Algemene bepalingen Artikel 1:1 Begripsbepalingen In deze verordening wordt verstaan onder: openbare plaats: een voor het publiek toegankelijke plaats, waaronder begrepen de weg als bedoeld onder b; weg: weg als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994; openbaar water: wateren die voor het publiek bevaarbaar of op andere wijze toegankelijk zijn; bromfiets: bromfiets als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder e, van de Wegenverkeerswet; bebouwde kom: de bebouwde kom of kommen waarvan de gemeenteraad de grenzen heeft vastgesteld overeenkomstig artikel 20a, lid 1, Wegenverkeerswet 1994; rechthebbende: degene die over een zaak zeggenschap heeft krachtens een zakelijk of persoonlijk recht; bouwwerk: bouwwerk als bedoeld in artikel 1 van de Bouwverordening; gebouw: gebouw als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder c, van de Woningwet; handelsreclame: iedere openbare aanprijzing van goederen of diensten, waarmee kennelijk beoogd wordt een commercieel belang te dienen; bevoegd gezag: bestuursorgaan als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Artikel 1:2 Beslistermijn Het bevoegde bestuursorgaan beslist op een aanvraag voor een vergunning of ontheffing binnen acht weken na de datum van ontvangst van de aanvraag. Het bestuursorgaan kan de termijn voor ten hoogste acht weken verlengen. In afwijking van het tweede lid is artikel 3.9 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van toepassing indien beslist wordt op een aanvraag om een vergunning als bedoeld in artikel 2:11, 2:12 , 4:11 of artikel 4:
:3 Kennisgeving betogingen op openbare plaatsen Hij die het voornemen heeft op een openbare plaats een betoging te houden, geeft daarvan voor de openbare aankondiging en ten minste 48 uur voordat de betoging wordt gehouden, schriftelijk kennis aan de burgemeester. De kennisgeving bevat: naam en adres van degene die de betoging houdt; het doel van de betoging; de datum waarop de betoging wordt gehouden en het tijdstip van aanvang en van beëindiging; de plaats en, voorzover van toepassing, de route en de plaats van beëindiging; voorzover van toepassing, de wijze van samenstelling; maatregelen die degene die de betoging houdt zal treffen om een regelmatig verloop te bevorderen. Hij die de kennisgeving doet, ontvangt daarvan een bewijs waarin het tijdstip van de kennisgeving is vermeld. Indien het tijdstip van de schriftelijke kennisgeving valt op een vrijdag na 12.00 uur, een zaterdag, een zondag of een algemeen erkende feestdag, wordt de kennisgeving gedaan uiterlijk 12.00 uur op de aan de dag van dat tijdstip voorafgaande werkdag. De burgemeester kan in bijzondere omstandigheden de in het eerste lid genoemde termijn verkorten en een mondelinge kennisgeving in behandeling nemen. Artikel 2:4 Afwijking termijn
:5 Te verstrekken gegevens
van geschreven of gedrukte stukken of afbeeldingen
op openbare plaatsen Artikel 2:7 Feest, muziek en wedstrijd e.d.
:8 Dienstverlening
Het is verboden ten behoeve van publiek als straatartiest, straatfotograaf, tekenaar, filmoperateur of gids op te treden op door de burgemeester in het belang van de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid en het milieu aangewezen openbare plaatsen. De burgemeester kan de werking van het verbod beperken tot bepaalde dagen en uren. De burgemeester kan ontheffing verlenen van het verbod. Afdeling 5 Bruikbaarheid en aanzien van openbare plaatsen Artikel 2:10A Het plaatsen van voorwerpen op of aan een openbare plaats in strijd met de publieke functie ervan Het is verboden zonder voorafgaande vergunning een openbare plaats anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie daarvan. Onverminderd het bepaalde in artikel 1.8 kan de vergunning worden geweigerd: indien het beoogde gebruik schade toebrengt aan de openbare plaats, gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de openbare plaats of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering kan vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van de openbare plaats; indien het beoogde gebruik hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand; in het belang van de voorkoming of beperking van overlast voor gebruikers van de in de nabijheid gelegen onroerende zaak. De vergunning wordt verleend: als omgevingsvergunning door het bevoegd gezag, voor zover dit een activiteit betreft als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, onder j. of onder k. van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht; door het college in de overige gevallen. Artikel 2:10B Afbakeningsbepaling en uitzonderingen Het verbod in het eerste lid van het vorige artikel geldt niet voor: evenementen als bedoeld in artikel 2:24; terrassen als bedoeld in artikel 2:28, vierde lid; standplaatsen als bedoeld in artikel 5:18. Het verbod in het eerste lid van artikel 2:10A geldt tevens niet voor voorwerpen of stoffen waarop gedachten of gevoelens worden geopenbaard. Het verbod in het eerste lid van artikel 2:10A geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatwerken of het Provinciaal wegenreglement. De weigeringsgrond van het tweede lid, onder a, van artikel 2:10A geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien in artikel 5 van de Wegenverkeerswet. De weigeringsgrond van het tweede lid, onder b, van artikel 2:10A geldt niet voor bouwwerken waarvoor op grond van artikel 2.1, onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht een omgevingsvergunning is vereist. De weigeringsgrond van het tweede lid, onder c, van artikel 2:10A geldt niet voorzover in het geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer of het een activiteit betreft waarvoor op grond van artikel 2.1, onder e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht een omgevingsvergunning is vereist. Artikel 2:10C Vrij te stellen voorwerpen Het verbod van het eerste lid van artikel 2:10A geldt niet voor voorwerpen die voldoen aan de door het college vastgestelde nadere regels. Het college kan deze nadere regels vaststellen met in achtneming van de belangen zoals bedoeld in artikel 2:10A tweede lid. Artikel 2:11 (Omgevings)vergunning voor het aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning een weg aan te leggen, de verharding daarvan op te breken, in een weg te graven of te spitten, aard of breedte van de wegverharding te veranderen of anderszins verandering te brengen in de wijze van aanleg van een weg. Het verbod in het eerste lid geldt niet voor overheden bij het uitvoeren van hun publieke taak. De vergunning wordt verleend: als omgevingsvergunning door het bevoegd gezag, indien de activiteiten zijn verboden bij een bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit; door het college in de overige gevallen. Het verbod geldt voorts niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, het Provinciaal wegenreglement, de Waterschapskeur, de Telecommunicatiewet of de daarop gebaseerde Telecommunicatieverordening. Artikel 2:12 Omgevingsvergunning voor het maken, veranderen van een uitweg Het is verboden zonder vergunning van het bevoegd gezag: een uitweg te maken naar de weg; van de weg gebruik te maken voor het hebben van een uitweg; verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg. Onverminderd het bepaalde in artikel 1.8 kan een vergunning worden geweigerd in het belang van: de bruikbaarheid van de weg; het veilig en doelmatig gebruik van de weg; de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving; de bescherming van groenvoorzieningen in de gemeente. Het verbod geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet beheer Rijkswaterstaatwerken, artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994, de Waterschapskeur of de Gelderse Wegenverordening. Afdeling 6 Veiligheid op openbare plaatsen Artikel 2:13 Veroorzaken van gladheid
