(raadsbesluit van 11 februari 2010) De raad van de gemeente Utrecht, gelet op het voorstel van het Presidium d.d. Besluit vast te stellen het volgende: REGLEMENT VAN ORDE voor de vergaderingen en andere werkzaam-heden van de raad van de gemeente Utrecht. HoofdstukI Algemene bepalingen Artikel1aBegripsomschrijvingen In dit reglement wordt verstaan onder: voorzitter: de voorzitter van de raad of diens plaatsvervanger; amendement: voorstel tot wijziging van een conceptbesluit, naar de vorm geschikt om daarin direct te worden opgenomen; subamendement: voorstel tot wijziging van een aanhangig amendement, naar de vorm geschikt om direct te worden opgenomen in het amendement, waarop het betrekking heeft; motie: korte en gemotiveerde verklaring over een onderwerp waardoor een oordeel, wens of verzoek wordt uitgesproken; voorstel van orde: voorstel betreffende de orde van de vergadering; initiatiefvoorstel: een raadsvoorstel ingediend door een of meer leden van de raad; interpellatie: vragen van inlichtingen aan het college, een wethouder of de burgemeester over een onderwerp dat niet vermeld staat op de agenda; griffier: de ambtenaar als bedoeld in artikel 107 e.v. van de Gemeentewet; presidium: een door de raad benoemde commissie belast met de agendering van en het maken van afspraken omtrent de orde tijdens de raadsvergadering; commissie: een commissie als bedoeld in artikel 2 van de Verordening op de raadscommissies, met uitzondering van de commissie als genoemd in artikel 4 van dit reglement; fractiemedewerkers: zij die: door een fractie dan wel een groep als bedoeld in artikel 5 zijn aangesteld om haar bij te staan bij het verrichten van haar werkzaamheden ten behoeve van de raad en van door de raad ingestelde raadscommissies en als zodanig zijn aangemeld en goedgekeurd door het Presidium en zijn ingeschreven in een daartoe bestemd register van de Griffie Gemeenteraad Utrecht. Artikel1bPersoonsvorm . Waar in dit reglement de mannelijke persoonsvorm wordt gebruikt, wordt hiermee tevens de vrouwelijke bedoeld. BIJLAGE BIJ GEMEENTEBLAD VAN UTRECHT 2010, NR. 11ARTIKELEN GEMEENTEWETArtikel 15Een lid van de raad mag niet: als advocaat, procureur of adviseur in geschillen werkzaam zijn ten behoeve van de gemeente of het gemeentebestuur dan wel ten behoeve van de wederpartij van de gemeente of het gemeentebestuur; als gemachtigde in geschillen werkzaam zijn ten behoeve van de wederpartij van de gemeente of het gemeentebestuur; als vertegenwoordiger of adviseur werkzaam zijn ten behoeve van derden tot het met de gemeente aangaan van: overeenkomsten als bedoeld in onderdeel d; overeenkomsten tot het leveren van onroerende zaken aan de gemeente; rechtstreeks of middellijk een overeenkomst aangaan betreffende: het aannemen van werk ten behoeve van de gemeente; het buiten dienstbetrekking tegen beloning verrichten van werkzaamheden ten behoeve van de gemeente; het leveren van roerende zaken anders dan om niet aan de gemeente; het verhuren van roerende zaken aan de gemeente; het verwerven van betwiste vorderingen ten laste van de gemeente; het van de gemeente onderhands verwerven van onroerende zaken of beperkte rechten waaraan deze zijn onderworpen; het onderhands huren of pachten van de gemeente. Van het eerste lid, aanhef en onder d, kunnen gedeputeerde staten ontheffing verlenen. De raad stelt voor zijn leden een gedragscode vast. Artikel 17De raad vergadert zo vaak als hij daartoe heeft besloten. Voorts vergadert de raad indien de burgemeester het nodig oordeelt of indien ten minste een vijfde van het aantal leden waaruit de raad bestaat schriftelijk, met opgave van redenen, daarom verzoekt. Artikel 19De burgemeester roept de leden schriftelijk tot de vergadering op. Tegelijkertijd met de oproeping brengt de burgemeester dag, tijdstip en plaats van de vergadering ter openbare kennis. De agenda en de daarbij behorende voorstellen met uitzondering van de in artikel 25, tweede