Verordening inburgering Amsterdam 2010Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen Artikel 1.1 Begripsomschrijvingen In deze verordening wordt verstaan onder: college: het college van burgemeesters en wethouders van de gemeente Amsterdam; raad: de raad van de gemeente Amsterdam; wet: de Wet inburgering; inburgeringsplichtige: de inburgeringsplichtige, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van de wet; vrijwillige inburgeraar: de inburgeraar, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder r, van de wet; inburgeraar: de inburgeringsplichtige of de vrijwillige inburgeraar; oudkomer: de inburgeringsplichtige oudkomer, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder c, van de wet; nieuwkomer: de inburgeringsplichtige, die geen oudkomer is; geestelijke bedienaar: de geestelijke bedienaar, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g, van de wet; trajectbegeleider: de functionaris, die de inburgeraar namens het college begeleidt ten behoeve van zijn inburgering; inburgeringsvoorziening: de inburgeringsvoorziening, bedoeld in artikel 19, derde lid, eerste volzin, van de wet; taalkennisvoorziening: de taalkennisvoorziening, bedoeld in artikel 19, derde lid, tweede volzin, van de wet; inburgeringstermijn: de termijn, bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de wet; uitkeringsgerechtigde: degene die algemene bijstand of een uitkering ontvangt op grond van een sociale verzekeringswet of sociale verzekeringsregeling als bedoeld in artikel 4.23 van het Besluit inburgering; uitkering: algemene bijstand als bedoeld in artikel 5, onder b, van de Wet werk en bijstand of een uitkering op grond van een sociale verzekeringswet of sociale verzekeringsregeling als bedoeld in artikel 4.23 van het Besluit inburgering; norminkomen: het norminkomen, bedoeld in artikel 14 van de Wet op de huurtoeslag; persoonlijk inburgeringsbudget: het inburgeringsbudget, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder t, van de wet; inburgeringsbedrijf: een natuurlijk persoon of rechtspersoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder s, van de wet. Artikel 1.2 Informatieverstrekking aan inburgeraars 1. Het college draagt er zorg voor dat de inburgeraars op een doeltreffende en doelmatige wijze worden geïnformeerd over hun rechten en plichten uit hoofde van de wet en deze verordening, over het opleidingsaanbod en de toegang tot de gemeentelijke voorzieningen in verband met inburgering, alsmede over de financiële faciliteiten. 2. Het college beoordeelt ten minste eens in de twee jaar de doeltreffendheid en doelmatigheid van de informatieverstrekking aan de inburgeraars en rapporteert daarover aan de raad. Artikel 1.3 Prioritering doelgroepen 1. Indien het college met het oog op de beschikbare capaciteit besluit om bij de uitvoering van hoofdstuk 6 van de wet bepaalde doelgroepen bij voorrang te behandelen, maakt het college bij die prioritering een keuze uit een of meer van de volgende doelgroepen: inburgeringsplichtigen, bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de wet; uitkeringsgerechtigden; nieuwkomers; inburgeraars die belast zijn met de opvoeding van minderjarige kinderen. 2. Het college kan een wachtlijst instellen, indien wordt overgegaan tot toepassing van het eerste lid. 3. Het college stelt bij de instelling van de wachtlijst de criteria vast voor de volgorde van afhandeling van de aanvragen op de wachtlijst om een inburgeringsvoorziening, taalkennisvoorziening of persoonlijk inburgeringsbudget. 4. Aanvragen van inburgeringsplichtigen, genoemd in het eerste lid, onder a, worden niet op een wachtlijst als bedoeld in het derde lid geplaatst. Hoofdstuk 2 Gemeentelijke voorzieningen en eigen bijdrage Artikel 2.1 Inburgeringsvoorziening of taalkennisvoorziening 1. Het college stemt de inburgeringsvoorziening of taalkennisvoorziening zo goed mogelijk af op het startniveau, de vaardigheden, de persoonlijke omstandigheden en de maatschappelijke positie van de inburgeraar. 