Algemene Plaatselijke Verordening Schiedam 2010HOOFDSTUK1ALGEMENE BEPALINGEN ALGEMENE PLAATSELIJKE VERORDENING SCHIEDAM Artikel1.1Begripsomschrijvingen In deze verordening wordt verstaan dan wel mede verstaan onder: A Weg: 1.De weg, als bedoel in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994 alsmede de daaraan liggende en als zodanig aangeduide parkeerterreinen; 2.de – al dan niet met enige beperking – voor het publiek toegankelijke pleinen en open plaatsen, parken, plantsoenen, speelweiden, bossen, natuurterreinen, ijsvlakten en aanlegplaatsen voor voertuigen; 3.de voor het publiek toegankelijke stoepen, trappen, portieken, gangen, passages en galerijen, welke uitsluitend tot voor bewoning in gebruik zijnde ruimte toegang geven en niet afsluitbaar zijn; 4.andere voor het publiek toegankelijke, al dan niet afsluitbare stoepen, trappen, portieken, gangen, passages en galerijen; de afsluitbare alleen gedurende de tijd dat zij niet door of vanwege degene die daartoe naar burgerlijk recht bevoegd is, zijn afgesloten. B Openbaar water: alle wateren die – al dan niet met enige beperking - voor het publiek bevaarbaar of anderszins toegankelijk zijn. C Bebouwde kom: de bebouwde kom of kommen waarvan Gedeputeerde Staten van Zuid-Holland de grenzen hebben vastgesteld overeenkomstig artikel 27, tweede lid, van de Wegenwet. D Rechthebbende: een ieder die over enige zaak enige zeggenschap heeft krachtens een zakelijk of persoonlijk recht. E Voertuigen: alle voertuigen als bedoeld in artikel 1, onder a en onder al (aa
- el)van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, met uitzondering van: treinen en trams; kruiwagens, kinderwagens en dergelijke kleine voertuigen. F Vaartuigen: alle vaartuigen, daaronder mede verstaan drijvende werktuigen, alsmede woonschepen, glijboten en ponten. G Woonschepen: schepen uitsluitend of hoofdzakelijk als woning gebezigd of tot woning bestemd. H Bouwwerk: elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, welke op de plaats van bestemming hetzij direct of indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond. I Gebouw: elk bouwwerk dat een voor personen toegankelijke overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt. J Vee: eenhoevige dieren, herkauwende dieren en varkens. K Pluimvee: klein- en pluimvee, eenden en ganzen. L Handelsreclame: iedere openbare aanprijzing van goederen of diensten, waarmee kennelijk beoogd wordt een commercieel belang te dienen. Artikel1.2Beslistermijn 1.Het bevoegd bestuursorgaan beslist op een aanvraag voor een vergunning of ontheffing binnen acht weken na de dag waarop de aanvraag ontvangen is. Het bestuursorgaan kan zijn beslissing voor ten hoogste acht weken verdagen. Het bepaalde in het eerste en tweede lid geldt niet voor zover in deze verordening andere beslistermijnen zijn vastgesteld. Artikel1.2aTe late indiening aanvraag 1.Indien een aanvraag voor een vergunning of ontheffing wordt ingediend minder dan drie weken voor het tijdstip waarop de aanvrager de vergunning of ontheffing nodig heeft, kan het bevoegde bestuursorgaan besluiten de aanvraag niet te behandelen. 2.Voor bepaalde, door het bevoegde bestuursorgaan aan te wijzen vergunningen of ontheffingen kan de in het eerste lid genoemde termijn worden verlengd tot ten hoogste acht weken. Artikel1.3Voorschriften en beperkingen 1.Aan een krachtens deze verordening verleende vergunning of ontheffing kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden. Deze voorschriften en beperkingen mogen slechts strekken tot bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de vergunning of ontheffing is vereist. 2.Degene aan wie krachtens deze verordening een vergunning of ontheffing is verleend, is verplicht de daaraan verbonden voorschriften of beperkingen na te komen. Artikel1.4Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing De vergunning of ontheffing is persoonsgebonden, tenzij bij of krachtens deze verordening anders is bepaald. Artikel1.5Inzage vergunning, ontheffing of bewijs van kennisgeving Vervallen Artikel1.6Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing De vergunning of ontheffing kan al dan niet tijdelijk worden ingetrokken of gewijzigd: indien ter verkrijging daarvan onjuiste dan wel onvolledige gegevens zijn verstrekt; indien op grond van een verandering van de omstandigheden of inzichten opgetreden na het verlenen van de vergunning of ontheffing, moet worden aangenomen dat intrekking of wijziging wordt gevorderd door het belang of de belangen ter bescherming waarvan de vergunning of ontheffing is vereist; c.indien de aan de vergunning of ontheffing verbonden voorschriften en beperkingen niet zijn of worden nagekomen; d.indien van de vergunning of ontheffing geen gebruik wordt gemaakt binnen een daarin gestelde termijn dan wel, bij gebreke van een dergelijke termijn, binnen een redelijke termijn; e.indien de houder of zijn rechtsverkrijgende dit verzoekt. Artikel1.7Vergunning of ontheffing voor onbepaalde tijd Een krachtens deze verordening verleende vergunning of ontheffing geldt voor onbepaalde tijd, tenzij bij de vergunning of ontheffing anders is bepaald of de aard van de vergunning of ontheffing zich daartegen verzet. Artikel1.8Weigeringsgronden De vergunning of ontheffing kan door het daartoe bevoegde gezag worden geweigerd in het belang van : de openbare orde; de openbare veiligheid; de volksgezondheid; de bescherming van het milieu. HOOFDSTUK2OPENBARE ORDE EN VEILIGHEID Paragraaf1Orde en veiligheid op de weg Bestrijding van ongeregeldheden Artikel2.1.1Samenscholing en ongeregeldheden 1. Het is verboden op de weg zich tezamen met anderen te begeven naar of al dan niet tezamen met anderen deel te nemen aan een samenscholing, onnodig op te dringen, te vechten of door uitdagend gedrag aanleiding te geven tot wanordelijkheden. 2. Een ieder, die op de weg aanwezig is bij enig voorval, waardoor er wanordelijkheden ontstaan of dreigen te ontstaan of bij een tot toeloop van publiek aanleiding gevende gebeurtenis waardoor er wanordelijkheden ontstaan of dreigen te ontstaan, dan wel zich bevindt in of aanwezig is bij een samenscholing, is verplicht op een daartoe strekkend bevel van een ambtenaar van politie of van een toezichthouder zijn weg te vervolgen of zich in de door hem aangewezen richting te verwijderen. 3. Het is verboden zich te begeven of te bevinden op terreinen, wegen of weggedeelten, wanneer deze door of vanwege het bevoegd gezag in het belang van de openbare veiligheid of ter voorkoming van wanordelijkheden zijn afgezet. 4. De burgemeester kan ontheffing verlenen van het in het derde lid gestelde verbod. 5. Het bepaalde in de voorgaande leden geldt niet voor betogingen, vergaderingen en godsdienstige en levensbeschouwelijke samenkomsten als bedoeld in de Wet openbare manifestaties. Optochten en betogingen Artikel2.1.2Optochten 1.Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een optocht, niet zijnde een betoging als bedoeld in artikel 2.1.3, op de weg te doen plaatsvinden. De vergunning kan geweigerd worden in het belang van: de openbare orde; het voorkomen of beperken van overlast; de verkeersveiligheid of veiligheid van personen of goederen; de zedelijkheid of gezondheid. Het doen plaatsvinden van een optocht is van vergunningverplichting vrijgesteld voor door de burgemeester nader omschreven optochten, mits deze optocht uiterlijk twee weken vóór de datum waarop deze plaatsvindt schriftelijk bij de burgemeester is gemeld. De burgemeester kan bij het omschrijven van een optocht waarvoor de vrijstelling van de vergunningplicht geldt, voorschriften verbinden in het belang van: de openbare orde; het voorkomen of beperken van overlast; de verkeersveiligheid of de veiligheid van personen of goederen; de zedelijkheid of de gezondheid. De burgemeester kan, naar aanleiding van een melding als bedoeld in lid 3, een aangemeld optocht verbieden in het belang van: de openbare orde; het voorkomen of beperken van overlast; de verkeersveiligheid of de veiligheid van personen of goederen; de zedelijkheid of de gezondheid. Het is verboden een optocht te doen plaatsvinden: die door de burgemeester op grond van het bepaalde in lid 4 is verboden; indien in strijd wordt gehandeld met de in lid 3 bedoelde voorschriften; indien aanwijzingen van politie, brandweer en toezichthouders, geven in het belang van de openbare orde en veiligheid, niet stipt en onverwijld worden opgevolgd. Artikel2.1.3Kennisgeving betogingen, vergaderingen en samenkomsten tot belijden van godsdienst of levensbeschouwing op openbare plaatsen. 1.Degene die het voornemen heeft op een openbare plaats een betoging, vergadering of samenkomst tot belijden van godsdienst of levensbeschouwing, als bedoeld in de Wet openbare manifestaties, te houden, moet daarvan voor de openbare aankondiging ervan en tenminste 72 uur voordat deze gehouden zal worden, schriftelijk kennis geven aan de burgemeester, met inachtneming van hetgeen in artikel 2.1.4, eerste lid, hierover is bepaald. 2.Onder openbare plaats wordt verstaan een plaats als bedoeld in artikel 1, eerste lid, juncto tweede lid, van de Wet openbare manifestaties, te weten een plaats die krachtens bestemming of vast gebruik open staat voor het publiek, met uitzondering van een gebouw of besloten plaats als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de Grondwet. 3.De burgemeester kan in bijzondere omstandigheden de in het eerste lid, genoemde termijn van 72 uur verkorten en een mondelinge kennisgeving ontvankelijk verklaren. Artikel2.1.4Te verstrekken gegevens Bij de kennisgeving wordt door de burgemeester een opgave verlangd van: naam en adres van degene die de betoging, vergadering of samenkomst tot belijden van godsdienst of levensbeschouwing houdt; b.het doel van de betoging, vergadering of samenkomst tot belijden van godsdienst of levensbeschouwing; c.de datum waarop de betoging, vergadering of samenkomst tot belijden van godsdienst of levensbeschouwing wordt gehouden en het tijdstip van aanvang en beëindiging; de plaats en, voor zover van toepassing, de route en de plaats van beëindiging; voor zover van toepassing, de wijze van samenstelling; maatregelen die degene die de betoging, vergadering of samenkomst tot belijden van godsdienst of levensbeschouwing houdt, zal treffen om een regelmatig verloop te bevorderen. 2.Degene die de kennisgeving doet, ontvangt daarvan een bewijs waarin het tijdstip van de kennisgeving, alsmede de eventueel door de burgemeester gestelde voorschriften zijn vermeld. 3.Van op vooraf bepaalde tijdstippen regelmatig terugkerende betogingen, vergaderingen of samenkomsten tot belijden van godsdienst of levensbeschouwing, kan, voordat deze voor de eerste keer worden gehouden, eenmalig schriftelijk kennis worden gegeven. De voorafgaande leden zijn van overeenkomstige toepassing. Vertoning e.d. op de weg Artikel2.1.5Dienstverlening vervallen Artikel2.1.5aFeest, muziek en wedstrijd e.d. vervallen Artikel2.1.6Straatartiest en straatmuzikant 1. Het is verboden ten behoeve van publiek als straatartiest en straatmuzikant op te treden op of aan door de burgemeester aangewezen wegen of gedeelten daarvan. 2. De burgemeester kan de werking van het verbod beperken tot bepaalde dagen en uren. 3. De burgemeester kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod Bruikbaarheid van de weg Artikel2.1.7Voorwerpen, of stoffen op, aan of boven de weg 1.Het is verboden de weg of een weggedeelte anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie daarvan, als: a.het beoogde gebruik schade toebrengt aan de weg, gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering kan vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg; b.het beoogde gebruik hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand. Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod. Het verbod in het eerste lid van het vorige artikel geldt niet voor: evenementen bedoeld in artikel 2.2.1; standplaatsen als bedoeld in artikel 5.2.3.1. Het verbod in het eerste lid van dit artikel geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatwerken, artikel 5 van de Wegenverkeerswet, of het Provinciaal wegenreglement. Artikel2.1.8Winkeluitstallingen 1.Onverminderd het bepaalde in artikelen 2.1.7 en de Precarioverordening is het verboden zonder vergunning van het college op, aan of boven de weg, in aan of boven een openbaar water dan wel op, aan of boven een andere – al dan niet met enige beperking – voor publiek toegankelijke plaats goederen uit te stallen of uitgestald te hebben om deze te koop aan te bieden, te verkopen of te verstrekken aan het publiek, dan wel in het kader van de verkoop vanuit een winkel reclameborden te plaatsen of geplaatst te hebben (winkeluitstallingsvergunning). 2.Een vergunning als bedoeld in het eerste lid kan worden geweigerd, gewijzigd of worden ingetrokken: in het belang van de openbare orde; in het belang van de brandveiligheid; in het belang van de verkeersveiligheid of verkeersvrijheid; in het belang van de bescherming van het uiterlijk aanzien van de gemeente; in het belang van het voorkomen of het beperken van overlast; gelet op de ruimtelijke omstandigheden ter plaatse. 3. a. Aan de vergunning kan het college voorschriften verbinden, die betrekking hebben op: de oppervlakte en omvang van de uitstalling; de constructie van de uitstalling; de situering van de uitstalling ten opzichte van de winkel. De vergunning heeft een geldigheidsduur van maximaal 2 jaar na datum van afgifte. In afwijking van het gestelde onder het derde lid, sub a, kan het college voor nader aan te wijzen straten of pleinen of delen van straten of pleinen nadere regels stellen, die betrekking hebben op: oppervlakte en omvang van de uitstalling; de constructie van de uitstalling; de situering van de uitstalling ten opzichte van de winkel. Artikel2.1.9Aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg 1.Het is verboden zonder vergunning van het college een weg aan te leggen, de verharding daarvan op te breken, in een weg te graven of te spitten, aard of breedte van de wegverharding te veranderen of anderszins verandering te brengen in de wijze van aanleg van een weg. 2.Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder weg verstaan hetgeen artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994 daaronder verstaat, alsmede alle niet-openbare ontsluitingswegen van gebouwen. 3.Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing op het rijk, de provincie, de gemeente of het waterschap bij het uitvoeren van zijn/haar publiekrechtelijke taak. 4.Het in het eerste lid gestelde verbod geldt voorts niet voor zover het Wetboek van Strafrecht, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken of het Provinciaal wegenreglement, de Telecommunicatiewet of de daarop gebaseerde Telecommunicatieverordening van toepassing is. Artikel2.1.9aMaken en veranderen van een uitweg 1.Het is verboden zonder voorafgaande melding aan het college een uitweg te maken naar de weg of verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg. 2.Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder weg verstaan wat artikel 1 van de Wegenverkeerswet daaronder verstaat. 3.Bij de melding wordt een situatieschets van de gewenste uitweg en een foto van de bestaande situatie overgelegd. 4.Het college laat binnen vier weken na ontvangst van de melding weten of het college aan de gewenste uitweg voorschriften stelt of dat de gewenste uitweg in het geheel niet kan worden gerealiseerd. Het college stelt voorschriften aan de gewenste uitweg indien door het realiseren ervan: gevaar of hinder ontstaat of dreigt te ontstaan voor het wegverkeer ter plaatse; het gebruik van een bestaande openbare parkeerplaats onmogelijk wordt gemaakt of dreigt te worden gemaakt; de groenvoorziening in de gemeente wordt geschaad of dreigt te worden geschaad. Het college weigert slechts de aanleg van de uitweg als door de aanleg een voor het verkeer gevaarlijke situatie ontstaat die niet door het stellen van voorschriften kan worden voorkomen. 7.Het college stelt de indiener van de melding binnen zes weken na ontvangst van de melding op de hoogte van de voorschriften als bedoeld in het vierde lid of weigering van de aanleg als bedoeld in het zesde lid. 8.Het verbod in het eerste lid geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet beheer Rijkswaterstaatswerken, de Waterschapskeur of het Provinciaal wegenreglement. Veiligheid van de weg Artikel2.1.10Winkelwagentjes 1.De rechthebbende op een bedrijf, die ten behoeve van het winkelend publiek winkelwagentjes ter beschikking stelt mede ten behoeve van het vervoer van winkelwaren over de weg, is verplicht deze te voorzien van de naam van het bedrijf of van een ander herkenningsteken en de in de omgeving van dat bedrijf door het publiek op of langs de weg achtergelaten winkelwagentjes terstond te verwijderen of te doen verwijderen. 2.Het is verboden zich met een winkelwagentje op de weg te bevinden buiten de onmiddellijke omgeving van het bedrijf als bedoeld in het eerste lid of, indien het bedrijf gelegen is in een winkelcentrum, buiten de onmiddellijke omgeving van dat winkelcentrum. Als onmiddellijke omgeving van het bedrijf of winkelcentrum wordt aangemerkt de weg of het weggedeelte, grenzende aan dat bedrijf of dat winkelcomplex en tevens een aan die weg of dat weggedeelte aansluitende parkeerplaats. 3.Het is verboden een winkelwagentje dat is gebruikt op de weg onbeheerd daarop achter te laten anders dan op een daartoe aangewezen plaats. 4.Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover de Wet milieubeheer van toepassing is. Artikel2.1.11Uitzicht belemmerende beplanting of voorwerpen vervallen Artikel2.1.12Openen straatkolken e.d. Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een straatkolk, rioolput, fontein, brandkraan of enigerlei andere afsluiting, die behoort tot een openbare nutsvoorziening, te openen, onzichtbaar te maken, onbruikbaar te maken of af te dekken. Artikel2.1.13Gevaarlijk of hinderlijk voorwerp Vervallen Artikel2.1.14Vallende voorwerpen Het is verboden aan een weg of aan enig deel van een bouwwerk een voorwerp te hebben dat niet deugdelijk beveiligd is tegen neervallen op de weg. Artikel2.1.15Voorzieningen voor verkeer en verlichting 1.De rechthebbende op een bouwwerk is verplicht toe te laten dat op of aan dat bouwwerk, vanwege en overeenkomstig de aanwijzingen van het college, voorwerpen, borden of voorzieningen ten behoeve van het openbaar verkeer of de openbare verlichting worden aangebracht, onderhouden, gewijzigd of verwijderd. 2.Het college maakt tevoren aan de rechthebbende als bedoeld in het eerste lid zijn besluit bekend over te gaan tot het doen aanbrengen of wijzigen van een voorwerp, bord of voorziening als bedoeld in het eerste lid. 3.Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover de Waterstaatswet 1900, de Onteigeningswet of de Belemmeringenwet Privaatrecht van toepassing is. Artikel2.1.16Verwijdering e.d. van voorzieningen voor verkeer en verlichting 1.Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een bord of een andere voorziening ten behoeve van het openbaar verkeer of de openbare verlichting te verwijderen, te wijzigen, te beschadigen, de werking ervan te beletten of te belemmeren. 2.Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover het Wetboek van Strafrecht van toepassing is. Artikel2.1.17Veiligheid op het ijs Het is verboden: voor het publiek toegankelijke ijsvlakten te beschadigen, te verontreinigen, te versperren of het verkeer daarop op enige andere wijze te belemmeren of in gevaar te brengen; b.bakens of andere voorwerpen ten behoeve van de veiligheid geplaatst op de onder a bedoelde ijsvlakten, te verplaatsen, weg te nemen, te beschadigen of op enige andere wijze het gebruik daarvan te verijdelen of te belemmeren. 2.Een ieder is verplicht op eerste vordering van een ambtenaar van politie of van een toezichthouder onmiddellijk het ijs te verlaten ter voorkoming van gevaar voor personen of goederen. Artikel2.1.18Benzinepompen op of nabij de weg Vervallen Artikel2.1.19Veroorzaken van gladheid 1.Het is verboden bij vorst of dreigende vorst water op de weg te werpen, uit te storten of te laten lopen. 2.Het verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 427, aanhef en onder 4 , van het Wetboek van Strafrecht of artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994. Artikel2.1.20Valschermspringen 1.Het is verboden zonder toestemming van het college uit een zich in de lucht bevindend luchtvaartuig te springen met een valscherm. 2.Het verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet Luchtverkeer, het Luchtverkeersreglement en de regeling valschermspringen. Verboden slaapverblijf Artikel2.1.21(Slaap)verblijf op de weg, in voertuigen en in kampeermiddelen Het is verboden op de weg, al dan niet in een motorvoertuig, te slapen, dan wel op of aan de weg een voertuig, woonwagen, tent, caravan of een soortgelijk of ander onderkomen te plaatsen met het kennelijke doel dit als slaapplaats te gebruiken of daarin te slapen dan wel gelegenheid daartoe te bieden Melding voorvallen gevaarlijke stoffen Artikel2.1.22Melding voorvallen gevaarlijke stoffen Een ieder die betrokken is bij, of uit eigen waarneming kennis draagt van een voorval met stoffen, bedoeld in de Wet Vervoer Gevaarlijke Stoffen, dat gevaar oplevert voor de veiligheid van personen of goederen, is verplicht dit onverwijld te melden aan de politie. Paragraaf2Toezicht op evenementen Artikel2.2.1Begripsomschrijving 1.In deze paragraaf wordt onder evenement verstaan elke voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak, met uitzondering van: bioscoopvoorstellingen; markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, onder h, van de Gemeentewet; kansspelen als bedoeld in de Wet op de kansspelen; het in een inrichting in de zin van de Drank- en Horecawet gelegenheid geven tot dansen, dan wel het organiseren van een verrichting van vermaak in een inrichting als bedoeld in artikel 2.3.1, waarvoor een vergunning als bedoeld in artikel 2.3.2 is afgegeven, mits deze verrichting van vermaak behoort tot de bij deze vergunning toegestane vorm van exploitatie; betogingen, samenkomsten en vergaderingen als bedoeld in de Wet openbare manifestaties; activiteiten als bedoeld in de artikelen 2.1.2 en 5.2.7, alsmede paragraaf 2 van Hoofdstuk 3 van deze verordening. 2.Onder evenement wordt mede verstaan een herdenkingsplechtigheid. Artikel2.2.2Evenement 1. Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een evenement te organiseren en/of te houden. Het is verboden deel te nemen aan een evenement waarvoor geen vergunning is verleend. Het is voor publiek verboden aanwezig te zijn bij een evenement waarvoor geen vergunning is verleend. De vergunning kan worden geweigerd in het belang van: de openbare orde; het voorkomen of beperken van overlast; de verkeersveiligheid of de veiligheid van personen of goederen; de zedelijkheid of gezondheid. Al dan niet in verband met de bij de aanvraag verstrekte gegevens kan de burgemeester aan de vergunning voorschriften verbinden ter regulering van het evenement, die onder meer betrekking kunnen hebben op: plaats en tijdstip, technische voorzieningen en de verdere inrichtingen; de beveiliging van personen of goederen; de voorkoming van ernstige hinder voor toeschouwers en derden op en rondom de locatie(
- s)waar het evenement plaatsvindt; het belang van het verkeer; alsmede de verplichting voor organisatoren om in openbare aankondigingen van het evenement aan te geven hoe het evenement per openbaar vervoer kan worden bezocht. Artikel2.2.3Ordeverstoring Het is verboden bij een evenement de orde te verstoren. Artikel2.2.4Grootschalig evenement In dit artikel wordt verstaan onder: grootschalig evenement: een evenement als bedoeld in artikel 2.2.1, waarvan de aard of de publieksaantrekkende werking vanuit een oogpunt van openbare orde en veiligheid dusdanig grootschalig is, dat daarin zonder nadere ordening niet kan worden voorzien; b.organisator: de natuurlijke of rechtspersoon die een grootschalig evenement organiseert, dan wel als eerstverantwoordelijke aan de organisatie leiding geeft. 2.Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een grootschalig evenement te organiseren en/of te houden. Het is verboden deel te nemen aan een evenement waarvoor geen vergunning is verleend. Het is voor publiek verboden aanwezig te zijn bij een evenement waarvoor geen vergunning is verleend. 3.Onverminderd het in artikel 2.2.2 bepaalde is de organisator van een grootschalig evenement verplicht in een zo vroeg mogelijk stadium, maar ten minste acht weken voor de datum waarop het grootschalige evenement zal plaatsvinden, een aanvraag om een vergunning bij de burgemeester in te dienen. De aanvraag kan op meerdere grootschalige evenementen betrekking hebben. In bijzondere gevallen kan de burgemeester van deze termijn ontheffing verlenen. De aanvraag vermeldt: de plaats waar het grootschalige evenement wordt gehouden; de datum en het tijdstip waarop het grootschalige evenement wordt gehouden; een opgave van het verwachte aantal deelnemers en toeschouwers; de mogelijke risico's voor verstoring van de openbare orde en veiligheid; en de maatregelen die de organisator zelf zal nemen om wanordelijkheden zoveel mogelijk te voorkomen. Risicoverhogende feiten of omstandigheden waarvan eerst na de aanvraag is gebleken, dienen door de organisator onverwijld aan de burgemeester te worden gemeld. 5.Al dan niet in verband met de bij de aanvraag verstrekte gegevens kan de burgemeester aan de vergunning voorschriften verbinden ter regulering van het grootschalige evenement, die onder meer betrekking kunnen hebben op: − plaats en tijdstip, technische voorzieningen en de verdere inrichting; − de beveiliging van personen of goederen; − de voorkoming van ernstige hinder voor toeschouwers en derden op en rondom de locatie(
- s)waar het grootschalige evenement plaatsvindt; − het belang van het verkeer; − alsmede de verplichting voor organisatoren om in openbare aankondigingen van het evenement aan te geven hoe het evenement per openbaar vervoer kan worden bezocht. 6.Het is verboden een grootschalig evenement aan te kondigen, toe te laten, feitelijk te leiden of daaraan deel te nemen: a.indien wordt afgeweken van de in de aanvraag, dan wel de naderhand aan de burgemeester verstrekte gegevens bedoeld in het vierde lid; en b.indien wordt gehandeld in strijd met de krachtens het vijfde lid door de burgemeester aan de vergunning verbonden voorschriften. 7.Onverminderd het bepaalde in artikel 2.2.2, lid 2 weigert de burgemeester de vergunning in ieder geval indien naar zijn oordeel noch door het stellen van voorschriften, noch door de zijdens de organisator voorgestelde maatregelen, onevenredige schade aan de belangen genoemd in het vijfde lid kan worden voorkomen, dan wel indien de ter handhaving van openbare orde en veiligheid noodzakelijke politiecapaciteit een zijns inziens onevenredig beroep op de beschikbare formatie doet. 8.De organisator van een grootschalig evenement of degene die daarbij de feitelijke leiding heeft, is verplicht: a.het grootschalige evenement onverwijld te beëindigen indien daartoe door of namens de burgemeester een bevel gegeven wordt; b.ervoor te zorgen dat, nadat het onder a bedoelde bevel is gegeven, geen publiek meer tot het grootschalige evenement wordt toegelaten; c.ervoor te zorgen dat de aanwijzingen van ambtenaren van politie, brandweer en toezichthouders stipt en onverwijld worden opgevolgd. 9.Het is voor het publiek verboden aanwezig te zijn of te blijven bij een grootschalig evenement ten aanzien waarvan een bevel als bedoeld in het achtste lid, onder a, is gegeven. 10.Het is verboden zich bij gelegenheid van een grootschalig evenement - al dan niet op het evenemententerrein - op of aan de openbare weg of op voor het publiek toegankelijke plaatsen te gedragen met het kennelijke doel om de openbare orde of veiligheid te verstoren of te bedreigen. 11.Het is verboden om bij gelegenheid van een grootschalig evenement - al dan niet op het evenemententerrein - op of aan de openbare weg of op voor het publiek toegankelijke plaatsen voorwerpen of stoffen bij zich te hebben, te dragen of te vervoeren die kennelijk bestemd zijn om de openbare orde of veiligheid te verstoren. 12.Een ieder is verplicht bij gelegenheid van een grootschalig evenement alle aanwijzingen, gegeven door de politie, brandweer en toezichthouders in het belang van de openbare orde of veiligheid van personen en goederen, dan wel ter beperking van gemeen gevaar, terstond en stipt op te volgen. Artikel2.2.5Melding door exploitanten dan wel houders van een horecabedrijf en verbod naar aanleiding van een melding 1.De exploitant en/of houder van een horecabedrijf zoals bedoeld in artikel 2.3.1 onder A dient voorafgaand aan elk kwartaal aan te geven, door middel van een schriftelijke melding aan de burgemeester, welke evenementen er in de inrichting in dat kwartaal zullen gaan plaatsvinden. 