Maatregelenverordening IOAW en IOAZ 2011De raad van de gemeente Waddinxveen; gezien het advies van de Commissie Samenleving; gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van Waddinxveen d.d. 10 februari 2011; gelet op artikel 35, eerste lid, onderdeel b, en artikel 20 van de IOAW en de IOAZ; en met inachtneming van artikel 147, eerste lid, van de Gemeentewet; overwegende dat het noodzakelijk is, gelet op de invoering van de Wet bundeling van uitkeringen inkomensvoorziening aan gemeenten (Wet BUIG), per verordening regels te stellen met betrekking tot het afstemmen van het recht op uitkering; besluit: vast te stellen de volgende verordening “Maatregelenverordening IOAW en IOAZ 2011”. Hoofdstuk1.Algemene bepalingen Artikel1- Begripsbepalingen 1.Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die niet nader worden omschreven in deze verordening en de toelichting, hebben dezelfde betekenis als in de Wet werk en bijstand (WWB), de Re-integratieverordening van Waddinxveen en de Algemene wet bestuursrecht (Awb). 2.In deze verordening wordt verstaan onder: de wet: de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW) en de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (IOAZ); uitkering: de toepasselijke netto grondslag bedoeld in artikel 5 van de wet; afstemming: het verlagen van de uitkering op grond van artikel 20 van de wet; benadelingsbedrag: het netto bedrag aan uitkering dat als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van een verplichting ingevolge de wet ten onrechte is verleend. Artikel2- Het besluit tot afstemming 1.In het geval dat de belanghebbende naar het oordeel van het college een verplichting als bedoeld in artikel 13 van de wet of een op grond van hoofdstuk III van de wet aan de uitkering voortvloeiende verplichting niet of onvoldoende nakomt, waaronder begrepen het zich jegens het college zeer ernstig misdragen, dan wel een van de situaties als genoemd in artikel 20, eerste lid, IOAW of artikel 20, tweede lid, IOAZ zich voordoet, wordt overeenkomstig deze verordening de uitkering verlaagd. 2.De verlaging wordt afgestemd op de ernst van de gedraging, de mate waarin de belanghebbende de gedraging kan worden verweten en de omstandigheden waarin hij verkeert. 3.Voor het besluit tot toekenning wordt, in afwijking van artikel 4:12 Awb, de belanghebbende gehoord indien de afstemming meer bedraagt dan 50% van de uitkering. Artikel3- Afzien van afstemming 1.Het college ziet af van het verlagen van de uitkering indien: elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt; of de gedraging meer dan één jaar vóór constatering van die gedraging door het college heeft plaatsgevonden, tenzij de gedraging een schending van de inlichtingenplicht inhoudt en als gevolg van die gedraging ten onrechte uitkering is verleend. Een verlaging wegens schending van de inlichtingenplicht wordt niet toegepast na verloop van vijf jaren nadat de betreffende gedraging heeft plaatsgevonden. 2.Het college kan geheel of gedeeltelijk afzien van een verlaging indien het daarvoor dringende redenen aanwezig acht. 3.Indien het college afziet van een verlaging op grond van dringende redenen of indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt, wordt de belanghebbende daarvan schriftelijk mededeling gedaan. Artikel4- Berekening van de afstemming De verlaging wordt toegepast op de uitkering. Artikel5- Ingangsdatum en tijdvak 1.Tenzij in de verordening anders is bepaald, gaat de verlaging in met ingang van de eerst volgende kalendermaand volgend op de datum waarop het besluit tot verlaging aan de belanghebbende is bekendgemaakt. Daarbij wordt uitgegaan van de voor die maand geldende uitkering. 2.In afwijking van het eerste lid kan de verlaging met terugwerkende kracht worden toegepast, voor zover de uitkering nog niet is uitbetaald. De terugwerkende kracht gaat niet verder dan de maand waarin de gedraging heeft plaatsgevonden. 