Maatregelenverordening Wet werk en bijstand 2011De raad van de gemeente Waddinxveen; gezien het advies van de Commissie Samenleving; gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van Waddinxveen d.d. 10 januari 2011; gelet op artikel 147, eerste lid, van de Gemeentewet en artikel 8, eerste lid, onderdeel a van de Wet werk en bijstand (WWB); overwegende dat het noodzakelijk is, gelet op de invoering van de Wet bundeling van uitkeringen inkomensvoorzieningen aan gemeenten (Wet BUIG) de geldende Maatregelenverordening Wet werk en bijstand 2009 aan te passen; besluit vast te stellen de volgende verordening “Maatregelenverordening Wet werk en bijstand 2011”. Hoofdstuk1.Algemene bepalingen Artikel1- Begripsbepalingen Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die niet nader worden omschreven in deze verordening en de toelichting, hebben dezelfde betekenis als in de Wet werk en bijstand (WWB), de Re-integratieverordening van Waddinxveen en de Algemene wet bestuursrecht (Awb). In deze verordening wordt verstaan onder: de wet: de Wet werk en bijstand (WWB); bijstandsnorm: het bedrag per maand als bedoeld in hoofdstuk 3, paragraaf 3.2 van de wet, vermeerderd of verminderd met de op grond van hoofdstuk 3, paragraaf 3.3 door het college vastgestelde verhoging of verlaging; bijstand: de algemene en bijzondere bijstand; afstemming: het verlagen van de bijstand op grond van artikel 18, tweede lid, van de wet; benadelingsbedrag: het bruto bedrag aan bijstand dat als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van een verplichting ingevolge de wet ten onrechte is verleend, danwel de netto bijstand waarop de belanghebbende aanspraak kan maken doordat hij een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid heeft getoond; uitkering: een inkomen op grond van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW) en de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (IOAZ). Artikel2- Het besluit tot afstemming 1.Als de belanghebbende naar het oordeel van het college in de periode voorafgaand aan de bijstandsaanvraag of nadien tekortschietend besef van verantwoordelijkheid betoont voor de voorziening in het bestaan dan wel de uit de wet, de artikelen 28, tweede lid, of 29, eerste lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen (wet SUWI), voortvloeiende verplichtingen niet of onvoldoende nakomt, waaronder begrepen het zich jegens het college zeer ernstig misdragen, wordt overeenkomstig deze verordening de bijstand verlaagd. 2.De verlaging wordt afgestemd op de ernst van de gedraging, de mate waarin de belanghebbende de gedraging kan worden verweten en de omstandigheden waarin hij verkeert. 3.Voor het besluit tot toekenning wordt, in afwijking van artikel 4:12 Awb, de belanghebbende gehoord indien de afstemming meer bedraagt dan 50% gedurende één maand van de bijstandsnorm. Artikel3- Afzien van afstemming 1.Het college ziet af van het verlagen van de bijstand indien: elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt; of de gedraging meer dan één jaar vóór constatering van die gedraging door het college heeft plaatsgevonden, tenzij de gedraging een schending van de inlichtingenplicht inhoudt en als gevolg van die gedraging ten onrechte bijstand is verleend. Een verlaging wegens schending van de inlichtingenplicht wordt niet toegepast na verloop van vijf jaren nadat de betreffende gedraging heeft plaatsgevonden. 2.Het college kan geheel of gedeeltelijk afzien van een verlaging indien het daarvoor dringende redenen aanwezig acht. 3.Indien het college afziet van een verlaging op grond van dringende redenen of indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt, wordt de belanghebbende daarvan schriftelijk mededeling gedaan. Artikel4- Berekening van de afstemming 1.De verlaging wordt toegepast op de bijstandsnorm. 