lid, bedoelde stukken worden tegelijkertijd met de oproeping en op een bij de openbare kennisgeving aan te geven wijze ter inzage gelegd. Artikel 20De vergadering van de raad wordt niet geopend voordat blijkens de presentielijst meer dan de helft van het aantal zitting hebbende leden tegenwoordig is. Indien ingevolge het eerste lid de vergadering niet kan worden geopend, belegt de burgemeester, onder verwijzing naar dit artikel, opnieuw een vergadering tegen een tijdstip dat ten minste vierentwintig uur na het bezorgen van de oproeping is gelegen. Op de vergadering, bedoeld in het tweede lid, is het eerste lid niet van toepassing. De raad kan echter over andere aangelegenheden dan die waarvoor de ingevolge het eerste lid niet geopende vergadering was belegd alleen beraadslagen of besluiten, Indien blijkens de presentielijst meer dan de helft van het aantal zitting hebben de leden tegenwoordig is. Artikel 22De leden van het gemeentebestuur en andere personen die deelnemen aan de beraadslaging kunnen niet in rechte worden vervolgd of aangesproken voor dan wel worden verplicht getuigenis af te leggen als bedoeld in artikel 165, eerste lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering over hetgeen zij in de vergadering van de raad hebben gezegd of aan de raad schriftelijk 0hebben overgelegd. Artikel 24In een besloten vergadering kan niet worden beraadslaagd of besloten over: de toelating van nieuw benoemde leden; de vaststelling en wijziging van de begroting en de vaststelling van de jaarrekening; de invoering, wijziging en afschaffing van gemeentelijke belastingen, en de benoeming en het ontslag van wethouders. Artikel 25De raad kan op grond van een belang, genoemd in artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur (Stb. 1991, 703), omtrent het in een besloten vergadering behandelde en omtrent de inhoud van de stukken die aan de raad worden overgelegd, geheimhouding opleggen. Geheimhouding omtrent het in een besloten vergadering behandelde wordt tijdens die vergadering opgelegd. De geheimhouding wordt door hen die bij de behandeling aanwezig waren en allen die van het behandelde of de stukken kennis dragen, in acht genomen totdat de raad haar opheft. Op grond van een belang, genoemd in artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur, kan de geheimhouding eveneens worden opgelegd door het college, de burgemeester en een commissie, ieder ten aanzien van stukken die zij aan de raad overleggen. Daarvan wordt op de stukken melding gemaakt. De krachtens het tweede lid opgelegde verplichting tot geheimhouding met betrekking tot aan de raad overgelegde stukken vervalt, indien de oplegging niet door de raad in zijn eerstvolgende vergadering die blijkens de presentielijst door meer dan de helft van het aantal zitting hebbende leden is bezocht, wordt bekrachtigd. De krachtens het tweede lid opgelegde verplichting tot geheimhouding met betrekking tot aan leden van de raad overgelegde stukken wordt in acht genomen totdat het orgaan dat de verplichting heeft opgelegd, dan wel, indien het stuk waaromtrent geheimhouding is opgelegd aan de raad is voorgelegd, totdat de raad haar opheft. De raad kan deze beslissing alleen nemen in een vergadering die blijkens de presentielijst door meer dan de helft van het aantal zitting hebbende leden is bezocht. Artikel 26De voorzitter zorgt voor de handhaving van de orde in de vergadering en is bevoegd, wanneer die orde op enigerlei wijze door toehoorders wordt verstoord, deze en zo nodig andere toehoorders te doen vertrekken. Hij is bevoegd toehoorders die bij herhaling de orde in de vergadering verstoren voor ten hoogste drie maanden de toegang tot de vergadering te ontzeggen. Hij kan de raad voorstellen aan een lid dat door zijn gedragingen de geregelde gang van zaken belemmert, het verdere verblijf in de vergadering te ontzeggen. Over het voorstel wordt niet beraadslaagd. Na aanneming daarvan verlaat