:14 Winkelwagentjes De rechthebbende op een bedrijf die winkelwagentjes ter beschikking stelt, mede ten behoeve van het vervoer van winkelwaren over de weg, is verplicht ze te voorzien van de naam van het bedrijf of een ander herkenningsteken, en de in de omgeving van dat bedrijf door het publiek op een openbare plaats achtergelaten winkelwagentjes terstond te verwijderen of te doen verwijderen. Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer. Artikel 2:15 Hinderlijke beplanting of voorwerp Het is verboden beplanting of een voorwerp aan te brengen of te hebben op zodanige wijze dat aan het wegverkeer het vrije uitzicht wordt belemmerd of daaraan op andere wijze hinder of gevaar oplevert. Artikel 2:16 Openen straatkolken e.d. Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een straatkolk, rioolput, brandkraan of een andere afsluiting die behoort tot een openbare nutsvoorziening, te openen, onzichtbaar te maken of af te dekken. Artikel 2:17 Kelderingangen e.d. Kelderingangen en andere lager dan de aangrenzende weg gelegen betreedbare delen van een bouwwerk mogen geen gevaar voor de veiligheid van de weggebruikers opleveren. Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 427, aanhef en onder 1 of 3, van het Wetboek van Strafrecht. Artikel 2:18 Rookverbod in bossen en natuurterreinen Het is verboden te roken in bossen, op heide of veengronden dan wel in duingebieden of binnen een afstand van dertig meter daarvan gedurende een door het college aangewezen periode. Het is verboden in bossen, op heide of veengronden dan wel in duingebieden of binnen een afstand van honderd meter daarvan, voorzover het de open lucht betreft, brandende of smeulende voorwerpen te laten vallen, weg te werpen of te laten liggen. Het in het eerste en tweede lid gestelde verbod geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 3, van het Wetboek van Strafrecht. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt voorts niet voorzover het roken plaatsvindt in gebouwen en aangrenzende erven. Artikel 2:19 Gevaarlijk of hinderlijk voorwerp Het is verboden op, aan of boven het voor voetgangers of (brom)fietsers bestemde deel van de weg op enigerlei wijze prikkeldraad, schrikdraad, puntdraad of andere scherpe voorwerpen aan te brengen of te hebben hangen lager dan 2,2 meter boven dat gedeelte van de weg. Het verbod geld niet voor prikkeldraad, schrikdraad, puntdraad of andere scherpe voorwerpen, die op grotere afstand dan 0,25 meter uit de uiterste boord van de weg, op van de weg af gerichte delen van een afscheiding zijn aangebracht. Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994. Artikel 2:20 Vallende voorwerpen
:20A Gevaarlijke voorwerpen Het is verboden op door burgemeester en wethouders aangewezen wegen en daaraan gelegen voor het publiek toegankelijke gebouwen en terreinen messen, knuppels, slagwapens of andere voorwerpen die als wapen kunnen worden gebruikt, openlijk bij zich te dragen. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor wapens die behorend tot categorie I, II, III en IV van de Wet wapens en munitie en voorzover door het bij zich dragen van de voorwerpen, bedoeld in het eerste lid, de openbare orde of veiligheid niet in gevaar komt of kan komen. Artikel 2:21 Voorzieningen voor verkeer en verlichting De rechthebbende op een bouwwerk is verplicht toe te laten dat op of aan dat bouwwerk voorwerpen, borden of voorzieningen ten behoeve van het verkeer of de openbare verlichting worden aangebracht, onderhouden, gewijzigd of verwijderd. Het bepaalde geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Waterstaatswet 1900, de Onteigeningswet, of de Belemmeringenwet Privaatrecht. Artikel 2:22 Objecten onder hoogspanningslijn Het is verboden binnen een afstand van zes meter aan weerszijden van voor stroomgeleiding bestemde draden van bovengrondse hoogspanningslijnen voorwerpen, opgaand houtgewas of andere objecten, die niet zijn aan te merken als bouwwerken, hoger dan twee meter te plaatsen of te hebben. Het college kan van het in het eerste lid gestelde verbod ontheffing verlenen indien de elektrische spanning van de bovengrondse hoogspanningslijn dat toelaat. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor objecten die deel uitmaken van de hoogspanningslijn. Artikel 2:23 Veiligheid op het ijs Het is verboden: voor het publiek toegankelijke ijsvlakten te beschadigen, te verontreinigen, te versperren of het verkeer daarop op enige andere wijze te belemmeren of in gevaar te brengen; bakens of andere voorwerpen ten behoeve van de veiligheid geplaatst op de onder a bedoelde ijsvlakten te verplaatsen, weg te nemen, te beschadigen of op enige andere wijze het gebruik daarvan te verijdelen of te belemmeren. Het verbod geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht of de Provinciale vaarwegenverordening. Afdeling 7 Evenementen Artikel 2:24 Begripsbepaling In deze afdeling wordt onder evenement verstaan elke voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak, met uitzondering van: bioscoopvoorstellingen; markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, onder h, van de Gemeentewet en artikel 5:22 van deze verordening; kansspelen als bedoeld in de Wet op de kansspelen; het in een inrichting in de zin van de Drank en Horecawet gelegenheid geven tot dansen; betogingen, samenkomsten en vergaderingen als bedoeld in de Wet openbare manifestaties; activiteiten als bedoeld in artikel 2:9 en 2:39 van deze verordening. Onder evenement wordt mede verstaan: een herdenkingsplechtigheid; een braderie; een optocht, niet zijnde een betoging als bedoeld in artikel 2:3 van deze verordening, op de weg; een feest, muziekvoorstelling of wedstrijd op of aan een openbare plaats; een klein evenement. Onder klein evenement wordt verstaan een straatfeest of buurtbarbecue op één dag. Artikel 2:25 Evenement Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een evenement te organiseren. Geen vergunning is vereist voor een klein evenement, indien: het aantal aanwezigen niet meer bedraagt dan 75 personen; het evenement tussen 08.00 uur ‘s ochtends en 01.00 uur ‘s nachts plaats vindt; niet langer dan tot 01.00 uur muziek ten gehore wordt gebracht en het geluidsniveau op 2 meter afstand en op 1,5 meter hoogte van de gevel van de woningen minder is dan 70 dB(A); het evenement geen belemmering vormt voor het doorgaand verkeer en hulpdiensten; slechts kleine objecten worden geplaatst met een oppervlakte van minder dan 100 m² per object en het aantal personen dat aanwezig is in een tent maximaal 50 bedraagt; er een organisator is; het evenement voldoet aan de door de burgemeester vastgestelde nadere regels voor een klein evenement; de organisator binnen 7 werkdagen voorafgaand aan het evenement daarvan melding heeft gedaan aan de burgemeester. De burgemeester kan binnen 4 werkdagen na ontvangst van de in het tweede lid, onder h, bedoelde melding besluiten het organiseren van het evenement te verbieden, indien daardoor de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu in gevaar komt. Het verbod van het eerste lid geldt niet voor een wedstrijd op of aan de weg, voorzover in het geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 10 juncto 148 van de Wegenverkeerswet 1994. Artikel 2:26 Ordeverstoring bij evenementen Het