3.Nadat het recht op uitkering is beëindigd, kan (uitvoering van) het besluit tot afstemming alsnog plaatsvinden in geval van een hernieuwde uitkeringsaanvraag en wel met betrekking tot de te verlenen uitkering over de periode tot uiterlijk drie maanden na het besluit tot beëindiging. Artikel6- Samenloop van gedragingen Indien een belanghebbende zich tegelijkertijd schuldig maakt aan verschillende gedragingen die het niet nakomen van een verplichting als bedoeld in artikel 2, eerste lid van deze verordening, inhouden, worden beide van toepassing zijnde verlagingen als vermeld in hoofdstuk 2 tot en met 4 van deze verordening, gelijktijdig toegepast waarbij de verlaging ten hoogste 100% per maand bedraagt. Artikel7- Recidive 1.De duur van de verlaging als bedoeld in hoofdstuk 2 tot en met 4 van deze verordening wordt verdubbeld, indien de belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking van een besluit tot verlaging met toepassing van dit hoofdstuk, opnieuw schuldig maakt aan een verwijtbare gedraging. Met een besluit tot verlaging wordt gelijkgesteld het besluit om daarvan af te zien op grond van dringende redenen, bedoeld in artikel 3, tweede lid van deze verordening. 2.Het college kan bij een derde en een volgende verwijtbare gedraging binnen twaalf maanden na de bekendmaking van het laatste besluit tot verlaging met toepassing van dit hoofdstuk, de verlaging op een hoger bedrag vaststellen en/of de duur van de verlaging verlengen. Bij herhaald verwijtbaar gedrag kan het college de uitkering voor onbepaalde tijd weigeren. Hoofdstuk2.Geen of onvoldoende medewerking verlenen aan het verkrijgen of behouden van algemeen geaccepteerde arbeid Artikel8- Categorieën Gedragingen van belanghebbenden waardoor de verplichting op grond van artikel 37 van de wet niet of onvoldoende is nagekomen, en de in artikel 20, eerste lid, IOAW en artikel 20, tweede lid, IOAZ genoemde situaties, worden onderscheiden in de volgende categorieën: Eerste categorie: Het zich niet (tijdig) inschrijven als werkzoekende bij het UWV WERKbedrijf of het niet tijdig laten verlengen van de registratie; Tweede categorie: Het in de periode voorafgaand aan de uitkering en/of de periode gedurende de uitkering niet naar vermogen trachten algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen; Derde categorie: Het niet of in onvoldoende mate gebruik maken van een door het college aangeboden voorziening gericht op arbeidsinschakeling als bedoeld in artikel 37, eerste lid, onderdeel e van de wet, waaronder begrepen sociale activering; Het niet of in onvoldoende mate meewerken aan een onderzoek naar de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling; Vierde categorie: Het niet aanvaarden van een door het college aangeboden participatiebaan; Vijfde categorie: Het niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde of loonvormende arbeid. Zesde categorie: Het niet behouden van algemeen geaccepteerde of loonvormende arbeid, indien: aan de beëindiging van de dienstbetrekking van belanghebbende een dringende reden ten grondslag ligt in de zin van artikel 678 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek en de belanghebbende ter zake een verwijt kan worden gemaakt; de dienstbetrekking is beëindigd door of op verzoek van de belanghebbende zonder dat aan de voortzetting ervan zodanige bezwaren waren verbonden, dat deze voortzetting redelijkerwijs niet van hem zou kunnen worden gevergd. Artikel9- De hoogte en duur van de maatregel 1.Onverminderd artikel 2, tweede lid van deze verordening, wordt de verlaging vastgesteld op: 10% van de uitkering gedurende een maand bij gedragingen van de eerste categorie als bedoeld in artikel 8; 20% van de uitkering gedurende een maand bij gedragingen van de tweede categorie als bedoeld in artikel 8; 50% van de uitkering gedurende een maand bij gedragingen van de derde categorie als bedoeld in artikel 8; 100% van de uitkering gedurende een maand bij gedragingen van de vierde categorie als bedoeld in artikel 8; een blijvende verlaging ter hoogte van het door eigen toedoen niet verkregen netto inkomen bij gedragingen van de vijfde categorie als bedoeld in artikel 8; een blijvende verlaging ter hoogte van het netto inkomen dat belanghebbende heeft verloren bij gedragingen van de zesde categorie als bedoeld in artikel 8. 