ParkeerverordeningDe raad van de gemeente Harderwijk; gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 15 november 2005, nummer 105; gelet op de bepalingen in de Algemene wet bestuursrecht, de gemeentewet en het Wetboek van Strafvordering;; besluit: Parkeerverordening. AFDELINGIDefinities en begripsomschrijvingen Artikel1Begripsomschrijvingen In deze verordening wordt verstaan onder: RVV 1990: het Reglement verkeersregels en verkeerstekens van 26 juli 1990, Stb 459; motorvoertuig: hetgeen daaronder wordt verstaan in het RVV 1990; parkeren: het gedurende een aaneengesloten periode doen of laten staan van een motorvoertuig, anders dan gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt tot het onmiddellijk in- of uitstappen van personen dan wel het onmiddellijk laden of lossen van goederen, op binnen de gemeente gelegen voor het openbaar verkeer openstaande terreinen of weggedeelten, waarop dit doen of laten staan niet ingevolge een wettelijk voorschrift is verboden; houder: degene die naar de omstandigheden als houder van een voertuig moet worden beschouwd, met dien verstande dat voor een motorvoertuig dat is ingeschreven in het krachtens de Wegenverkeerswet 1994 aangehouden register van opgegeven kentekens als houder wordt aangemerkt degene op wiens naam het voor het motorvoertuig opgegeven kenteken ten tijde van het parkeren in het register was ingeschreven; algemene vergunning: de door burgemeester en wethouders verleende vergunning krachtens welke het is toegestaan een motorvoertuig te parkeren op alle daartoe aangewezen vergunningplaatsen, parkeerapparatuurplaatsen en de kelder van het stadhuis; bewoner: de belanghebbende die blijkens het bevolkingsregister in het vergunningengebied woont; [vervallen] gehandicaptenparkeerkaart: zoals bedoeld in artikel 85 van het RVV 1990; gehandicaptenvoertuig: hetgeen daaronder wordt verstaan in het RVV 1990; parkeerapparatuur: parkeermeters, parkeerautomaten met inbegrip van centrale parkeermeters en hetgeen naar maatschappelijke opvatting overigens onder parkeerapparatuur wordt verstaan; parkeerapparatuurplaats: een parkeerplaats behorende bij parkeerapparatuur; parkeerplaats: het als zodanig aangegeven gedeelte van een weg of terrein dat bestemd is om te parkeren; parkeerkelder stadhuis: de onder het stadhuis aanwezige parkeerkelder die als zodanig op de kaart is aangegeven op de kaart behorende bij het besluit, bedoeld in artikel 2 van deze verordening; vergunning: een door burgemeester en wethouders verleende vergunning, krachtens welke het is toegestaan een motorvoertuig te parkeren op daartoe aangewezen parkeerapparatuur- en/of vergunningplaatsen en/of in de parkeerkelder stadhuis; vergunningbewijs: het schriftelijk bewijsstuk van de vergunning, verstrekt door burgemeester en wethouders aan de vergunninghouder; vergunningplaats: een parkeerplaats die is aangeduid met bord E9 uit bijlage 1 van het RVV 1990 of gelegen is binnen een zone, aangeduid met bord E9 uit bijlage I van het RVV 1990 voorzover deze plaats niet is uitgezonderd; vergunninghouder: de natuurlijke of rechtspersoon aan wie een vergunning is verleend; werker: de eigenaar of houder van een motorvoertuig wanneer deze een beroep of bedrijf uitoefent in een gebied waar vergunningplaatsen en/of mede door vergunninghouders te gebruiken parkeerapparatuurplaatsen aanwezig zijn; zware werker: werker die valt onder ten minste één van de volgende categorieën: zij die levensreddende of spoedeisende medische hulp verrichten of moeten verrichten in de binnenstad; zij die geregeld zware materialen moeten vervoeren of omvangrijk gereedschap bij zich hebben; zij die een winkel in de binnenstad gevestigd hebben in de uitvoering waarvan bezorging essentieel is, zijnde uitsluitend bloemenzaken, bakkers en groentezaken. AFDELINGIIPlaatsen voor vergunninghouders, vergunningen en vergunningbewijzen Artikel2Aanwijzen parkeergelegenheden 1.Burgemeester en wethouders wijzen bij openbaar te maken besluit, de weggedeelten en terreinen aan die bestemd zijn voor het parkeren door vergunninghouders. 2.Burgemeester en wethouders kunnen bij openbaar te maken besluit, de tijdstippen vaststellen waarop het parkeren aan vergunninghouders is toegestaan. 