is verboden bij een evenement de orde te verstoren. Artikel 2:26A Openbare orde en veiligheid bij evenementen Het is verboden bij evenementen onnodig op te dringen, door uitdagend gedrag aanleiding te geven tot wanordelijkheden of wanordelijkheden te veroorzaken. Het is verboden bij evenementen messen, knuppels, slagwapens of andere voorwerpen die als wapen kunnen worden gebruikt, op een zodanige wijze mee te voeren dat de openbare orde of veiligheid in gevaar komt of kan komen. Het in het tweede lid gestelde verbod geldt niet voor wapens die behoren tot categorie I, II, III en IV Wet wapens en munitie. Eenieder is verplicht bij evenementen alle aanwijzingen van ambtenaren van politie en brandweer in het belang van openbare orde of veiligheid terstond en stipt op te volgen. Afdeling 8 Toezicht op openbare inrichtingen Artikel 2:27 Begripsbepalingen In deze afdeling wordt verstaan onder: openbare inrichting: de voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was logies wordt verstrekt of dranken worden geschonken of rookwaren of spijzen voor directe consumptie worden verstrekt of bereid. Onder een openbare inrichting wordt in ieder geval verstaan: een hotel, restaurant, pension, café, cafetaria, snackbar, discotheek, buurthuis of clubhuis. Onder openbare inrichting wordt tevens verstaan een bij deze inrichting behorend terras en andere aanhorigheden; terras: een buiten de besloten ruimte van de openbare inrichting liggend deel daarvan waar sta- of zitgelegenheid kan worden geboden en waar tegen vergoeding dranken kunnen worden geschonken of spijzen voor directe consumptie kunnen worden bereid of verstrekt. Artikel 2:28 Exploitatievergunning openbare inrichting Het is verboden een openbare inrichting te exploiteren zonder vergunning van de burgemeester. In afwijking van het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester de vergunning geheel of gedeeltelijk weigeren: indien naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- en leefsituatie in de omgeving van de openbare inrichting of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed; vanwege strijd met een geldend bestemmingsplan. Geen vergunning is vereist voor een openbare inrichting die zich bevindt in een winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet voor zover de activiteiten van de openbare inrichting een nevenactiviteit vormen van de winkelactiviteit; een zorginstelling; een museum; clubhuizen; of een bedrijfskantine of – restaurant. Onverminderd het gestelde in het tweede lid kan de burgemeester een exploitatievergunning voor een of meer bij een openbare inrichting behorende terrassen op of aan de weg weigeren: indien het beoogde gebruik schade toebrengt aan de weg dan wel gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan; indien het gebruik een belemmering kan vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg. De burgemeester kan ter bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving nadere regels c.q. voorschriften stellen ten aanzien van terrassen zoals bedoeld in het vierde lid. Het bepaalde in het vierde lid geldt niet voorzover het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatwerken of de Gelderse Wegenverordening. Artikel 2:29 Sluitingstijd Openbare inrichtingen zijn gesloten op maandag tot en met vrijdag tussen 01.00 uur en 05.00 uur, en op zaterdag en zondag tussen 02.00 uur en 05.00 uur. Het is verboden een openbare inrichting voor bezoekers geopend te hebben, of bezoekers in de inrichting te laten verblijven na sluitingstijd. De burgemeester kan ontheffing verlenen van de sluitingstijd. Voor een openbare inrichting als bedoeld in artikel 2:28, derde lid onder a, gelden dezelfde sluitingstijden als voor de winkel. Het eerste en het derde lid zijn niet van toepassing in die situaties waarin bij of krachtens de Wet milieubeheer is voorzien. Artikel 2:30 Afwijking sluitingstijd; tijdelijke sluiting De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, veiligheid, zedelijkheid of gezondheid of in geval van bijzondere omstandigheden voor een of meer openbare inrichtingen tijdelijk andere sluitingstijden vaststellen of tijdelijke sluiting bevelen. Het eerste lid is niet van toepassing in die situaties waarin artikel 13b van de Opiumwet voorziet. Artikel 2:31 Verboden gedragingen Het is verboden in een openbare inrichting: de orde te verstoren; zich te bevinden na sluitingstijd of gedurende de tijd dat de inrichting gesloten dient te zijn op grond van een besluit krachtens artikel 2:30 eerste lid, voorzover het bezoekers van de inrichting betreft; op het terras spijzen of dranken te verstrekken aan personen die geen gebruik maken van de sta- of zitgelegenheden die aanwezig zijn op het terras. Artikel 2:32 Handel binnen openbare inrichtingen In dit artikel wordt onder handelaar verstaan: de handelaar als bedoeld in artikel 1 van de algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht. De exploitant van een openbare inrichting staat niet toe dat een handelaar of een voor hem handelend persoon in dat bedrijf enig voorwerp verwerft, verkoopt of op enig andere wijze overdraagt. Artikel 2:33 Het college als bevoegd bestuursorgaan Indien een openbare inrichting geen voor het publiek openstaand gebouw of bijbehorend erf is in de zin van artikel 174 van de Gemeentewet, treedt het college bij de toepassing van artikel 2:28 tot en met 2:30 op als bevoegd bestuursorgaan. Artikel 2:34 Ordeverstoring
Toezicht op inrichtingen tot het verschaffen van nachtverblijf Artikel 2:35 Begripsbepaling In deze afdeling wordt verstaan onder inrichting: elke al dan niet besloten ruimte waarin, in de uitoefening van beroep of bedrijf, aan personen de mogelijkheid van nachtverblijf of gelegenheid tot kamperen wordt verschaft. Artikel 2:36 Kennisgeving exploitatie Degene die een inrichting opricht, overneemt, verplaatst of de exploitatie of feitelijke leiding van een inrichting staakt, is verplicht binnen drie dagen daarna daarvan schriftelijk kennis te geven aan de burgemeester. Artikel 2:37 Nachtregister
:38 Verschaffing gegevens nachtregister Degene die in een inrichting nachtverblijf houdt of de kampeerder is verplicht de exploitant of feitelijk leidinggevende van die inrichting volledig en naar waarheid naam, adres, woonplaats, geboortedatum, geboorteplaats, dag van aankomst en de dag van vertrek te verstrekken. Afdeling 10 Toezicht op speelgelegenheden Artikel 2:39 Speelgelegenheden Dit artikel verstaat onder speelgelegenheid: een voor het publiek toegankelijke gelegenheid waar bedrijfsmatig of in een omvang alsof deze bedrijfsmatig is de mogelijkheid wordt geboden enig spel te beoefenen, waarbij geld of in geld inwisselbare voorwerpen kunnen worden gewonnen of verloren. Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een speelgelegenheid te exploiteren of te doen exploiteren. Het verbod is niet van toepassing op: speelautomatenhallen waarvoor op grond van artikel 30c, eerste lid, onder b, van de Wet op de Kansspelenvergunning is verleend; speelgelegenheden waarvoor de minister van Justitie of de Kamer van Koophandel bevoegd is vergunning te verlenen; speelgelegenheden waar de mogelijkheid wordt geboden om het kleine kansspel als bedoeld in artikel 7c van de Wet op de kansspelen te beoefenen, of te spelen op speelautomaten als bedoeld in artikel 30 van de Wet op de kansspelen, of de handeling als bedoeld in artikel l, onder a, van de Wet op de kansspelen te verrichten. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 weigert de burgemeester de vergunning: indien naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- en leefsituatie in de omgeving van de speelgelegenheid of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig worden beïnvloed door de exploitatie van de speelgelegenheid; indien de exploitatie van de speelgelegenheid in strijd is met een geldend bestemmingsplan. Artikel 2:40 Kansspelautomaten In dit artikel wordt verstaan onder: Wet: de Wet op de kansspelen; kansspelautomaat: automaat als bedoeld in artikel 30, onder c. van de Wet; hoogdrempelige inrichting: inrichting als bedoeld in artikel 30, onder d, van de Wet; laagdrempelige inrichting: inrichting als bedoeld in artikel 30, onder e, van de Wet. In hoogdrempelige inrichtingen zijn maximaal 2 kansspelautomaten toegestaan. In laagdrempelige inrichtingen zijn kansspelautomaten niet toegestaan. Afdeling 11 Maatregelen tegen overlast en baldadigheid Artikel 2:41 Betreden gesloten woning of lokaal Het is verboden een krachtens artikel 174a van de Gemeentewet gesloten woning, een niet voor publiek toegankelijk lokaal of een bij die woning of dat lokaal behorend erf te betreden. Het is verboden een krachtens artikel 13b van de Opiumwet gesloten woning, een niet voor het publiek toegankelijk lokaal, een bij die woning of dat lokaal behorend erf, een voor het publiek toegankelijk lokaal of bij dat lokaal behorend erf te betreden. Deze verboden gelden niet voor personen wier aanwezigheid in de woning of het lokaal wegens dringende reden noodzakelijk is. Artikel 2:41a Verblijfsontzeggingen Het is degene aan wie dit door of namens de burgemeester in het belang van de openbare orde of zedelijkheid is bekendgemaakt, verboden zich anders dan in een openbaar middel van vervoer te bevinden op of aan door de burgemeester aangewezen wegen en plaatsen gedurende de uren daarbij genoemd. Dit verbod geldt gedurende de in de bekendmaking genoemde periode van ten hoogste twaalf weken. Artikel 2:42 Plakken, krassen en kladden Het is verboden een openbare plaats of dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf die plaats zichtbaar is te bekrassen of te bekladden. Het is verboden zonder schriftelijke toestemming van de rechthebbende op een openbare plaats of dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf die plaats zichtbaar is: een aanplakbiljet of ander geschrift, afbeelding of aanduiding aan te plakken, te doen aanplakken, op andere wijze aan te brengen of te doen aanbrengen; met kalk, krijt, teer of een kleur of verfstof een afbeelding, letter, cijfer of teken aan te brengen of te doen aanbrengen. Het in het tweede lid gestelde verbod is niet van toepassing indien gehandeld wordt krachtens wettelijk voorschrift. Het college kan aanplakborden aanwijzen voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen. Het is verboden de in het vierde lid bedoelde aanplakborden te gebruiken voor het aanbrengen van handelsreclame. Het college kan nadere regels stellen voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen, die geen betrekking mogen hebben op de inhoud van de meningsuitingen en bekendmakingen. De houder van de in het tweede lid bedoelde schriftelijke toestemming is verplicht die aan een opsporingsambtenaar op diens eerste vordering terstond ter inzage af te geven. Artikel 2:43 Vervoer plakgereedschap e.d. Het is verboden op de weg of openbaar water te vervoeren of bij zich te hebben enig aanplakbiljet, aanplakdoek, kalk, teer, kleur of verfstof of verfgereedschap. Dit verbod is niet van toepassing, indien de genoemde materialen of gereedschappen niet zijn gebruikt of niet zijn bestemd voor handelingen als verboden in artikel 2:42. Artikel 2:44 Vervoer inbrekerswerktuigen Het is verboden op een openbare plaats inbrekerswerktuigen te vervoeren of bij zich te hebben. Het verbod is niet van toepassing indien de genoemde gereedschappen, voorwerpen of middelen niet zijn gebruikt of niet zijn bestemd voor de in het eerste lid bedoelde handelingen. Artikel 2:45 Betreden van plantsoenen e.d.
:46 Rijden over bermen e.d.
:47 Hinderlijk gedrag op openbare plaatsen Het is verboden: op een openbare plaats te klimmen of zich te bevinden op een beeld, monument, overkapping, constructie, openbare toiletgelegenheid, voertuig, hekheining of andere afsluiting, verkeersmeubilair en daarvoor niet bestemd straatmeubilair; zich op een openbare plaats zodanig op te houden dat aan weggebruikers of bewoners van nabij de weg gelegen woningen onnodig overlast of hinder wordt veroorzaakt. Het verbod geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 424, 426bis of 431 van het Wetboek van Strafrecht of artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994. Hij, aan wie door een ambtenaar van de politie een bevel is gegeven, gelet op de naleving van het in het eerste lid gestelde verbod, is verplicht zijn weg te vervolgen of zich in de door die ambtenaar aangewezen richting te verwijderen. Artikel 2:47A Verplichte route Het is de door de burgemeester aangewezen groepen van personen verboden op door hem aangewezen tijdstippen van een door hem aangewezen route af te wijken. De burgemeester kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod. Artikel 2:48 Verboden drankgebruik Het is verboden op een openbare plaats, die deel uitmaakt van een door het college aangewezen gebied, alcoholhoudende drank te gebruiken of aangebroken flessen, blikjes en dergelijke met alcoholhoudende drank bij zich te hebben. Het bepaalde in het eerste lid geldt niet voor: een terras dat behoort bij een horecabedrijf, als bedoeld in artikel 1 van de Drank- en Horecawet; de plaats niet zijnde een horecabedrijf, als bedoeld onder a, waarvoor een ontheffing geldt krachtens artikel 35 van de Drank- en Horecawet. Artikel 2:49 Verboden gedrag bij of in gebouwen Het is verboden: zich zonder redelijk doel in een portiek of poort op te houden; zonder redelijk doel in, op of tegen een raamkozijn of een drempel van een gebouw te zitten of te liggen. Het is aan anderen dan bewoners of gebruikers van flatgebouwen, appartementsgebouwen en soortgelijke meergezinshuizen en van gebouwen die voor publiek toegankelijk zijn, verboden zich zonder redelijk doel te bevinden in een voor gemeenschappelijk gebruik bestemde ruimte van zo'n gebouw. Hij, aan wie door een ambtenaar van de politie een bevel is gegeven, gelet op de naleving van het in het eerste en tweede lid gestelde verbod, is verplicht zijn weg te vervolgen of zich in de door die ambtenaar aangewezen richting te verwijderen. Artikel 2:50 Hinderlijk gedrag in voor het publiek toegankelijke ruimten Het is verboden zich zonder redelijk doel op een voor anderen hinderlijke wijze op te houden in of op een voor het publiek toegankelijk portaal, telefooncel, wachtlokaal voor een openbaar vervoermiddel, parkeergarage, rijwielstalling of een andere soortgelijke, voor het publiek toegankelijke ruimte dan wel deze te verontreinigen of te bezigen voor een ander doel dan waarvoor de desbetreffende ruimte is bestemd. Hij, aan wie door een ambtenaar van de politie een bevel is gegeven, gelet op de naleving van het in het eerste lid gestelde verbod, is verplicht zijn weg te vervolgen of zich in de door die ambtenaar aangewezen richting te verwijderen. Artikel 2:51 Neerzetten van fietsen e.d. Het is verboden op een openbare plaats een fiets of een bromfiets te plaatsen of te laten staan tegen een raam, een raamkozijn, een deur, de gevel van een gebouw dan wel in de ingang van een portiek indien: dit in strijd is met de uitdrukkelijk verklaarde wil van de gebruiker van dat gebouw of dat portiek; daardoor die ingang versperd wordt. Artikel 2.51A Fietsen, bromfietsen e.d. Het is verboden op de daartoe door het college aangewezen plaatsen een fiets of bromfiets te plaatsen of te laten staan. Artikel 2.51B Skaten, rolschaatsen, skateboarden e.d. Het is verboden op de daartoe door het college aangewezen plaatsen te skaten, rolschaatsen, skateboarden of met een soortgelijk rollend voorwerp voort te bewegen . Artikel 2:52 Overlast van fiets of bromfiets op markt en kermisterrein e.d. Het is verboden op de door het college of de burgemeester aangewezen uren en plaatsen zich met een fiets of bromfiets te bevinden op een door het college of de burgemeester aangewezen terrein waar een markt, kermis, uitvoering, bijeenkomst of plechtigheid gehouden wordt die publiek trekt, mits dit verbod kenbaar is aan de bezoekers van het terrein. Artikel 2:53 Bespieden van personen