2.In afwijking van het eerste lid kan de verlaging ook worden toegepast op de bijzondere bijstand indien aan de belanghebbende bijzondere bijstand wordt verleend met toepassing van artikel 12 van de wet. 3.In afwijking van het eerste lid kan de verlaging ook worden toegepast op de bijzondere bijstand zoals bedoeld in artikel 35 van de wet wanneer er conform artikel 14 van deze verordening sprake is van een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid. Artikel5- Ingangsdatum en tijdvak 1.Tenzij in de verordening anders is bepaald, gaat de verlaging in met ingang van de eerst volgende kalendermaand volgend op de datum waarop het besluit tot verlaging aan de belanghebbende is bekendgemaakt. Daarbij wordt uitgegaan van de voor die maand geldende bijstandsnorm. 2.In afwijking van het eerste lid kan de verlaging met terugwerkende kracht worden toegepast, voor zover de bijstand nog niet is uitbetaald. De terugwerkende kracht gaat niet verder dan de maand waarin de gedraging heeft plaatsgevonden. 3.Nadat het recht op uitkering of bijstand is beëindigd, kan (uitvoering van) het besluit tot afstemming alsnog plaatsvinden in geval van een (nieuwe) bijstandsaanvraag en wel met betrekking tot te verlenen bijstand over de periode tot uiterlijk drie maanden na het besluit tot beëindiging. Artikel6- Samenloop van gedragingen Indien een belanghebbende zich tegelijkertijd schuldig maakt aan verschillende gedragingen die het niet nakomen van een verplichting als bedoeld in artikel 2, eerste lid, inhouden, worden beide van toepassingzijnde verlagingen als vermeld in hoofdstuk 2 tot en met 4 van deze verordening, gelijktijdig toegepast waarbij de verlaging ten hoogste 100% per maand bedraagt. Artikel7- Recidive De duur van de verlaging als bedoeld in hoofdstuk 2 tot en met 4 van deze verordening wordt verdubbeld, indien de belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking van een besluit tot verlaging met toepassing van dit hoofdstuk, opnieuw schuldig maakt aan een verwijtbare gedraging. Met een besluit tot verlaging wordt gelijkgesteld het besluit om daarvan af te zien op grond van dringende redenen, bedoeld in artikel 3, tweede lid van deze verordening. Het college kan bij een derde en een volgende verwijtbare gedraging binnen twaalf maanden na de bekendmaking van het laatste besluit tot verlaging met toepassing van dit hoofdstuk, de verlaging op een hoger bedrag vaststellen en/of de duur van de verlaging verlengen. Bij herhaald verwijtbaar gedrag kan het college de bijstand voor onbepaalde tijd weigeren. Onder een verwijtbare gedraging wordt in dit artikel verstaan een gedraging als bedoeld in artikel 9 van deze verordening of artikel 8 van de Maatregelenverordening IOAW en IOAZ 2011. Artikel8- Heroverweging 1.Het college heroverweegt de in artikel 7 lid 2 van deze verordening bedoelde verlaging voor onbepaalde duur of de verlaging voor een periode voor meer dan drie maanden, binnen een termijn van twee maanden na de datum van het besluit tot verlaging of de voortzetting van de verlaging. 2.In het kader van de heroverweging beoordeelt het college of en in hoeverre de omstandigheden en het gedrag van belanghebbende de aanleiding kan geven te besluiten tot herziening, beëindiging of voortzetting van de verlaging. Hoofdstuk2.Geen of onvoldoende medewerking verlenen aan het verkrijgen of behouden van algemeen geaccepteerde arbeid Artikel9- Categorieën Gedragingen van belanghebbenden waardoor de verplichting op grond van artikel 9 van de wet niet of onvoldoende is nagekomen, worden onderscheiden in de volgende categorieën: Eerste categorie: Het zich niet (tijdig) inschrijven als werkzoekende bij het UWV WERKbedrijfof het niet tijdig laten verlengen van de registratie; Tweede categorie: Het in de periode voorafgaand aan de bijstandsverlening en/of de periode gedurende de bijstandsverlening niet naar vermogen trachten algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen; Derde categorie: Het niet of in onvoldoende mate gebruik maken van een door het college aangeboden voorziening gericht op arbeidsinschakeling als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel b en artikel 