BELEIDSREGELS BESTRIJDING VOETBALVANDALISME EN ERNSTIGE OVERLAST’s-HERTOGENBOSCH 2010De burgemeester van ’s-Hertogenbosch; Gelet op het bepaalde in artikel 172a en 172 b van de Gemeentewet; Besluit: Vast te stellen de navolgende beleidsregels bestrijding voetbalvandalisme en ernstige overlast ‘s-Hertogenbosch 2010 Inleiding Op 1 september 2010 is de Wet Maatregelen Bestrijding Voetbalvandalisme en Ernstige Overlast (Wet mbveo) in werking getreden. Op grond van deze wet zijn in de artikelen 172a en 172b van de Gemeentewet nieuwe bevoegdheden opgenomen. Aanleiding voor de uitbreiding van de Gemeentewet is de toenemende mate van herhaaldelijke vormen van ordeverstorend gedrag, waarbij de huidige bestuurlijke en strafrechtelijke instrumenten onvoldoende toereikend zijn gebleken om de overlastgevende situatie of het geweld te beëindigen. De gevolgen van de overlast zijn voor de omgeving ingrijpend. Mensen voelen zich bedreigd of onveilig, wat bepalend is voor hun veiligheidsbeleving. Maatschappelijk is het onaanvaardbaar dat niet vroegtijdig en direct kan worden opgetreden tegen dit soort ordeverstorend gedrag. Met de toevoeging van artikel 172a Gemeentewet kan de burgemeester (preventief) ingrijpen bij ordeverstorend gedrag in bepaalde wijken of gebieden waar de openbare orde onder druk staat, of ingrijpen ten behoeve van het ordelijk verloop van evenementen, waaronder voetbalwedstrijden. Artikel 172b Gemeentewet geeft de burgemeester de mogelijkheid in te grijpen bij stelselmatige overlast van kinderen beneden de leeftijd van twaalf jaar door middel van het opleggen van maatregelen aan de ouders of voogd. Juridisch kader Op grond van artikel 172a Gemeentewet kan de burgemeester aan een persoon die herhaaldelijk individueel of groepsgewijs de openbare orde heeft verstoord of bij groepsgewijze verstoring van de openbare orde een leidende rol heeft gehad, bij ernstige vrees voor verdere verstoring van de openbare orde de volgende maatregelen opleggen: gebiedsverbod; groepsverbod; meldingsplicht. Het verbod of de plicht geldt voor een bepaalde periode, die niet langer is dan drie maanden. Deze periode kan maximaal driemaal verlengd worden met een periode, die telkens niet langer is dan drie maanden. Op grond van artikel 172b Gemeentewet is de burgemeester bevoegd om aan een persoon die het gezag uitoefent over een minderjarige die de leeftijd van 12 jaren nog niet heeft bereikt en die herhaaldelijk groepsgewijs de openbare orde verstoort bij ernstige vrees voor verdere verstoring van de openbare orde een bevel geven zorg te dragen dat de minderjarige: zich in bepaalde delen van de gemeente niet ophoudt, zonder begeleiding van de persoon die gezag over hem of haar uitoefent; zich tussen 20.00 ’s avonds en 06.00 uur ’s ochtends niet bevindt op voor het publiek toegankelijke plaatsen, tenzij de minderjarige wordt begeleid door de persoon die het gezag over hem of haar uitoefent. Het verbod of de plicht geldt voor een periode van ten hoogste drie maanden. Deze periode kan niet verlengd worden. Het bevel uit artikel 172b Gemeentewet is bedoeld voor die situaties, waarbij het jonge kind zich herhaaldelijk in groepen misdraagt met verstoringen van de openbare orde tot gevolg en waarbij eerder aangeboden (vrijwillige) hulpverlening, ook richting de ouder, onvoldoende soelaas biedt. De opgelegde beperkingen, alsmede de dreiging van strafrechtelijk optreden bij het bewust negeren van het bevel, kan disciplinerend werken, ook bij het aannemen van hulp en ondersteuning bij de opvoeding van het overlastgevende kind. Wel moet steeds bedacht worden dat het doel van een bevel op grond van artikel 172b Gemeentewet moet zijn de orde te herstellen. De burgemeester van de gemeente waar de ordeverstoringen plaatsvinden is bevoegd het bevel op te leggen, niet de burgemeester van de gemeente waar het kind of zijn ouders woonachtig zijn. Overtreding van de verboden is strafbaar gesteld in artikel 184 Wetboek van Strafrecht en wordt door het Openbaar Ministerie (OM) in beginsel vervolgd overeenkomstig de richtlijnen van het OM. Samenhang overige openbare orde bevoegdheden De bevoegdheden