het lid de vergadering onmiddellijk. Zo nodig doet de voorzitter hem verwijderen. Bij herhaling van zijn gedrag kan het lid bovendien voor ten hoogste drie maanden de toegang tot de vergadering worden ontzegd. Artikel 28Een lid van de raad neemt niet deel aan de stemming over: een aangelegenheid die hem rechtstreeks of middellijk persoonlijk aangaat of waarbij hij als vertegenwoordiger is betrokken; de vaststelling of goedkeuring der rekening van een lichaam waaraan hij rekenplichtig is of tot welks bestuur hij behoort. Bij een schriftelijke stemming wordt onder het deelnemen aan de stemming verstaan het inleveren van een stembriefje. Een benoeming gaat iemand persoonlijk aan, wanneer hij behoort tot de personen tot wie de keuze door een voordracht of bij een herstemming is beperkt. Het eerste lid is niet van toepassing bij het besluit betreffende de toelating van de na periodieke verkiezing benoemde leden. Artikel 29Een stemming is alleen geldig, indien meer dan de helft van het aantal leden dat zitting heeft en zich niet van deelneming aan de stemming moet onthouden, daaraan heeft deelgenomen. Het eerste lid is niet van toepassing: ingeval opnieuw wordt gestemd over een voorstel of over een benoeming, voordracht of aanbeveling van een of meer personen ten aanzien van wie in een vorige vergadering een stemming op grond van dat lid niet geldig was; in een vergadering als bedoeld in artikel 20, tweede lid, voor zover het betreft onderwerpen die in de daaraan voorafgaande, ingevolge artikel 20, eerste lid, niet geopende vergadering aan de orde waren gesteld. Artikel 30Voor het tot stand komen van een beslissing bij stemming wordt de volstrekte meerderheid vereist van hen die een stem hebben uitgebracht. Bij een schriftelijke stemming wordt onder het uitbrengen van een stem verstaan het inleveren van een behoorlijk ingevuld stembriefje. Artikel 31De stemming over personen voor het doen van benoemingen, voordrachten of aanbevelingen geschiedt bij gesloten en ongetekende stembriefjes. Indien de stemmen staken over personen tot wie de keuze door een voordracht of bij een herstemming is beperkt, wordt in dezelfde vergadering een herstemming gehouden. Staken bij deze stemming de stemmen opnieuw, dan beslist terstond het lot. Artikel 32De overige stemmingen geschieden bij hoofdelijke oproeping, indien de voorzitter of een van de leden dat verlangt. In dat geval geschieden zij mondeling. Bij hoofdelijke oproeping is ieder ter vergadering aanwezig lid dat zich niet van deelneming aan de stemming moet onthouden verplicht zijn stem voor of tegen uit te brengen. Indien over een voorstel geen stemming wordt gevraagd, is het aangenomen. Tenzij de vergadering voltallig is, wordt bij staking van stemmen het nemen van een beslissing uitgesteld tot een volgende vergadering, waarin de beraadslagingen kunnen worden heropend. Indien de stemmen staken in een voltallige vergadering of in een ingevolge het vierde lid opnieuw belegde vergadering, is het voorstel niet aangenomen. Onder een voltallige vergadering wordt verstaan een vergadering waarin alle leden waaruit de raad bestaat, voor zover zij zich niet van deelneming aan de stemming moesten onthouden, een stem hebben uitgebracht. Artikel 100In iedere gemeente is een secretaris en een griffier. Artikel 101Artikel 15, eerste en tweede lid, is van overeenkomstige toepassing op de secretaris en de griffier. Artikel 107De raad benoemt de griffier. Hij is tevens bevoegd de griffier te schorsen en te ontslaan. Artikel 107aDe griffier staat de raad en de door de raad ingestelde commissies bij de uitoefening van hun taak terzijde. De raad stelt in een instructie nadere regels over de taak en de bevoegdheden van de griffier. Artikel 107bDe griffier is in de vergadering van de raad aanwezig. Artikel 107cDe stukken die van de raad uitgaan, worden door de griffier medeondertekend. Artikel 107dDe raad regelt de vervanging van de griffier. De