Procedureverordening planschade Arnhem 2011Artikel1Begripsbepalingen Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder: aanvraag: aanvraag om een tegemoetkoming in de schade als bedoeld in artikel 6.1 van de Wet ruimtelijke ordening; adviseur: een persoon of commissie, die geen deel uitmaakt van of werkzaam is onder verantwoordelijkheid van enig bestuursorgaan van de gemeente Arnhem, en die belast is met de advisering over de op de aanvraag te nemen beschikking; belanghebbende: een belanghebbende als bedoeld in artikel 6.4a, tweede en derde lid van de Wet ruimtelijke ordening; bijstandsniveau: de som op jaarbasis van de voor de aanvrager van toepassing zijnde maandelijkse bijstandsnormen als bedoeld in artikel 5 van Wet werk en bijstand respectievelijk de inkomensvoorzieningen zoals bedoeld in artikel 5 van de Wet investeren in jongeren; college: het college van burgemeester en wethouders; planologische maatregel: schadeoorzaak als bedoeld in artikel 6.1, tweede lid, van de Wet ruimtelijke ordening; planschade: schade als bedoeld in artikel 6.1, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening. Artikel2Recht Het recht als bedoeld in artikel 6.4 van de Wet ruimtelijke ordening bedraagt € 300, met dien verstande dat het recht dat wordt geheven van een aanvrager, die in het laatste kalenderjaar voor de aanvraag inkomsten had die gelijk of lager waren dan bijstandsniveau, € 100 bedraagt. Artikel3Adviescommissie planschade Arnhem 1.Er is een commissie, genaamd de adviescommissie planschade Arnhem, die tot taak heeft om als adviseur advies uit te brengen aan het college. 2.De commissie bestaat uit drie onafhankelijke leden, onder wie een voorzitter, die door het college worden benoemd. 3.Het college benoemt een plaatsvervangend voorzitter. Het college kan voor elk overig lid een plaatsvervanger benoemen. 4.De leden en hun plaatsvervangers worden telkens voor een termijn van ten hoogste vier jaar benoemd. 5.Tot leden van de commissie worden personen benoemd die op grond van opleiding en ervaring aantoonbaar deskundig zijn. 6.Het college kan, indien daarvoor aanleiding bestaat, te allen tijde een of meer leden tussentijds schorsen of ontslaan. 7.Indien het lidmaatschap van een commissielid tussentijds eindigt, benoemt het college een ander lid voor de resterende periode. 8.De leden en plaatsvervangende leden van de commissie zijn verplicht tot geheimhouding van hetgeen hun in het kader van de uitvoering van hun taak ter kennis komt. Artikel4Opdracht tot advisering 1.Indien een aanvraag kennelijk gegrond en eenvoudig van aard is, beslist het college op de aanvraag binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag of, indien de aanvrager van wie de aanvraag kennelijk gegrond en eenvoudig van aard is de gelegenheid heeft gehad de aanvraag aan te vullen, binnen acht weken na ontvangst van de aanvullende gegevens. 2.In het geval dat geen toepassing wordt gegeven aan het bepaalde in het eerste lid verstrekt het college de opdracht om advies uit te brengen over de op een aanvraag te nemen beslissing aan de commissie. 3.In gevallen waarin een aanvraag kennelijk gegrond is, kan het college de opdracht verstrekken aan een adviseur niet zijnde de commissie. 4.De termijn waarbinnen het college de opdracht verstrekt is ten hoogste acht weken na ontvangst van de aanvraag. 5.Indien een verzoek tot wraking van de betrokken adviseur of leden van de commissie is ingediend is de termijn waarbinnen het college de opdracht verstrekt ten hoogste vier weken na de beslissing op het verzoek tot wraking. Artikel5Wraking 1.Voordat het college de opdracht aan de adviseur verstrekt worden de aanvrager, eventuele andere betrokken bestuursorganen en de belanghebbende hiervan schriftelijk in kennis gesteld. 2.Zij kunnen binnen twee weken na de verzending van de kennisgeving schriftelijk en gemotiveerd een verzoek tot wraking van de betrokken adviseur of leden van de commissie bij het college indienen. 3.Het college beslist op het verzoek tot wraking binnen twee weken na ontvangst van het verzoek. Artikel6Deskundigheid en onafhankelijkheid 1.Een adviseur aan wie de opdracht wordt verstrekt, is op grond van opleiding en ervaring aantoonbaar deskundig. 2.De adviseur mag niet betrokken zijn bij de planologische maatregel waarop de aanvraag betrekking heeft. 3.De adviseur is verplicht tot geheimhouding van hetgeen hem in het kader van de uitvoering van zijn taak ter kennis komt. Artikel7Werkwijze van de adviseur 1.Het college stelt aan de adviseur alle op de aanvraag betrekking hebbende informatie ter beschikking. De adviseur kan het college en de aanvrager verzoeken aanvullende gegevens te verstrekken. 