:54 Bewakingsapparatuur
:55 Nodeloos alarmeren
:56 Alarminstallaties
:57 (Loslopende) honden Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond te laten verblijven of te laten lopen: binnen de bebouwde kom op een openbare plaats zonder dat die hond aangelijnd is; op een voor het publiek toegankelijke en kennelijk als zodanig ingerichte kinderspeelplaats, zandbak of kinderspeelweide of op een andere door het college aangewezen plaats. Het college kan plaatsen aanwijzen waar het verbod genoemd in het eerste lid onder a niet geldt. De verboden genoemd in het eerste lid onder a en b gelden niet voor zover de eigenaar of houder van een hond zich vanwege zijn handicap door een geleidehond laat begeleiden of als een eigenaar of houder van een hond deze aantoonbaar gekwalificeerd opleidt tot geleidehond. Artikel 2:58 Verontreiniging door honden De eigenaar of houder van een hond is verplicht ervoor te zorgen dat die hond zich niet van uitwerpselen ontdoet: op openbare plaatsen binnen de bebouwde kom; op een andere door het college aangewezen plaats. Het college kan plaatsen aanwijzen waar het verbod genoemd in het eerste lid, onder a niet geldt. De strafbaarheid wegens overtreding van het in het eerste lid gestelde gebod wordt opgeheven indien de eigenaar of houder van de hond er zorg voor draagt dat de uitwerpselen onmiddellijk worden verwijderd. Artikel 2:59 Gevaarlijke honden Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond te laten verblijven of te laten lopen op een openbare plaats of op het terrein van een ander: anders dan kort aangelijnd nadat het college aan de eigenaar of de houder heeft bekendgemaakt dat het die hond gevaarlijk of hinderlijk acht en een aanlijngebod in verband met het gedrag van die hond noodzakelijk vindt; anders dan kort aangelijnd en voorzien van een muilkorf nadat het college aan de eigenaar of de houder heeft bekendgemaakt dat het die hond gevaarlijk of hinderlijk acht en een aanlijn- en muilkorfgebod in verband met het gedrag van die hond noodzakelijk vindt. In het eerste lid wordt verstaan onder: muilkorf: een muilkorf vervaardigd van stevige kunststof, of van stevig leer of van beide stoffen, die door middel van een stevige leren riem rondde hals zodanig is aangebracht dat verwijdering zoals toedoen van de mens niet mogelijk is en die zodanig is gericht dat de drager geen mens of dier kan bijten, dat de afgesloten ruimte binnen de korf een geringe opening van de bek toelaat en dat geen scherpe delen binnen de korf aanwezig zij; kort aanlijnen: aanlijnen van een hond met een deugdelijke lijn met een lengte, gemeten van hand tot halsband, die niet langer is dan 1,50 meter. Artikel 2:60 Houden van hinderlijke of schadelijke dieren Het college kan buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer plaatsen aanwijzen waar het ter voorkoming of opheffing van overlast of schade aan de openbare gezondheid verboden is daarbij aangeduide dieren: aanwezig te hebben, of aanwezig te hebben anders dan met inachtneming van de door hen gestelde regels, of aanwezig te hebben tot een groter aantal dan in die aanwijzing is aangegeven. Het is verboden op een krachtens het eerste lid aangewezen plaats daarbij aangeduide dieren aanwezig te hebben, dan wel aanwezig te hebben anders dan met inachtneming van de door het college gestelde regels, dan wel aanwezig te hebben in een groter aantal dan door het college is aangegeven. Het college kan de rechthebbende op een onroerende zaak gelegen binnen een krachtens het eerste lid aangewezen gedeelte van de gemeente ontheffing verlenen van het in het tweede lid gestelde verbod. Artikel 2:61 Wilde dieren
:62 Loslopend vee De rechthebbende op vee dat zich bevindt in een aan een weg liggend weiland of terrein dat niet van die weg is afgescheiden door een deugdelijke veekering, is verplicht ervoor te zorgen dat zodanige maatregelen getroffen worden dat dit vee die weg niet kan bereiken. Artikel 2:63 Duiven
:64 Bijen Het is verboden bijen te houden: binnen een afstand van dertig meter van woningen of andere gebouwen waar overdag mensen verblijven; binnen een afstand van dertig meter van de weg. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet indien op een afstand van ten hoogste zes meter vanaf de korven of kasten een afscheiding is aangebracht van twee meter hoogte of zoveel hoger als noodzakelijk is om het laag uit- en invliegen van de bijen te voorkomen. Het in het eerste lid, aanhef en onder a, gestelde verbod geldt niet voorzover de bijenhouder rechthebbende is op de woningen of gebouwen als bedoeld in dat lid. Het in het eerste lid, aanhef en onder b, gestelde verbod geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Provinciaal wegenreglement Gelderland. Het college kan van het in het eerste lid gestelde verbod ontheffing verlenen. Artikel 2:65B Bestrijding Jakobskruiskruid Indien op gronden grenzend aan plaatsen waar vee of hobbydieren worden geweid en/of voedergewassen worden geteeld Jakobskruiskruid aanwezig is, is de rechthebbende verplicht op een strook van 100 meter breed direct grenzend aan deze plaatsen Jakobskruiskruid te bestrijden door middel van maaien voor de zaadvorming en afvoeren van maaisel als zijnde ongeschikt voor voeder voor vee en hobbydieren. Artikel 2:65A Bestrijding akkerdistels Indien zich op een terrein een aantal akkerdistels (cirsium averse) bevindt dat naar het oordeel van burgemeester en wethouders gevaar oplevert voor verspreiding van deze plant, is de rechthebbende, indien hij daartoe door burgemeester en wethouders is aangeschreven, verplicht binnen de bij de aanschrijving vast te stellen termijn het terrein van akkerdistels te zuiveren. Artikel 2:65B Bestrijding sint Jacobskruiskruid De rechthebbende, van gronden grenzend aan plaatsen waar vee of hobbydieren worden geweid en landbouwgronden waar voedergewassen worden geteeld, is verplicht een strook van 100 meter breed van sint Jacobskruiskruid te bestrijden. Afdeling 12 Bepalingen ter bestrijding van heling van goederen Artikel 2:66 Begripsbepaling In deze afdeling wordt verstaan onder handelaar: de handelaar als bedoeld in artikel 1 van de algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht. Artikel 2:67 Verplichtingen met betrekking tot het verkoopregister De handelaar is verplicht aantekening te houden van alle gebruikte of ongeregelde goederen die hij verkoopt of op andere wijze overdraagt, in een doorlopend en een door of namens de burgemeester gewaarmerkt register en daarin vermeldt hij onverwijld: het volgnummer van de aantekening met betrekking tot het goed; de datum van verkoop of overdracht van het goed; een omschrijving van het goed, daaronder begrepen - voorzover dat