artikelen 101 en 107 tot en met 107c zijn van overeenkomstige toepassing op degene die de griffier vervangt. Artikel 107eDe raad kan regels stellen over de organisatie van de griffie. De raad is bevoegd de op de griffie werkzame ambtenaren te benoemen, te schorsen en te ontslaan. ToelichtingDe meest voorkomende rechten van de leden worden omschreven. Onder "aanhangig" wordt verstaan: aan de orde/in behandeling zijnd.Waar in het reglement ook het begrip "fracties" wordt geregeld (artikel 5) dient ook de fractiemedewerker zijn/haar basis te hebben in het RvO. Hoofdstuk II De voorzitterArtikel 2 Taak van de voorzitter in de vergaderingDe voorzitter is belast met: het leiden van de vergadering; het handhaven van de orde; het doen naleven van het reglement van orde; hetgeen de wet of dit reglement hem verder opdraagt. De raad kiest uit haar midden een plaatsvervangend voorzitter. Hoofdstuk III Het presidium en de griffierArtikel 3a Het presidiumDe raad heeft een presidium. Het presidium bestaat uit de plaatsvervangend voorzitter van de raad en de voorzitters van alle fracties die vertegenwoordigd zijn in de raad. De plaatsvervangend voorzitter van de raad en twee voorzitters van de fracties uit de raad vormen het dagelijks bestuur van het presidium. Op 1 januari van ieder kalenderjaar treden de fractievoorzitters af als lid van het dagelijks bestuur en worden opgevolgd door andere fractievoorzitters. Tenminste één van de fractievoorzitters is afkomstig van een fractie die niet in het college van burgemeester en wethouders vertegenwoordigd is. Het dagelijks bestuur van het presidium doet voorstellen omtrent de regeling van werkzaamheden van de raad. De burgemeester en de griffier zijn in elke vergadering van het presidium en het dagelijks bestuur aanwezig. Artikel 3b De griffierDe griffier is in elke vergadering van de raad aanwezig. Bij zijn verhindering of afwezigheid wordt de griffier vervangen door een door de raad daartoe aangewezen ambtenaar van de raadsgriffie. Hij kan, indien hij daartoe door de voorzitter wordt uitgenodigd, aan de beraadslagingen als bedoeld in dit reglement deelnemen. Hoofdstuk IV Toelating van nieuwe ledenArtikel 4 Onderzoek geloofsbrieven; beëdigingBij elke benoeming van nieuwe leden stelt de raad, zo spoedig mogelijk een commissie in bestaande uit drie leden. De commissie onderzoekt de geloofsbrieven, de daarop betrekking hebbende stukken van nieuw benoemde leden en de processen-verbaal van het stembureau. De commissie brengt na haar onderzoek van het stembureau, voorafgaand aan de eerstvolgende raadvergadering, schriftelijk verslag uit aan de raad en doet daarbij een voorstel voor een besluit. Dit voorstel wordt aan het begin van de eerstvolgende raadsvergadering behandeld. In het verslag wordt ook melding gemaakt van een minderheidsstandpunt. De voorzitter roept een toegelaten lid op om in de eerste vergadering, waarin hij zijn functie volgens de Kieswet kan aanvaarden, de voorgeschreven eed of verklaring en belofte, af te leggen. Bij benoeming van een wethouder wordt overeenkomstig het eerste lid een commissie ingesteld welke onderzoekt of de kandidaat voldoet aan de eisen van de gemeentewet. De werkwijze van de commissie is overeenkomstig het tweede lid Toelichting: Het vierde lid geeft invulling aan een leemte in de Gemeentewet. Uit de Kieswet vloeit het geloofsbrieven onderzoek van raadsleden voort. Aangezien de wethouder geen gekozen volksvertegenwoordiger is, is hierover niets in de Kieswet geregeld. De Gemeentewet geeft wel aan welke formele eisen gesteld worden aan een wethouder maar niet op welk moment deze getoetst worden. De formele eisen voor het wethouderschap zijn grotendeels vergelijkbaar met de vereisten voor het raadslidmaatschap (Gemeentewet artikel 36a, 36b, 41b en 41c). Het ligt voor de hand om voor het benoemen van wethouders ook een commissie voor het onderzoek naar de geloofsbrieven in te stellen. Vandaar dat er