Maatregelenverordening Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW) en Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (IOAZ)De raad van de gemeente Doesburg; gezien het advies van de Commissie Maatschappelijke ontwikkeling d.d. 7 december 2010; gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van Doesburg d.d. 16 december 2010; gelet op artikel 147, eerste lid Gemeentewet en artikel 108, tweede lid Gemeentewet, artikel 35, eerste lid onderdeel b en artikel 20, tweede lid Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW) alsmede artikel 35 eerste lid, onderdeel b en artikel 20, eerste lid Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (IOAZ); BESLUIT vast te stellen de: Maatregelenverordening Wet inkomensvoorziening en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW) en Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (IOAZ) gemeente Doesburg HOOFDSTUK1.ALGEMENE BEPALINGEN Artikel1.Begripsbepaling 1.In deze verordening wordt verstaan onder: IOAW: de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers; IOAZ: de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen; de IOAW/IOAZ: de IOAW alsmede de IOAZ, beiden voor zover zij op de belanghebbende van toepassing zijn; Uitkering: de uitkering bedoeld in artikel 5, eerste lid IOAW/IOAZ; Uitkeringsnorm: de op belanghebbende van toepassing zijnde netto grondslag, bedoeld in artikel 5, vierde lid IOAW/IOAZ; Maatregel: het verlagen van de uitkeringsnorm op grond van artikel 20, tweede lid IOAW en artikel 20, eerste lid IOAZ alsmede het blijvend of tijdelijk (gedeeltelijk) weigeren van een uitkering op grond van artikel 20, eerste lid IOAW en artikel 20, tweede lid IOAZ; Inkomen: inkomen als bedoeld in artikel 8 IOAW/IOAZ; Benadelingbedrag: bruto bedrag dat als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van een inlichtingenverplichting ten onrechte is verleend als uitkering op grond van de IOAW/IOAZ; Belanghebbende: hij die recht heeft op een uitkering op grond van de IOAW, voor zover hij is aangewezen op arbeid in dienstbetrekking, alsmede hij die recht heeft op een uitkering op grond van de IOAZ; Het college: het college en wethouders van de gemeente Doesburg. 2.In deze verordening wordt onder belanghebbende mede verstaan: de echtgenoot in de beteke- nis van artikel 3 van de IOAW en artikel 3 van de IOAZ. Artikel2.Het opleggen van een maatregel 1.Als belanghebbende naar het oordeel van het college een verplichting als bedoeld in artikel 13 IOAW/IOAZ of een op grond van hoofdstuk III IOAW/IOAZ aan de uitkering verbonden verplichting – anders dan de verplichting, bedoeld in artikel 37, eerste lid, onderdeel c IOAZ – schendt, wordt overeenkomstig deze verordening een maatregel opgelegd. Daarnaast wordt tevens een maatregel opgelegd indien belanghebbende onder omstandigheden die rechtstreeks verband houden met een uitkering van de IOAW/IOAZ zich jegens het college zeer ernstig misdraagt. 2.Het eerste lid is gelijkelijk van toepassing op de belanghebbende die een uitkering ontvangt op grond van de IOAW, wanneer hij de op basis van artikel 30c, tweede en derde lid van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen op hem rustende verplichtingen schendt. 3.De opgelegde maatregel wordt afgestemd op de ernst van de gedraging, de mate waarin belanghebbende kan worden verweten en de omstandigheden waarin betrokkene verkeert. Artikel3.Berekeningsgrondslag De maatregel wordt toegepast op de netto uitkeringsnorm. Artikel4.Het besluit tot opleggen van een maatregel In het besluit tot opleggen van een maatregel worden in ieder geval vermeld: de reden van de maatregel, de duur van de maatregel, het percentage waarmee de uitkeringsnorm wordt verlaagd, en, indien van toepassing, de reden om af te wijken van een standaardmaatregel. Artikel5.Horen van belanghebbende 1.Voordat een maatregel wordt opgelegd, wordt de belanghebbende in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen. 2.Het horen van de belanghebbende kan achterwege worden gelaten indien: de vereiste spoed zich daartegen verzet; de belanghebbende al eerder in de gelegenheid is gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen en zich sindsdien geen nieuwe feiten of omstandigheden hebben voorgedaan; de belanghebbende niet heeft voldaan aan een verzoek van het college of een door haar ingeschakelde derde, om binnen een gestelde termijn inlichtingen te verstrekken als bedoeld in artikel 13 van IOAW/IOAZ; of het college het horen niet nodig acht voor het vaststellen van de ernst van de gedraging of de mate van verwijtbaarheid. Artikel6.Afzien van het opleggen van een maatregel 1.Het college ziet af van het opleggen van een maatregel indien: elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt; de gedraging meer dan één jaarvóór constatering van die gedraging door het college heeft plaatsgevonden, tenzij de gedraging een schending van de inlichtingenplicht inhoudt en als gevolg van die gedraging ten onrechte een uitkering is verleend. Een maatregel wegens schending van de inlichtingenplicht wordt niet opgelegd na verloop van vijf jarennadat de betreffende gedraging heeft plaatsgevonden; het college dringende redenen aanwezig acht. 2.Indien het college afziet van het opleggen van een maatregel op grond van dringende redenen, wordt de belanghebbende daarvan schriftelijk mededeling gedaan. Artikel7.Ingangsdatum en tijdvak 1.De maatregel wordt opgelegd met ingang van de eerstvolgende kalendermaand, volgend op de datum waarop het besluit tot het opleggen van de maatregel aan de belanghebbende is bekendgemaakt. Daarbij wordt uitgegaan van de voor die maand geldende uitkeringsnorm. 2.In afwijking van het eerste lid kan de maatregel met terugwerkende kracht worden opgelegd, voor zover de uitkering nog niet is uitbetaald. 3.Wanneer de uitkering met ingang van de eerstvolgende maand wordt beëindigd, wordt het recht op uitkering over de voorgaande kalendermaand(en) herzien en wordt het als gevolg daarvan ten onrechte of een te hoog verstrekte uitkering teruggevorderd. 4.In het geval dat er zeer sterke vermoedens bestaan dat belanghebbende verwijtbaar verplichtingen die aan de bijstand zijn verbonden niet of niet volledig nakomt of heeft nagekomen, kan in afwachting van nader onderzoek, uitbetaling van de uitkering worden opgeschort. Artikel8.Samenloop van gedragingen 1.Indien sprake is van een gedraging die schending oplevert van meerdere in de IOAW/IOAZ genoemde verplichtingen, wordt één maatregel opgelegd. Indien voor schending van die verplichtingen maatregelen van verschillende hoogten gelden, wordt de hoogste maatregel opgelegd. 2.Indien sprake is van meerdere gedragingen die schending opleveren van één of meerdere in de IOAW/IOAZ genoemde verplichtingen, wordt voor iedere gedraging een afzonderlijke maatregel opgelegd. Deze maatregelen worden gelijktijdig opgelegd, tenzij dit gelet op artikel 2, derde lid, niet verantwoord is. HOOFDSTUK2.Geen of onvoldoende medewerking verlenen aan het verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid Artikel9.Indeling in categorieën Gedragingen van de belanghebbende op grond van artikel 37 van de IOAW/IOAZ, anders dan de verplichting, bedoeld in artikel 37, eerste lid, onderdeel c IOAW/IOAZ, niet of onvoldoende zijn nagekomen, worden onderscheiden in de volgende categorieën: Eerste categorie: a.het zich niet tijdig laten registreren als werkzoekende bij het UWV Werkbedrijf of het niet tijdig laten verlengen van de registratie, tenzij voor belanghebbende het inzetten van re-integratievoorzieningen niet zinvol wordt geacht. Tweede categorie: het niet naar vermogen trachten algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen of te aanvaarden; het niet dan wel niet tijdig voldoen aan een oproep om, in verband met de inschakeling in arbeid, op een aangegeven plaats en tijd te verschijnen; het niet of in onvoldoende mate gebruikmaken van een voorziening gericht op arbeidsinschakeling, waaronder begrepen sociale activering en het niet of onvoldoende meewerken van een onderzoek naar de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling, als bedoeld in artikel 37, eerste lid, onderdeel e van de IOAW en IOAZ, voor zover dit niet heeft geleid tot het geen doorgang vinden of tot voortijdige beëindiging van de voorziening.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.