10, eerste lid van de wet, waaronder begrepen sociale activering; Het niet of in onvoldoende mate meewerken aan een onderzoek naar de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling; Vierde categorie: Het niet aanvaarden van een door het college aangeboden participatiebaan; Vijfde categorie: Het niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde of loonvormende arbeid. Artikel10- De hoogte en duur van de maatregel Onverminderd artikel 2, tweede lid van deze verordening, wordt de verlaging vastgesteld op: 10% van de bijstandsnorm gedurende een maand bij gedragingen van de eerste categorie als bedoeld in artikel 9; 20% van de bijstandsnorm gedurende een maand bij gedragingen van de tweede categorie als bedoeld in artikel 9; 50% van de bijstandsnorm gedurende een maand bij gedragingen van de derde categorie als bedoeld in artikel 9; 100% van de bijstandsnorm gedurende een maand bij gedragingen van de vierde categorie als bedoeld in artikel 9; 100% van de bijstandsnorm gedurende drie maanden bij gedragingen van de vijfde categorie als bedoeld in artikel 9. Hoofdstuk3.Niet nakomen van de inlichtingenplicht Artikel11- Niet of te laat verstrekken van gegevens zonder dat hierdoor teveel bijstand is verstrekt Indien de belanghebbende de verplichting op grond van artikel 17 van de wet niet is nagekomen door informatie die van belang is voor zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand niet, of niet binnen de door het college daartoe gestelde termijn te verstrekken, wordt, onverminderd artikel 2, tweede lid van deze verordening, de bijstandsnorm gedurende een maand met tien procent verlaagd. Artikel12- Niet of onjuist verstrekken van inlichtingen waardoor teveel bijstand is verstrekt 1.Indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenplicht bedoeld in artikel 17 van de wet heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand, wordt de verlaging afgestemd op de hoogte van het benadelingsbedrag. 2.Onverminderd artikel 2, tweede lid van deze verordening, wordt de verlaging vastgesteld op: bij een benadelingsbedrag tot € 1000,--: 10% van de bijstandsnorm gedurende een maand; bij een benadelingsbedrag van € 1000,-- tot € 2.000,--: 20% van de bijstandsnorm gedurende een maand; bij een benadelingsbedrag van € 2.000,-- tot € 4.000,--: 40% van de bijstandsnorm gedurende een maand; bij een benadelingsbedrag van € 4.000,-- of meer: 100% van de bijstandsnorm gedurende een maand. 3.Indien de verlaging als bedoeld in dit artikel, als gevolg van beëindiging van de uitkering niet kan worden toegepast op de wijze zoals vermeld in artikel 5, eerste en tweede lid van deze verordening, wordt, in afwijking van lid 3 van artikel 5 van deze verordening de bijstand welke belanghebbende heeft ontvangen gedurende de periode dat belanghebbende niet heeft voldaan aan de inlichtingenplicht door middel van herziening verminderd met het bedrag van de verlaging. Het bedrag van de verlaging wordt van de belanghebbende teruggevorderd. 4.Wanneer het bruto bedrag dat ten onrechte door belanghebbende is ontvangen, ten gevolge van het schenden van de inlichtingenplicht, tezamen met het bedrag van de terugvordering zoals vermeld in lid 3 van dit artikel, meer bedraagt dan het totaalbedrag dat aan uitkering is ontvangen gedurende de periode dat belanghebbende niet heeft voldaan aan de inlichtingenplicht, terwijl de uitkering is beëindigd, kan er slechts een verlaging worden toegepast tot het bedrag dat maximaal aan uitkering is ontvangen gedurende de periode dat belanghebbende niet heeft voldaan aan de inlichtingenplicht, na aftrek van de teveel ontvangen bijstand. Artikel13- Onverwijld Bij toepassing van artikel 17, eerste lid van de wet, dient als onverwijld te worden verstaan: zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk vóór de eerste van de maand volgend op de maand waarin het feit dan wel de omstandigheid als bedoeld in artikel 17, eerste lid van de wet, zich heeft voorgedaan. Hoofdstuk4.Overige gedragingen die leiden tot een afstemming Artikel14- Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid 1.Indien de belanghebbende een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan heeft betoond als bedoeld in artikel 18, tweede lid, van de wet, wordt, met uitzondering van wat in lid 3 staat vermeld, een verlaging toegepast die wordt afgestemd op de periode dat de belanghebbende als gevolg van zijn gedraging eerder of langer recht heeft op bijstand. 