een vierde lid aan dit artikel is toegevoegd. Dit artikel is ook van toepassing als er geen wethouder van buiten maar uit de raad wordt benoemd, de incomptabiliteiten en nevenfuncties dienen immers opnieuw beoordeeld te worden.Artikel 5 FractieDe leden die gekozen zijn op lijsten boven welke dezelfde naam of aanduiding van een groepering is geplaatst, worden bij de opening van de eerste vergadering na verkiezing als één fractie beschouwd. Is onder een lijstnummer slechts één lid gekozen, dan wordt dit lid als een afzonderlijke fractie beschouwd. De fracties doen schriftelijk mededeling aan de voorzitter, onder vermelding van de naam van de fractie en de namen van degenen die als voorzitter van de fractie en als diens plaatsvervanger zullen optreden. a. Indien: één of meer leden van een fractie als zelfstandige fractie gaan optreden; twee of meer fracties als één fractie gaan optreden; één of meer leden van een fractie zich aansluiten bij een andere fractie; wordt hiervan zo spoedig mogelijk schriftelijk mededeling gedaan aan de voorzitter. Met de onder a. beschreven veranderde situatie wordt rekening gehouden met ingang van de eerstvolgende vergadering van de raad na de mededeling daarvan. Hoofdstuk V VergaderingenArtikel 6 Dag en tijdstip van de vergaderingen en zittingenDe vergaderingen van de raad worden in de regel gehouden op donderdag, beginnen om 14.00 uur en worden gehouden in het stadhuis. Een vergadering kan uit meer zittingen bestaan. Bestaat een vergadering uit meer dan één zitting, dan vangt de middagzitting aan om 14.00 uur en wordt zij beëindigd om 17.30 uur. De avondzitting begint alsdan om 20.00 uur. De avondzittingen worden om 23.00 uur beëindigd, bijzondere omstandigheden -ter beoordeling aan de raad- voorbehouden. De raad beslist of na de eerste vergadering (middag en avondzitting) een tweede vergadering (zgn. uitloopraad) wordt gehouden. De voorzitter kan in bijzondere gevallen, zo mogelijk na overleg met het presidium, een andere dag en/of een ander tijdstip bepalen of een andere vergaderplaats aanwijzen. Wanneer toepassing wordt gegeven aan het gestelde in het vierde lid en een andere dag en tijdstip zijn bepaald, geschiedt de oproeping zo spoedig mogelijk. Artikel 7 De agendaVoordat de oproepingsbrief wordt verzonden, stelt het presidium de agenda van de vergadering voorlopig vast. In spoedeisende gevallen kan de voorzitter in overleg met het presidium na het verzenden van de oproepingsbrief tot uiterlijk tweemaal 24 uur voor de aanvang van een vergadering een aanvullende agenda opstellen. Bij aanvang van de vergadering stelt de raad de agenda vast. Op voorstel van een lid van de raad of de voorzitter kan de raad bij de vaststelling van de agenda onderwerpen aan de agenda toevoegen of van de agenda afvoeren. Wanneer de raad een onderwerp onvoldoende voor de openbare beraadslaging voorbereid acht, kan hij het onderwerp verwijzen naar een commissie of aan het college nadere inlichtingen of advies vragen. Op verzoek van een lid of op voorstel van de voorzitter kan de raad de volgorde van behandeling van de agendapunten wijzigen. De raad kan besluiten in spoedeisende gevallen, op voorstel van een lid van de raad of de voorzitter, onderwerpen die niet in de oproeping zijn vermeld, terstond te agenderen. Artikel 8 OproepDe voorzitter zendt tenminste zeven dagen vóór een vergadering de leden een schriftelijke oproep onder vermelding van de dag, tijdstip en plaats van de vergadering. De oproeping vermeldt de onderwerpen, die in de vergadering behandeld zullen worden in de volgorde waarin deze aan de orde zullen worden gesteld, de betreffende portefeuillehouders en de status van het betreffende agendapunt. Daarbij staat een A voor afdoende behandeld in de commissie en B voor bespreken. De agenda en de daarbij behorende stukken, met uitzondering van de in artikel 25, tweede lid, van de Gemeentewet bedoelde stukken, de te behandelen raadsvoorstellen