3.Burgemeester en wethouders kunnen in het belang van de parkeerregulering of om andere dringende redenen tijdelijk van de in het eerste en/of tweede lid bedoelde beslissing bij openbaar te maken besluit afwijkende maatregelen treffen. Artikel3Vergunningverlening 1.Burgemeester en wethouders kunnen met inachtneming van het bepaalde in de volgende leden van dit artikel regels geven voor het aanvragen en verlenen van een vergunning. 2.Burgemeester en wethouders kunnen op een daartoe strekkend schriftelijk verzoek vergunning verlenen voor het parkeren op daartoe aangewezen vergunningplaatsen, parkeerapparatuurplaatsen of in de kelder van het stadhuis. 3.De vergunning, bedoeld in lid 1, geeft geen recht op een parkeerplaats. Artikel4Bewonersvergunning 1.Een bewoner zijnde eigenaar of houder van een motorvoertuig en geen bewoner zijnde van een wooncomplex die parkeergelegenheid heeft op eigen erf bijvoorbeeld Pius en Muntplein, kan in aanmerking komen voor een vergunningplaats en/of een plaats in de kelder van het stadhuis. 2.Burgemeester en wethouders kunnen in afwijking van het eerste lid, met uitzondering van bewoners van een wooncomplex met parkeergelegenheid op eigen erf bijvoorbeeld Pius en Muntplein, in het belang van de parkeerregulering een bewoner vergunning verlenen voor een parkeerapparatuurplaats. 3.Burgemeester en wethouders kunnen het maximaal aantal uit te geven vergunningen voor de vergunningplaatsen, parkeerkelder stadhuis en parkeerapparatuurplaatsen vaststellen. Een bewoner wordt op verzoek op een wachtlijst geplaatst wanneer het vastgestelde aantal vergunningen is uitgegeven. Een vergunning wordt steeds verleend aan de als eerste op een wachtlijst geplaatste bewoner. 4.Burgemeester en wethouders kunnen in bijzondere gevallen een vergunning verlenen aan eigenaren of houders van motorvoertuigen die niet voldoen aan één van de in het eerste en/of tweede lid genoemde voorwaarden. Artikel5Werkersvergunning 1.Burgemeester en wethouders kunnen op een daartoe strekkend verzoek van de directie van een bedrijf een vergunning verlenen aan de eigenaar of houder van een motorvoertuig wanneer deze een beroep of bedrijf uitoefent in een gebied waar vergunningplaatsen en/of mede door vergunninghouders te gebruiken parkeerapparatuurplaatsen aanwezig zijn en aantoont dat het in het belang is van diens beroeps- of bedrijfsvoering noodzakelijk is in dit gebied een motorvoertuig te parkeren. 2.Burgemeester en wethouders kunnen in afwijking van het bepaalde in lid 1 aan een zware werker vergunning verlenen op een daartoe aangewezen vergunningplaats en/of parkeerapparatuurplaats en/of parkeerkelder stadhuis dan wel een algemene vergunning. 3.Burgemeester en wethouders kunnen in bijzondere gevallen een vergunning ook verlenen aan eigenaren of houders van motorvoertuigen die niet voldoen aan de in lid 1 of 2 genoemde voorwaarden. Artikel6Voorschriften en beperkingen 1.Aan de vergunning, bedoeld in de artikelen 4 en 5 kunnen door burgemeester en wethouders zowel beperkingen worden verbonden met betrekking tot de te gebruiken parkeerplaatsen als met betrekking tot de tijdstippen waarop de vergunning van kracht is. 2.Burgemeester en wethouders kunnen aan een vergunning de volgende voorschriften verbinden: aanwijzingen van politieambtenaren en andere door burgemeester en wethouders aangewezen ambtenaren dient onmiddellijk gevolg te worden gegeven; op een daartoe strekkend strekkend verzoek van de hiervoor genoemde ambtenaren dient het vergunningbewijs onmiddellijk aan hen overhandigd te worden; het is de vergunninghouder niet toegestaan om zijn vergunningbewijs, al dan niet tegen betaling, aan derden beschikbaar te stellen, met uitzondering van werkgevers die deze vergunningen aan de werknemers beschikbaar stellen; de vergunninghouder is verplicht om wijzigingen in één of meer van de omstandigheden die relevant waren voor het verstrekken van de vergunning terstond te melden aan burgemeester en wethouders; bij het parkeren in het vergunningengebied moet een doorrijbreedte worden vrijgelaten die zodanig is dat een voertuig met een breedte van 2.60 meter te allen tijde ongehinderd kan passeren; indien de vergunning geldig is voor de kelder van het stadhuis mag daarvan geen gebruikgemaakt worden door auto's voorzien van een L.P.G.-installatie. 