2.De burgemeester kan, naar aanleiding van een melding als bedoeld in lid 1, een aangemeld evenement verbieden in het belang van: de openbare orde; het voorkomen of beperken van overlast; de verkeersveiligheid of de veiligheid van personen of goederen; de zedelijkheid of de gezondheid. Het is verboden een evenement te organiseren, aan te kondigen, toe te laten, daaraan deel te nemen of bij een evenement aanwezig te zijn dat niet ingevolge lid 1 is aangemeld, dan wel dat door de burgemeester op grond van het bepaalde in lid 2 is verboden. Artikel2.2.6vrijstelling vergunningverplichting 1.Het organiseren, houden of deelnemen aan een evenement als bedoeld in artikel 2.2.1 is van vergunningverplichting vrijgesteld voor door de burgemeester nader omschreven evenementen, mits dit evenement uiterlijk twee weken vóór de datum waarop het evenement aanvangt schriftelijk bij de burgemeester is gemeld. De burgemeester kan bij het omschrijven van een evenement waarvoor de vrijstelling van de vergunningplicht geldt, voorschriften verbinden in het belang van: de openbare orde; het voorkomen of beperken van overlast; de verkeersveiligheid of de veiligheid van personen of goederen; de zedelijkheid of de gezondheid. De burgemeester kan, naar aanleiding van een melding als bedoeld in lid 1, een aangemeld evenement verbieden in het belang van: de openbare orde; het voorkomen of beperken van overlast; de verkeersveiligheid of de veiligheid van personen of goederen; de zedelijkheid of de gezondheid. Het is verboden een evenement te organiseren, aan te kondigen, toe te laten, daaraan deel te nemen of bij een evenement aanwezig te zijn: dat door de burgemeester op grond van het bepaalde in lid 2 is verboden; indien in strijd wordt gehandeld met de in lid 1 bedoelde voorschriften; indien aanwijzingen van politie, brandweer en toezichthouders, geven in het belang van de openbare orde en veiligheid, niet stipt en onverwijld worden opgevolgd. Paragraaf3Toezicht op openbare inrichtingen Toezicht op horecabedrijven Artikel2.3.1Begripsomschrijving In deze paragraaf wordt verstaan onder: A.horecabedrijf: de voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was logies wordt verstrekt of dranken worden geschonken of rookwaren of spijzen voor directe consumptie worden bereid of verstrekt. Onder een horecabedrijf worden in ieder geval verstaan:een hotel, restaurant, pension, café, cafetaria, snackbar,discotheek, buurthuis, clubhuis, afhaalcentrum en broodjeszaak. B.Onder horecabedrijf als bedoeld onder A wordt mede verstaan een bij dit bedrijf horend terras en andere aangehorigheden. Bezoeker: een ieder, die zich in een horecabedrijf bevindt, met uitzondering van: de levenspartner en kinderen van de exploitant van het horecabedrijf, alsmede diens elders wonende bloed- en aanverwanten of die van zijn levenspartner; b.de personen die voorkomen in het register als bedoeld in artikel 438 van het wetboek van strafrecht; c.de personen wier tegenwoordigheid in het horecabedrijf wegens dringende omstandigheden vereist wordt; d.Werknemers/personen in loondienst van het horecabedrijf c.q. schoonmaakbedrijf, in verband met (schoonmaak)werkzaamheden. D.Exploitant van het horecabedrijf: de natuurlijke persoon of personen aan wie een exploitatievergunning is verleend en/of voor wiens rekening en verantwoordelijkheid een horecabedrijf wordt geëxploiteerd. E.Houder van het horecabedrijf: degene die als zodanig in de vergunning als bedoeld in artikel 2.3.2 lid 1 is vermeld en naast de exploitant optreedt als leidinggevende. F.Terras: een buiten de besloten ruimte liggend gedeelte van een horecabedrijf waar dranken of spijzen voor directe consumptie ter plaatse worden verstrekt. G.Horecaconcentratiegebied I: Horecaconcentratiegebied I zoals aangewezen in het (ontwerp)bestemmingsplan Binnenstad. H.Binnenstad: het gebied omsloten door de Broersvest, de Koemarkt, water van de Buitenhaven, water van de Nieuwe Haven, water van de Noordvestgracht, het water van de Schie, het Overschieseplein, de Emmastraat, de Singel en het Emmaplein. Artikel2.3.2Vergunningplicht 1.Het is, behoudens het bepaalde in artikel 2.3.3, verboden zonder vergunning van de burgemeester een horecabedrijf als bedoeld in deze paragraaf te exploiteren (exploitatievergunning). 2.Indien naar het oordeel van de burgemeester onvoldoende vaststaat dat er geen sprake zal zijn van het bepaalde in artikel 2.3.6, tweede lid, of in artikel 2.3.8, tweede lid, kan door de burgemeester een vergunning worden afgegeven voor een proefperiode van ten hoogste een jaar (voorlopige vergunning). 3.Indien gedurende de proefperiode als bedoeld in het tweede lid blijkt dat sprake is van het bepaalde in artikel 2.3.6, tweede lid, of in artikel 2.3.8, tweede lid kunnen door de burgemeester nadere voorschriften worden gesteld of kan de burgemeester de voorlopige vergunning intrekken. 4.Indien tijdens de proefperiode niet van bezwaren is gebleken, deelt de burgemeester de exploitant van het horecabedrijf schriftelijk mede, dat de voorlopige vergunning met ingang van een nader door hem te bepalen datum dient te worden beschouwd als een vergunning, als bedoeld in het eerste lid. 5.Bij het van kracht worden van een verleende nieuwe vergunning vervalt de oude vergunning van rechtswege. 6.Een exploitatievergunning vervalt van rechtswege zodra (één van) de exploitant(
- en)niet meer als zodanig functioneert of zodra de ondernemingsvorm wijzigt. 7.De burgemeester kan in het belang van de openbare orde en het woon- en leefklimaat voor bepaalde categorieën horecabedrijven een beperkte geldigheidsduur van de exploitatievergunning vaststellen. Artikel2.3.2aEisen exploitant en houder(
- s)vergunningplichtig horecabedrijf 1.De exploitant (
- en)en de houder(s)moeten voor het verkrijgen van een vergunning voldoen aan de eisen die bij of krachtens artikel 8, tweede lid, onder a en b en lid 3 van de Drank- en Horecawet worden gesteld aan leidinggevenden. 2.de exploitant moet de leeftijd van 21 jaar en de houder(
- s)de leeftijd van 18 jaar hebben bereikt. Artikel2.3.2bAanwezigheid exploitant(
- en)en houder(
- s)vergunningplichtig horecabedrijf 1.Het is verboden het horecabedrijf voor bezoekers geopend te hebben zonder dat er een exploitant of houder aanwezig is. 2.De exploitant moet regelmatig in het horecabedrijf aanwezig zijn. Artikel2.3.2cVerantwoordelijkheid exploitant(
- en)en houder(
- s)1.De exploitant is verantwoordelijk voor het vertonen van algemeen aanvaardbaar gedrag van de bezoekers in en in de nabijheid van het horecabedrijf 2.Het gedrag van de bezoekers van het horecabedrijf dient de normale situatie niet negatief te beïnvloeden. 3.De exploitant en houder dienen gehoor te geven aan de aanwijzingen van een toezichthouder die krachtens zijn functie van zijn bevoegdheden gebruik maakt. Artikel2.3.3Vrijstelling vergunningplicht Vrijgesteld van exploitatievergunningsplicht (behoudens uitbreiding met of van een terras) zijn horecabedrijven of-activiteiten in of behorend bij: 1.logiesverstrekkers, kantoren (bedrijfskantines), scholen, musea, verzorgings- en verpleegtehuizen, ziekenhuizen, rouwcentra en crematoria, voor zover deze uitsluitend in gebruik zijn of dienen ter ondersteuning van de bedrijfsvoering en dus zijn gericht op personen die van de hoofdfunctie gebruikmaken. 2.niet commerciële sport- en recreatieverenigingen en –stichtingen, voor zover deze uitsluitend in gebruik zijn of dienen ter ondersteuning van de doelstellingen van de betreffende vereniging of stichting en dus zijn gericht op leden, medebeoefenaars van de betreffende discipline en toeschouwers van wedstrijden en overige verenigingsactiviteiten. 3.commerciële sport- en recreatieclubs, voor zover deze uitsluitend in gebruik zijn of dienen ter ondersteuning van de bedrijfsvoering en dus zijn gericht op personen die van de hoofdfunctie gebruikmaken, waarbij geen alcoholhoudende dranken worden geschonken. 4.winkels als bedoeld in de Winkeltijdenwet waarin het verkopen van etenswaren en/of drinkwaren mede tot de hoofdactiviteiten van de bedrijfsvoering behoort, alsmede winkelondersteunende horecabedrijven met openingstijden tussen 07:00 uur en 22:00 uur, waarbij geen alcoholhoudende dranken worden geschonken en een eventueel bijbehorend terras direct aan de voorgevel van het bedrijfspand is geplaatst en bestaat uit maximaal 2 tafels (van 1m x 1m) en 4 stoelen/zitplaatsen, en het uiterlijk aanzien van het terras voldoet aan geldende welstandscriteria. 5.Het bepaalde in 2.3.2c is van overeenkomstige toepassing op de exploitant/houder van de horecabedrijven of -activiteiten als bedoeld in dit artikel. Artikel2.3.4Vergunningaanvraag en verlening 1.De burgemeester stelt nadere regels vast omtrent de gegevens en bescheiden die bij vergunningaanvraag en ontheffingaanvraag moeten worden overgelegd. Per horecabedrijf wordt niet meer dan één aanvraag tegelijk in behandeling genomen. De vergunning wordt uitsluitend verleend aan en op naam gezet van de exploitant van het horecabedrijf; de vergunning is niet overdraagbaar. 4.Een vergunning voor een horecabedrijf wordt alleen verleend aan een natuurlijk persoon. Artikel2.3.5Beslistermijn De burgemeester beslist binnen twaalf weken na de datum waarop de aanvraag compleet met bijbehorende gegevens en bescheiden is ontvangen. De beslissing kan eenmaal voor ten hoogste twaalf weken worden verdaagd. Artikel2.3.6Weigerings- en intrekkingsgronden 1. a. Onverminderd het bepaalde in artikel 1.8 weigert de burgemeester de vergunning indien de vestiging of exploitatie van het horecabedrijf in strijd is met een geldend bestemmingsplan of een geldend bestemmingsplan of een geldende Leefmilieuverordening. Hierbij wordt een bij het horecabedrijf behorend terras buiten beschouwing gelaten. b.De burgemeester weigert de vergunning, indien niet wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 2.3.2a eerste en tweede lid. 2.De burgemeester kan de vergunning geheel of gedeeltelijk weigeren, als naar zijn oordeel de openbare orde gevaar loopt en/of de woon- of leefsituatie in de omgeving van het horecabedrijf door de aanwezigheid van het horecabedrijf op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed. 3.Bij de toepassing van de in het vorige lid genoemde weigeringsgrond houdt de burgemeester rekening met: a.het karakter van de straat en van de wijk waarin het horecabedrijf is gelegen of zal komen te liggen; de aard van het horecabedrijf; de spanning waaraan het woonmilieu ter plaatse reeds blootstaat of bloot zal komen te staan door de exploitatie van het horecabedrijf; d.de wijze van bedrijfsvoering van de exploitant en houder(
- s)van het horecabedrijf in deze of in andere horecabedrijven. 4.De burgemeester kan de vergunning tijdelijk of voor onbepaalde tijd geheel of gedeeltelijk intrekken of wijzigen: a.indien blijkt, dat de vergunning ten gevolge van onjuiste of onvolledige gegevens en bescheiden is verleend; b.indien de exploitant en/of(één van) de houder(
- s)van het horecabedrijf de bepalingen in deze paragraaf, danwel de voorschriften, behorende bij de vergunning, overtreedt; c.indien aannemelijk is, dat de exploitant en/of (één van) de houder(
- s)van het horecabedrijf betrokken is, of hem ernstige nalatigheid kan worden verweten bij activiteiten in of vanuit het horecabedrijf, die een gevaar opleveren voor de openbare orde en/of een bedreiging vormen voor het woon- of leefklimaat in de omgeving van het horecabedrijf; d.indien de exploitant en/of(één van) de houder(
- s)van het horecabedrijf toestaat dan wel gedoogt, dat in zijn horecabedrijf strafbare en beboetbare feiten worden gepleegd; e.indien de exploitant en/of(één van) de houder(
- s)van het horecabedrijf zich schuldig maakt aan discriminatie; f.indien zich in of vanuit het horecabedrijf anderszins feiten hebben voorgedaan, die de vrees wettigen, dat het geopend blijven van het horecabedrijf gevaar oplevert voor de openbare orde en/of een bedreiging vormt voor het woon- of leefklimaat in de omgeving van het horecabedrijf; g.indien op grond van verandering van de omstandigheden of inzichten, opgetreden na het verlenen van de vergunning, moet worden aangenomen, dat intrekking wordt gevorderd door de belangen ter bescherming waarvan de vergunning is vereist. Indien niet langer wordt voldaan aan de ingevolge artikel 2.3.2 a en b gestelde eisen. De vergunning vervalt, indien de exploitatie van het horecabedrijf voor een periode van langer dan zes maanden is of wordt onderbroken, alsmede indien er sprake is van een gewijzigde exploitatie, waarvoor geen nieuwe vergunning is aangevraagd. Artikel2.3.7Sluiting van horecabedrijven 1.De burgemeester kan een horecabedrijf –al dan niet voor een bepaalde duur- gesloten verklaren: indien dat horecabedrijf wordt geëxploiteerd zonder geldige vergunning; indien dat horecabedrijf wordt geëxploiteerd in strijd met de aan de vergunning verbonden voorschriften, dan wel in strijd met de voorschriften genoemd in artikel 2.3.2b en 2.3.8; c.indien de burgemeester oordeelt, dat een van de in artikel 2.3.6, vierde lid, genoemde situaties waarin intrekking van de vergunning mogelijk is, zich voordoet. 2.De sluiting wordt geacht in het openbaar bekend te zijn gemaakt zodra een besluit tot sluiting op, in of nabij de toegang of toegangen van het horecabedrijf is aangebracht. 3.Een sluiting voor onbepaalde duur kan op aanvraag van belanghebbende(
- n)door de burgemeester worden opgeheven, wanneer later bekend geworden feiten en omstandigheden hiertoe aanleiding geven en naar zijn oordeel voldoende garanties aanwezig zijn, dat geen herhaling van de gronden die tot de sluiting hebben geleid, zal plaatsvinden. 4.Het is de exploitant en/of de houder(
