Verordening Landurigheidstoeslag 2009 Hoofdstuk1.Algemene bepalingen Artikel1Begripsbepalingen In deze verordening wordt verstaan onder: college: het college van burgemeesters en wethouders; wet: de Wet werk en bijstand; peildatum: de datum waartegen langdurigheidstoeslag wordt aangevraagd; referteperiode: een periode van 60 maanden voorafgaand aan de peildatum, ingaande op de 18de verjaardag van aanvrager; inkomen: het inkomen als bedoeld in artikel 32 van de wet, met dien verstande dat voor de zinsnede ‘een periode waarover een beroep op bijstand wordt gedaan’ moet worden gelezen ‘de referteperiode’. Een bijstandsuitkering wordt, in afwijking van artikel 32 van de wet voor de beoordeling van het recht op langdurigheidstoeslag als inkomen gezien. Een uitstroom premie wordt niet gezien als inkomen. Artikel2Uitvoering De uitvoering van deze verordening berust bij het college. Hoofdstuk2.Recht op langdurigheidstoeslag Artikel3Voorwaarden 1.Aan de in artikel 36, eerste lid, van de wet gestelde voorwaarde van het hebben van een langdurig, laag inkomen is voldaan als gedurende referteperiode het inkomen niet uitkomt boven 100 procent van de bijstandsnorm. 2.Wanneer aanvrager in de referteperiode in detentie heeft gezeten, wordt de detentieperiode niet meegeteld als referteperiode; 3.Geen recht op langdurigheidstoeslag hebben de personen die: op de peildatum of in de referteperiode een inkomen op grond van de Wet op de Studiefinanciering of de Wet Tegemoetkoming Onderwijsbijdrage en Schoolkosten hebben genoten; in de 12 maanden voorafgaande aan de peildatum langer dan drie maanden in het buitenland hebben verbleven. Artikel4Hoogte van de toeslag 1.De langdurigheidstoeslag bedraagt per jaar: voor gehuwden: € 485,00; voor een alleenstaande ouder: € 435,00; voor een alleenstaande: € 340,
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.