2.Onverminderd artikel 2, tweede lid van deze verordening wordt de verlaging als bedoeld in het eerste lid van dit artikel vastgesteld op: 10% van de bijstandsnorm gedurende 1 maand bij een periode van 3 maanden of korter. 50% van de bijstandsnorm gedurende 1 maand bij een periode van 3 tot 6 maanden. 100% van de bijstandsnorm gedurende 1 maand, bij een periode van 6 maanden en langer. 3.In afwijking van lid 1 en 2 van dit artikel bedraagt de verlaging bij het onverantwoord interen van vermogen: 10% van de bijstandsnorm gedurende 3 maanden indien de bijstandsverlening tot 3 maanden eerder moet worden verleend bij een verantwoorde intering het geval zou zijn geweest. 20% van de bijstandsnorm gedurende 3 maanden indien de bijstandsverlening tot 3 tot 6 maanden eerder moet worden verleend bij een verantwoorde intering het geval zou zijn geweest. 50% van de bijstandsnorm gedurende 3 maanden indien de bijstandsverlening meer dan 6 maanden eerder moet worden verleend bij een verantwoorde intering het geval zou zijn geweest. 4.In afwijking van het eerste, tweede en derde lid en onverminderd het bepaalde in artikel 2, tweede lid van deze verordening, wordt een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid tot uitdrukking komend in “het door eigen toedoen niet behouden van algemeen geaccepteerde arbeid of een participatiebaan” gelijkgesteld aan een gedraging van de vijfde categorie als bedoeld in artikel 9, vijfde lid van deze verordening. Voor het bepalen van de hoogte van de maatregel is artikel 10 van deze verordening van overeenkomstige toepassing. Artikel15- Nadere verplichtingen Indien aan de belanghebbende een of meerdere verplichtingen als bedoeld in artikel 55 van de wet zijn opgelegd en deze niet in voldoende mate wordt nagekomen, wordt een verlaging toegepast van 20% van de bijstandsnorm. Artikel16- Zeer ernstige misdragingen Gedragingen van de belanghebbende waarmee deze zich zeer ernstig misdraagt tegenover het college of zijn ambtenaren en andere personen die met de uitvoering van de wet zijn belast, zoals medewerkers van het UWV WERKbedrijf en van re-integratiebedrijven, onder omstandigheden die rechtstreeks verband houden met de uitvoering van de wet, als bedoeld in artikel 18, tweede lid van de wet, worden onderscheiden in de volgende categorieën: Eerste categorie: verbaal geweld (schelden); discriminatie; Tweede categorie: intimidatie (uitoefenen van psychische druk); zaakgericht fysiek geweld (vernielingen); Derde categorie: mensgericht fysiek geweld; combinatie van agressievormen. Artikel17- De hoogte en duur van de afstemming Onverminderd artikel 2, tweede lid van deze verordening wordt de verlaging vastgesteld op: 20% van de bijstandsnorm gedurende een maand bij gedragingen van de eerste categorie als bedoeld in artikel 16; 50% van de bijstandsnorm gedurende een maand bij gedragingen van de tweede categorie als bedoeld in artikel 16; 100% van de bijstandsnorm gedurende een maand bij gedragingen van de derde categorie als bedoeld in artikel 16. Hoofdstuk5Regelingen in verband met de wijzigingen in de WWB en intrekking van de WIJ per 1 januari 2012 Artikel17aWijziging betekenis begrippen 1.Waar in deze verordening de begrippen ‘alleenstaande’, ‘alleenstaande ouder’ en ‘gezin’ worden gebruikt, hebben deze dezelfde betekenis als in artikel 4 van de wet. 2.Waar in deze verordening wordt gesproken over ‘gehuwde(n)’ of ‘gehuwdennorm’ hebben deze begrippen dezelfde betekenis als ‘gezin’, bedoeld in artikel 4, respectievelijk ‘gezinsnorm’, bedoeld in artikel 21, eerste lid, van de wet. Artikel17bOnvoldoende meewerken aan plan van aanpak Onder ‘gedragingen die de inschakeling in de arbeid belemmeren’ als bedoeld in artikel 9 , wordt mede verstaan: het onvoldoende meewerken aan het opstellen, uitvoeren dan wel evalueren van een plan van aanpak. Hoofdstuk6.Slotbepalingen Artikel18- De inwerkingtreding 1.Deze verordening treedt in werking met ingang van de eerste dag volgend op de maand waarin de verordening wordt bekend gemaakt. 