uit artikel 172a en 172b Gemeentewet zijn aanvullend op de reeds bestaande bevoegdheden op grond van de Algemene Plaatselijke Verordening en de Gemeentewet. De bevoegdheden op grond van artikel 172a en 172b Gemeentewet kunnen alleen worden ingezet als de overtredingen een herhaaldelijk karakter hebben, waarbij tevens sprake moet zijn van een ernstige vrees voor een verdere verstoring van de openbare orde. Het mandateren van deze aanvullende bevoegdheden is niet toegestaan. De bevoegdheden zijn daardoor feitelijk niet geschikt om in een acuut zich manifesterend openbare orde probleem in te zetten. Hiervoor blijven het gebiedsverbod in artikel 63B van de APV en overige bepalingen in de Gemeentewet de meest geëigende instrumenten. De bevoegdheden op grond van artikel 172a en 172b Gemeentewet worden dan ingezet op het moment dat de maatregelen op grond van de APV geen effect sorteren of niet toereikend worden geacht, gelet op de ervaringen of het karakter van de problematiek en er ernstige vrees bestaat voor verdere verstoring van de openbare orde. De gedragingen Bij de juiste toepassingen van de bevoegdheden is de context waarin de gedragingen hebben plaatsgehad zeer relevant. De context is tevens bepalend voor de subsidiariteit en proportionaliteit van de maatregel. De volgende toepassingsgebieden worden onderscheiden: Overlast in bepaalde wijken Gelet op de reikwijdte van de bevoegdheden, zoals groepsgerelateerde en individuele overlast, zijn de maatregelen goed toepasbaar bij de bestrijding van onder andere straatdealers, drugsverslaafden, alcoholisten en veel-plegers, welke in bepaalde gebieden in de gemeente een onaanvaardbare druk leggen op de openbare orde en veiligheid. Indien sprake is van overlast veroorzaakt door jeugd(groepen) wordt een andere afweging gemaakt. Hiervoor is door de politie een signaleringsmethodiek ontwikkeld (methode Beke). Op grond hiervan worden drie groepen onderscheiden groepen: hinderlijk, overlastgevend en crimineel. Individuele groepsleden die tot een geïnventariseerde groep behoren komen in beginsel voor een groepsverbod in aanmerking. Drugsrunners of straatdealers hebben door hun (dealers)activiteiten een aanzuigende werking op allerlei vormen van criminaliteit in de openbare ruimte. Vaak gaat het om een bepaald gebied, waarbij door de aanzuigende werking in dat gebied een onaanvaardbaar openbaar orde probleem ontstaat. Deze personen zijn veelvuldig op de openbare weg aanwezig om, ofwel te handelen, ofwel klanten door te geleiden naar een drugshandelaar. Het alleen aanwezig zijn op de openbare weg, levert in veel gevallen geen strafbaar feit op, maar veroorzaakt veel overlast en roept bij buurtbewoners of aldaar aanwezigen, gevoelens van onveiligheid op. Het veiligheidsgevoel wordt vergroot, als deze personen uit het straatbeeld verdwijnen. Bij de groep veelplegers gaat het om het feit dat zij veelvuldig actief zijn al dan niet in eenzelfde gebied en (gedrags)interventies niet hebben geleid tot het stopzetten van hun overlastgevende gedragingen. Overlast rond evenementen In deze beleidsregel wordt van een evenement en van een wedstrijd betaald voetbal gesproken overeenkomstig de definities in de APV. Deze beleidsregels zijn daarnaast van toepassing op betogingen en vergaderingen ingevolge de Wet openbare manifestaties en samenkomsten en demonstraties die gelet op hun aard een aantrekkende werking hebben op overlastgevende personen. Voetbalgerelateerde overlast Verreweg de meeste voetbalsupporters veroorzaken geen problemen op het gebied van de openbare orde en veiligheid en dragen bij aan een goed imago van hun club. Maar het supporterslegioen kent ook een schaduwzijde, gepersonifieerd door de harde kern en meelopers. Het aanstichten van voetbalvandalisme en/ -criminaliteit gebeurt merendeels door (groepen) relschoppers die regelmatig de openbare orde ernstig verstoren in of rondom de voetbalstadions of bij voetbalgerelateerde evenementen, zoals een huldiging. Tot het begin van de jaren negentig vonden de meeste incidenten plaats in en rondom de voetbalstadions. Mede door de toegenomen veiligheidsmaatregelen in en rondom