2. In afwijking van het eerste lid geldt ten aanzien van een inburgeringsvoorziening voor een geestelijk bedienaar het bepaalde in artikel 4.24 van het Besluit inburgering. 3. Onverminderd het bepaalde in het eerste lid zijn de artikelen 19, vierde lid, en 20 van de wet van toepassing op een inburgeringsvoorziening of taalkennisvoorziening ten behoeve van een uitkeringsgerechtigde. 4. In de inburgeringsvoorziening of taalkennisvoorziening wordt aandacht geschonken aan mensenrechten, tolerantie, vrijheid van meningsuiting, huiselijk en eergerelateerd geweld, hulpverlening alsmede de politieke en bestuurlijke infrastructuur van Amsterdam. 5. Het college schenkt speciale aandacht aan de toegankelijkheid van de voorzieningen voor verstandelijk en lichamelijk gehandicapten en psychiatrische patiënten. Artikel 2.2 Persoonlijk inburgeringsbudget 1. In plaats van een inburgeringsvoorziening, taalkennisvoorziening of de inburgeringscomponent van een gecombineerde voorziening kan het college op verzoek van de inburgeraar een persoonlijk inburgeringsbudget vaststellen, indien bijzondere persoonlijke omstandigheden van de inburgeraar naar het oordeel van het college een speciale voorziening vereisen. 2. Het persoonlijk inburgeringsbudget bedraagt ten hoogste € 8.000,--. Het college is bevoegd dit bedrag jaarlijks vóór 1 januari te indexeren. 3. Van bijzondere persoonlijke omstandigheden is in ieder geval sprake indien een gemeentelijke voorziening als bedoeld in artikel 2.1 niet geschikt is, omdat de inburgeraar: hoogopgeleid is, of zodanige fysieke of psychische belemmeringen ondervindt dat een daarop aangepaste voorziening voor hem noodzakelijk is. 4. Onverminderd het bepaalde in het eerste en tweede lid kan het college op verzoek van de inburgeraar eveneens een persoonlijk inburgeringsbudget vaststellen, indien voor de inburgeraar een speciale voorziening in samenwerking met zijn huidige of toekomstige werkgever is samengesteld die mede gericht is op zijn huidige of toekomstige werkzaamheden. 5. Het college wijst het verzoek om een persoonlijk inburgeringsbudget af, indien: naar het oordeel van het college geen sprake is van bijzondere persoonlijke omstandigheden; het door de inburgeraar ingediende trajectplan, bedoeld in artikel 3.2b, eerste lid, onder a, onvolledig is; uit het ingediende trajectplan, bedoeld in artikel 3.2b, eerste lid, onder a, blijkt dat het daarin door de inburgeraar geschetste doelperspectief of inburgeringsprogramma onvoldoende onderscheidend is van de inhoud van een gemeentelijke voorziening als bedoeld in artikel 2.1. 6. Het college kan van het maximumbedrag, bedoeld in het eerste lid, afwijken ten gunste van de inburgeraar, indien toepassing van dat bedrag gezien de bijzondere persoonlijke omstandigheden van de inburgeraar zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard. Artikel 2.3 Eigen bijdrage van de inburgeringsplichtige en gemeentelijke bonus 1. De inburgeringsplichtige is een eigen bijdrage verschuldigd ter hoogte van het bedrag, bedoeld in artikel 23, tweede lid, van de wet, indien voor hem bij beschikking een inburgeringsvoorziening, taalkennisvoorziening is vastgesteld. Een vrijwillige inburgeraar is geen eigen bijdrage verschuldigd. 2. De inburgeringsplichtige betaalt de eigen bijdrage nadat hij het inburgeringstraject heeft beëindigd. 3. Betaling in termijnen is niet mogelijk. 4. Het college betaalt aan de inburgeringsplichtige een bonus indien hij: alle voor zijn deelname aan de inburgeringsvoorziening of taalkennisvoorziening benodigde documenten rechtsgeldig heeft ondertekend, en naar het oordeel van het college in voldoende mate heeft deelgenomen aan de inburgeringsvoorziening of taalkennisvoorziening en aan het volledige examen waarop die voorziening is gericht. 