- s)van het horecabedrijf verboden na het van kracht worden van de sluiting als bedoeld in het eerste lid, bezoekers tot het horecabedrijf toe te laten of daarin te laten verblijven. 5.Het is een ieder verboden in een bij besluit van de burgemeester gesloten horecabedrijf als bezoeker te verblijven. Artikel2.3.8Terrassen 1.Bij vergunningaanvragen voor een of meer bij het horecabedrijf behorende terrassen (behoudens terrassen kleiner dan 2 tafels en 4 stoelen, als genoemd in 2.3.3), beslist de burgemeester – gelet op de openbare orde en veiligheid ter plaatse – tevens over de ingebruikneming van de openbare weg. 2.Onverminderd het bepaalde in artikel 2.3.6, tweede lid, kan de burgemeester de in het eerste lid bedoelde ingebruikneming van de openbare weg weigeren: a.als het beoogde gebruik schade toebrengt aan de weg dan wel gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan; b.als dat gebruik een belemmering kan vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg; c.als dat gebruik afbreuk doet aan andere publieke functies van de openbare ruimte, inclusief de bescherming van het uiterlijk aanzien daarvan. 3.Het is verboden op of in de omgeving van een terras dranken en/of eetwaren voor gebruik ter plaatse te verstrekken: a.buiten dat deel van de weg waarvan het gebruik ingevolge het bepaalde in het eerste lid is toegestaan; aan degenen die geen gebruik maken van de op dat terras aanwezige zitplaatsen De burgemeester stelt nadere regels vast ten aanzien van de ingebruikname van het terras. De houder van het horecabedrijf is verplicht te zorgen dat dagelijks, uiterlijk een uur na sluiting van het horecabedrijf, doch in ieder geval terstond op eerste aanzegging van een ambtenaar, belast met het toezicht op de naleving van het bepaalde in dit artikel, in de nabijheid van het terras op de weg achtergebleven stoffen of voorwerpen, voor zover kennelijk uit of van dat terras afkomstig, worden verwijderd. Artikel2.3.9Openings- en sluitingstijden 1.Het is verboden om een horecabedrijf voor bezoekers geopend te hebben of daarin bezoekers toe te laten op andere tijdstippen dan van 07.00 uur tot 01.00 uur op zondag tot en met donderdag, en van 07:00 uur tot 02:00 uur op vrijdag en zaterdag en nationale en algemeen erkende feestdagen (behalve Goede Vrijdag). 2.De burgemeester kan in het belang van de openbare orde en het woon- en leefklimaat voor een of meer horecabedrijven de in het eerste en derde lid genoemde openingstijden –al dan niet tijdelijk- beperken, dan wel andere openings- en sluitingstijden vaststellen. 3.Het is verboden een terras, behorende bij een horecabedrijf, voor bezoekers geopend te hebben of daarop bezoekers toe te laten op andere tijdstippen dan de in de onderstaande tabel genoemde: Ligging horecabedrijf met terras Maximaal mogelijke openingstijden Binnenstad 07.00 tot 01.00 uur Gehele gemeente met uitzondering van de binnenstad 07.00 tot 22.00 uur 4.De burgemeester kan in de volgende gevallen ontheffing verlenen van de in het eerste, tweede en derde lid genoemde openings- en sluitingstijden: a.aan horecabedrijven gelegen in horecaconcentratiegebieden I kan ontheffing verleend worden van de in het eerste en tweede lid genoemde sluitingstijden tot maximaal 4.00 uur op maandag tot en met zondag. b.aan horecabedrijven die buiten de binnenstad zijn gelegen kan ontheffing verleend worden van de in het derde lid genoemde sluitingstijd van terrassen tot maximaal 1.00 uur, indien naar het oordeel van de burgemeester vast staat dat van de verruimde openingstijden van het terras geen hinder ondervonden kan worden. c.op dagen die op grond van artikel 4.1.2 door het college zijn aangewezen als collectieve festiviteit, kunnen voor de gebieden waarvoor de aanwijzingen gelden de volgende ontheffingen van de sluitingstijden uit het eerste, tweede en derde lid verleend worden: binnenstad, zondag t/m donderdag: horecabedrijf: tot 02.00 uur, binnenstad, vrijdag en zaterdag: horecabedrijf: tot 04.00 uur, overig: vrijdag en zaterdag: horecabedrijf: tot 03.00 uur, terras: tot 23.00 uur. d.in aansluiting op lid 4 sub c kan op 1 januari en Koninginnedag ontheffing tot 04.00 uur worden verleend voor horecabedrijven binnen de gehele gemeente. e.aan horecabedrijven in de binnenstad gedurende maximaal 5 dagen per jaar in het geval van een bijzondere gelegenheid om op vrijdag of zaterdag geopend te blijven tot 04:00 uur of zondag t/m donderdag tot 02:00 uur en aan horecabedrijven buiten de binnenstad op vrijdag en zaterdag tot 03:00 uur. 5.Het is verboden zich als bezoeker in een horecabedrijf te bevinden op tijden waarop het horecabedrijf voor het publiek gesloten moet zijn. 6.De burgemeester kan, als naar zijn oordeel sprake is van een bijzondere omstandigheid (van zeer tijdelijke aard), algemene ontheffing verlenen van de krachtens dit artikel geldende openings- en sluitingstijden voor een of meer bepaalde horecabedrijven. 7.Een ontheffing wordt in ieder geval geweigerd als sprake is van het bepaalde in artikel 2.3.6, tweede lid. Artikel2.3.10Raamkaart Vervallen. Artikel2.3.10aOvergangsrecht De beperking met betrekking tot de geldigheidsduur van 5 jaar van de reeds verleende vergunningen sinds 26 mei 2004 komt met ingang van de inwerkingtreding van deze verordening te vervallen. Artikel2.3.11Ordeverstoring Het is verboden in en om een horecabedrijf de orde te verstoren. Artikel2.3.12Het college als bevoegd bestuursorgaan Indien een horecabedrijf als bedoeld in artikel 2.3.1 geen inrichting is in de zin van artikel 174 van de Gemeentewet, treedt niet de burgemeester, maar het college op als bevoegd bestuursorgaan ten behoeve van artikel 2.3.2, 2.3.3 en 2.3.9. Beperkte verstrekking sterke drank Artikel2.3.13Beperking verstrekking sterke drank 1.Het is verboden anders dan om niet sterke drank voor gebruik ter plaatse te verstrekken in een besloten ruimte: a.waarin of in een gedeelte waarvan uitsluitend of in hoofdzaak geringe etenswaren, zoals belegde broodjes, patates frites en kroketten worden verkocht; waarin onderwijs wordt gegeven; die of waarvan een onderdeel uitsluitend of in hoofdzaak in gebruik is bij jeugdsociëteiten en/of sportorganisaties of –instellingen; d.die of waarvan een onderdeel in gebruik is als wachtruimte voor passagiers van een openbaar vervoersbedrijf. 2.Van het verbod, gesteld in het eerste lid, kan de burgemeester ontheffing verlenen. Toezicht op inrichtingen tot het verschaffen van nachtverblijf Artikel2.3.14Begripsomschrijvingen In deze paragraaf wordt verstaan onder: A.inrichting: elke al dan niet besloten ruimte waarin, in de uitoefening van beroep of bedrijf, aan personen de mogelijkheid van nachtverblijf of gelegenheid tot kamperen wordt verschaft; B.houder: degene die een inrichting exploiteert dan wel daarin de feitelijke leiding heeft. Artikel2.3.15Kennisgeving exploitatie Degene die een inrichting opricht, overneemt, verplaatst of het houden van een inrichting staakt, is verplicht binnen drie dagen daarna daarvan schriftelijk kennis te geven aan de burgemeester. Artikel2.3.16Nachtregister De houder van een inrichting is verplicht een register, als bedoeld in artikel 438 van het Wetboek van Strafrecht, bij te houden dat ingericht is volgens het door de burgemeester vastgestelde model. Artikel2.3.17Verschaffing gegevens nachtregister Degene die in een inrichting nachtverblijf houdt dan wel de kampeerder is verplicht onverwijld aan de houder van die inrichting volledig en naar waarheid zijn of haar naam, adres, woonplaats, geboortedatum, geboorteplaats, betrekking, dag van aankomst, alsmede de dag van vertrek te verstrekken. Voor publiek openstaande gebouwen Artikel2.3.18Sluiting overlastgevende voor het publiek openstaande gebouwen 1.De burgemeester kan, indien de openbare orde dit naar zijn oordeel vereist, de gehele of gedeeltelijke sluiting bevelen van een voor het publiek openstaand gebouw - niet zijnde een inrichting als bedoeld in paragraaf 3.1 of hoofdstuk 3 - of een bij dat gebouw behorend erf. 2.De burgemeester maakt de sluiting bekend door het aanbrengen van een afschrift van zijn bevel op of nabij de (hoofd)toegang van het voor het publiek openstaande gebouw of het bij dat gebouw behorende erf. De sluiting treedt in werking op het moment dat bedoeld afschrift is aangebracht. 3.Een ieder is verplicht toe te laten dat het in het tweede lid bedoelde afschrift wordt aangebracht en aangebracht blijft, zolang de sluiting van kracht is. 4.Het is de rechthebbende op en de beheerder van een gebouw of erf als bedoeld in het eerste lid verboden daarin bezoekers toe te laten of daarin te laten verblijven, zolang de sluiting van kracht is. 5.Het is een ieder verboden een overeenkomstig het eerste lid gesloten gebouw of erf te bezoeken of als bezoeker daarin te verblijven. 6.Onder bezoekers worden voor de toepassing van het vierde en vijfde lid niet verstaan de personen wier tegenwoordigheid in het voor het publiek openstaande gebouw of het bij dat gebouw behorende erf wegens dringende omstandigheden vereist wordt. 7.Een sluiting voor onbepaalde duur kan op aanvraag van belanghebbende(
- n)door de burgemeester worden opgeheven, wanneer later bekend geworden feiten en omstandigheden hiertoe aanleiding geven en naar zijn oordeel voldoende garanties aanwezig zijn, dat geen herhaling van de feiten of gedragingen die tot sluiting hebben geleid, zal plaatsvinden. Paragraaf4Maatregelen tegen overlast en baldadigheid Artikel2.4.0Betreden gesloten woning of lokaal 1.Het is verboden een krachtens artikel 174a van de Gemeentewet gesloten woning, een niet voor publiek toegankelijk lokaal of een bij die woning of dat lokaal behorend erf te betreden. 2.Het is verboden een krachtens artikel 13b van de Opiumwet gesloten woning, een niet voor het publiek toegankelijk lokaal, een bij die woning of dat lokaal behorend erf, een voor publiek toegankelijk lokaal of bij dat lokaal behorend erf te betreden. 3.Dit verbod geldt niet voor personen wier aanwezigheid in de woning of het lokaal wegens dringende redenen noodzakelijk is. 4.De burgemeester is bevoegd van het in het eerste en tweede lid bedoeld verbod ontheffing te verlenen. Artikel2.4.1Plakken en kladden 1.Het is verboden de weg of dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf de weg zichtbaar is te bekrassen of te bekladden. 2.Het is verboden zonder schriftelijke toestemming van de rechthebbende op de weg of dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf de weg zichtbaar is: a.een aanplakbiljet of ander geschrift, afbeelding of aanduiding aan te plakken of op andere wijze aan te brengen of te doen aanbrengen; b.met kalk, krijt of een kleur of verfstof enige afbeelding, letter, cijfer of teken aan te brengen of te doen aanbrengen. 3.Het in het tweede lid gestelde verbod is niet van toepassing indien gehandeld wordt krachtens wettelijk voorschrift. 4.Het college kan aanplakborden aanwijzen voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen. 5.Het is verboden de in het vierde lid bedoelde plaatsen te gebruiken voor het aanbrengen van handelsreclame. 6.Het college kan nadere regels stellen voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen, die geen betrekking mogen hebben op de inhoud van de meningsuitingen en bekendmakingen. 7.De houder van de in het tweede lid bedoelde schriftelijke toestemming is verplicht die aan een opsporingsambtenaar of toezichthouder op diens eerste vordering terstond ter inzage af te geven. Artikel2.4.2Vervoer plakgereedschap e.d. 1.Het is verboden tussen ’s avonds 10 uur en ’s morgens 6 uur op de weg of openbaar water te vervoeren of bij zich te hebben enig aanplakbiljet, aanplakdoek, kalk, teer, kleur- of verfstof, verfspuitbus of verfgereedschap. 2.Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing indien de in dat lid bedoelde materialen of gereedschappen niet zijn gebezigd of niet zijn bestemd voor handelingen als verboden in artikel 2.4.1. Vervoer inbrekerswerktuigen Artikel2.4.3Vervoer inbrekerswerktuigen 1.Het is verboden tussen ’s avonds 10 uur en ’s morgens 6 uur op de weg te vervoeren of bij zich te hebben lopers, valse sleutels, touwladders, lantaarns of enig ander gereedschap, voorwerp of middel, dat ertoe kan dienen zich onrechtmatig toegang tot een gebouw of erf te verschaffen, onrechtmatig sluitingen te openen of te verbreken, diefstal door middel van braak te vergemakkelijken of het maken van sporen te voorkomen. 2.Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing indien de in dat lid bedoelde gereedschappen, voorwerpen of middelen niet bestemd of gebruikt zijn voor de in dat lid bedoelde handelingen. Algemeen hinderlijk gedrag Artikel2.4.4Hinderlijk gedrag op of aan de weg Het is verboden: op of aan de weg te klimmen, te liggen of zich anderszins te bevinden op een beeld, monument, overkapping, constructie, openbare toiletgelegenheid, voertuig,tram, metro, hek, heining of andere afsluiting, verkeersmeubilair en daarvoor niet bestemd straatmeubilair; b.zich op of aan de weg zodanig op te houden dat aan weggebruikers of aan gebruikers van nabij de weg gelegen gebouwen onnodig overlast of hinder veroorzaakt wordt; c.voor een ieder die daartoe niet bevoegd is, zich op de weg binnen de voor een brug geplaatste afsluitingen te bevinden nadat een of meer van die afsluitingen zijn of worden gesloten, dan wel een afsluiting voor een brug te openen. 2.Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor zover artikel 424, 426 bis, 431 van het Wetboek van Strafrecht of artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994 van toepassing is. Artikel2.4.4aVerplichte route 1.Het is de door de burgemeester aangewezen groepen van personen verboden op door hem aangewezen tijdstippen van een door hem aangewezen route af te wijken. 2.De burgemeester kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod. Artikel2.4.4bOpenlijk drankgebruik 1 Het is verboden op of aan de weg alcoholhoudende drank te nuttigen, indien dit gepaard gaat met gedragingen die de openbare orde verstoren, het woon- en leefklimaat aantasten of anderszins overlast veroorzaken. 2 Het is verboden op of aan de weg, die deel uitmaakt van een door het college aangewezen gebied, alcoholhoudende drank te nuttigen of aangebroken flessen, blikjes en dergelijke met alcoholhoudende drank bij zich te hebben. 3 Het bepaalde in het tweede en in het vijfde lid geldt niet voor: een terras en aanhorigheid dat behoort bij een horecabedrijf, als bedoeld in artikel 2.3.8; de plaats, niet zijnde een horecabedrijf, als bedoeld onder a, waarvoor een ontheffing geldt krachtens artikel 35 van de Drank- en Horecawet. 4 De burgemeester kan in een vergunning als bedoeld in artikel 2.2.2 of in een vergunning als bedoeld in artikel 2.2.4. onder door hem te stellen voorwaarden ontheffing verlenen van het in het tweede lid of in het vijfde lid gestelde verbod. 5 Het is verboden op of aan de weg, die deel uitmaakt van de navolgende gebieden, alcoholhoudende drank te nuttigen of aangebroken flessen, blikjes en dergelijke met alcoholhoudende drank bij zich te hebben: a elk gebied binnen een straal van 100 meter rond een bus- of tramhaltepaal, metro- of treinstation, of een taxistandplaats; b schoolpleinen, kinderspeelplaatsen, speelvelden, delen van de weg waarop kinderstraatmeubilair is geplaatst, zandbakken en trapvelden, alsmede het gebied dat om een dergelijk object is gelegen, te weten het gebied binnen een afstand van 50 meter van de buitenste grenzen van dat object. Artikel2.4.4c.Messen en andere voorwerpen als (steek)wapen 1 Het is verboden op de weg, met inbegrip van daaraan gelegen, voor publiek toegankelijke, gebouwen en terreinen, messen, knuppels, slagwapens en andere voorwerpen die als (steek)wapen kunnen worden gebruikt, openlijk bij zich te hebben. 2 Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor wapens, behorende tot de categorieën I, II, III en IV van de Wet wapens en munitie, en niet voor voorwerpen, die zodanig zijn ingepakt, dat deze niet voor dadelijk gebruik kunnen worden aangewend. Artikel2.4.5Hinderlijk gedrag bij of in gebouwen Het is verboden: zich zonder redelijk doel in een portiek, bordes, poort, nis of op een trap op te houden; zich in, op of tegen een raamkozijn of een drempel van een gebouw te bevinden. Het is aan anderen dan bewoners of gebruikers van flatgebouwen, appartementsgebouwen en soortgelijke meergezinshuizen en van gebouwen, die voor publiek toegankelijk zijn, verboden zich zonder redelijk doel te bevinden in een voor gemeenschappelijk gebruik bestemde ruimte van een zodanig gebouw. Artikel2.4.5aHinderlijk gedrag op pleinen 1.Het is verboden: a zich zonder redelijk doel op een schoolplein of speeltuin op te houden; b zich zonder redelijk doel op andere door het college aangewezen plaatsen en pleinen op te houden. Het college kan bij deze aanwijzing nadere dagen en tijden aangeven waarop het verbod geldt. 