mogelijk is - soort, merk en nummer van het goed; de verkoopprijs of andere voorwaarden voor overdracht van het goed; de naam en het adres van degene die het goed heeft verkregen. De burgemeester is bevoegd vrijstelling te verlenen van deze verplichtingen. Artikel 2:68 Voorschriften als bedoeld in artikel 437ter van het Wetboek van Strafrecht De handelaar af een voor hem handelend persoon is verplicht: de burgemeester binnen drie dagen schriftelijk in kennis te stellen: dat hij het beroep van handelaar uitoefent met vermelding van zijn woonadres en het adres van de bij zijn onderneming behorende vestiging; van een verandering van de onder a, sub l°, bedoelde adressen; als hij het beroep van handelaar niet langer uitoefent; dat hij enig goed kan verkrijgen dat redelijkerwijs van een misdrijf afkomstig is of voor de rechthebbende verloren is gegaan; de burgemeester op eerste aanvraag zijn administratie of register ter inzage te geven; aan de hoofdingang van elke vestiging een kenteken te hebben waarop zijn naam en de aard van de onderneming duidelijk zichtbaar zijn; een door opkoop verkregen goed gedurende de eerste drie dagen in bewaring te houden in de staat waarin het goed verkregen is. Artikel 2:69 Vervreemding van door opkoop verkregen goederen
:70 Handel in horecabedrijven
Vuurwerk Artikel 2:71 Begripsbepalingen In deze afdeling wordt verstaan onder consumentenvuurwerk: Consumentenvuurwerk waarop het Besluit van 22 januari 2002, houdende nieuwe regels met betrekking tot consumenten- en professioneel vuurwerk (Vuurwerkbesluit) van toepassing is. Artikel 2:72 Ter beschikking stellen van consumentenvuurwerk tijdens de verkoopdagen. Het is verboden in de uitoefening van een bedrijf of nevenbedrijf consumentenvuurwerk ter beschikking te stellen dan wel voor het ter beschikking stellen aanwezig te houden, zonder een vergunning van het college van de gemeente waar het bedrijf is of zal worden gevestigd. Artikel 2:73 Bezigen van consumentenvuurwerk tijdens de jaarwisseling Het is verboden consumentenvuurwerk te bezigen op een door het college in het belang van de voorkoming van gevaar, schade of overlast aangewezen plaats. Het is verboden consumentenvuurwerk op een openbare plaats te bezigen als dat gevaar, schade of overlast kan veroorzaken. De in het eerste en tweede lid gestelde verboden gelden niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 1, van het Wetboek van Strafrecht. Afdeling 14 Drugsoverlast Artikel 2:74 Drugshandel op straat Onverminderd het bepaalde in de Opiumwet is het verboden op of aan de weg post te vatten of zich daar heen en weer te bewegen en zich op of aan wegen in of op een voertuig te bevinden of daarmee heen en weer of rond te rijden, met het kennelijke doel om middelen als bedoeld in artikel 2 en 3 van de Opiumwet, of daarop gelijkende waar, al dan niet tegen betaling af te leveren, aan te bieden of te verwerven, daarbij behulpzaam te zijn of daarin te bemiddelen. Afdeling 15 Bestuurlijke ophouding, veiligheidsrisicogebieden en cameratoezicht op openbare plaatsen Artikel 2:75 Bestuurlijke ophouding De burgemeester kan overeenkomstig artikel 154a van de Gemeentewet besluiten tot het tijdelijk doen ophouden van door hem aangewezen groepen van personen op een door hem aangewezen plaats indien deze personen het bepaalde in artikel 2:1, 2:10A, 2:11, 2:16, 2:19, 2:20A, 2:26A, 2:47, 2:47A, 2:48, 2:49, 2:50, 2:73 of 5:35 van deze Verordening groepsgewijs niet naleven. Artikel 2:76 Veiligheidsrisicogebieden De burgemeester kan overeenkomstig artikel 151b van de Gemeentewet bij verstoring van de openbare orde door de aanwezigheid van wapens, dan wel bij ernstige vrees voor het ontstaan daarvan, een gebied, met inbegrip van de daarin gelegen voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven, aanwijzen als veiligheidsrisicogebied. Artikel 2:77 Cameratoezicht op openbare plaatsen De burgemeester kan overeenkomstig artikel 151c van de Gemeentewet besluiten tot plaatsing van vaste camera’s voor een bepaalde duur ten behoeve van het toezicht op een openbare plaats. De burgemeester heeft de bevoegdheid als bedoeld in het eerste lid eveneens ten aanzien van andere openbare plaatsen: parkeerplaatsen of parkeerterreinen. Afdeling 16 Toezicht op growshops Artikel 2:78 Begripsbepalingen In deze afdeling wordt verstaan onder: inrichting: hetgeen in het maatschappelijk verkeer wordt aangeduid als een growshop; leidinggevende: de natuurlijke persoon of de bestuurders van een rechtspersoon of hun gevolmachtigden, voor wiens rekening en risico de inrichting wordt geëxploiteerd; de natuurlijke persoon, die algemene leiding geeft aan de exploitatie van de inrichting; de natuurlijke persoon, die onmiddellijke leiding geeft aan de exploitatie van de inrichting; bezoeker: een ieder, die zich in een inrichting bevindt, met uitzondering van: de levenspartner en kinderen van de leidinggevende van de inrichting, alsmede zijn elders wonende bloed- of aanverwanten of die van zijn levenspartner tot en met de derde graad; de personen die voorkomen in het register als bedoeld in artikel 438 van het Wetboek van Strafrecht; de personen wier aanwezigheid in de inrichting wegens dringende redenen noodzakelijk is; leidinggevende(n); vergunninghouder(s); het aantoonbaar dienstdoend personeel; toezichthouders in de zin van artikel 5:11 van de Algemene wet bestuursrecht. Artikel 2:79 Exploitatievergunning inrichting Het is verboden een inrichting te exploiteren zonder vergunning van de burgemeester. De vergunning kan alleen aan natuurlijke personen worden verleend. De vergunning kan alleen aan de aanvrager(
:5 Onversterkte muziek Bij het ten gehore brengen van onversterkte muziek, zoals bedoeld in artikel 2.18, eerste lid onder f en vijfde lid van het Besluit binnen inrichtingen is de onder e. opgenomen tabel van toepassing, met dien verstande dat: de in de tabel aangegeven waarden binnen in- of aanpandige gevoelige gebouwen niet gelden indien de gebruiker van deze gevoelige gebouwen geen toestemming geeft voor het in redelijkheid uitvoeren of doen uitvoeren van geluidsmetingen; de in de tabel aangegeven waarden op de gevel ook gelden bij gevoelige terreinen op de grens van het terrein; de waarden in in- en aanpandige gevoelige gebouwen, voor zover het woningen betreft, gelden in geluidsgevoelige ruimten en verblijfsruimten; bij het bepalen van de geluidsniveaus zoals vermeld in de tabel geen bedrijfsduurcorrectie wordt toegepast. Tabel e 7.00-19.00 uur 19.00-23.00 uur 23.00-7.00 uur LAr.LT op de gevel van gevoelige gebouwen 50 dB(A) 45 dB(A) 40 dB(A) LAr.LT in in- en aanpandige gevoelige gebouwen 35 dB(A) 30 dB(A) 25 dB(A) LAmax op de gevel van gevoelige gebouwen 70 dB(A) 65 dB(A) 60 dB(A) LAmax in in- en aanpandige gevoelige gebouwen 55 dB(A) 50 dB(A) 45 dB(A) Voor de duur van drie uur in de week is onversterkte muziek, vanwege het oefenen door muziekgezelschappen zoals orkesten, harmonie- en fanfaregezelschappen, in een inrichting gedurende de dag- en avondperiode uitgezonderd van de genoemde geluidsniveaus in het eerste lid. Indien versterkte elementen worden gecombineerd met onversterkte elementen, wordt het hele samenspel beschouwd als versterkte muziek en is het Besluit van toepassing. Het eerste lid geldt niet indien artikel 4:2 of artikel 4:3 van deze verordening van toepassing is. Artikel 4:6 Overige geluidhinder Het is verboden buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer of het Besluit toestellen of geluidsapparaten in werking te hebben of handelingen te verrichten op een