5. In nadere regels stelt het college de hoogte van de bonus vast. 6. De betaling van de bonus, bedoeld in het vierde lid, vindt uitsluitend plaats door verrekening met de verschuldigde eigen bijdrage, bedoeld in het eerste lid. 7. Het eerste tot en met het zesde lid zijn van overeenkomstige toepassing, indien aan de inburgeringsplichtige een persoonlijk inburgeringsbudget is toegekend. Artikel 2.4 Premie bij zelfstandige inburgering Het college betaalt aan de inburgeringsplichtige op diens verzoek een premie ter hoogte van de eigen bijdrage als bedoeld in artikel 23, tweede lid, van de wet, indien hij: geen gebruik heeft gemaakt van een gemeentelijke voorziening gericht op inburgering als bedoeld in dit hoofdstuk; binnen de voor hem geldende inburgeringstermijn het inburgeringsexamen of het staatsexamen Nederlands als tweede taal I of II heeft behaald; en ten tijde van de indiening van zijn verzoek een gezinsinkomen heeft dat minder bedraagt dan het norminkomen. Hoofdstuk 3 Procedurele voorschriften Artikel 3.1 Oproep in verband met de inburgeringsplicht 1. De inburgeringsplichtige, die door het college wordt opgeroepen overeenkomstig artikel 25 van de wet in verbinding met het bepaalde bij of krachtens artikel 5.1 van het Besluit inburgering, geeft gehoor aan de oproep en verleent medewerking aan het onderzoek ter vaststelling van de inburgeringsplicht. 2. Tijdens het onderzoek, bedoeld in het eerste lid, gaat het college na of de inburgeringsplichtige in aanmerking komt voor gehele of gedeeltelijke vrijstelling van de inburgeringsplicht als bedoeld in artikel 5, derde en vierde lid, van de wet in verbinding met de afdelingen 2 en 4 van het Besluit inburgering. Artikel 3.2 Voorbereiding en vaststelling van voorzieningen inburgeringsplichtigen 1. Indien het college van oordeel is dat een inburgeringsplichtige een inburgeringsvoorziening of taalkennisvoorziening nodig heeft om aan zijn inburgeringsplicht te voldoen, legt het college hem een voorgenomen voorziening voor. Het voornemen wordt in ieder geval naar het adres gezonden waar de inburgeringsplichtige in de gemeentelijke basisadministratie is ingeschreven. 2. Het voornemen komt tot stand op basis van een toets, die de inburgeringsplichtige aflegt bij een door het college aangewezen deskundige, en bevat een omschrijving van de inburgeringsvoorziening of taalkennisvoorziening en daaraan te verbinden rechten en plichten. Indien het college van oordeel is dat de inburgeringsplichtige zonder gegronde redenen weigert medewerking te verlenen aan het afleggen van de toets, kan het college hem de verplichting opleggen die toets af te leggen. 3. Indien de inburgeringsvoorziening of taalkennisvoorziening wordt gecombineerd met een voorziening gericht op arbeidsinschakeling, wordt de inburgeringsvoorziening of taalkennisvoorziening opgenomen in de voorziening gericht op arbeidsinschakeling. 4. Het college stelt de inburgeringsplichtige die tegen het voornemen naar verwachting bedenkingen zal hebben op grond van artikel 4:8 van de Algemene wet bestuursrecht in de gelegenheid om binnen twee weken na de verzending van de stukken, bedoeld in het eerste lid, mondeling of schriftelijk zijn zienswijze naar voren te brengen ten aanzien van de voorgenomen voorziening. Van een mondelinge zienswijze wordt een gespreksverslag opgesteld. 5. Het college stelt de inburgeringsvoorziening of taalkennisvoorziening voor de inburgeringsplichtige bij beschikking vast binnen vier weken na afloop van de termijn, genoemd in het vierde lid, tenzij de inburgeringsplichtige naar het oordeel van het college heeft aangetoond dat hij zelfstandig voldoende initiatieven ontplooit om binnen afzienbare termijn aan zijn inburgeringsplicht te voldoen. Artikel 3.2a Voorbereiding en vaststelling van voorzieningen vrijwillige inburgeraar 1. Het college legt de vrijwillige inburgeraar uitsluitend een aanbod voor een inburgeringsvoorziening of taalkennisvoorziening voor, indien het college van oordeel is dat de vrijwillige inburgeraar die voorziening nodig heeft om in verband met zijn langdurig verblijf adequaat in de Nederlandse samenleving te participeren. 2. Voordat het college de vrijwillige inburgeraar een aanbod doet, stelt hij diens identiteit vast aan de hand van zijn identiteitsbewijs en het verblijfsdocument waaraan de vrijwillige inburgeraar zijn rechtmatig verblijf in Nederland ontleent.; 3. Het aanbod komt tot stand op basis van een toets, die de vrijwillige inburgeraar aflegt bij een door het college aangewezen deskundige, en bevat een omschrijving van de inburgeringsvoorziening of taalkennisvoorziening en daaraan te verbinden rechten en plichten. 