en de lijst van mededelingen worden tegelijkertijd met de oproeping aan de leden verzonden en op de dag van verzending gepubliceerd op Raadsinformatie On Line Gemeente Utrecht. Nadere (aanvullende) informatie ten behoeve van raads- en/of commissiebehandeling wordt op een zodanig tijdstip aangeleverd dat er tussen ontvangst van deze informatie en de betreffende vergadering tenminste één weekend zit. Indien deze termijn wordt overschreden, dan wordt het betreffende agendapunt, waarop deze nadere informatie betrekking heeft niet behandeld, tenzij een door het Presidium geaccepteerde motivering is gegeven. Indien een aanvullende agenda wordt vastgesteld als bedoeld in artikel 7, tweede lid, worden deze agenda en de daarop vermelde voorstellen zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk tweemaal 24 uur voor aanvang van de vergadering aan de leden gezonden. Artikel 8a Leden van het collegeDe leden van het college worden geacht een permanente uitnodiging te hebben voor de vergaderingen van de raad. De leden van het college nemen op uitnodiging van de voorzitter deel aan de beraadslagingen van de raad. Artikel 9 Ter inzage leggen van documentenDe stukken welke dienen ter toelichting van de op de agenda vermelde punten en die niet zijn meegezonden noch gepubliceerd zijn op het raadsinformatiesysteem, worden gelijktijdig met het verzenden van de voorstellen voor de leden ter inzage gelegd. Betreft het stukken, waarop artikel 25, 55, derde lid of 86 van de Gemeentewet is toegepast, dan liggen deze gedurende drie maanden na dagtekening ter inzage in het vak voor de geheime stukken. Deze worden niet aan de leden toegezonden. Een lid van de raad mag een origineel van een ter inzage gelegd stuk niet buiten het stadhuis brengen. Een lid van de raad mag een kopie van een ter inzage gelegd stuk, niet zijnde een stuk als bedoeld in het tweede lid, slechts voor eigen gebruik buiten het stadhuis brengen. Indien voor stukken op grond van artikel 25, 55, derde lid of 86 van de Gemeentewet, geheimhouding is opgelegd, kan, door het orgaan dat de geheimhouding heeft opgelegd, worden bepaald dat deze stukken, in afwijking van het eerste en tweede lid, onder de berusting van de griffier dan wel gemeentesecretaris blijven en verleent de griffier dan wel de gemeentesecretaris de leden van de raad inzage. Artikel 10 Openbare kennisgevingDe vergadering wordt door aankondiging in één of meer dag-, nieuws-, of huis- aan huisbladen, door middel van publicatie op Raadsinformatie On-Line Gemeente Utrecht en door afkondiging op de in de gemeente gebruikelijke wijze ter openbare kennis gebracht. De openbare kennisgeving vermeldt: de datum, aanvangstijd en plaats van de vergadering; de wijze waarop en de plaats waar een ieder de agenda en de daarbij behorende stukken kan inzien. Artikel 11 PresentieIeder ter vergadering komend lid tekent onmiddellijk na aankomst in de vergaderzaal de presentielijst. Aan het einde van elke vergadering wordt die lijst door de voorzitter en de griffier door ondertekening afgesloten. Het lid dat verhinderd is de vergadering bij te wonen geeft daarvan vóór het begin van de vergadering kennis aan de griffier. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op de zgn. uitloopraad als bedoeld in artikel 6, derde lid. Artikelen 12 en 13 VERVALLENArtikel 14 ZitplaatsenDe voorzitter, de leden en de griffier hebben een vaste zitplaats, door de voorzitter na overleg met de fractievoorzitters bij iedere nieuwe zittingsperiode van de raad aangewezen. Indien daartoe aanleiding bestaat, kan de voorzitter de indeling herzien na overleg met de fractievoorzitters. Artikel 15 Opening vergadering; quorumDe voorzitter opent de vergadering op het vastgestelde uur, indien het daarvoor door de wet vereiste aantal leden blijkens de presentielijst aanwezig is. Vervolgens leest de voorzitter de namen op van de leden die bericht van verhindering hebben gezonden. Wanneer een