2.De blijvende verlaging zoals bedoeld onder lid 1, sub e, treedt voor de IOAZ niet eerder in werking dan met ingang van het moment dat de Verzamelwet SZW 2011 van kracht wordt. Tot dat moment kan de onder lid 1, sub e, bedoelde blijvende verlaging alleen worden toegepast op een uitkering op grond van de IOAW. Hoofdstuk3.Niet nakomen van de inlichtingenplicht Artikel10- Niet of te laat verstrekken van gegevens zonder dat hierdoor teveel uitkering is verstrekt Indien de belanghebbende de verplichting op grond van artikel 13 van de wet niet is nagekomen door informatie die van belang is voor zijn arbeidsinschakeling of het recht op uitkering niet, of niet binnen de door het college daartoe gestelde termijn te verstrekken, wordt, onverminderd artikel 2, tweede lid van deze verordening, de uitkering gedurende een maand met tien procent verlaagd. Artikel11- Niet of onjuist verstrekken van inlichtingen waardoor teveel uitkering is verstrekt 1.Indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenplicht bedoeld in artikel 13 van de wet heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van uitkering, wordt de verlaging afgestemd op de hoogte van het benadelingsbedrag. 2.Onverminderd artikel 2, tweede lid van deze verordening, wordt de verlaging vastgesteld op: bij een benadelingsbedrag tot € 1000,--: 10% van de uitkering gedurende een maand; bij een benadelingsbedrag van € 1000,-- tot € 2.000,--: 20% van de uitkering gedurende een maand; bij een benadelingsbedrag van € 2.000,-- tot € 4.000,--: 40% van de uitkering gedurende een maand; bij een benadelingsbedrag van € 4.000,-- of meer: 100% van de uitkering gedurende een maand. 3.Indien de verlaging als bedoeld in dit artikel, als gevolg van beëindiging van de uitkering niet kan worden toegepast op de wijze zoals vermeld in artikel 5, eerste en tweede lid van deze verordening, wordt, in afwijking van lid 3 van artikel 5, de uitkering welke belanghebbende heeft ontvangen gedurende de periode dat belanghebbende niet heeft voldaan aan de inlichtingenplicht door middel van herziening verminderd met het bedrag van de verlaging. Het bedrag van de verlaging wordt van de belanghebbende teruggevorderd. 4.Wanneer het bruto bedrag dat ten onrechte door belanghebbende is ontvangen, ten gevolge van het schenden van de inlichtingenplicht, tezamen met het bedrag van de terugvordering zoals vermeld in lid 3 van dit artikel, meer bedraagt dan het totaalbedrag dat aan uitkering is ontvangen gedurende de periode dat belanghebbende niet heeft voldaan aan de inlichtingenplicht, terwijl de uitkering is beëindigd, kan er slechts een verlaging worden toegepast tot het bedrag dat maximaal aan uitkering is ontvangen gedurende de periode dat belanghebbende niet heeft voldaan aan de inlichtingenplicht, na aftrek van de teveel ontvangen uitkering. Artikel12- Onverwijld Bij toepassing van artikel 13, eerste lid, van de wet, dient als onverwijld te worden verstaan: zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk vóór de eerste van de maand volgend op de maand waarin het feit dan wel de omstandigheid als bedoeld in artikel 13, eerste lid van de wet, zich heeft voorgedaan. Hoofdstuk4.Overige gedragingen die leiden tot een afstemming Artikel13- Zeer ernstige misdragingen Gedragingen van de belanghebbende waarmee deze zich zeer ernstig misdraagt tegenover het college of zijn ambtenaren en andere personen die met de uitvoering van de wet zijn belast, zoals medewerkers van het UWV WERKBEDRIJF en van re-integratiebedrijven, onder omstandigheden die rechtstreeks verband houden met de uitvoering van de wet, als bedoeld in artikel 20, tweede lid van de wet, worden onderscheiden in de volgende categorieën: Eerste categorie: verbaal geweld (schelden); discriminatie; Tweede categorie: intimidatie (uitoefenen van psychische druk); zaakgericht fysiek geweld (vernielingen); Derde categorie: mensgericht fysiek geweld; combinatie van agressievormen. Artikel14- De hoogte en duur van de afstemming Onverminderd artikel 2, tweede lid van deze verordening, wordt de verlaging vastgesteld op: 20% van de uitkering gedurende een maand bij gedragingen van de eerste categorie als bedoeld in artikel 13; 50% van de uitkering gedurende een maand bij gedragingen van de tweede categorie als bedoeld in artikel 13; 100% van de uitkering gedurende een maand bij gedragingen van de derde categorie als bedoeld in artikel 13. Hoofdstuk5.Slotbepalingen Artikel15- De inwerkingtreding Deze verordening treedt