zodanige wijze dat voor een omwonende of voor de omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt. Het college kan van het verbod ontheffing verlenen. Het verbod geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet geluidhinder, de Zondagswet, de Wet openbare manifestaties, het Vuurwerkbesluit of de Provinciale milieuverordening Gelderland. Afdeling 2 Bodem-, weg- en milieuverontreiniging Artikel 4:7 Straatvegen Het is verboden op een door het college ten behoeve van de werkzaamheden van de gemeentelijke reinigingsdienst aangewezen weggedeelte, een voertuig te parkeren of enig ander voorwerp te laten staan gedurende een daarbij aangeduide tijdsperiode. Artikel 4:8 Natuurlijke behoefte doen Het is verboden zijn natuurlijke behoefte te doen: op een openbare plaats binnen de bebouwde kom buiten daarvoor bestemde plaatsen; op een openbare plaats buiten de bebouwde kom op door het college aangewezen plaatsen. Artikel 4:9 Toestand van sloten en andere wateren en niet openbare riolen en putten buiten gebouwen Sloten en andere wateren en niet openbare riolen en putten buiten gebouwen mogen zich niet bevinden in een toestand die gevaar oplevert voor de veiligheid, nadeel voor de gezondheid of hinder voor de gebruikers van de gebouwen of voor anderen. Afdeling 3 Het bewaren van houtopstanden Artikel 4:10 Begripsbepalingen In deze afdeling wordt verstaan onder: houtopstand: hakhout, een houtwal of een of meer bomen; hakhout: een of meer bomen die na te zijn geveld, opnieuw op de stronk uitlopen; lijst van waardevolle bomen: lijst waarop bijzondere beschermwaardige houtopstanden zijn opgenomen. In deze afdeling wordt onder vellen mede verstaan: rooien, met inbegrip van verplanten, alsmede het verrichten van handelingen die de dood of ernstige beschadiging of ontsiering van houtopstand ten gevolge kunnen hebben. Artikel 4:11 Omgevingsvergunning voor het vellen van houtopstanden Het is verboden zonder vergunning van het bevoegd gezag de houtopstanden te vellen of te doen vellen die staan vermeld op de lijst van waardevolle bomen. De vergunning kan worden geweigerd op grond van: de natuur- en ecologische waarde van de houtopstand; landschappelijke waarde van de houtopstand; cultuurhistorische waarde van de houtopstand; waarde voor de recreatie van de houtopstand; belevingswaarde van de houtopstand; dendrologische waarde van de houtopstand. Het bevoegd gezag kan een herplantplicht opleggen onder nader te stellen voorschriften. Artikel 4:12A Herplantplicht illegale kap Indien een houtopstand waarop het verbod tot het vellen zoals bedoeld in het eerste lid van artikel 4:11 van toepassing is zonder vergunning van het bevoegd gezag is geveld, kan het bevoegd gezag aan de zakelijk gerechtigde van de grond dan wel aan degene die uit andere hoofde bevoegd is tot het treffen van voorzieningen, de verplichting opleggen te herbeplanten overeenkomstig de door het bevoegd gezag te geven aanwijzingen en binnen een door het bevoegd gezag te stellen termijn. Artikel 4:12B Afstand van beplanting tot particuliere perceelsgrens De plantafstand, zoals bedoeld in het tweede lid van artikel 42 van Boek 5 van het Burgerlijk Wetboek, bedraagt voor beplantingen welke de gemeente aanbrengt langs de grenslijn van een anders erf en voor beplantingen welke de rechthebbende van een perceel dat grenst aan gemeentelijk plantsoen aanbrengt langs de grenslijn van dat gemeentelijke plantsoen: voor bomen 0,50 meter te rekenen vanaf het midden van de voet van de boom; voor heesters en heggen 0,30 meter. Afdeling 4 Maatregelen tegen ontsiering en stankoverlast Artikel 4:13 Opslag voertuigen, vaartuigen, mest, afvalstoffen enz. Het is verboden op een door het college aangewezen plaats buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, in de openlucht en buiten de weg gelegen in het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of opheffing van overlast dan wel voorkoming van schade aan de openbare gezondheid, de volgende voorwerpen of stoffen op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben: onbruikbare of aan hun oorspronkelijke bestemming onttrokken voer- of vaartuigen of onderdelen daarvan; bromfietsen en motorvoertuigen of onderdelen daarvan; kampeermiddelen als bedoeld in artikel 4:17 of onderdelen daarvan, indien het plaatsen of aanwezig hebben daarvan geschiedt voor verkoop of verhuur of anderszins voor een commercieel doel; mestopslag, gierkelder of andere verzamelplaatsen van vuil, een verzameling ingekuild gras, loof of pulp of ingekuilde landbouwproducten, afbraakmaterialen en oude metalen. Het is verboden op een door het college aangewezen plaats een bepaald voorwerp of bepaalde stof op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben. Het college kan bij de aanwijzing als bedoeld in het eerste en tweede lid nadere regels stellen. Het in dit artikel bepaalde geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet ruimtelijke ordening of de Provinciale Verordening Gelderland. Artikel 4:14 Stankoverlast door gebruik van meststoffen
:15 Omgevingsvergunning voor handelsreclame Het is verboden zonder vergunning van het bevoegd gezag op of aan een onroerende zaak handelsreclame te maken of te voeren met behulp van een opschrift, aankondiging of afbeelding in welke vorm dan ook, die vanaf de een openbare plaats zichtbaar is. Het verbod is mede van toepassing op woonwagens en woonschepen. Het verbod geldt niet voor onverlichte: opschriften, aankondigingen en afbeeldingen in het inwendig gedeelte van een onroerende zaak, die niet kennelijk gericht zijn op de zichtbaarheid vanaf een openbare plaats; opschriften en aankondigingen op of aan onroerende zaken, daartoe aangewezen door de overheid; opschriften en aankondigingen kleiner dan 0,50 m2 en de langste zijde korter dan 1 meter die betrekking hebben op: openbare verkoping, aanbiedingen ter verkoop, verhuur of verpachting van een onroerende zaak voor zolang zij feitelijke betekenis hebben; het beroep, de dienst, of het bedrijf dat in of op de onroerende zaak wordt uitgeoefend of waarvoor die zaak is bestemd, zomede op naamborden; opschriften betrekking hebbend op de naam of aard van in uitvoering zijnde bouwwerken of op de namen van degenen die bij het ontwerp of de uitvoering van het bouwwerk betrokken zijn, mits deze opschriften zijn aangebracht op borden bij of op de in uitvoering zijnde bouwwerken zelf, zulks voor zolang zij feitelijke betekenis hebben; opschriften en aankondigingen op of aan onroerende zaken dienstbaar aan het openbaar vervoer, indien deze zijn aangebracht ten dienste van dat vervoer. Het verbod in het eerste lid geldt niet voor opschriften en aankondigingen van kennelijk tijdelijke aard, voor zolang zij feitelijke betekenis hebben, mits: van het aanbrengen ervan tevoren schriftelijk kennisgeving is gedaan aan het bevoegd gezag; het bevoegd gezag niet binnen twee weken na ontvangst van die kennisgeving van enig bezwaar heeft doen blijken; deze opschriften en aankondigingen niet langer dan negen weken op de onroerende zaak aanwezig zijn. Het is verboden door een opschrift, aankondiging of afbeelding als bedoeld in het tweede of derde lid de veiligheid van het verkeer in gevaar te brengen of ernstige hinder voor de omgeving te veroorzaken. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de vergunning bedoeld in het eerste lid worden geweigerd: indien de reclame, hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan de redelijke eisen van welstand; in het belang van de verkeersveiligheid; in het belang van de voorkoming of beperking van overlast voor gebruikers van een in de nabijheid gelegen onroerende zaak, woonwagen of woonschip. Het verbod in het eerste lid geldt niet voor zover in het daarin geregeld onderwerp wordt voorzien door de Provinciale landschapsverordening. De weigeringsgrond van het vijfde lid, onder a, geldt niet voor bouwwerken waarvoor op grond van artikel 2.1, onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht een omgevingsvergunning is vereist. De weigeringsgrond van het vijfde lid, onder c, geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer. 4.16 Vergunningsplicht lichtreclame