2.Het college kan van het in het eerste lid genoemde verbod ontheffing verlenen. Artikel2.4.5bOverige hinderlijk gedrag 1.Het is verboden op de weg kerstbomen, autobanden en andere voorwerpen of stoffen te vervoeren en/of bij zich te dragen of anderszins voorhanden te hebben, met het kennelijke doel deze op de weg te verbranden. 2.Het college kan van het in het eerste lid genoemde verbod ontheffing verlenen. Artikel2.4.6Gedrag in voor publiek toegankelijke ruimten Het is verboden zich zonder redelijk doel of op een voor anderen hinderlijke wijze op te houden in of op een voor het publiek toegankelijk portaal, telefooncel, wachtlokaal voor een openbaar vervoermiddel, parkeergarage, winkelcentrum, rijwielstalling of een andere soortgelijke, voor het publiek toegankelijke ruimte dan wel deze te verontreinigen dan wel te bezigen voor een ander doel dan waarvoor de desbetreffende ruimte is bestemd. Artikel2.4.6aNeerzetten van fietsen e.d. Het is verboden op of aan de weg een fiets of een bromfiets te plaatsen of te laten staan tegen een raam, een raamkozijn, een deur, de gevel van een gebouw dan wel in de ingang van een portiek indien: 1.dit in strijd is met de uitdrukkelijk verklaarde wil van de gebruiker van dat gebouw of dat portiek; 2.daardoor die ingang versperd wordt. Artikel2.4.6bOverlast van fiets of bromfiets op markt en evenemententerrein, kermisterrein e.d. Het is verboden op de door het college of de burgemeester aangewezen uren en plaatsen zich met een fiets of bromfiets te bevinden op een door het college of de burgemeester aangewezen terrein waar een markt, evenement, kermis, uitvoering, bijeenkomst of plechtigheid gehouden wordt die publiek trekt, mits dit verbod kenbaar is aan de bezoekers van het terrein. Artikel2.4.7Bespieden van personen 1.Het is verboden zich in de nabijheid van een persoon dan wel een gebouw, woonwagen of woonschip op te houden met de kennelijke bedoeling deze persoon dan wel een zich in dit gebouw, deze woonwagen of dit woonschip bevindende persoon, te bespieden. 2.Het is verboden met behulp van enig middel een persoon te bespieden. Artikel2.4.8 vervallen Overlast door dieren Artikel2.4.9Loslopende honden 1.Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond te laten verblijven of te laten lopen: binnen de bebouwde kom op de weg zonder dat die hond aangelijnd is; op een voor het publiek toegankelijke en kennelijk als zodanig ingerichte speelpleinen bij scholen, kinderspeelplaats, speeltuinen, op trapveldjes zandbak of speelweide of op een andere door het college aangewezen plaats; c.op de weg zonder voorzien te zijn van een halsband of een ander identificatiemerk dat de eigenaar of houder duidelijk doet kennen. 2.Het verbod geldt niet voor zover de eigenaar of houder van een hond zich vanwege zijn handicap door een geleidehond laat begeleiden en de hond als zodanig aantoonbaar gekwalificeerd is of indien een eigenaar of houder van een hond deze aantoonbaar gekwalificeerd opleidt tot geleidehond. 3.Het in het eerste lid gestelde gebod geldt niet voor door het college aangewezen hondenlosloopgebieden en door of namens de Gemeente Schiedam ingerichte uitlaatplaatsen. Artikel2.4.10 vervallen Artikel2.4.11Verontreiniging door honden 1.De eigenaar of houder van een hond is verplicht ervoor te zorgen dat die hond zich op of aan de weg niet van uitwerpselen ontdoet. 2.De strafbaarheid wegens overtreding van het in het eerste lid gestelde gebod wordt opgeheven indien de eigenaar of houder van de hond er zorg voor draagt dat de uitwerpselen onmiddellijk worden verwijderd. 3.Het in het eerste lid gestelde gebod geldt niet voor door het college aangewezen hondenlosloopgebieden en door of namens de Gemeente Schiedam ingerichte uitlaatplaatsen. 4.De eigenaar of houder van een hond is verplicht om, wanneer hij zich met de hond op de weg begeeft, middelen bij zich te dragen om uitwerpselen van de hond op te ruimen. Artikel2.4.12Gevaarlijke honden 1.Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond te laten verblijven of te laten lopen op of aan de weg of op het terrein van een ander: a.anders dan kort aangelijnd nadat het college aan de eigenaar of de houder heeft bekendgemaakt dat het die hond gevaarlijk of hinderlijk acht en een aanlijngebod in verband met het gedrag van die hond noodzakelijk vindt; b.anders dan kort aangelijnd en voorzien van een muilkorf nadat het college aan de eigenaar of de houder heeft bekendgemaakt dat het die hond gevaarlijk of hinderlijk acht en een aanlijn en muilkorfgebod in verband met het gedrag van die hond noodzakelijk vindt. 2.In afwijking van artikel 2.4.9, aanhef en onder c, geldt voor het bepaalde in het eerste lid bovendien dat de hond voorzien moet zijn van een optisch leesbaar, niet- verwijderbaar identificatiekenmerk in het oor of de buikwand. 3.In het eerste lid wordt verstaan onder: a. kort aanlijnen: aanlijnen van een hond met een lijn met een lengte, gemeten van hand tot halsband, die niet langer is dan 1,50 meter; b. muilkorf: een muilkorf als bedoeld in artikel 1, onder d, van de Regeling agressieve dieren. 4.Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing voor zover de Regeling agressieve dieren van toepassing is. Artikel2.4.13Houden van hinderlijke of schadelijke dieren 1.In de gevallen, waarin artikel 425 van het Wetboek van Strafrecht niet van toepassing is, is hij, die een dier onder zijn hoede heeft, verplicht er voldoende zorg voor te dragen, dat dit dier geen gevaar voor of overlast aan personen kan opleveren en geen hinder of schade kan toebrengen aan een anders eigendom dan wel de openbare gezondheid. 2.Het college is bevoegd buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer gedeelten van de gemeente of bepaalde plaatsen aan te wijzen waar het ter voorkoming of opheffing van overlast of schade aan de openbare gezondheid verboden is daarbij aangeduide dieren: aanwezig te hebben; dan wel aanwezig te hebben anders dan met inachtneming van de door hen ter voorkoming of opheffing van overlast of schade aan de openbare gezondheid gestelde regels; dan wel c.aanwezig te hebben tot een groter aantal dan in die aanwijzing is aangegeven of mede is aangegeven. 3.Het is verboden op een krachtens het eerste lid aangewezen plaats een daarbij aangeduid dier of daarbij aangeduide dieren aanwezig te hebben, dan wel aanwezig te hebben anders dan met inachtneming van de door het college gestelde regels, dan wel aanwezig te hebben tot een groter aantal dan door het- college is aangegeven. 4.Het college kan de rechthebbende op een onroerende zaak gelegen binnen een krachtens het eerste lid aangewezen gedeelte van de gemeente ontheffing verlenen van het in het tweede lid gestelde verbod. Artikel2.4.14 vervallen Artikel2.4.15Loslopend vee of pluimvee De rechthebbende op vee of pluimvee, dat zich bevindt in een aan een weg gelegen weiland of terrein dat niet van die weg is afgescheiden door een deugdelijke veekering, is verplicht ervoor te zorgen dat zodanige maatregelen getroffen worden dat dit vee of pluimvee die weg niet kan bereiken. Artikel2.4.16Ongedierte 1.De hoofdgebruiker of de eigenaar van een onroerende zaak of enig gedeelte daarvan, gelegen in een door het college aangewezen gedeelte van de gemeente, is verplicht ter voorkoming van schade door ongedierte aan eigendommen of gezondheid: overeenkomstig de door of namens het college gegeven voorschriften: verdelgingsmiddelen uit te leggen en uitgelegd te houden; vangmiddelen te plaatsen en in stand te houden; eetbaar afval buiten gebouwen niet anders aanwezig te hebben dan op voor ongedierte ontoegankelijke wijze; B.maatregelen te gedogen die door het college zijn getroffen. Overige zaken m.b.t. openbare orde en veiligheid Artikel2.4.17Bedelarij Het is verboden op of aan de weg of in een voor het publiek toegankelijk gebouw (winkels daaronder begrepen) te bedelen om geld en andere zaken. Paragraaf5Bepalingen ter bestrijding van heling van goederen Artikel2.5.1Begripsomschrijvingen In deze paragraaf wordt verstaan onder: A.Handelaar: de handelaar als bedoeld in artikel 1 van de algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht. B.Verkoopregister: het aantekening houden van het verkopen of op andere wijze overdragen van alle gebruikte en ongeregelde goederen door de handelaar. Artikel2.5.2Verplichtingen met betrekking tot het verkoopregister 1.De handelaar is verplicht aantekening te houden van alle gebruikte of ongeregelde goederen die hij verkoopt of op andere wijze overdraagt, in een doorlopend en een door of namens de burgemeester gewaarmerkt register en daarin vermeldt hij onverwijld: het volgnummer van de aantekening met betrekking tot het goed; de datum van verkoop of overdracht van het goed; een omschrijving van het goed, daaronder begrepen – voor zover dat mogelijk is – soort, merk en nummer van het goed; de verkoopprijs of andere voorwaarden voor overdracht van het goed; de naam en het adres van degene die het goed heeft verkregen. De burgemeester is bevoegd vrijstelling te verlenen van deze verplichtingen. Artikel2.5.3Voorschriften als bedoeld in artikel 437ter, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht De handelaar of een voor hem handelend persoon is verplicht: a.wanneer hij overeenkomstig het bepaalde in artikel 437ter, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de burgemeester of de door deze aangewezen ambtenaar er schriftelijk van in kennis stelt dat hij van het opkopen een beroep of gewoonte maakt, daarbij tevens schriftelijk opgave te doen van zijn woonadres en van het volledig adres van elke lokaliteit door hem ten behoeve van zijn onderneming in gebruik genomen; b.de onder a. bedoelde functionaris onder aanbieding van zijn register(
- s)onverwijld doch in ieder geval binnen drie dagen, schriftelijk in kennis te stellen van een verandering van zijn woonadres, zomede van het adres of de adressen van een bij hem ten behoeve van zijn onderneming in gebruik zijnde lokaliteit; c.aan de hoofdingang van de lokaliteit waar de onderneming is gevestigd een kenteken te hebben waarop zijn naam en de aard van de onderneming duidelijk zichtbaar voorkomt; d.indien hij in de gelegenheid is enig goed te verkrijgen waarvan redelijkerwijs kan worden vermoed dat het van misdrijf afkomstig is of voor de rechthebbende verloren is gegaan, hiervan onverwijld kennis te geven aan de onder a. bedoelde functionaris; e.zijn administratie op eerste aanvraag ter inzage te geven aan de burgemeester of een daartoe door de burgemeester aangewezen ambtenaar; f.wanneer hij heeft opgehouden van het opkopen een beroep of gewoonte te maken, onderscheidenlijk het beroep van handelaar niet langer uitoefent, de onder a bedoelde functionaris hiervan onverwijld doch in ieder geval binnen drie dagen schriftelijk in kennis te stellen. Artikel2.5.4Vervreemding van door opkoop verkregen goederen Het is de handelaar of een voor hem handelend persoon verboden enig door opkoop verkregen goed gedurende de eerste drie dagen dat het onder zijn berusting is, over te dragen of daarin enige wijziging aan te brengen tenzij deze wijziging geen invloed is op de herkenbaarheid van het goed. Artikel2.5.5Handel in horecabedrijf 1.Het is de exploitant en houder van een horecabedrijf als bedoeld in artikel 2.3.1 verboden toe te laten dat een persoon in die inrichting roerende zaken verhandelt, zulks voor zover dit de directe aanbieding en levering omvat. In dit artikel wordt verstaan onder: horecabedrijf: het bedrijf als bedoeld in artikel 2.3.1 onder A. en B.; houder: de houder als bedoeld in artikel 2.3.1 onder E. Paragraaf6 vervallen Paragraaf7Vuurwerk en carbid Artikel2.7.1Begripsomschrijving In deze paragraaf wordt verstaan onder consumentenvuurwerk: Consumentenvuurwerk waarop het Besluit van 22 januari 2002, houdende nieuwe regels met betrekking tot consumenten- en professioneel vuurwerk (Vuurwerkbesluit) van toepassing is. Artikel2.7.2Ter beschikking stellen van consumentenvuurwerk tijdens de verkoopdagen Vervallen Artikel2.7.3Bezigen van consumentenvuurwerk tijdens de jaarwisseling 1. Het is verboden consumentenvuurwerk te bezigen op een door het college in het belang van de voorkoming van gevaar, schade of overlast aangewezen plaats. Het is verboden consumentenvuurwerk op of aan de weg of op een voor publiek toegankelijke plaats te bezigen indien zulks gevaar, schade of overlast kan veroorzaken. De in het eerste en tweede lid gestelde verboden gelden niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 1, van het Wetboek van Strafrecht. Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod. Artikel2.7.4Bezigen van carbid 1. Het is verboden carbid op of aan de weg of op een voor publiek toegankelijke plaats te bezigen indien zulks gevaar, schade of overlast kan veroorzaken. De in het eerste gestelde verboden gelden niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 1, van het Wetboek van Strafrecht. Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod. Paragraaf8Bestuurlijke ophouding Artikel2.8.1Bestuurlijke ophouding De burgemeester kan overeenkomstig artikel 154a Gemeentewet besluiten tot het tijdelijk doen ophouden van door hem aangewezen groepen van personen op een door hem aangewezen plaats indien deze personen het bepaalde in artikel 2.1.1 eerste, tweede en derde lid, 2.1.2 eerste lid, 2.1.7 eerste en derde lid, 2.1.9 eerste lid, 2.1.12, 2.1.13 eerste lid, 2.1.16, 2.2.4 achtste, negende, tiende, elfde en twaalfde lid, 2.4.4 eerste lid, 2.4.4a, 2.4.4b eerste en vierde lid, 2.4.4c, 2.4.5, 2.4.5a, 2.4.5b, 2.4.6 en 2.7.3 eerste en tweede lid van de Algemene Plaatselijke Verordening groepsgewijs niet naleven. Paragraaf9Veiligheidsrisicogebieden Artikel2.9.1Veiligheidsrisicogebieden De burgemeester kan, overeenkomstig het bepaalde in artikel 151b van de Gemeentewet, bij verstoring van de openbare orde door de aanwezigheid van wapens, dan wel bij ernstige vrees voor het ontstaan daarvan, een gebied, met inbegrip van de daarin gelegen voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven, aanwijzen als veiligheidsrisicogebied . Paragraaf10Verblijfsontzeggingen Artikel2.10.1Verblijfsontzegging 1.De burgemeester kan in het belang van de openbare orde aan degene die zich gedraagt in strijd met artikel 2.1.1, 2.4.4, 2.4.4b, 2.4.4c, 2.4.5, 2.4.5a, 2.4.5b, 2.4.6, 2.4.17, 3.1.7, 3.3.2, 3.3.3, of 3.3.5 een verbod opleggen om zich gedurende een in dat verbod genoemd tijdvak van 24 uur te bevinden op in dat verbod aangewezen plaatsen, waar of in de nabijheid waarvan de genoemde gedragingen hebben plaatsgehad (verblijfsontzegging). 