in werking met ingang van de eerste dag volgend op de maand waarin de verordening wordt bekend gemaakt. Artikel16- De citeertitel Deze verordening wordt aangehaald als: Maatregelenverordening IOAW en IOAZ 2011. Aldus vastgesteld door de raad der gemeente Waddinxveen in zijn openbare vergaderingvan 16 februari 2011,de griffier, de voorzitter,(mr. F.W. van der Dussen)(drs H.P.L. Cremers)Nota-toelichtingToelichting bij de Maatregelenverordening IOAW en IOAZ 2011 AlgemeenMet ingang van 1 januari 2010 is voor de IOAW en de IOAZ (ofwel IOAW/Z) volledige budgetfinanciering ingevoerd zoals die ook van toepassing is op de WWB en de WIJ. Gemeenten hebben daarmee de volledige financiële verantwoordelijkheid gekregen voor de aan deze regelingen verbonden uitkeringskosten. Bij een systeem van volledige budgetfinanciering past dat administratieve eisen worden afgeschaft en verplichtingen voor gemeenten worden omgezet naar bevoegdheden. Tegenover deze lokale beleidsvrijheid staat een verordeningsplicht. In artikel 35 van de IOAW/Z wordt de gemeenteraad opgedragen bij verordening regels te stellen met betrekking tot het weigeren en verlagen van de uitkering als een uitkeringsgerechtigde niet de aan de uitkering verbonden verplichtingen nakomt. In hetzelfde artikel wordt de gemeenteraad opgedragen om bij verordening regels te stellen over de bestrijding van ten onrechte ontvangen uitkeringen en misbruik/ oneigenlijk gebruik van de wet. Met de vaststelling van de Maatregelenverordening IOAW/Z 2011 voldoet gemeente Waddinxveen aan de in deze artikelen opgenomen verordeningsplicht. Waar mogelijk is voor deze verordening aansluiting gezocht bij wat de maatregelenverordening voor de WWB. Er is gekozen voor een aparte maatregelenverordening omdat de IOAW/Z op een aantal aspecten afwijkt van het wettelijk kader voor het opleggen van maatregelen in de WWB. Voor zover er afwijkingen zijn, worden deze in de toelichting per artikel benoemd. Het grootste verschil met de WWB is dat er in de IOAW/Z de mogelijkheid bestaat om een uitkering blijvend te weigeren. De WWB kent deze mogelijkheid niet. Daarnaast is het aantal overige gedragingen op grond waarvan een maatregel kan worden opgelegd, minder dan in de WWB. Zo is bijvoorbeeld de situatie waarin sprake is van een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid zoals bedoeld in artikel 18 van de WWB, niet opgenomen in de IOAW/Z. ArtikelsgewijsArtikel 1 - BegripsbepalingenDe begrippen die in de verordening worden gebruikt hebben een gelijkluidende betekenis als de omschrijving in de IOAW/Z. Het onder d genoemde benadelingsbedrag komt in de wet niet voor. Voor de definitie van dit begrip is net als in de Maatregelenverordening Wet werk en bijstand 2009 aansluiting gezocht bij het voormalige Boetebesluit sociale zekerheidswetgeving. De verwijzing naar ‘een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid’ zoals dat in Maatregelenverordening Wet werk en bijstand 2009 onder e is opgenomen, is weggelaten omdat deze verwijzing in de IOAW/Z niet terugkomt. In de verordening wordt het begrip ‘belanghebbende’ gebruikt. Dit begrip wordt in artikel 1:2 van de Algemene wet bestuursrecht omschreven als ‘degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken’. In de gehele verordening is de verwijzing naar ‘bijstand’ vervangen voor ‘uitkering’. Artikel 2 - Het besluit tot afstemmingLid 1 De IOAW/Z verbindt aan het recht op uitkering de volgende verplichtingen: De plicht tot arbeidsinschakeling (artikel 20 van de wet). De wet kent niet de plicht om arbeid te behouden wel is in artikel 20 van de wet bepaald dat als belanghebbende ontslagen wordt op grond van dringende redenen of zelf ontslag neemt, de uitkering dient te worden afgestemd. De informatieplicht (artikel 13, eerste lid van de wet). Op belanghebbende rust de verplichting aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling te doen van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling en het recht op uitkering, de hoogte of de duur van de uitkering, of op het bedrag van de uitkering dat aan hem wordt betaald. De medewerkingsplicht (artikel 13, tweede lid van de wet). Op belanghebbende rust de verplichting om de medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van