2.De adviseur houdt een hoorzitting, waar de aanvrager en een vertegenwoordiger van het college in de gelegenheid worden gesteld de aanvraag toe te lichten, de voor de advisering over de aanvraag relevante informatie te verschaffen, onderscheidenlijk een standpunt van het college kenbaar te maken. Eventuele andere betrokken bestuursorganen, alsmede de belanghebbende worden eveneens in de gelegenheid gesteld hun standpunt kenbaar te maken. 3.De adviseur bepaalt het tijdstip waarop hij de situatie ter plaatse zal bezichtigen en nodigt de aanvrager voor de plaatsopneming uit. 4.Ten behoeve van een taxatie van een bij de aanvraag betrokken onroerende zaak, wordt door de adviseur met de aanvrager een afspraak gemaakt. 5.Van de in het derde lid bedoelde hoorzitting en van de in het vierde lid bedoelde bezichtiging wordt door, dan wel onder verantwoordelijkheid van de adviseur een verslag gemaakt, dat onderdeel vormt van het uit te brengen advies. 6.Alvorens een advies uit te brengen zendt de adviseur binnen zestien weken na de dagtekening van de opdracht tot advisering een ontwerp daarvan aan het college, aan de aanvrager, aan eventuele andere betrokken bestuursorganen en aan de belanghebbende. De adviseur kan deze termijn onder opgaaf van redenen met ten hoogste vier weken verlengen. 7.De aanvrager, eventuele andere betrokken bestuursorganen alsmede de belanghebbende worden in de gelegenheid gesteld om binnen acht weken na de toezending van het ontwerp van het advies schriftelijk hierop te reageren. 8.In het geval dat tijdig reacties zijn ingediend, brengt de adviseur binnen zes weken na het verstrijken van de in het achtste lid bedoelde termijn een advies uit aan het college, waarbij de betreffende reacties zijn betrokken. 9.In het geval geen of niet tijdig reacties zijn ingediend, brengt de adviseur binnen twee weken na het verstrijken van de in het achtste lid bedoelde termijn een advies uit aan het college. Artikel8Overgangsbepaling Het recht zoals dat gold op grond van de Procedureverordening planschade 2005 blijft van toepassing op aanvragen om schadevergoeding op grond van artikel 49 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening die zijn ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van Wet ruimtelijke ordening (1 juli 2008) of die nog tot 1 september 2010 kunnen worden ingediend waarbij een schadevergoeding wordt gevraagd op grond van een planologische maatregel die vóór 1 juli 2008 onherroepelijk is geworden. Artikel9Intrekkingsbepaling De Procedureverordening planschade 2005 wordt ingetrokken. Artikel10Inwerkingtreding Deze verordening treedt in werking op de dag na de dag van bekendmaking. Artikel11Citeertitel Deze verordening wordt aangehaald als 'Procedureverordening planschade Arnhem 2011’. Toelichting ALGEMENE TOELICHTING Grondslag tegemoetkoming planschade Krachtens artikel 6.1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) kan degene die in de vorm van inkomensderving of vermindering van de waarde van een onroerende zaak schade lijdt of zal lijden als gevolg van een planologische maatregel, op aanvraag een tegemoetkoming in planschade worden toegekend, voor zover de schade redelijkerwijs niet voor rekening van de aanvrager behoort te blijven en voor zover de tegemoetkoming in planschade niet voldoende anderszins verzekerd is. Veel procedureregels die gevolgd moeten worden bij het in behandeling nemen van zo’n aanvraag om tegemoetkoming waren voorheen opgenomen in een procedureverordening. Nu zijn een groot aantal van deze regels rechtstreeks opgenomen in de Wro en het Bro. Toch blijven een aantal onderwerpen over die in een procedureverordening geregeld moeten blijven. Dit zijn onderwerpen ten aanzien waarvan in het Besluit Ruimtelijke Ordening (Bro) (artikel 6.1.3.3, tweede lid) is bepaald dat de verordening hier in ieder geval betrekking op moet hebben. Deze onderwerpen zijn: - de deskundigheid en de onafhankelijkheid van de adviseur; - de gevallen waarin een adviescommissie wordt ingeschakeld; - het tijdstip waarop de adviseur wordt ingeschakeld; de wijze waarop de aanvrager, eventuele andere betrokken bestuursorganen en de belanghebbenden als bedoeld in artikel 6.4a, tweede en derde lid, van de Wro vooraf in de aanwijzing van de adviseur worden gekend, dan wel na deze aanwijzing kunnen wraken en - de wijze waarop de aanvrager, eventuele andere betrokken bestuursorganen en de belanghebbenden als bedoeld in artikel 6.4a, tweede en derde lid, van de Wro onder verslaglegging worden gehoord en bij de opstelling van het advies en de hierbij geldende termijnen worden betrokken. Deze onderwerpen zijn dan ook terug te lezen in de nieuwe procedureverordening planschadevergoeding
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.