. Aan een straat is het beeld eenvormig gehouden, door een type woonblokken toe te passen in twee lagen met kap. Ook staan er enkele (half)vrijstaande woningen. De bebouwing kenmerkt zich door eenvoudige hoofdmassa's en kapvormen. In de meeste gevallen is een zadeldak toegepast. De woningen zijn straat gericht, er is een duidelijk onderscheid tussen voorgevel en zijgevel. De tuinen zijn gescheiden van de trottoirs door lage hekken en hagen. Detaillering, kleur en materiaal Voor de muren van de woningen is bruine en gele baksteen toegepast. Het kleurgebruik is ingetogen. De dakpannen hebben over het algemeen de kleur zwart, echter soms zijn ook rode pannen toegepast. Waardebepaling, ontwikkeling en beleid Waardevol is de structuur van de wijk, de heldere stedenbouwkundige opzet en de duidelijke eenheid van de hoofdbebouwing. Er is geen sprake van ingrijpende wijzigingen in dit gebied. Behoud van de huidige structuur staat voorop. Aan de straatzijde moet het beeld van de verkaveling zichtbaar zijn en wijzigingen in de voorgevels met de nodige terughoudendheid moeten worden uitgevoerd. Welstandscriteria Algemeen de bestaande gebouwde omgeving is het kwalitatieve referentiepunt voor ieder (vergunningplichtig) bouwwerk. Dat wil zeggen dat een bouwkundige toevoeging of verandering de bestaande stedenbouwkundige structuur, de typologie van gebouwen en de detaillering, kleur- en materiaalgebruik ervan als uitgangspunt dient te nemen. Plaatsing bij nieuwbouw en uitbreiding wordt de bestaande rooilijn gehanteerd (B)14; de nokrichting van rijenwoningen is evenwijdig aan de weg, uitgezonderd voor vrijstaande woningen. Massa, vorm bebouwing per rij of cluster eenheid in massaopbouw van het hoofdgebouw; plaatsing en massa van bijgebouwen en aan-/uitbouwen zijn ondergeschikt aan het hoofdgebouw; de gevelindeling wordt gekenmerkt door een evenwichtige, hiërarchische opbouw. Detaillering, kleur en materiaalgebruik bestaande details worden bij verbouwingen gerespecteerd; kleur- en materiaalgebruik zijn per rij/cluster in onderlinge samenhang. 14Criteria waarachter een “(B)” staat, zijn van toepassing indien dit niet geregeld is in het bestemmingsplan. 8.6Zuid Ruimtelijke structuur De wijk Zuid is een typisch voorbeeld van de in de jaren zestig en begin zeventig van de vorige eeuw gerealiseerde strak verkavelde woonwijken met rijen woningen, de traditionele blokverkaveling. Het stratenpatroon is strak en symmetrisch. De bebouwing is gerealiseerd in rijen woningen van ca. drie tot zes woningen. Aan een straat is het beeld eenvormig gehouden, door een type woonblokken toe te passen in twee lagen met kap. Aan de rand van de wijk, langs de Grebbelaan, staat een rij (half)vrijstaande woningen. De bebouwing kenmerkt zich door eenvoudige hoofdmassa's en kapvormen. In de meeste gevallen is een zadeldak toegepast. In deze wijk is een platte dakkapel vanaf de nok toegestaan. De afstand tussen twee dakkapellen aan de achterzijde dient ca. 1 meter te zijn. De woningen zijn straat gericht, er is een duidelijk onderscheid tussen voorgevel en zijgevel. Aan de voorzijde zijn rechthoekige erkers toegestaan. De tuinen zijn gescheiden van de trottoirs door lage hekken en hagen. Detaillering, kleur en materiaal De woningen zijn opgetrokken in bruine baksteen. Het kleurgebruik is ingetogen. De dakpannen hebben over het algemeen de kleur zwart, echter soms zijn ook rode pannen toegepast. Vooral in deze wijk is hout gebruikt in de voorgevel van de woningen. Bij veranderingen aan de voorgevel dient de bestaande differentiatie van vorm (diepte), materiaal en kleur gehandhaafd te blijven. Waardebepaling, ontwikkeling en beleid Waardevol is de structuur van de wijken, de heldere stedenbouwkundige opzet en de duidelijke eenheid van de hoofdbebouwing. Er is geen sprake van ingrijpende wijzigingen in dit gebied. Behoud van de huidige structuur staat voorop. Van belang is dat aan de straatzijde het beeld van de verkaveling zichtbaar is. Wijzigingen in