3.Burgemeester en wethouders kunnen aan een vergunning ook andere voorschriften en beperkingen verbinden. Deze voorschriften en beperkingen mogen alleen strekken tot bescherming van het belang van een goede verdeling van de beschikbare parkeerruimte. Artikel7Vergunningtermijn en vergunningvorm 1.Een vergunning wordt verleend voor een kalenderjaar of het deel daarvan. Binnen dat tijdvak kan de geldigheidsduur worden beperkt tot bepaalde dagen en/of tot bepaalde tijden en/of tot bepaalde parkeerplaatsen. 2.het vergunningsbewijs vermeldt ten minste: naam van het bedrijf; het kenteken van het motorvoertuig; het gebied waarvoor de vergunning geldt; de periode waarvoor de vergunning geldt. Artikel8Intrekking of wijziging van de vergunning Burgemeester en wethouders kunnen een vergunning intrekken of wijzigen: op verzoek van de vergunninghouder; ingeval van overlijden van de vergunninghouder; wanneer de vergunninghouder het gebied waarvoor de vergunning is verleend verlaat of het daar uitgeoefende beroep of bedrijf beëindigt; wanneer er zich een wijziging voordoet in één van de omstandigheden die relevant waren voor de vergunningverlening; wanneer voor het betreffende gebied het stelsel van vergunningen komt te vervallen of wordt gewijzigd; indien aan de in het gebied gelegen terreinen of weggedeelten, waarvoor de vergunning is verleend, de bestemming voor parkeerdoeleinden wordt ontnomen; indien gehandeld wordt in strijd met de aan de vergunning verbonden voorschriften; wanneer blijkt, dat bij de aanvraag van de vergunning onjuiste gegevens zijn verstrekt; om redenen van openbaar belang; bij misbruik. AFDELINGIIIVerbodsbepalingen Artikel9Gebruik parkeerplaats 1.Het is verboden enig voorwerp, niet zijnde een motorvoertuig te plaatsen of te laten staan: op een parkeerapparatuurplaats; op een vergunningplaats; in de kelder van het stadhuis. 2.Het is verboden een fiets, een bromfiets of enig ander voorwerp op zodanige wijze tegen of bij een parkeerapparatuur te plaatsen of te laten staan dat daardoor een normaal gebruik van die meter belemmerd of verhinderd wordt. 3.Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het bepaalde in het eerste lid van dit artikel. Artikel10 1.Het is verboden parkeerapparatuur op andere wijze of met andere middelen, dan wel met andere munten dan die welke in de kennisgeving op de parkeerapparatuur staan aangegeven in werking te stellen. 2.Het is verboden met een motorvoertuig te parkeren in strijd met enige in de kennisgeving op de parkeerapparatuur en/of op bijbehorende borden gegeven aanwijzing, met uitzondering van de betaling van parkeergeld. Artikel11Parkeren motorvoertuig 1.Het is verboden gedurende de tijden waarop het parkeren op een vergunningplaats of in de kelder van het stadhuis slechts aan vergunninghouders is toegestaan aldaar een motorvoertuig te parkeren of geparkeerd te houden: [vervallen] zonder dat het motorvoertuig duidelijk zichtbaar is voorzien van het vergunningbewijs; in strijd met de aan de parkeervergunning verbonden voorschriften. 2.Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op bestuurders van gehandicaptenvoertuigen en bestuurders van motorvoertuigen, waarin op de voorgeschreven wijze een geldige en behoorlijk leesbare gehandicaptenparkeerkaart is aangebracht. Zij mogen niet langer dan drie uur parkeren en bestuurders van een motorvoertuig moeten daarbij duidelijk zichtbaar een parkeerschijf voeren waarmee het tijdstip waarop met parkeren is begonnen wordt aangegeven. 3.Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het bepaalde in het eerste lid van dit artikel. AFDELINGIVStrafbepaling Artikel12 Overtreding van het bepaalde in afdeling III van deze verordening wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste twee maanden of geldboete van de eerste categorie. Artikel13Toezicht 1.Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze regeling zijn belast: personen in de functie van algemeen controleur. 2.Voorts zijn met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze regeling belast bij besluit van het college dan wel de burgemeester aan te wijzen personen. AFDELINGVOvergangs- en Slotbepalingen Artikel14Overgangsbepaling Deze verordening kan worden aangehaald als: Parkeerverordening
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.