2.De burgemeester kan in het belang van de openbare orde aan degene aan wie eerder een verbod als bedoeld in het eerste lid is opgelegd en ten aanzien van wie binnen zes maanden na het opleggen van dit verbod wordt geconstateerd, dat hij zich opnieuw gedraagt in strijd met de in het eerste lid genoemde artikelen, een verbod opleggen om zich gedurende een in dat verbod genoemd tijdvak van ten hoogste veertien dagen te bevinden op in dat verbod aangewezen plaatsen, waar of in de nabijheid waarvan de genoemde gedragingen hebben plaatsgehad. 3.De burgemeester kan in het belang van de openbare orde aan degene aan wie eerder een verblijfsontzegging voor de duur van veertien dagen is opgelegd en ten aanzien van wie binnen zes maanden na het opleggen van dit verbod wordt geconstateerd, dat hij zich opnieuw gedraagt in strijd met de in het eerste lid genoemde artikelen, een verbod opleggen om zich gedurende een in dat verbod genoemd tijdvak van ten hoogste veertien dagen te bevinden op in dat verbod aangewezen plaatsen, waar of in de nabijheid waarvan de genoemde gedragingen hebben plaatsgehad. 4.De burgemeester beperkt de in het eerste, tweede of derde lid genoemde verboden, indien dat in verband met de persoonlijke omstandigheden van betrokkene noodzakelijk is. 5.Het is verboden zich te gedragen in strijd met een door de burgemeester opgelegd verbod. HOOFDSTUK3.PROSTITUTIE, KANSSPELEN EN DRUGS Paragraaf1Seksinrichtingen, Escortbedrijven, Straatprostitutie e.d. Artikel3.1.1Begripsomschrijvingen In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: A.prostitutie: het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding; B.prostituee: degene die zich beschikbaar stelt tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding; C.seksinrichting: de voor publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen van erotisch-pornografische aard plaatsvinden. Onder een seksinrichting worden in elk geval verstaan: een seksbioscoop, seksautomatenhal, sekstheater, een parenclub of een prostitutiebedrijf waaronder tevens begrepen een erotische-massagesalon, al dan niet in combinatie met elkaar; D.escortbedrijf: de natuurlijke persoon, groep van personen of rechtspersonen die bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was prostitutie aanbiedt die op een andere plaats dan in de bedrijfsruimte wordt uitgeoefend; E.exploitant: de natuurlijke persoon of personen of rechtspersoon of rechtspersonen die een seksinrichting of escortbedrijf exploiteert of exploiteren en de tot vertegenwoordiging van die rechtspersoon of rechtspersonen bevoegde natuurlijke persoon of personen; F.beheerder: de natuurlijke persoon of personen die de onmiddellijke feitelijke leiding uitoefent in een seksinrichting of escortbedrijf; bezoeker: degene die aanwezig is in een seksinrichting, met uitzondering van: de exploitant; de beheerder; de prostituee; het personeel dat in de seksinrichting werkzaam is; toezichthouders die zijn aangewezen op grond van artikel 6.2; andere personen wier aanwezigheid in de seksinrichting wegens dringende redenen noodzakelijk is. Artikel3.1.2Nadere regels Met het oog op de in artikel 3.1.10 genoemde belangen, kan het college met betrekking tot de uitoefening van de bevoegdheden in dit hoofdstuk nadere regels vaststellen. Seksinrichtingen, escortbedrijven, straatprostitutie e.d. Artikel3.1.3Vergunningplicht 1.Het is verboden een seksinrichting of escortbedrijf te exploiteren of te wijzigen zonder vergunning van de burgemeester. 2.In de aanvraag voor de vergunning wordt in ieder geval vermeld, dan wel bij de aanvraag wordt in ieder geval gevoegd: de persoonsgegevens van de exploitant; de persoonsgegevens van de beheerder; de aard van de seksinrichting of het escortbedrijf; een plattegrond van de inrichting met een schaal van tenminste 1:100 waarop duidelijk het aantal werkruimten is aangegeven; het aantal werkzame prostituees; de plaatselijke en kadastrale ligging van de inrichting door middel van een situatietekening met een schaal van tenminste 1:1000; bewijs van inschrijving in het handelsregister bij de Kamer van Koophandel; bewijs waaruit blijkt dat de exploitant (zelfstandig) gerechtigd is tot het gebruik van de ruimte bestemd voor de seksinrichting; de telefoonnummers waarmee het escortbedrijf de prostitutie aanbiedt. De in lid 2 van dit artikel gestelde eisen onder d en f gelden niet voor een escortbedrijf. Per seksinrichting of escortbedrijf wordt niet meer dan één aanvraag tegelijk in behandeling genomen. 5.De vergunning wordt uitsluitend verleend aan de exploitant en op naam gesteld van de exploitant en de beheerders, de vergunning is niet overdraagbaar. Artikel3.1.4Gedragseisen exploitant en beheerder De exploitant en de beheerder: staan niet onder curatele en zijn niet ontzet uit de ouderlijke macht of de voogdij; zijn niet in enig opzicht van slecht levensgedrag; en hebben de leeftijd van eenentwintig jaar bereikt. Naast de gestelde eisen in het eerste lid, is de exploitant of de beheerder in ieder geval niet: met toepassing van artikel 37 van het Wetboek van Strafrecht in een psychiatrisch ziekenhuis geplaatst of met toepassing van artikel 37a van het Wetboek van Strafrecht ter beschikking gesteld; binnen de laatste vijf jaar onherroepelijk veroordeeld tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van zes maanden of meer door de rechter in Nederland, de Nederlandse Antillen of Aruba, dan wel door een andere rechter wegens een misdrijf waarvoor naar Nederlands recht een bevel tot voorlopige hechtenis ingevolge artikel 67, eerste lid van het Wetboek van Strafvordering is toegelaten; binnen de laatste vijf jaar bij tenminste twee rechterlijke uitspraken onherroepelijk veroordeeld tot een onvoorwaardelijke geldboete van € 500 of meer of tot een andere hoofdstraf als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder a van het Wetboek van Strafrecht, wegens dan wel mede wegens overtreding van: bepalingen gesteld bij of krachtens de Drank- en Horecawet, de Opiumwet, de Vreemdelingenwet en de Wet arbeid Vreemdelingen; de artikelen 137c t/m 137g, 140, 197a, 197b, 197c, 240b, 242 t/m 249, 250a (oud), 252, 273a, 300 t/m 303, 416, 417, 417bis, 426, 429quater en 453 van het Wetboek van Strafrecht; de artikelen 8 en 162, derde lid, alsmede artikel 6 jo artikel 8 of jo artikel 163 van de Wegenverkeerswet 1994; de artikelen 1, onder a, b en d, 13, 14, 27 en 30b van de Wet op de kansspelen; de artikelen 2 en 3 van de Wet op de weerkorpsen; de artikelen 54 en 55 van de Wet wapens en munitie. Met een veroordeling als bedoeld in het tweede lid wordt gelijk gesteld; vrijwillige betaling van een geldsom als bedoeld in artikel 74, tweede lid onder a van het Wetboek van Strafrecht of artikel 76, derde lid, onder a van de Algemene Wet inzake rijksbelastingen, tenzij de geldsom minder dan 375 euro bedraagt; een bevel tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke straf. De periode van vijf jaar, genoemd in het tweede lid, wordt: bij de weigering van een vergunning teruggerekend vanaf de datum van beslissing op de aanvraag; bij de intrekking van een vergunning teruggerekend vanaf de datum van de intrekking van deze vergunning. De exploitant of de beheerder is binnen de laatste vijf jaar geen exploitant of beheerder geweest van een inrichting die voor tenminste één maand door de burgemeester is gesloten, of waarvan de vergunning als bedoeld in artikel 3.1.3 is ingetrokken, tenzij aannemelijk is dat hem ter zake geen verwijt treft. Artikel3.1.5Aanwezigheid van een toezicht door exploitant en beheerder 1.Het is verboden een seksinrichting voor bezoekers geopend hebben, zonder dat de ingevolge artikel 3.1.3 op de vergunning vermelde exploitant of beheerder in de seksinrichting aanwezig is. De exploitant en de beheerder zijn verplicht er voortdurend op toe te zien dat in de inrichting: geen strafbare feiten plaatsvinden, waaronder in ieder geval de feiten als genoemd in de titels XIV (misdrijven tegen zeden), XX (mishandeling), XXII (diefstal) en XXX (heling) van het Tweede Boek van het Wetboek van Strafrecht, in de Opiumwet en in de Wet wapens en minutie; b.geen prostitutie wordt uitgeoefend door personen in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of de Vreemdelingenwet bepaalde. 3.Het is de exploitant en de beheerder verboden personen jonger dan 18 jaar toegang te verlenen tot de seksinrichting. 4.De exploitant en beheerder van een escortbedrijf treft maatregelen ter waarborging van de veiligheid van de prostituee en ter voorkoming van feiten genoemd in het tweede lid. Artikel3.1.6Sluitingstijden 1.Het is verboden een seksinrichting voor bezoekers geopend te hebben en daarin bezoekers toe te staan of te laten verblijven tussen 01.00 en 07.00 uur en in het weekeinde (vrijdagavond en zaterdagavond) tussen 02.00 en 07.00 uur. 2.De burgemeester kan in het belang van de openbare orde en het woon- of leefklimaat voor een bepaald gebied voor een of meer inrichtingen de in het eerste lid genoemde sluitingstijden, al dan niet tijdelijk, beperken, dan wel andere sluitingstijden vaststellen. 3.Het is bezoekers van een seksinrichting verboden zich daarin te bevinden gedurende de tijd dat die inrichting krachtens het eerste lid, dan wel krachtens artikel 3.1.13, gesloten dient te zijn. 4.Het in het eerste lid of het krachtens het tweede bepaalde geldt niet voor zover krachtens het bepaalde in de Wet milieubeheer aan de seksinrichting sluitingstijden zijn voorgeschreven die op een vroeger tijdstip zijn gelegen. Artikel3.1.7Straatprostitutie 1.Het is verboden, door handelingen, houding, woord, gebaar of op andere wijze, passanten tot prostitutie te bewegen, uit te nodigen dan wel aan te lokken. 2.Met het oog op de naleving van het in het eerste lid gestelde verbod, kan door politieambtenaren of toezichthouders het bevel worden gegeven zich onmiddellijk in een bepaalde richting te verwijderen. Artikel3.1.8Tentoonstellen, aanbieden en aanbrengen van erotisch-pornografische goederen, afbeeldingen en dergelijke 1.In dit artikel wordt verstaan onder bevoegd bestuursorgaan: het college of, voor zover het betreft voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven als bedoeld in artikel 174 van de Gemeentewet, de burgemeester. 2.Het is de rechthebbende op een onroerende zaak verboden daarin of daarop goederen, opschriften, aankondigingen, gedrukte of geschreven stukken dan wel afbeeldingen van erotischpornografische aard openlijk ten toon te stellen, aan te bieden of aan te brengen: a.indien het bevoegd bestuursorgaan aan de rechthebbende heeft bekend gemaakt dat de wijze van tentoonstellen, aanbieding of aanbrengen daarvan, de openbare orde of de woon- en leefomgeving in gevaar brengt; b.anders dan overeenkomstig de door het bevoegd bestuursorgaan in het belang van de openbare orde of de woon- en leefomgeving gestelde regels. 3.Het in het tweede lid gestelde verbod is niet van toepassing op het tentoonstellen, aanbieden of aanbrengen van goederen, opschriften, aankondigingen, gedrukte of geschreven stukken dan wel afbeeldingen, die dienen tot het openbaren van gedachten en gevoelens als bedoeld in artikel 7, eerste lid van de Grondwet. Artikel3.1.8aSekswinkels 1.In deze paragraaf wordt onder sekswinkel verstaan: de voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin hoofdzakelijk goederen van erotisch-pornografische aard aan particulieren plegen te worden verkocht of verhuurd. 2.Het is de rechthebbende op een onroerende zaak verboden daarin een sekswinkel te exploiteren in het door het college in het belang van de openbare orde of de woon-en leefomgeving aangewezen gebieden of delen van de gemeente. Beslistermijn; weigeringsgronden; geldigheid vergunning Artikel3.1.9Beslistermijn 1.De burgemeester beslist op de aanvraag om vergunning als bedoeld in artikel 3.1.3, eerste lid, binnen twaalf weken na de dag waarop de aanvraag met de bijbehorende gegevens en bescheiden is ontvangen. 2.De burgemeester kan zijn besluit eenmaal voor ten hoogste twaalf weken verdagen. Artikel3.1.10Weigeringsgronden Onverminderd het bepaalde in artikel 1.8 weigert de burgemeester de vergunning als bedoeld in artikel 3.1.3, eerste lid, indien: de exploitatie van de inrichting in strijd is met een geldend bestemmingsplan of met een stadsvernieuwingsplan of leefmilieuverordening in de zin van de Wet op de stads- en dorpsvernieuwing; indien de vestiging of exploitatie in strijd is met de grond van artikel 3.1.2 bij nadere regels gestelde inrichtings- en bedrijfsvoeringseisen; er aanwijzingen zijn dat in de inrichting personen werkzaam (zullen) zijn in strijd met artikel 273f van het Wetboek van Strafrecht, of met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of de Vreemdelingenwet bepaalde; de exploitant of de beheerder niet voldoet aan de in artikel 3.1.4 gestelde eisen. De burgemeester kan, onverminderd het bepaalde in artikel 1.8, de vergunning als bedoeld in artikel 3.1.3, eerste lid,weigeren als naar zijn oordeel de openbare orde gevaar loopt of het woon- en leefklimaat in de omgeving van de inrichting nadelig wordt beïnvloed. Bij de toepassing van deze weigeringsgrond houdt de burgemeester rekening met: het karakter van de straat en de wijk waarin de inrichting is gelegen of zal komen te liggen; de aard van de inrichting; de spanning waaraan het woonmilieu ter plaatse reeds blootstaat of bloot zal komen te staan door de exploitatie van de inrichting. Onverminderd het bepaalde in artikel 1.8 kan de vergunning bedoeld in artikel 3.1.3, eerste lid, worden geweigerd in het belang van de arbeidsomstandigheden van de prostituee. 