de stadions heeft het voetbalvandalisme en -criminaliteit zich niet alleen geleidelijk verplaatst naar de omgeving buiten het stadion, maar ook naar tijdstippen buiten de wedstrijddagen. De rellen op het strand van Hoek van Holland tijdens het evenement Sunset Grooves zijn hier het bekende landelijke voorbeeld van. Het fenomeen “voetbalvandalisme” is dan ook moeilijker voorspel- en grijpbaar geworden. Bij de groep voetbalsupporters gaat het derhalve om die personen die veelal in een groep in en rond een voetbalstadion en/of bij evenementen de openbare orde verstoren of dreigen te verstoren. Het gaat om die gevallen waarbij aannemelijk is, gelet op de reeds ervaren overlast, dat het ordeverstorende gedrag aanhoudt. Jeugdoverlast Jongeren verdienen een tweede kans. Strafrechtelijk zijn jeugdigen minderjarig in de leeftijd van 12 tot 18 jaar. Van jongeren in het kader van de begeleiding is in ieder geval sprake indien de persoon of de personen de leeftijd van 24 jaar nog niet hebben bereikt. Wat betreft de aanpak van jeugd of jeugdgroepen is het noodzakelijk dat het inzetten van een maatregel een onderdeel moet vormen van een geïntegreerde, persoonsgebonden aanpak. Bevoegdheden specifiek bij jeugdoverlast zullen pas worden aangewend indien deze geïntegreerde persoongerichte aanpak van minder vergaande middelen is ingezet én hulpverlening is aangeboden. Pas als jongeren deze kansen niet hebben aangegrepen om hun gedrag te verbeteren is een harde aanpak wat nog rest. Gebiedsverbod 1.Indien de burgemeester een gebiedsverbod wil opleggen aan een ordeverstoorder dient er aan een aantal voorwaarden te zijn voldaan: Er moet sprake zijn van een persoon die herhaaldelijk individueel of groepsgewijs de openbare orde heeft verstoord of bij groepsgewijze ordeverstoring een leidende rol heeft gespeeld; Er moet sprake zijn van herhaaldelijke verstoring van de openbare orde; Er moet sprake zijn van ernstige vrees voor verdere verstoringen van de openbare orde; De ernstige vrees moet blijken uit concrete aanwijzingen, bijvoorbeeld het feit dat een persoon in het verleden betrokken is geweest bij ordeverstoringen; Een burgemeester kan alleen in zijn eigen gemeente een gebiedsverbod opleggen. 2.Een ordeverstoorder krijgt het bevel zich niet te bevinden in of in de omgeving van één of meer bepaalde objecten binnen de gemeente, dan wel in één of meer bepaalde delen van de gemeente. 3.Het gebiedsverbod wordt in beginsel opgelegd voor het gebied waar de overlast heeft plaatsgevonden. Indien het, gelet op de druk op openbare orde in een bepaald gebied noodzakelijk wordt geacht, kan ook dat gebied worden aangewezen. 4.Het gebiedsverbod wordt opgelegd voor een periode van ten hoogste drie maanden. 5.De termijn kan drie maal worden verlengd voor een periode van telkens ten hoogste drie maanden. 6.De maatregel kan worden uitgebreid ten nadele van betrokkene of verlengd indien nieuwe feiten en omstandigheden daartoe aanleiding geven. De maatregel kan worden ingetrokken indien uit nieuwe feiten en omstandigheden blijkt dat er voldoende garanties aanwezig zijn dat herhaling is uitgesloten. 7.Belanghebbende wordt overeenkomstig het bepaalde in artikel 4:8 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vooraf in de gelegenheid gesteld om zijn of haar zienswijze naar voren te brengen alvorens het gebiedsverbod op grond van artikel 172a Gemeentewet wordt opgelegd. 8.Indien belanghebbende aan wie het gebiedsverbod op grond van artikel 172a Gemeentewet wordt opgelegd, in het gebied waarop het verbod van toepassing is woont of werkt, dan wordt het gebied zodanig aangepast dat deze een aanlooproute heeft naar en van zijn woning of werklocatie. 9.Het gebiedsverbod wordt op schrift gesteld en bekend gemaakt aan belanghebbende. In de beschikking wordt aangegeven op grond van welke openbare orde verstorende gedragingen het gebiedsverbod opgelegd wordt en op welke plaatsen en tijdstippen de geadresseerde de openbare orde heeft verstoord. 