4. Indien de inburgeringsvoorziening of taalkennisvoorziening wordt gecombineerd met een voorziening gericht op arbeidsinschakeling, wordt de inburgeringsvoorziening of taalkennisvoorziening opgenomen in de voorziening gericht op arbeidsinschakeling. 5. Het college zendt het aanbod in ieder geval naar het adres waar de vrijwillige inburgeraar in de gemeentelijke basisadministratie is ingeschreven. Gelijktijdig met het aanbod zendt het college de vrijwillige inburgeraar een inburgeringsovereenkomst in tweevoud toe. 6. De vrijwillige inburgeraar deelt het college binnen twee weken na de verzending van het aanbod, bedoeld in het vierde lid, mondeling of schriftelijk mede of hij het aanbod aanvaardt. Indien hij het aanbod aanvaardt, zendt hij een exemplaar van de door hem getekende inburgeringsovereenkomst per omgaande aan het college retour. Artikel 3.2b Voorbereiding en vaststelling persoonlijk inburgeringsbudget 1. Het verzoek van de inburgeraar om een persoonlijk inburgeringsbudget, bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, gaat vergezeld van: een trajectplan, dat door de inburgeraar is opgesteld volgens een door het college vastgesteld model; offertes van twee inburgeringsbedrijven, waarbij door elk bedrijf een bewijs van het Keurmerk Inburgeren is gevoegd, alsmede een uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel dan wel uit het beroeps- of handelsregister van het land van vestiging, welk uittreksel niet ouder dan twee maanden is; een medische verklaring, indien sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 2.2, tweede lid, onder b. 2. Het trajectplan is opgesteld op basis van een toets, die de inburgeraar aflegt bij een door het college aangewezen deskundige. 3. Indien naar het oordeel van het college sprake is van een specialistisch traject, waardoor het indienen van meer dan een offerte of het overleggen van het Keurmerk Inburgeren niet mogelijk of onnodig bezwaarlijk is, kan het college in afwijking van het eerste lid, onder b, het verzoek om een persoonlijk inburgeringsbudget in behandeling nemen op basis van slechts een offerte dan wel zonder dat het Keurmerk Inburgeren wordt overgelegd. 4. Het college beoordeelt de ingediende offertes. Indien beide offertes worden goedgekeurd, sluit het college een overeenkomst met het inburgeringsbedrijf dat een programma heeft geoffreerd met de beste prijs-kwaliteitsverhouding. 5. Alvorens te beslissen op een verzoek in verband met bijzondere persoonlijke omstandigheden als bedoeld in artikel 2.2, tweede lid, onder b, wint het college advies in van een door het college aan te wijzen deskundige. 6. Het college beslist binnen vier weken na ontvangst van het verzoek, bedoeld in het eerste lid. Indien op grond van het derde lid advies wordt ingewonnen, beslist het college binnen acht weken na ontvangst van het verzoek. 7. Het college zendt de vrijwillige inburgeraar een inburgeringsovereenkomst in tweevoud toe in geval van toekenning van het verzoek. De vrijwillige inburgeraar deelt het college binnen twee weken na verzending van de overeenkomst mede of hij instemt met de inburgeringsovereenkomst. Indien dit het geval is, zendt hij een exemplaar van de door hem getekende inburgeringsovereenkomst per omgaande aan het college retour. Artikel 3.3 Inhoud van de vaststellingsbeschikking of inburgeringsovereenkomst 1. Het besluit waarbij het college de inburgeringsvoorziening of taalkennisvoorziening voor de inburgeringsplichtige vaststelt, bevat in ieder geval: een omschrijving van de inburgeringsvoorziening of taalkennisvoorziening; een opgave van de rechten en plichten van de inburgeraar, waaronder de verplichting om deel te nemen aan de inburgeringsopleiding volgens de daaraan verbonden voorwaarden; de termijn waarbinnen het inburgeringsexamen of het staatsexamen Nederlands als tweede taal I of II moet zijn behaald; de eigen bijdrage en de mogelijkheid van verrekening met een bonus; de vermelding van de mogelijkheid van sancties. 