3.1.10a Intrekkingsgronden De burgemeester kan de vergunning tijdelijk of voor onbepaalde tijd, gedeeltelijk of geheel intrekken, indien: a.blijkt dat de vergunning op grond van onjuiste of onvolledige gegevens en bescheiden is verleend; b.de ingevolge artikel 3.1.3, tweede lid, onder a in de vergunning vermelde exploitant niet feitelijk de exploitatie voert; c.de exploitant of beheerder bepalingen in deze paragraaf, de nadere regels bedoeld in artikel 3.1.2 dan wel de voorschriften, behorende bij de vergunning, overtreedt; in de seksinrichting een minderjarige prostituee wordt aangetroffen; in de seksinrichting een prostituee zonder een voor het verrichten van arbeid geldige verblijfstitel wordt aangetroffen; f.een escortbedrijf werkzaamheden laat verrichten door een minderjarige prostituee of een prostituee zonder een voor het verrichten van arbeid geldige verblijfstitel; g.er door de exploitant of beheerder onvoldoende maatregelen zijn getroffen in het belang van de veiligheid, de hygiëne en de bescherming van de gezondheid van de in de seksinrichting werkzame personen, alsmede ter bescherming van de volksgezondheid; h.aannemelijk is dat de exploitant of beheerder betrokken is of hem ernstige nalatigheid kan worden verweten bij activiteiten in of vanuit de seksinrichting, die een gevaar opleveren voor de openbare orde of een bedreiging vormen voor het woon- of leefklimaat; i.de exploitant of beheerder strafbare feiten pleegt in de inrichting, dan wel toestaat of gedoogt dat in zijn seksinrichting strafbare feiten worden gepleegd; j.zich in of vanuit de seksinrichting of bij de uitoefening van het anderszins feiten hebben voorgedaan, die de vrees wettigen, dat de exploitatie van de seksinrichting of het escortbedrijf gevaar oplevert voor de openbare orde of een bedreiging vormt voor het woon- en leefklimaat in de omgeving van de seksinrichting of het escortbedrijf; k.op grond van verandering van omstandigheden of inzichten, opgetreden na het verlenen van een vergunning, moet worden aangenomen, dat intrekking wordt gevorderd door de belangen ter bescherming waarvan de vergunning is vereist. Artikel3.1.11Geldigheid vergunning Een vergunning als bedoeld in artikel 3.1.3 heeft een geldigheidsduur van één jaar. Sluitingsgronden Artikel3.1.12Sluiting van de seksinrichting 1.De burgemeester kan een seksinrichting, al dan niet voor een bepaalde duur, gesloten verklaren, indien: de seksinrichting wordt geëxploiteerd zonder geldige vergunning; de seksinrichting wordt geëxploiteerd in strijd met de aan de vergunning verbonden voorschriften; c.de burgemeester oordeelt, dat een van de in artikel 1.6 genoemde situaties waarin intrekking van de vergunning mogelijk is, zich voordoet. 2.De burgemeester maakt de sluiting bekend door het aanbrengen van een afschrift van het bevel op of nabij de toegang of toegangen van de seksinrichting. De sluiting treedt in werking op het moment dat bedoeld afschrift is aangebracht. 3.Een ieder is verplicht toe te laten dat het in het tweede lid bedoelde afschrift wordt aangebracht en aangebracht blijft, zolang de sluiting van kracht is. 4.Het is de exploitant of beheerder van een seksinrichting, verboden daarin bezoekers toe te laten of daarin te laten verblijven, zolang de sluiting van kracht is. 5.Het is een ieder verboden een overeenkomstig het eerste lid gesloten seksinrichting te bezoeken of als bezoeker daarin te verblijven. 6.Een sluiting voor onbepaalde duur kan op aanvraag van belanghebbende(
- n)door de burgemeester worden opgeheven, wanneer later bekend geworden feiten en omstandigheden hiertoe aanleiding geven en naar zijn oordeel voldoende garanties aanwezig zijn, dat geen herhaling van de gronden die tot de sluiting hebben geleid, zal plaatsvinden. Beëindiging exploitatie; wijziging beheer Artikel3.1.13Beëindiging exploitatie 1.De vergunning vervalt zodra de exploitant de exploitatie van de seksinrichting of het escortbedrijf feitelijk heeft beëindigd. 2.Uiterlijk binnen een week na de feitelijke beëindiging van de exploitatie, geeft de exploitant daarvan schriftelijk kennis aan de burgemeester. Artikel3.1.14Wijziging beheer 1.Indien een beheerder als bedoeld in artikel 3.1.3, tweede lid, onder b, het beheer in de seksinrichting feitelijk heeft beëindigd, geeft de exploitant daarvan binnen een week na de feitelijke beëindiging van het beheer schriftelijk kennis aan de burgemeester. 2.Het beheer kan slechts worden uitgeoefend door een nieuwe beheerder, indien de burgemeester op aanvraag van de exploitant heeft besloten de verleende vergunning overeenkomstig de wijziging in het beheer te wijzigen. Paragraaf2Kansspelen Artikel3.2.1 vervallen Artikel3.2.1aSpeelautomaten 1.Begripsomschrijvingen In dit artikel wordt verstaan onder: Wet: de Wet op de kansspelen; speelautomatenbesluit: KB van 23 mei 2000 (Stb.2000, 223); speelautomaat: automaat als bedoeld in artikel 30, onder a van de Wet; kansspelautomaat: automaat als bedoeld in artikel 30, onder c van de Wet; hoogdrempelig: inrichting als bedoeld in artikel 30, onder d van de Wet; laagdrempelig: inrichting als bedoeld in artikel 30, onder e van de Wet; aanwezigheidsvergunning: vergunning als bedoeld in artikel 30b van de Wet. ondernemer: de natuurlijke persoon of rechtspersoon die een speelautomatenhal,een hoogdrempelige inrichting of een laagdrempelige inrichting exploiteert en de wettelijke vertegenwoordiger van die rechtspersoon; I.een inrichting, bestemd om het publiek gelegenheid te geven een spel door middel van speelautomaten te beoefenen, als bedoeld in artikel 30c, eerste lid, onder c, van de wet; J.beheerder: degene die belast is met het dagelijks toezicht en de onmiddellijke leiding in de speelautomatenhal is belast; K.exploitant: degene die ingevolge de vergunning, verleend door de Minister van Economische Zaken, bedoeld in artikel 30H van de wet, speelautomaten exploiteert. Opstelplaatsenbeleid In hoogdrempelige inrichtingen zijn 3 speelautomaten toegestaan, waarvan maximaal twee kansspelautomaten; b.In laagdrempelige inrichtingen zijn 3 speelautomaten toegestaan, met dien verstande dat kansspelautomaten in het geheel niet zijn toegestaan. Artikel3.2.1bAanwezigheidsvergunning, tenaamstelling, niet-overdraagbaarheid 1.De aanwezigheidsvergunning kan uitsluitend op naam worden gesteld van de ondernemer en is niet overdraagbaar. 2.In de aanwezigheidsvergunning wordt het adres van de inrichting waar de speelautomaten worden geplaatst, vermeld. 3.De aanwezigheidsvergunning wordt uitsluitend verleend ten behoeve van de plaatsing van speelautomaten die in eigendom toebehoren aan personen die in het bezit zijn van een exploitatievergunning als bedoeld in artikel 30h van de wet en die voorzien zijn van een merkteken als bedoeld in artikel 30r van de wet. 4.De naam van de exploitant van de speelautomaten wordt in de aanwezigheidsvergunning vermeld. Bij wijziging dient zulks onverwijld te worden gemeld, waarna de aanwezigheidsvergunning wordt aangepast. Artikel3.2.1cOvername Indien de inrichting waarvoor de aanwezigheidsvergunning is verleend, wordt overgenomen door een nieuwe ondernemer, vervalt de aan de vorige ondernemer verleende aanwezigheidsvergunning van rechtswege. Speelautomatenhallen Artikel3.2.2Vergunningplicht speelautomatenhal 1.Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een speelautomatenhal te vestigen of te exploiteren. 2.De burgemeester is bevoegd maximaal 1 speelautomatenhalvergunning te verlenen voor een speelautomatenhal. 3.De burgemeester kan uitsluitend een vergunning voor een speelautomatenhal verlenen voor het deel van de gemeente dat op de bij deze verordening behorende kaart is aangegeven. Artikel3.2.3Aanvraag vergunning De ondernemer dient de vergunning aan te vragen onder overlegging van: een nauwkeurige beschrijving van de inrichting waarbij is opgenomen de oppervlakte daarvan, alsmede een plattegrond waarin is aangegeven op welke plaats in de speelautomatenhal en in welk aantal kansspel- of behendigheidsautomaten worden opgesteld; een bewijs van inschrijving bij de Kamer van Koophandel en Fabrieken; een verklaring waaruit blijkt dat hij gerechtigd is over de ruimte te beschikken; een verklaring omtrent gedrag van de ondernemer en de beheerder van de speelautomatenhal; bewijsstukken als bedoeld in artikel 5, tweede lid, van het Speelautomatenbesluit (kennis gokverslaving). 2.De burgemeester kan nadere regels vaststellen omtrent de inhoud, de inrichting, vorm en wijze van indiening van de aanvraag. 3.De vergunning kan uitsluitend worden gesteld ten name van de ondernemer en is niet overdraagbaar. 4.In de vergunning wordt de naam van de beheerder(
- s)vermeld. Artikel3.2.4Beslistermijn 1.De burgemeester beslist binnen twaalf weken na de datum waarop hij de aanvraag met bijbehorende bescheiden heeft ontvangen. De beslissing kan eenmaal voor ten hoogste twaalf weken worden verdaagd. 2.Van zijn daartoe strekkend besluit doet hij voor het verstrijken van de in het eerste lid genoemde termijn schriftelijk mededeling aan de aanvrager. Artikel3.2.5Wijziging beheerder 1.Indien een overeenkomstig artikel 3.2.3, vierde lid, in de vergunning vermelde beheerder de hoedanigheid van beheerder heeft verloren, dient de ondernemer dit onverwijld te melden aan de burgemeester. Artikel3.2.6Beëindiging exploitatie De vergunning komt te vervallen indien: 1.Een ondernemer komt te overlijden danwel indien een ondernemer de exploitatie van zijn speelautomatenhal beëindigt. 2.Gedurende 6 maanden geen exploitatie heeft plaatsgevonden. Artikel3.2.7Voorschriften De door de burgemeester aan de vergunning te verbinden voorschriften hebben in elk geval betrekking op: de sluitingstijden van de speelautomatenhal; het toezicht in de speelautomatenhal; het aantal en type speelautomaten, alsmede het totaal aantal spelers bij volledige bezetting van de speelautomaten; de exploitatie van de hal. het oppervlak van de speelautomatenhal; informatie inzake gokverslaving. Artikel3.2.8Weigering vergunning De vergunning wordt geweigerd, indien: het maximaal aantal af te geven vergunningen voor speelautomatenhallen is verleend; de speelautomatenhal niet uitsluitend rechtstreeks vanaf de openbare weg voor het publiek toegankelijk is; de beheerder(
- s)de leeftijd van 21 jaar nog niet heeft (hebben) bereikt; de ondernemer of de beheerder van de speelautomatenhal niet voldoet aan de eisen gesteld in artikel 4 van het Speelautomatenbesluit; e.door de aanwezigheid van de speelautomatenhal naar het oordeel van de burgemeester de woon- en leefsituatie in de naaste omgeving of het karakter van de winkelstraat/winkelbuurt nadelig wordt beïnvloed; f.de exploitatie of vestiging van de speelautomatenhal strijd oplevert met het geldende bestemmingsplan, dan wel met een stadsvernieuwingsplan of leefmilieuverordening in de zin van de Wet op de stads- en dorpsvernieuwing. Artikel3.2.9Intrekking vergunning De burgemeester kan de vergunning intrekken: a.indien blijkt dat de vergunning ten gevolge van onjuiste of onvolledige gegevens en bescheiden is verleend; b.indien de omstandigheden of inzichten op grond waarvan de vergunning is afgegeven zodanig zijn gewijzigd dat een situatie is ontstaan als bedoeld in artikel 3.2.8, onder e; indien gehandeld wordt in strijd met aan de vergunning verbonden voorschriften; indien aannemelijk is, dat de ondernemer of de beheerder(
- s)betrokken is, of hem ernstige nalatigheid kan worden verweten bij activiteiten in of vanuit de speelautomatenhal, die een gevaar opleveren voor de openbare orde of een bedreiging vormen van het woon- of leefklimaat in de omgeving van de speelautomatenhal; e.indien de ondernemer of beheerder(
- s)strafbare feiten pleegt in de inrichting, dan wel toestaat of gedoogt dat in zijn inrichting strafbare feiten worden gepleegd; f.indien de ondernemer of de beheerder(
- s)zich schuldig maakt aan discriminatie naar ras, geslacht of seksuele geaardheid; g.indien zich in de speelautomatenhal anderszins feiten hebben voorgedaan, die de vrees wettigen, dat het geopend blijven van de speelautomatenhal ernstig gevaar oplevert voor de openbare orde. Artikel3.2.10Geldigheidsduur vergunning Een door de burgemeester verleende vergunning als bedoeld in artikel 3.2.2, eerste lid, heeft een geldigheidsduur van twee jaren. Artikel3.2.11Gokken op de openbare weg Het is verboden op of aan de weg op enigerlei wijze om geld of geldwaarde te spelen. Artikel3.2.12Sluiting overlastgevende gokpanden 1.Indien de rechthebbende op of de beheerder van een inrichting een perceel of perceelsgedeelte of enige andere ruimte waarover hij de beschikking heeft, toestaat of gedoogt, dat daarin een kansspel wordt gespeeld waarop artikel 1 van de Wet op de kansspelen van toepassing is en waarvoor op grond van die wet geen vergunning is verleend, kan de burgemeester, indien zulks naar zijn oordeel in het belang van de openbare orde of ter voorkoming of beperking van overlast of aantasting van het woon- en leefklimaat is vereist, de sluiting van die inrichting, dat perceel of perceelsgedeelte of die ruimte bevelen. 2.De burgemeester maakt de sluiting bekend door het aanbrengen van een afschrift van zijn bevel op of nabij de toegang of toegangen van de inrichting, het perceel of perceelsgedeelte of de ruimte. De sluiting treedt in werking op het moment dat bedoeld afschrift is aangebracht. 3.Een ieder is verplicht toe te laten dat het in het tweede lid bedoelde afschrift wordt aangebracht en aangebracht blijft, zolang de sluiting van kracht is. 4.Het is de rechthebbende op en de beheerder van een inrichting, een perceel of perceelsgedeelte of enige andere ruimte als bedoeld in het eerste lid verboden daarin bezoekers toe te laten of daarin te laten verblijven, zolang de sluiting van kracht is. 5.Het is een ieder verboden een overeenkomstig het eerste lid gesloten inrichting, perceel of perceelsgedeelte of enige andere ruimte te bezoeken of als bezoeker daarin te verblijven. Onder bezoekers wordt voor de toepassing van het vierde en vijfde lid niet verstaan: de levenspartner en kinderen van de rechthebbende of beheerder, alsmede zijn elders wonende bloed- of aanverwanten of die van zijn levenspartner in de rechte lijn onbeperkt, in de zijlijn tot en met de derde graad; b.de personen wier tegenwoordigheid in de inrichting, het perceel of perceelsgedeelte of de ruimte wegens dringende redenen strikt noodzakelijk is. 7.De sluiting kan op aanvraag van de belanghebbende door de burgemeester worden opgeheven wanneer later bekend geworden feiten en omstandigheden hiertoe aanleiding geven en naar zijn oordeel voldoende garanties aanwezig zijn dat geen herhaling van de feiten of gedragingen die tot sluiting hebben geleid, zal plaatsvinden. Paragraaf3Drugs Artikel3.3.1Sluiting overlastgevende drugspanden e.d. Van rechtswege vervallen Overige drugsoverlast Artikel3.3.2Verkoop van drugs Onverminderd het bepaalde in de Opiumwet is het verboden op of aan de openbare weg met de daarin gelegen portieken, galerijen, arcaden of nissen post te vatten of zich daar heen en weer te bewegen, alsmede zich op of aan openbare wegen in of op een voertuig te bevinden of daarmee heen en weer of rond te rijden, met het kennelijke doel om middelen als bedoeld in de artikelen 2 en 3 van de Opiumwet, of daarop gelijkende waar, al dan niet tegen betaling af te leveren, aan te bieden of aan te nemen of daarbij behulpzaam te zijn of daarin te bemiddelen. Artikel3.3.3Verzamelingen van personen in verband met drugs 1.Het is verboden op of aan de weg, aan een verzameling van meer dan vier personen deel te nemen indien deze verzameling van personen verband houdt met het openlijk gebruik van of de handel in middelen als bedoeld in de artikelen 2 en 3 van de Opiumwet. 