10.Of en voor welke periode een gebiedsverbod wordt opgelegd hangt af van de frequentie, de aard en de ernst van de overlast, maar ook van de achtergrond van de ordeverstoorder. Groepsverbod 1.Indien de burgemeester een groepsverbod wil opleggen aan een ordeverstoorder dient er aan een aantal voorwaarden te zijn voldaan: Er moet sprake zijn van een persoon die herhaaldelijk individueel of groepsgewijs de openbare orde heeft verstoord of bij groepsgewijze ordeverstoring een leidende rol heeft gespeeld; Er moet sprake zijn van herhaaldelijke verstoring van de openbare orde; Er moet sprake zijn van ernstige vrees voor verdere verstoringen van de openbare orde; De ernstige vrees moet blijken uit concrete aanwijzingen, bijvoorbeeld het feit dat een persoon in het verleden betrokken is geweest bij ordeverstoringen; Het verbod mag alleen worden opgelegd voor voor publiek toegankelijke plaatsen. 2.Een ordeverstoorder krijgt het bevel zich niet zonder redelijk doel op een voor het publiek toegankelijk plaats met meer dan drie andere personen, ongeacht wie, in groepsverband op te houden. 3.Het groepsverbod wordt opgelegd voor een periode van ten hoogste drie maanden. 4.De termijn kan drie maal worden verlengd voor een periode van telkens ten hoogste drie maanden. 5.De maatregel kan worden uitgebreid ten nadele van betrokkene of verlengd indien nieuwe feiten en omstandigheden daartoe aanleiding geven. De maatregel kan worden ingetrokken indien uit nieuwe feiten en omstandigheden blijkt dat er voldoende garanties aanwezig zijn dat herhaling is uitgesloten. 6.Belanghebbende wordt overeenkomstig het bepaalde in artikel 4:8 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vooraf in de gelegenheid gesteld om zijn of haar zienswijze naar voren te brengen alvorens het groepsverbod op grond van artikel 172a Gemeentewet wordt opgelegd. 7.Het groepsverbod wordt op schrift gesteld en bekend gemaakt aan belanghebbende. In de beschikking wordt aangegeven op grond van welke openbare orde verstorende gedragingen het groepsverbod opgelegd wordt en op welke plaatsen en tijdstippen de geadresseerde de openbare orde heeft verstoord. 8.Of en voor welke periode een groepsverbod wordt opgelegd hangt af van de frequentie, de aard en de ernst van de overlast, maar ook van de achtergrond van de ordeverstoorder. Een groepsverbod is niet goed toepasbaar bij massale evenementen als een kermis of een popconcert. Een groepsverbod is dan moeilijk te controleren. Een gebiedsverbod, eventueel gecombineerd met een meldingsplicht, is beter toepasbaar bij massale, kortdurende evenementen. Meldingsplicht 1.Indien de burgemeester een meldingsplicht wil opleggen aan een ordeverstoorder dient er aan een aantal voorwaarden te zijn voldaan: Er moet sprake zijn van een persoon die herhaaldelijk individueel of groepsgewijs de orde heeft verstoord of bij groepsgewijze ordeverstoring een leidende rol heeft gespeeld; Er moet sprake zijn van herhaaldelijke verstoring van de openbare orde; Er moet sprake zijn van ernstige vrees voor verdere verstoringen van de openbare orde; De ernstige vrees moet blijken uit concrete aanwijzingen, bijvoorbeeld het feit dat een persoon in hetverleden betrokken is geweest bij ordeverstoringen; Bij een intergemeentelijke meldingsplicht dient er overeenstemming te zijn met de burgemeester van de gemeente waar de meldingsplicht zal moeten plaatsvinden. 2.Een ordeverstoorder krijgt het bevel zich bij een nader aangegeven instantie op een nader aangegeven tijdstip (al dan niet meerdere malen gedurende een langere periode) te melden. 3.De meldingsplicht wordt in beginsel opgelegd voor een plaats die niet te ver af ligt van de woonplaats van de ordeverstoorder. 4.De meldingsplicht wordt opgelegd voor een periode van ten hoogste drie maanden. 5.De termijn kan drie maal worden verlengd voor een periode van telkens ten hoogste drie maanden. 6.De maatregel kan worden uitgebreid ten nadele van betrokkene of verlengd indien nieuwe feiten en omstandigheden daartoe aanleiding geven. De maatregel kan worden ingetrokken indien uit nieuwe feiten en omstandigheden blijkt dat er voldoende garanties aanwezig zijn dat herhaling is uitgesloten. 