deze wet. Anders dan in de WWB wordt er in genoemde artikelen geen melding gemaakt van ‘het tonen van voldoende besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan’ zoals bedoeld in artikel 18, tweede lid, van de WWB. Lid 2 (conform regels WWB) In het tweede lid is de hoofdregel neergelegd dat de verlaging wordt afgestemd op de ernst van de gedraging, de mate waarin de belanghebbende de gedraging kan worden verweten en de omstandigheden waarin hij verkeert. Dit betekent dat het college bij de beoordeling van de verlaging telkens drie stappen moet doorlopen: Stap 1: vaststellen van de ernst van de gedraging. Stap 2: vaststellen van de mate van verwijtbaarheid. Stap 3: vaststellen van de omstandigheden waarin de belanghebbende verkeert. De beoordeling van de ernst van de gedraging is in deze verordening geobjectiveerd door voor een groot aantal gedragingen een standaardverlaging voor te schrijven. Dit neemt uiteraard niet weg dat indien individuele omstandigheden daartoe aanleiding geven, ten voor- of ten nadele van belanghebbende, een andere dan de standaardverlaging kan worden opgelegd. Voor de beoordeling van de mate van verwijtbaarheid kan bijvoorbeeld gekeken worden naar de omstandigheden waaronder de belanghebbende zijn verplichtingen niet is nagekomen of de mate waarin belanghebbende bekend verondersteld kan worden met de hem opgelegde verplichtingen. Toetsing van de mate van verwijtbaarheid kan in individuele gevallen leiden tot een grotere of een mindere verlaging dan de standaardverlaging. Indien de gedraging in het geheel niet verwijtbaar is, wordt geen verlaging opgelegd. Zie hiervoor artikel 3, eerste lid, onder a van deze verordening en de toelichting hierop. Bij de vaststelling van de omstandigheden waarin de belanghebbende verkeert, kan gedacht worden aan financiële en sociale aspecten. Hierbij kan onder meer aandacht worden besteed aan eventuele bijzondere lasten, bijvoorbeeld hoge woonlasten of aflossingsverplichtingen, de gezinssamenstelling, of het effect van een opeenstapeling van verlagingen. Uitgangspunt is dat het college vaststelt of er sprake is van een gedraging waarvoor verlaging van de uitkering gepast is en dossieronderzoek doet naar de mate van verwijtbaarheid en de omstandigheden van de belanghebbende. Daarnaast kan het college, indien het zich nog niet voldoende geïnformeerd acht, de belanghebbende uitnodigen zijn visie te geven op het voornemen om de uitkering te verlagen. Lid 3 (conform regels WWB) In de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zijn de belangrijkste algemene beginselen van behoorlijk bestuur nader uitgewerkt. Eén van de verplichtingen van het college is het horen van de belanghebbende. Dit is aangegeven in de artikelen 4:7 en 4:8 Awb. In artikel 4:12 Awb zijn enkele uitzonderingen opgenomen waaronder het horen niet behoeft plaats te vinden. In de verordening is de verplichting opgenomen om steeds te horen indien de verlaging indien de afstemming meer bedraagt dan 50% van de uitkering. Voordat een besluit wordt genomen, wordt de belanghebbende in de gelegenheid gesteld om te reageren op het voornemen om de uitkering af te stemmen. Omdat de belanghebbende op geen enkele manier beïnvloed mag worden door het college, bijvoorbeeld doordat hij overvallen wordt door een telefoontje van de gemeente, is het aan te bevelen om het horen schriftelijk uit te voeren. De cliënt krijgt dan van het college een brief “voornemen tot het afstemmen van de uitkering”. In deze brief wordt belanghebbende de mogelijkheid geboden schriftelijk te reageren of desgewenst een afspraak te maken. Artikel 3 - Afzien van afstemmingLid 1 (conform regels WWB) Het afzien van het verlagen van de uitkering ‘indien elke vorm van verwijtbaarheid’ ontbreekt, is geregeld in artikel 20, derde lid, IOAW/Z. Het ontbreken van iedere verwijtbaarheid kan niet snel worden aangenomen. Een andere reden om af te zien van het verlagen van de uitkering is dat de gedraging te lang geleden heeft plaatsgevonden (verjaring). Omwille van de effectiviteit (‘lik-op-stuk’) is het nodig dat een verlaging spoedig nadat de gedraging heeft plaatsgehad wordt opgelegd. Om deze reden wordt onder
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.