de voorgevels moeten met de nodige terughoudendheid worden uitgevoerd. Welstandscriteria Algemeen de bestaande gebouwde omgeving is het kwalitatieve referentiepunt voor ieder (vergunningplichtig) bouwwerk. Dat wil zeggen dat een bouwkundige toevoeging of verandering de bestaande stedenbouwkundige structuur, de typologie van gebouwen en de detaillering, kleur- en materiaalgebruik ervan als uitgangspunt dient te nemen. Plaatsing bij nieuwbouw en uitbreiding wordt de bestaande rooilijn gehanteerd (B)15; de nokrichting van rijenwoningen is evenwijdig aan de weg, uitgezonderd voor vrijstaande woningen. Massa, vorm bebouwing per rij of cluster eenheid in massaopbouw van het hoofdgebouw; de gevelindeling wordt gekenmerkt door een evenwichtige, hiërarchische opbouw; bij vrijstaande woningen is een individuele uitstraling gewenst; plaatsing en massa van bijgebouwen en aan-/uitbouwen zijn ondergeschikt aan het hoofdgebouw. Detaillering, kleur en materiaalgebruik bestaande details worden bij verbouwingen behouden; bij veranderingen aan de voorgevel dient de bestaande differentiatie van vorm (diepte), materiaal en kleur gehandhaafd te blijven; aan en uitbouwen en bijgebouwen sluiten in kleur en materiaalgebruik aan bij het hoofdgebouw; kleur- en materiaalgebruik zijn per rij/cluster in onderlinge samenhang. In aanvulling op de loketcriteria voor dakkapellen mogen in dit gebied de dakkapellen vanaf de nok ingezet worden. 15Criteria waarachter een “(B)” staat, zijn van toepassing indien dit niet geregeld is in het bestemmingsplan. 8.7Proeftuin Ruimtelijke structuur Proeftuin is ontwikkeld in de jaren vijftig en zestig van de vorige eeuw en bestaat vooral uit vrijstaande woningen. De wijk is ruim en parkachtig opgezet, met kenmerkende bomenlanen. De woningen staan allemaal op enige afstand van de weg, waardoor een ruim beeld ontstaat. Er is wel een standaard rooilijn gehanteerd. Ook zijn de woningen over het algemeen midden op de kavel gesitueerd. De woningen zijn door de ruime voortuinen in mindere mate straat georiënteerd. De privé tuinen worden van het openbaar groen gescheiden door hagen en hekken. Het bebouwingsbeeld in Proeftuin is gevarieerd, met verschillende typen vrijstaande woningen. Wel bestaan de woningen overwegend uit een bouwlaag met een zadeldak. Een enkele woning aan de rand van de wijk is recentelijk grondig verbouwd. Aan de Holevoetlaan – Vlieterweg zijn recent enkele twee-onder-één-kap-woningen gerealiseerd, bestaande uit één tot twee lagen met een kap. De erkers en dakkapellen zijn standaard meeontworpen. Detaillering, kleur en materiaal De huizen zijn veelal opgetrokken in gele baksteen. Een enkel huis is witgepleisterd, of bestaat uit witte of bruine baksteen. De daken zijn overwegend uitgevoerd in donkere tinten. Waardebepaling, ontwikkeling en beleid Waardevol is het individuele karakter van de bebouwing en het groene beeld van de wijk. Dit wordt veroorzaakt door de grote tuinen en de aanwezigheid van bomen in het straatbeeld. Handhaven van het beeld van de bebouwde omgeving is in dit gebied uitgangspunt. Op de locatie van de voormalige middelbare school zal herontwikkeling plaatsvinden. Welstandscriteria Algemeen de bestaande gebouwde omgeving is het kwalitatieve referentiepunt voor ieder (vergunningplichtig) bouwwerk. Dat wil zeggen dat een bouwkundige toevoeging of verandering de bestaande stedenbouwkundige structuur, de typologie van gebouwen en de detaillering, kleur- en materiaalgebruik ervan als uitgangspunt dient te nemen. Plaatsing bij nieuwbouw en uitbreiding wordt de bestaande rooilijn gehanteerd (B)16; de voorgevel van de woningen staat evenwijdig aan de weg. Massa, vorm bebouwing de gevelindeling wordt gekenmerkt door een evenwichtige, hiërarchische opbouw; plaatsing en massa van bijgebouwen en aan-/uitbouwen zijn ondergeschikt aan het hoofdgebouw; het vrijstaand karakter en de individuele uitstraling van de woningen wordt gehandhaafd. Detaillering, kleur en materiaalgebruik bestaande details worden bij verbouwingen gehandhaafd; aan en uitbouwen en bijgebouwen sluiten in kleur en materiaalgebruik aan bij het hoofdgebouw; kleur- en materiaalgebruik zijn per rij/cluster in onderlinge samenhang. 