7.Belanghebbende wordt overeenkomstig het bepaalde in artikel 4:8 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vooraf in de gelegenheid gesteld om zijn of haar zienswijze naar voren te brengen alvorens de meldingsplicht op grond van artikel 172a Gemeentewet wordt opgelegd. 8.De meldingsplicht wordt op schrift gesteld en bekend gemaakt aan belanghebbende. In de beschikking wordt aangegeven op grond van welke openbare orde verstorende gedragingen de meldingsplicht opgelegd wordt en op welke plaatsen en tijdstippen de geadresseerde de openbare orde heeft verstoord. 9.Of en voor welke periode een meldingsplicht wordt opgelegd hangt af van de frequentie, de aard en de ernst van de overlast, maar ook van de achtergrond van de ordeverstoorder. De meldingsplicht kan zich uitstrekken tot een andere gemeente. Deze intergemeentelijke meldingsplicht wordt opgelegd door de burgemeester van de gemeente op wiens grondgebied de openbare orde verstoord dreigt te worden. Het melden gebeurt dan in een andere gemeente. Voor het opleggen van deze intergemeentelijke meldingsplicht is de toestemming vereist van de burgemeester van de gemeente waar de ordeverstoorder zich moet melden. Dit hoeft niet per se de woonplaats van de betrokkene te zijn. Begeleidingsplicht minderjarige tot 12 jaar 1.Indien de burgemeester een begeleidingsplicht voor een persoon die het gezag uitoefent over een minderjarige tot 12 jaar wil opleggen dient er aan een aantal voorwaarden te zijn voldaan: Er moet sprake zijn van een minderjarige jonger dan 12 jaar die binnen een termijn van 6 maanden herhaaldelijk groepsgewijs de openbare orde heeft verstoord; Er moet sprake zijn van ernstige vrees voor verdere verstoringen van de openbare orde; De ernstige vrees moet blijken uit concrete aanwijzingen, bijvoorbeeld het feit dat een persoon in het verleden betrokken is geweest bij ordeverstoringen; 2.Een persoon die gezag uitoefent over de minderjarige krijgt het bevel dat de minderjarige zich niet zonder begeleiding door een persoon die het gezag over hem uitoefent of ten hoogste twee andere, door de burgemeester aan te wijzen, meerderjarigen mag bevinden in of in de omgeving van één of meer bepaalde objecten in de gemeente, dan wel in een of meer bepaalde delen van de gemeenten of op voor het publiek toegankelijke plaatsen tussen 20.00 uur ’s avonds en 06.00 uur ’s ochtends 3.Het bevel wordt opgelegd voor een periode van ten hoogste drie maanden. 4.De termijn kan niet worden verlengd. 5.De maatregel kan worden uitgebreid ten nadele van betrokkene indien nieuwe feiten en omstandigheden daartoe aanleiding geven. De maatregel kan worden ingetrokken indien uit nieuwe fiten en omstandigheden er voldoende garanties aanwezig zijn dat herhaling is uitgesloten. 6.Belanghebbende wordt overeenkomstig het bepaalde in artikel 4:8 van de Algemene wet bestuursrecht Awb) vooraf in de gelegenheid gesteld om zijn of haar zienswijze naar voren te brengen alvorens de begeleidingsplicht op grond van artikel 172b Gemeentewet wordt opgelegd. 7.Het begeleidingsbevel wordt op schrift gesteld en bekend gemaakt aan belanghebbende. In de beschikking wordt aangegeven op grond van welke openbare orde verstorende gedragingen het groepsverbod opgelegd wordt en op welke plaatsen en tijdstippen de betrokkene de openbare orde heeft verstoord. 8.Of en voor welke periode een begeleidingsbevel wordt opgelegd hangt af van de frequentie, de aard en de ernst van de overlast, maar ook van de achtergrond van de ordeverstoorder. Toepassing van de bevoegdheden bij overlast in ’s-Hertogenbosch De bevoegdheden van de Wmbveo houden een beperking in van de bewegingsvrijheid van het individu. Een juiste toepassing van de bevoegdheden moet daarom zijn gewaarborgd. Een werkinstructie maakt deel uit van deze borging (zie bijlage 1). De maatregel moet een legitiem doel dienen, waarbij tevens wordt voldaan aan de proportionaliteit en subsidiariteit. In deze beleidsregel geeft de burgemeester aan op welke wijze hij van de aanvullende bevoegdheden gebruik zal maken. Dit laat onverlet dat de burgemeester een afwijkingsbevoegdheid heeft indien dit door de bijzondere omstandigheden gelet op de openbare orde noodzakelijk is.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.