2.Een ieder, die zich bevindt in een verzameling van personen als in het eerste lid bedoeld, is verplicht op een daartoe strekkend bevel van een ambtenaar van politie of een toezichthouder zijn weg te vervolgen of zich in de door deze aangewezen richting te verwijderen. Artikel3.3.4 Vervallen Artikel3.3.5Openlijk gebruik Het is verboden, op of aan de weg, op een voor publiek toegankelijke plaats of in een voor publiek toegankelijk gebouw, middelen als bedoeld in de artikelen 2 en 3 van de Opiumwet te gebruiken, toe te dienen, dan wel voorbereidingen daartoe te verrichten of ten behoeve van dat gebruik voorwerpen en/of stoffen voorhanden te hebben. Artikel3.3.6Weggooien van spuiten e.d. Het is verboden om injectiespuiten of onderdelen daarvan zoals naalden, reservoirs, zuigers e.d. of daarop gelijkende voorwerpen op of aan de openbare weg dan wel in afvalbakken achter te laten, indien redelijkerwijze kan worden aangenomen, dat zulks geschiedt om afstand van het voorwerp te doen. HOOFDSTUK4.BESCHERMING VAN HET MILIEU EN HET NATUURSCHOON EN ZORG VOOR HET UITERLIJK AANZIEN VAN DE GEMEENTE Paragraaf1Geluid- en lichthinder Artikel4.1.1Begripsomschrijvingen In deze paragraaf wordt verstaan onder: Besluit: het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer; Inrichting: een inrichting type A of type B als bedoeld in het Besluit en waarop artikel 2.3.1, 2.3.2 en 2.3.3 van toepassing zijn; C.Houder van een inrichting: degene die als eigenaar, bedrijfsleider, beheerder of anderszins een inrichting drijft; D.Collectieve festiviteit: festiviteit die niet specifiek aan één of een klein aantal inrichtingen is verbonden; E.Incidentele festiviteit: festiviteit of activiteit die gebonden is aan één of een klein aantal inrichtingen. Artikel4.1.2Aanwijzing collectieve festiviteiten 1.De voorschriften 2.17, 2.19 en 2.20 van het Besluit gelden niet voor ten hoogste twaalf door het college per kalenderjaar aan te wijzen collectieve festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen. 2.Het voorschrift 4.113 eerste lid van het Besluit geldt niet voor ten hoogste twaalf door het college per kalenderjaar aan te wijzen dagen of dagdelen. 3.In een aanwijzing als bedoeld in het eerste lid en tweede lid, kan het college bepalen dat de aanwijzing slechts geldt in één of meer delen van de gemeente. 4.Het college maakt de aanwijzing ten minste vier weken voor het begin van een nieuw kalenderjaar bekend. 5.Het college kan wanneer een collectieve festiviteit redelijkerwijs niet te voorzien was een festiviteit terstond als collectieve festiviteit als bedoeld in het eerste lid aanwijzen. Artikel4.1.3kennisgeving incidentele activiteiten 1.Het is een inrichting toegestaan maximaal tien incidentele festiviteiten per kalenderjaar te houden waarbij de voorschriften 2.17, 2.19 en 2.20 van het Besluit niet van toepassing zijn, mits de houder van de inrichting ten minste twee weken voor de aanvang van de festiviteit het college daarvan in kennis heeft gesteld. 2.Het is een inrichting toegestaan maximaal tien incidentele festiviteiten per kalenderjaar te houden waarbij het voorschrift 4.113 eerste lid van het Besluit niet van toepassing is, mits de houder van de inrichting ten minste twee weken voor de aanvang van de festiviteit het college daarvan in kennis heeft gesteld. 3.Het college stelt een formulier vast voor het doen van de kennisgeving als bedoeld in het eerste en tweede lid. 4.De kennisgeving wordt geacht eerst dan te zijn gedaan wanneer het in het derde lid bedoelde formulier, volledig en naar waarheid ingevuld, tijdig is ingeleverd op de plaats op dat formulier vermeld. 5.De kennisgeving wordt tevens geacht te zijn gedaan wanneer het college op verzoek van de houder van een inrichting een incidentele festiviteit, die redelijkerwijs niet te voorzien was, toestaat. Artikel4.1.4Verboden incidentele activiteiten Het is verboden een incidentele activiteit te organiseren, toe te laten, feitelijk te leiden of daaraan deel te nemen, indien de burgemeester het organiseren van een incidentele activiteit verboden heeft wanneer naar zijn oordeel de woon- en leefsituatie in de omgeving van de inrichting of openbare orde op ontoelaatbare wijze negatief wordt beïnvloed. Artikel4.1.5Geluidhinder 1.Het is verboden toestellen of geluidsapparaten in werking te hebben of handelingen te verrichten of te laten verrichten, waardoor voor een omwonende of overigens voor de omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt. Het college kan van het in het eerste lid bepaalde ontheffing verlenen. In het eerste lid bepaalde geldt niet, voor zover de Wet milieubeheer gebaseerd voorschriften, de Wegenverkeerswet 1994, de Zondagswet, het Wetboek van Strafrecht, de Luchtvaartwet, het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 of het Vuurwerkbesluit Wet milieugevaarlijke stoffen van toepassing zijn. Paragraaf2Afvalstoffen Artikel4.2.1Begripsomschrijvingen In deze paragraaf wordt verstaan dan wel mede verstaan: wet: Wet milieubeheer; inzamelen: de activiteiten gericht op het ophalen of innemen van afvalstoffen die binnen de gemeente ter inzameling worden aangeboden en het feitelijk ophalen en innemen daarvan; C.ter inzameling aanbieden: de wijze van overdragen van afvalstoffen aan een inzamelende persoon of instantie, inclusief het achterlaten van afvalstoffen in daartoe door of vanwege de inzamelende persoon of instantie geplaatste inzamelmiddelen of -voorzieningen of op een daartoe aangewezen plaats; D.inzamelmiddel: een voor de inzameling van afvalstoffen bestemd hulp- of bewaarmiddel, bijvoorbeeld een huisvuilzak, minicontainer, afvalemmer, kca-box of big bag, ten behoeve van één huishouden; E.inzamelvoorziening: een voor de inzameling van afvalstoffen bestemd(
- e)bewaarmiddel of - plaats, bijvoorbeeld een verzamelcontainer, wijkcontainer of brengdepot, ten behoeve van meerdere huishoudens; F.inzameldienst: de krachtens artikel 4.2.7, eerste lid, aangewezen inzameldienst, belast met de inzameling van huishoudelijke afvalstoffen; G.andere inzamelaars: de krachtens artikel 4.2.7, tweede lid, aangewezen personen en instanties, belast met het afzonderlijk inzamelen van categorieën huishoudelijke afvalstoffen; inzamelvergunning: de vergunning zoals bedoeld in artikel 4.2.11; gebruiker van een perceel: degene die in de gemeente feitelijk gebruik maakt van een perceel ten aanzien waarvan ingevolge artikel 10.22 van de Wet milieubeheer een verplichting tot het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen geldt; J.straatafval: huishoudelijke afvalstoffen van zeer beperkte omvang en gewicht, zoals proppen, papier, sigarettenpeuken, kauwgom, plastic bekertjes en blikjes, verpakkingsmateriaal, etenswaren, niet zijnde klein chemisch afval, ontstaan buiten een perceel; K.wegen: alle voor het openbaar verkeer openstaande wegen of paden met inbegrip van de daarin liggende bruggen en duikers en de tot die wegen behorende paden en bermen of zijkanten; L.motorrijtuigen: alle voertuigen, bestemd om anders dan langs spoorstaven te worden voortbewogen uitsluitend of mede door een mechanische kracht, op of aan het voertuig zelf aanwezig dan wel door elektrische tractie met stroomtoevoer van elders. Artikel4.2.2Beslistermijn 1.Het college beslist op een aanvraag voor een vergunning of ontheffing binnen 8 weken na de dag waarop de aanvraag ontvangen is. 2.Het college kan zijn beslissing voor ten hoogste 8 weken verdagen. Artikel4.2.3Indiening aanvraag 1.Indien een aanvraag voor een vergunning of ontheffing wordt ingediend minder dan drie weken vóór het tijdstip waarop de aanvrager de vergunning of ontheffing nodig heeft, kan het college besluiten de aanvraag niet te behandelen. 2.Voor bepaalde, door het college aan te wijzen, vergunningen of ontheffingen kan de in het eerste lid genoemde termijn worden verlengd tot ten hoogste acht weken. Artikel4.2.4Voorschriften en beperkingen 1.Aan een krachtens deze verordening verleende vergunning of ontheffing kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden in het belang van de bescherming van het milieu. 2.De houder van een vergunning of ontheffing is verplicht de daaraan verbonden voorschriften en beperkingen na te komen. Artikel4.2.5Persoonlijk karakter van de vergunning of ontheffing De vergunning of ontheffing is persoonsgebonden, tenzij bij of krachtens verordening anders is bepaald. Artikel4.2.6Intrekking of wijziging van de vergunning of ontheffing De vergunning of ontheffing kan worden ingetrokken of gewijzigd: indien ter verkrijging daarvan onjuiste dan wel onvolledige gegevens zijn verstrekt; indien op grond van verandering van de omstandigheden of inzichten opgetreden na het verlenen van de vergunning of ontheffing, moet worden aangenomen dat intrekking of wijziging moet worden gevorderd in het belang van de bescherming van het milieu; c.indien de aan de vergunning of ontheffing verbonden voorschriften en beperkingen niet zijn of worden nagekomen; d.indien van de vergunning of ontheffing geen gebruik wordt gemaakt binnen een daarin gestelde termijn dan wel, bij gebreke van een dergelijke termijn binnen een redelijke termijn; e.indien de houder dit verzoekt. Inzameling van huishoudelijke afvalstoffen Artikel4.2.7Aanwijzing inzameldienst en andere inzamelaars 1.Als inzameldienst, belast met het ter uitvoering van de wet en de in deze verordening bedoelde “inzameling van huishoudelijke afvalstoffen” wordt aangewezen: N.V. Irado, van Heekstraat 15, 3125 BN te Schiedam. 2.Naast de inzameldienst kan het college andere inzamelaars aanwijzen die zijn belast met het afzonderlijk inzamelen van categorieën huishoudelijke afvalstoffen. Artikel4.2.8Afzonderlijke inzameling Door de inzameldienst of andere inzamelaars worden de volgende categorieën huishoudelijke afvalstoffen afzonderlijk ingezameld: groente-, fruit- en tuinafval klein chemisch afval; glas; oud papier en karton; textiel; wit- en bruingoed; bouw- en sloopafval; verduurzaamd hout; grof tuinafval; grof huishoudelijk afval; huishoudelijk restafval; Artikel4.2.9Inzamelmiddelen en -voorzieningen De inzameling kan plaatsvinden via: een inzamelmiddel voor de gebruiker van een perceel; een inzamelvoorziening voor de gebruikers van een aantal percelen; een inzamelvoorziening op wijkniveau; een brengdepot op lokaal of regionaal niveau. Het college kan aanwijzen via welk al dan niet van gemeentewege verstrekt inzamelmiddel of via welke inzamelvoorziening de inzameling van een bepaalde categorie huishoudelijke afvalstoffen ten behoeve van de gebruiker van een perceel plaatsvindt. Artikel4.2.10Frequentie van inzamelen Huishoudelijk restafval wordt tenminste eenmaal per week bij elk perceel ingezameld. In afwijking van het eerste lid wordt huishoudelijk restafval bij hoogbouw en gestapelde laagbouw tenminste eenmaal per week nabij elk perceel ingezameld. 3.Groente-, fruit- en tuinafval wordt tenminste eenmaal per week afzonderlijk bij elk perceel ingezameld. 4.In afwijking van het derde lid wordt groente-, fruit- en tuinafval bij woonruimten zonder tuin eenmaal per week afzonderlijk nabij elk perceel ingezameld. 5.Het college kan de frequentie van inzameling vaststellen van de overige categorieën huishoudelijke afvalstoffen die afzonderlijk in aangewezen delen van de gemeente bij elk perceel worden ingezameld. Artikel4.2.11Inzamelverbod huishoudelijke afvalstoffen behoudens vergunning 1.Het is verboden zonder inzamelvergunning van het college huishoudelijke afvalstoffen in te zamelen. 2.De inzamelvergunning kan worden geweigerd in het belang van een doelmatig beheer van huishoudelijke afvalstoffen. Het verbod geldt niet voor de inzameldienst of andere inzamelaars. Het verbod geldt niet voor personen of instanties die in het kader van producentenverantwoordelijkheid bij algemene maatregel van bestuur een inzamelplicht hebben gekregen voor categorieën van huishoudelijke afvalstoffen. Ter inzameling aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen Artikel4.2.12Verbod op het ter inzameling aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen aan anderen 1.Het is verboden huishoudelijke afvalstoffen ter inzameling aan te bieden aan een ander dan de inzameldienst, andere inzamelaars en aan de houders van een inzamelvergunning. 2.Het verbod geldt niet voor personen of instanties die in het kader van producentenverantwoordelijkheid bij algemene maatregel van bestuur een inzamelplicht hebben gekregen voor categorieën van huishoudelijke afvalstoffen. Artikel4.2.13Verbod op het ter inzameling aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen door anderen dan de gebruikers van percelen 1.Het is anderen dan gebruikers van percelen verboden om huishoudelijke afvalstoffen ter inzameling aan te bieden aan de inzameldienst of de andere inzamelaars. 2.Het college kan besluiten dat het aan anderen dan gebruikers van percelen verboden is om huishoudelijke afvalstoffen ter inzameling aan te bieden aan de houder van een inzamelvergunning. Artikel4.2.14Afzonderlijk ter inzameling aanbieden 1.De navolgende afvalstoffen dienen gescheiden aan de inzameldienst te worden aangeboden: a. groente-, fruit- en tuinafval; klein chemisch afval; glas; oud papier en karton; textiel; wit- en bruingoed; bouw- en sloopafval; verduurzaamd hout; grof tuinafval; asbest en asbesthoudend afval; grof huishoudelijk afval; huishoudelijk restafval; Als inzameldienst, waaraan de in het eerste lid bedoelde categorieën van huishoudelijke afvalstoffen moeten worden aangeboden wordt aangewezen: N.V. Irado, van Heekstraat 15, 3125 BN te Schiedam. 3.Het is verboden de aangewezen categorieën huishoudelijke afvalstoffen aan te bieden aan anderen dan de krachtens het tweede lid aangewezen inzameldienst. Artikel4.2.14aOngeadreseerd reclamedrukwerk Het is verboden ongeadresseerd reclamedrukwerk te bezorgen of te laten bezorgen bij een woning, bedrijf of woonschip, indien de bewoner ervan of gebruiker ervan duidelijk kenbaar heeft gemaakt (op een door het college vastgestelde wijze) geen prijs te stellen op het ontvangen van ongeadresseerd reclamedrukwerk. Artikel4.2.15Ter inzameling aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen via een inzamelmiddel voor de gebruiker van een perceel 1.Het is voor de gebruiker van een perceel ten behoeve van wie krachtens artikel 4.2.9, tweede lid, voor een bepaalde categorie huishoudelijke afvalstoffen een inzamelmiddel is aangewezen of van gemeentewege is verstrekt, verboden de betreffende afvalstoffen anders aan te bieden dan via het daartoe aangewezen of verstrekte inzamelmiddel. 2.Het is voor de gebruiker van een perceel verboden andere categorieën huishoudelijke afvalstoffen via een inzamelmiddel aan te bieden, dan de categorie waarvoor dit inzamelmiddel krachtens artikel 4.2.9, tweede lid, is bestemd. 3.Het college kan regels stellen omtrent de plaatsen en wijze waarop huishoudelijke afvalstoffen via een inzamelmiddel ter inzameling moeten worden aangeboden. 4.Het college kan regels stellen met betrekking tot het maximale gewicht van de afvalstoffen per inzamelmiddel en het maximale aantal inzamelmiddelen dat per keer kan worden aangeboden. 5.Indien van gemeente