16Criteria waarachter een “(B)” staat, zijn van toepassing indien dit niet geregeld is in het bestemmingsplan. 8.8Doornboomspark Ruimtelijke structuur Doornboomspark is ontwikkeld in de jaren zestig van de vorige eeuw. De woningen zijn ontworpen door de architect Maaskant. De wijk bestaat geheel uit vrijstaande en soms geschakelde, platte bungalows. Het gebied heeft een groene uitstraling, door de lage bebouwing en de aanwezige (tuin)beplanting. De woningen staan aan een weg die zich door de wijk slingert. Er zijn geen trottoirs aangelegd, waardoor de straat relatief een smal profiel heeft. De woningen die langs de buitenzijde van de wijk liggen, worden van de weg gescheiden door een trottoir. Voornamelijk aan de noordzijde van het park is een rooilijn aangehouden langs de weg. De overige woningen verspringen ten opzichte van elkaar en de weg. Vooral de woningen die in het midden van het park staan, zijn niet straat georiënteerd. Vaak staan er hoge hagen aan de voorzijde. De woningen aan de buitenzijde zijn meer straat georiënteerd. Ook hier worden de privétuinen van de openbare weg gescheiden door (groene)haagjes of lage hekken. De woningen zelf zijn eenvoudig en rechthoekig van vorm. Over het algemeen is er een aangebouwde berging c.q. garage aanwezig op het perceel. Een enkele keer is er een serre aangebouwd in rondere vormen. Dit past in mindere mate in het bebouwingsbeeld. Detaillering, kleur en materiaal De bebouwing van het Doornboomspark wordt gekenmerkt door platte daken, een brede, witte dakrand, het gebruik van geel-rode bakstenen en vaak groene of witte kozijnen. Waardebepaling, ontwikkeling en beleid De eenvoudige, geometrische vorm van deze platte bungalows is waardevol. Voorkomen moet worden dat het bebouwingsbeeld aangetast wordt door het toepassen van rondere vormen, lagere boeiboorden en dergelijke. Handhaven van het beeld van de bebouwde omgeving is uitgangspunt. Dit betekent dat aan de straatzijde het beeld van de vrijstaande, platte, solitaire bungalows zichtbaar moet zijn en wijzigingen in de voor- en zijgevels zeer zorgvuldig moet worden afgewogen. Welstandscriteria Algemeen de bestaande gebouwde omgeving is het kwalitatieve referentiepunt voor ieder (vergunningplichtig) bouwwerk. Dat wil zeggen dat een bouwkundige toevoeging of verandering de bestaande stedenbouwkundige structuur, de typologie van gebouwen en de detaillering, kleur- en materiaalgebruik ervan als uitgangspunt dient te nemen. Plaatsing bij nieuwbouw en uitbreiding wordt de bestaande rooilijn gehanteerd (B)17; de voorgevel van de woningen staat evenwijdig aan de weg. Massa, vorm bebouwing per cluster eenheid in massaopbouw van het hoofdgebouw; bebouwing bestaat uit 1 bouwlaag met plat dak (geen kap); bouwwerken bestaan uit rechthoekige vormen; de gevelindeling wordt gekenmerkt door een evenwichtige, hiërarchische opbouw; plaatsing en massa van bijgebouwen en aan-/uitbouwen zijn ondergeschikt aan het hoofdgebouw. Detaillering, kleur en materiaalgebruik bestaande details worden bij verbouwingen gerespecteerd; aan en uitbouwen en bijgebouwen sluiten in kleur en materiaalgebruik aan bij het hoofdgebouw; kleur- en materiaalgebruik zijn per cluster in onderlinge samenhang; het boeiboord is ca 30 cm, bestaande uit 3 houten delen. 17Criteria waarachter een “(B)” staat, zijn van toepassing indien dit niet geregeld is in het bestemmingsplan. 8.9Wittenberg Ruimtelijke structuur De wijk de Wittenberg is een goed voorbeeld van de traditionele blokverkaveling. Het is een strak verkavelde woonwijk met voornamelijk rijenwoningen. De bebouwing bestaat uit straatgerichte rijenwoningen, gescheiden van het openbare gebied door een voortuin met hekken en hagen. De

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.