2. Het bepaalde in het eerste lid, onder a tot en met c, is van overeenkomstige toepassing op de overeenkomst die het college met de vrijwillige inburgeraar sluit. In de overeenkomst worden daarnaast tevens de gevolgen van niet nakoming van de overeenkomst vastgelegd. 3. Het bepaalde in het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op het besluit, bedoeld in artikel 3.2b, vierde lid, waarbij het college het persoonlijk inburgeringsbudget vaststelt. Artikel 3.4 Verplichtingen in de vaststellingsbeschikking of inburgeringsovereenkomst Het college kan in de beschikking, bedoeld in artikel 3.2, vijfde lid, respectievelijk artikel 3.2b, zesde lid, of in de inburgeringsovereenkomst, bedoeld in artikel 3.2a, vierde lid, respectievelijk artikel 3.2b, zevende lid, een of meer van de volgende verplichtingen opnemen: het meewerken aan de inburgeringsvoorziening of taalkennisvoorziening; het meewerken aan gesprekken met de trajectbegeleider van de inburgeraar; het meewerken aan een voortgangsassessment; het deelnemen aan het inburgeringsexamen of staatsexamen Nederlands als tweede taal I of II op een tijdstip dat door het college wordt bepaald; het melden van ziekte en andere relevante omstandigheden waardoor de inburgeraar niet in staat is om zijn verplichtingen na te komen. Artikel 3.5 Zelfstandige inburgering 1. Indien de inburgeringsplichtige naar het oordeel van het college heeft aangetoond dat hij zelfstandig voldoende initiatieven ontplooit om binnen afzienbare termijn aan zijn inburgeringsplicht te voldoen, zendt het college binnen de termijn genoemd in artikel 5.3, tweede en derde lid, van het Besluit inburgering: aan de oudkomer een handhavingsbeschikking als bedoeld in artikel 1.1, onder i, van het Besluit inburgering, met de voor hem geldende termijn waarbinnen hij het inburgeringsexamen of staatsexamen Nederlands als tweede taal I of II moet hebben behaald; aan de nieuwkomer een kennisgeving als bedoeld in artikel 5.3, derde lid, van het Besluit inburgering, over de voor hem geldende termijn waarbinnen hij het inburgeringsexamen of staatsexamen Nederlands als tweede taal I of II moet hebben behaald. 2. In de handhavingsbeschikking of kennisgeving informeert het college de inburgeraar over de mogelijkheden die hem ter beschikking staan bij zijn zelfstandige voorbereiding op het inburgeringsexamen of staatsexamen Nederlands als tweede taal I of II, waaronder de financiële aspecten. Hoofdstuk 4 Bestuurlijke boetes Artikel 4.1 De hoogte van de bestuurlijke boetes 1. Bij overtreding van artikel 25 van de wet bedraagt de bestuurlijke boete ten hoogste € 100,--. 2. Bij overtreding van artikel 23, eerste lid, van de wet of artikel 3.4 bedraagt de bestuurlijke boete ten hoogste € 200,--. 3. Bij het niet behalen van het inburgeringsexamen binnen de bij of krachtens de artikelen 32 of 33 van de wet gestelde termijnen, bedraagt de bestuurlijke boete ten hoogste € 200,--. Artikel 4.2 Verhoging van de bestuurlijke boete bij herhaling van de overtreding De bestuurlijke boetes voor overtredingen, bedoeld in artikel 4.1, worden verdubbeld indien de inburgeringsplichtige zich binnen twaalf maanden na het opleggen van een bestuurlijke boete, opnieuw schuldig maakt aan dezelfde soort overtreding. Hoofdstuk 5 Slotbepalingen Artikel 5.1 Citeertitel Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening inburgering Amsterdam 2010. Artikelsgewijze toelichting Hieronder wordt uitsluitend ingegaan op de wijzigingen die in de verschillende artikelen worden doorgevoerd met de vaststelling van de nieuwe Verordening Inburgering Amsterdam 2010. De artikelen die ongewijzigd uit de Verordening Inburgering Amsterdam worden overgenomen, behoeven geen nadere toelichting. Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen Artikel 1.1 Begripsomschrijvingen Drie begripsomschrijvingen worden technisch aangepast. In de definitie onder
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.