half uur na het vastgestelde tijdstip niet het vereiste aantal leden aanwezig is, bepaalt de voorzitter, na voorlezing van de namen der aanwezige leden door de griffier, dag en uur van de volgende vergadering, met inachtneming van artikel 20 van de Gemeentewet. Artikel 16 Aanwijzing bij welk lid stemming aanvangtAlvorens de aangekondigde onderwerpen aan de orde te stellen deelt de voorzitter mede, bij welk lid van de raad, de hoofdelijke stemming zal beginnen. Daartoe wordt bij loting een volgnummer van de presentielijst aangewezen; bij het daar genoemde lid begint de hoofdelijke stemming. Artikel 17 NotulenDe ontwerpnotulen van de voorgaande vergadering worden aan de leden en overigen bekend gemaakt. Bij het begin van de vergadering worden, zoveel mogelijk, de notulen van de vorige vergadering vastgesteld. De leden, de leden van het college en de griffier hebben het recht, een voorstel tot verandering aan de raad te doen, indien de notulen onjuistheden bevatten of niet duidelijk weergeven hetgeen is gezegd of besloten. Een voorstel tot verandering dient voor het vaststellen van de notulen bij de griffier te worden ingediend. De notulen moeten inhouden: de namen van de voorzitter, de griffier, de ter vergadering aanwezige leden, alsmede van de leden die afwezig waren, de wethouders en overige personen die het woord gevoerd hebben; een vermelding van de zaken die aan de orde zijn geweest; de letterlijke tekst van het gesprokene met vermelding van de namen der aanwezigen die het woord voerden; een overzicht van het verloop van elke stemming, met vermelding bij hoofdelijke stemming van de namen van de leden die voor of tegen stemden, onder aantekening van de namen van de leden die zich overeenkomstig de Gemeentewet van stemming hebben onthouden; de tekst van de ter vergadering ingediende initiatiefvoorstellen, voorstellen van orde, moties, amendementen en subamendementen; bij het betreffende agendapunt de naam en de hoedanigheid van die personen aan wie het op grond van het bepaalde in artikel 25 door de raad is toegestaan deel te nemen aan de beraadslagingen. De notulen worden opgesteld onder de zorg van de griffier. De vastgestelde notulen worden door de voorzitter en de griffier ondertekend. Artikel 18 Ingekomen stukkenBij de raad ingekomen stukken, waaronder schriftelijke mededelingen van het college aan de raad, worden op een lijst geplaatst. Deze lijst wordt zeven dagen voor de raad aan de leden van de raad per e-mail voorgelegd en ter inzage gelegd vergezeld van een voorstel van afdoening. De raadsleden kunnen tot de woensdag vóór de raad tot 12.00 uur voorstellen tot wijziging van de voorgestelde wijzen van afdoening aan de griffie mededelen. Deze voorstellen worden verwerkt in de definitieve lijst van ingekomen stukken. Voorafgaand aan de raadsvergadering stelt het Dagelijks Bestuur van het Presidium de definitieve wijze van afdoening van de ingekomen stukken vast. Deze definitieve lijst wordt aan de leden tijdens de raadsvergadering ter kennisneming uitgereikt. Artikel 19 SpreekregelsDe leden en de leden van het college spreken naar eigen verkiezing zittend vanaf hun plaats of staand vanaf het spreekgestoelte en richten zich tot de voorzitter. Artikel 20 Volgorde sprekersEen lid of een lid van het college voert het woord na het aan de voorzitter gevraagd en van hem verkregen te hebben. De voorzitter verleent het woord in de volgorde, waarin het is gevraagd, met dien verstande dat over een initiatiefvoorstel, een voorstel van orde, een motie, een amendement of een subamendement eerst de voorsteller of een van de voorstellers het woord mag voeren ter toelichting. Artikel 21 Aantal spreektermijnenDe beraadslaging over een voorstel geschiedt in ten hoogste twee termijnen, tenzij de raad anders beslist. Elke spreektermijn wordt door de voorzitter afgesloten. Een lid mag in een termijn niet meer dan eenmaal het woord voeren over hetzelfde onderwerp of