Procedureregeling Beoordelen Artikel 1 Begripsbepalingen Medewerker:de ambtenaar als bedoeld in artikel 1:1 lid 1 sub a van de CAR/ZUWO; Bevoegd gezag:de burgemeester, de raad, de algemeen directeur / gemeentesecretaris, de directeur van een hoofdafdeling, het hoofd van de concernstaf of directeur van de Brandweer dan wel de griffier waar de medewerker werkzaam is; Eerste beoordelaar:de direct leidinggevende van de medewerker, dan wel de door het bevoegd gezag in diens plaats aangewezen functionaris; Tweede beoordelaar:de direct leidinggevende van de onder lid 3 bedoelde functionaris, dan wel de door het bevoegd gezag in diens plaats aangewezen functionaris; Derde beoordelaar:in voorkomende gevallen, de direct leidinggevende van de onder lid 4 bedoelde functionaris; Informatie van derden:feiten door een derde naar voren gebracht, die een bijdrage leveren aan de oordeelsvorming; Afsprakenkaart:het format waarop de afspraken staan aangegeven die tussen de eerste beoordelaar en de medewerker zijn gemaakt; Beoordeling:het oordeel en de daarmee verband houdende gegevens, zoals vermeld op de beoordelingsstaat; Beoordelingsstaat:de versie van de afsprakenkaart die het oordeel en de daarmee verband houdende gegevens bevat; Beoordelingstijdvak:het tijdvak vanaf de periodiekdatum van de medewerker tot een jaar daarna; P&O adviseur:de adviseur op het gebied van P&O; Functie:het geheel van werkzaamheden dat door de medewerker is te verrichten. Onder ‘werkzaamheden’ wordt verstaan: de in de functiebeschrijving genoemde resultaatgebieden en de individueel gemaakte afspraken zoals vastgelegd op de afsprakenkaart van de medewerker; Artikel 2 Grondslagen De beoordeling vindt plaats op de tussen de eerste beoordelaar en de medewerker overeengekomen afspraken zoals vermeld op de afsprakenkaart van de medewerker. Zij geschiedt met inachtneming van de door of namens het bevoegd gezag voor de functievervulling gestelde eisen. Eisen, waarvan de medewerker buiten zijn schuld geen kennis droeg, blijven daarbij buiten beschouwing. Artikel 3 Frequentie Over de medewerker wordt tenminste eenmaal per jaar, aan het einde van het beoordelingstijdvak, een beoordeling uitgebracht. Indien de periodiekdatum verstrijkt zonder dat er een beoordeling heeft plaatsgevonden, wordt – indien van toepassing – per die datum automatisch de jaarlijkse periodiek toegekend.Dit laat onverlet dat de beoordeling alsnog plaatsvindt. Na een indiensttreding of een plaatsing van de medewerker in een nieuwe functie wordt een beoordeling, als bedoeld in artikel 2, binnen negen maanden uitgebracht. Indien een medewerker is overgeplaatst of met een nieuwe functie is belast, vangt op het tijdstip daarvan een nieuw beoordelingstijdvak aan. Indien de medewerker gedurende het beoordelingstijdvak korter dan 9 maanden of 9 maanden ziek is, worden de afspraken over de resterende periode beoordeeld.Periodieke salarisverhoging wordt afhankelijk van de beoordeling, al dan niet toegekend. Indien de medewerker gedurende het beoordelingstijdvak langer dan 9 maanden ziek is geweest, vindt geen beoordeling plaats. De jaarlijkse periodieke salarisverhoging wordt - indien van toepassing - automatisch toegekend. Artikel 4 Beoordelaars Een beoordeling, als bedoeld in artikel 2, geschiedt door de eerste beoordelaar. Op verzoek van het bevoegd gezag, de eerste dan wel de tweede beoordelaar of de medewerker, vindt de beoordeling plaats in aanwezigheid van de P&O adviseur. In het belang van een zo juist mogelijke beoordeling kan op verzoek van de eerste dan wel de tweede beoordelaar of de medewerker informatie van derden bij de beoordeling betrokken worden. Welke informatie van derden betrokken is bij de beoordeling en van wie deze informatie komt, wordt vastgelegd in de beoordelingsstaat. Het bevoegd gezag kan in het belang van een zo juist mogelijke beoordeling naast de in het eerste lid bedoelde beoordelaar, andere functionarissen aan de beoordeling doen deelnemen. Artikel 