Kamperen buiten kampeerterreinen Artikel 4:17 Begripsbepaling In deze afdeling wordt onder kampeermiddel verstaan: een onderkomen of voertuig waarvoor geen vergunning in de zin van artikel 2.1, onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is vereist, dat bestemd of opgericht is dan wel gebruikt wordt of kan worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf. Artikel 4:18 Recreatief nachtverblijf buiten kampeerterreinen Het is verboden ten behoeve van recreatief nachtverblijf kampeermiddelen te plaatsen of geplaatst te houden buiten een kampeerterrein dat als zodanig in het bestemmingsplan is bestemd of mede bestemd. Het verbod geldt niet voor het plaatsen van kampeermiddelen voor eigen gebruik door de rechthebbende op een terrein. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod als bedoeld in het eerste lid. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de ontheffing worden geweigerd in het belang van: de bescherming van natuur en landschap; de bescherming van een stads- of dorpsgezicht. Artikel 4:19 Aanwijzing kampeerplaatsen Het college kan plaatsen aanwijzen waarop het verbod van artikel 4:18, eerste lid niet geldt. Het college kan daarbij nadere regels stellen in het belang van de gronden, genoemd in artikel 4:18, vierde lid. Hoofdstuk 5 Andere onderwerpen betreffende de huishouding der gemeente Afdeling 1 Parkeerexcessen Artikel 5:1 Begripsbepalingen In deze afdeling wordt verstaan onder: voertuigen: voertuigen als bedoeld in artikel 1, onder al, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens (RVV 1990) met uitzondering van kleine wagens zoals: kruiwagens, kinderwagens en rolstoelen; parkeren: parkeren als bedoeld in artikel 1, onder ac, van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens ( RVV 1990). Artikel 5:2 Parkeren van voertuigen van autobedrijf e.d. Onder verhuren als bedoeld in dit artikel wordt mede verstaan: het gebruiken van een voertuig voor het geven van lessen; het gebruiken van een voertuig voor het vervoeren van personen tegen betaling. Tot de voertuigen als bedoeld in dit artikel worden niet gerekend: voertuigen waaraan herstel- of onderhoudswerkzaamheden worden verricht die in totaal niet meer dan een uur vergen, en dit gedurende de tijd die nodig is en gebruikt wordt voor deze werkzaamheden; voertuigen voor persoonlijk gebruik van de in het derde lid bedoelde persoon. Het is degene die er zijn bedrijf, nevenbedrijf dan wel een gewoonte van maakt voertuigen te stallen, te herstellen, te slopen, te verhuren of te verhandelen, verboden: drie of meer voertuigen die hem toebehoren of zijn toevertrouwd, op een openbare plaats te parkeren binnen een cirkel met een straal van 100 meter met als middelpunt een van deze voertuigen; een openbare plaats als werkplaats voor voertuigen te gebruiken. Het college kan ontheffing van het verbod verlenen. Artikel 5:3 Te koop aanbieden van voertuigen Het is verboden op een door het college aangewezen openbare plaats een voertuig te parkeren met het kennelijke doel het te koop aan te bieden of te verhandelen. Het college kan ontheffing van het verbod verlenen. Artikel 5:4 Defecte voertuigen Het is verboden een voertuig waarmee als gevolg van andere dan eenvoudig te verhelpen gebreken niet kan of mag worden gereden, langer dan op drie achtereenvolgende dagen op een openbare plaats te parkeren. Artikel 5:5 Voertuigwrakken Het is verboden een voertuig dat rijtechnisch in onvoldoende staat van onderhoud en tevens in een kennelijk verwaarloosde toestand verkeert op een openbare plaats te parkeren. Het verbod geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer. Artikel 5:6 Caravans e.a. Het is verboden een woonwagen, kampeerwagen, caravan, camper, magazijnwagen, aanhangwagen, keetwagen of ander dergelijk voertuig dat voor de recreatie danwel anderszins uitsluitend of mede voor andere verkeersdoeleinden wordt gebezigd: langer dan gedurende drie achtereenvolgende dagen binnen de bebouwde kom op de weg te plaatsen of te hebben, nadat burgemeester en wethouders bij persoonlijke aanschrijving hebben medegedeeld, dat dit naar hun oordeel buitensporig is met het oog op de beschikbare parkeerruimte dan wel schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente; op een door het college aangewezen plaats te parkeren, waar dit naar zijn oordeel schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Provinciaal wegenreglement of de Provinciale landschapsverordening. Artikel 5:7 Parkeren van reclamevoertuigen Het is verboden een voertuig dat is voorzien van een aanduiding van handelsreclame, op een openbare plaats te parkeren met het kennelijk doel om daarmee handelsreclame te maken. Het college kan van het verbod ontheffing verlenen. Artikel 5:8 Parkeren van grote voertuigen Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,66 meter te parkeren op andere dan door het college aangewezen plaatsen. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet gedurende de tijd die nodig is en gebruikt wordt voor het uitvoeren van werkzaamheden waarvoor de aanwezigheid van het voertuig ter plaatse noodzakelijk is. Het college kan van de in het eerste lid gestelde verbod ontheffing verlenen. Artikel 5:9 Parkeren van uitzichtbelemmerende voertuigen Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4 meter, op een openbare plaats te parkeren bij een voor bewoning of ander dagelijks gebruik bestemd gebouw op zodanige wijze dat daardoor het uitzicht van bewoners of gebruikers vanuit dat gebouw op hinderlijke wijze wordt belemmerd of hun anderszins hinder of overlast wordt aangedaan. Het verbod geldt niet gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt voor het uitvoeren van werkzaamheden waarvoor de aanwezigheid van het voertuig ter plaatse noodzakelijk is. Artikel 5:10 Parkeren van voertuigen met stankverspreidende stoffen
:11 Aantasting groenvoorzieningen door voertuigen Het is verboden met een voertuig te rijden door of deze te doen of te laten staan in een park of plantsoen of in een voor recreatief gebruik beschikbaar terrein of een van gemeentewege aangelegde beplanting of groenstrook. Dit verbod is niet van toepassing: op de weg; op voertuigen die worden gebruikt voor werkzaamheden door of vanwege de overheid; op voertuigen, waarmee standplaats wordt of is ingenomen op terreinen die voor dit doel zijn bestemd. Het college kan van het verbod ontheffing verlenen. Artikel 5:12 Overlast van fiets of bromfiets
Snuffelmarkten Artikel 5:22 Begripsbepaling In deze afdeling wordt verstaan onder snuffelmarkt: een markt in een voor het publiek toegankelijk gebouw waar hoofdzakelijk tweedehands en incourante goederen worden verhandeld of diensten worden aangeboden vanaf een standplaats. Onder een snuffelmarkt wordt niet verstaan: een markt of jaarmarkt als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder h, van de Gemeentewet; een evenement als bedoeld in artikel 2:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.