voorstel. Bij de bepaling hoeveel malen een lid over hetzelfde onderwerp of voorstel het woord heeft gevoerd wordt niet meegerekend het spreken over een persoonlijk feit of een voorstel van orde. Artikel 22 SpreektijdEr is een spreektijdregeling, vastgesteld door het Presidium. Zodra de spreektijd is verstreken, nodigt de voorzitter de spreker uit zijn rede te beëindigen. Deze is gehouden aan de uitnodiging gevolg te geven. Voldoet spreker niet aan de in het eerste lid bedoelde uitnodiging, dan ontneemt de voorzitter hem het woord. Artikel 23 Maatregelen tot handhaving der orde ten opzichte van sprekersDe voorzitter mag een spreker in zijn rede storen, indien hij zulks nodig acht in het belang van een behoorlijk en regelmatig verloop van de vergadering. Interrupties zijn alleen toegelaten voor zover deze naar het oordeel van de voorzitter niet hinderlijk zijn. Indien een spreker van het onderwerp in beraadslaging afwijkt en zich daarmede buiten de orde begeeft, brengt de voorzitter hem dit onder de aandacht en roept hem terug tot de behandeling van het onderwerp. Indien een spreker beledigende of onwelvoegzame uitdrukkingen bezigt, zich uit op een wijze, die niet in overeenstemming is met de goede toon of op welke wijze ook de orde verstoort, vermaant de voorzitter hem. De voorzitter stelt deze spreker in de gelegenheid de woorden, die tot de vermaning aanleiding hebben gegeven, terug te nemen of verontschuldiging aan te bieden voor zijn houding. Ingeval een spreker van de gelegenheid om bepaalde woorden terug te nemen gebruik maakt, zullen deze niet in de notulen worden opgenomen. De voorzitter is bevoegd, de gedeelten van de weergave van het gesprokene, die hem ertoe hebben geleid een spreker te vermanen of het woord te ontnemen, niet in de notulen te doen opnemen. Mocht een spreker zich niet naar de aanwijzingen van de voorzitter gedragen, dan kan deze hem voor het aan de orde zijnde onderwerp het woord ontnemen. De voorzitter kan in het belang van de orde van de vergadering voor een bepaalde tijd schorsen, dan wel haar sluiten. Artikel 24 Deelname aan de beraadslaging door anderenDe raad kan bepalen dat anderen dan de in de vergadering aanwezige leden van de raad, het college, de griffier of de voorzitter deelnemen aan de beraadslaging. Een beslissing daartoe wordt op voorstel van de voorzitter of één der leden van de raad genomen alvorens met de beraadslaging ten aanzien van het aan de orde zijnde agendapunt een aanvang wordt genomen. Artikel 25 Persoonlijk feitDe voorzitter stelt een lid of een lid van het college, dat het woord voor een persoonlijk feit verlangt, in de gelegenheid een beknopte aanduiding van dat feit te geven. Een persoonlijk feit moet betrekking hebben op een bejegening van een lid tijdens de vergadering, welke door hem als kwetsend wordt ervaren. De bewering dat het gesprokene niet is begrepen, wordt niet als een persoonlijk feit aangemerkt. Een persoonlijk feit wordt in beginsel in ten hoogste twee spreektermijnen behandeld. Degene die het persoonlijk feit aangaat en niet als laatste in tweede termijn het woord heeft gevoerd, zal op zijn verzoek vóór het sluiten van de beraadslaging het woord worden gegeven. Artikel 26 BeraadslagingenOver alle onderwerpen aan de orde gesteld, vindt in beginsel geen afzonderlijke bespreking naar artikelen of onderdelen plaats. Wanneer de raad dit doelmatig acht, kan de beraadslaging tweeledig zijn en wel eerst door het houden van algemene beschouwingen over het onderwerp, daarna door bespreking van elk van de artikelen of onderdelen. Indien de voorzitter blijkt, dat geen beraadslaging in verdere termijn zal behoeven plaats te hebben, sluit hij de beraadslaging, waarna geen andere voorstellen dan voorstellen van orde als bedoeld in artikel 39 kunnen worden ingediend. Vervolgens geeft de voorzitter gelegenheid voor stemverklaringen als bedoeld in artikel
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.