5 Werkwijze De beoordeling wordt vóór vaststelling met de medewerker besproken. De medewerker krijgt – ter voorbereiding - minimaal drie dagen voor het beoordelingsgesprek een afschrift van de beoordeling overhandigd. Het beoordelingsgesprek wordt gevoerd door de eerste beoordelaar, eventueel in aanwezigheid van de P&O adviseur, dan wel van door het bevoegd gezag aangewezen functionarissen. De eerste beoordelaar kan toestaan dat op verzoek van de medewerker een door de medewerker aangewezen derde bij het beoordelingsgesprek aanwezig is. Deze derde neemt geen deel aan de inhoudelijke bespreking. De medewerker wordt tijdens het beoordelingsgesprek in de gelegenheid gesteld zijn mening omtrent de beoordeling te geven. Naar aanleiding van door de medewerker tijdens het beoordelingsgesprek naar voren gebrachte argumenten kan wijziging van de beoordeling plaatsvinden door de eerste beoordelaar, indien aanwezig in overleg met door het bevoegd gezag aangewezen functionarissen en de P&O adviseur. Indien de medewerker aan het eind van het gesprek aangeeft niet voor akkoord te kunnen tekenen, vindt binnen een termijn van twee weken een tweede gesprek plaats.Uiterlijk na dit gesprek vindt vaststelling van de beoordeling plaats. Artikel 6 Beoordelingsstaat Een beoordeling, als bedoeld in dit voorschrift, wordt vastgelegd op de beoordelingsstaat, waarvan het model door het college is vastgesteld. De in het beoordelingsgesprek besproken afsprakenkaart van de medewerker maakt onderdeel uit van de beoordelingsstaat. De beoordelingsstaat wordt ingevuld door de eerste beoordelaar. De beoordelingsstaat wordt voor akkoord ondertekend door de eerste beoordelaar en door op grond van artikel 4 lid 4 eventueel bij de beoordeling betrokken functionarissen; voor gezien door de P&O adviseur en voor gezien door de tweede en eventuele derde beoordelaar. De medewerker tekent voor akkoord dan wel voor gezien. In het laatste geval wordt op de beoordelingsstaat aangegeven waarom de medewerker niet voor akkoord heeft getekend. Artikel 7 Vaststelling beoordeling De beoordelingsstaat wordt voorzien van de noodzakelijke ondertekeningen doorgezonden aan het bevoegd gezag van het organisatieonderdeel, waarbij de medewerker werkzaam is. Het bevoegd gezag stelt de beoordeling vast na onderzoek of de bepalingen van dit voorschrift in acht zijn genomen en of de beoordeling juist en volledig is en strookt met de hem bekende feiten of omstandigheden. Het bevoegd gezag kan beoordelaars naar aanleiding van zijn bevindingen op grond van het tweede lid opdragen de beoordeling opnieuw te doen plaatsvinden. Het bevoegd gezag stelt de medewerker, de beoordelaars en de P&O adviseur van de vaststelling van de beoordeling schriftelijk in kennis. Indien beoordeelde zelf de directeur van een hoofdafdeling dan wel de directeur Brandweer is, dient voor ‘het bevoegd gezag’, zoals opgenomen in het eerste en het derde lid van dit artikel, te worden gelezen ‘de algemeen directeur / gemeentesecretaris’. Indien de beoordeelde zelf de griffier van de griffie is, dient voor ‘het bevoegd gezag’, zoals opgenomen in het eerste en derde lid van dit artikel, te worden gelezen ‘de raad’. Indien de beoordeelde zelf de algemeen directeur / gemeentesecretaris is, dient voor het ‘bevoegd gezag’, zoals opgenomen in het eerste en derde lid van dit artikel te worden gelezen ‘de burgemeester’. Artikel 8 Bezwaren De medewerker is bevoegd binnen zes weken na de dag waarop hem de vaststelling van de beoordeling ter kennis is gebracht, zijn bezwaren schriftelijk kenbaar te maken aan het college. Het college stelt het bezwaarschrift ter advisering in handen van de bezwarencommissie Personele Aangelegenheden. Het college neemt bij de beslissing de bepalingen van de Algemene wet bestuursrecht in acht Artikel 9 Slotbepaling Deze regeling kan worden aangehaald als ‘Procedureregeling Beoordelen’ en treedt in werking op 1 januari
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.