2.Op het onder lid 1 genoemde tijdstip komt de Maatregelenverordening Wet werk en bijstand 2009 te vervallen. Artikel19- De citeertitel Deze verordening wordt aangehaald als: Maatregelenverordening Wet werk en bijstand 2011. Aldus vastgesteld door de raad der gemeente Waddinxveen in zijn openbare vergaderingvan 16 februari 2011,de griffier, de voorzitter,(mr. F.W. van der Dussen)(drs H.P.L. Cremers'Nota-toelichtingToelichting bij de Maatregelenverordening Wet werk en bijstand 2011 AlgemeenRechten en plichten zijn twee kanten van één medaille. Het recht op een uitkering is altijd verbonden aan de plicht zich in te zetten om weer onafhankelijk van de uitkering te worden. Burgemeester en wethouders stemmen de bijstand en de daaraan verbonden verplichtingen af op de mogelijkheden en middelen van de belanghebbende of het gezin. Wanneer burgemeester en wethouder constateren dat de belanghebbende zich niet aan de uit deze wet voortvloeiende verplichtingen (inclusief die aan hem in de beschikking zijn opgelegd) houdt of anderszins onvoldoende besef van verantwoordelijkheid toont, zijn zij gehouden de bijstand te verlagen. Dit houdt ook in dat als de belanghebbende geen juiste informatie heeft verstrekt die van belang is voor het recht op uitkering, burgemeester en wethouders de uitkering lager kunnen vaststellen. De eigen verantwoordelijkheid voor de zelfstandige bestaansvoorziening houdt in dat aan het verkrijgen van een uitkering verplichtingen zijn verbonden. Deze verplichtingen gelden vanaf de melding, dus al voordat het recht op bijstand is vastgesteld. Met ingang van 1 januari 2010 is voor de IOAW en de IOAZ (ofwel IOAW/Z) volledige budgetfinanciering ingevoerd zoals die ook van toepassing is op de WWB en de WIJ. Gemeenten hebben daarmee de volledige financiële verantwoordelijkheid gekregen voor de aan deze regelingen verbonden uitkeringskosten. Hiertoe dienen regels te worden vastgelegd in een (maatregelen)verordening. Als gevolg van deze verordeningsplicht is de maatregelenverordening voor de WWB aangepast.De nieuwe verordening kent twee belangrijke wijzigingen. Met de wijziging onder artikel 5 (ingangsdatum en tijdvak), derde lid, wordt het mogelijk om bij een aanvraag voor een bijstandsuitkering alsnog een maatregel in te zetten voor gedragingen die tot drie maanden ervoor ertoe hebben geleid dat een inkomen op grond van de WIJ, de IOAW of de IOAZ is beëindigd. In aansluiting daarop is onder artikel 7 (recidive) een derde lid toegevoegd waarmee wordt geregeld dat maatregelwaardige gedragingen uit de periode voordat een bijstandsuitkering werd aangevraagd, en er voor de cliënt nog sprake was van een inkomen op grond van de WIJ, IOAW of IOAZ, ook meetellen in het kader van recidive. De Maatregelenverordening Wet investeren in jongeren hoeft niet op deze wijze te worden aangepast omdat er geen sprake kan zijn van een uitwisseling tussen een inkomensregeling voor jongeren (WIJ) en voor ouderen (IOAW/Z). Alle aanpassingen en aanvullingen ten opzichte van de nu geldende Maatregelenverordening Wet werk en bijstand 2009 zijn cursief en met rode tekst in deze verordening opgenomen. Voor zover het inhoudelijke aanpassingen en aanvullingen betreft, worden deze in onderstaande artikelsgewijze toelichting – cursief en met rode tekst – aan de orde gebracht. ArtikelsgewijsArtikel 1 - BegripsbepalingenLid 1 De begrippen die in de verordening worden gebruikt hebben een gelijkluidende betekenis als de omschrijving in de Wet werk en bijstand (WWB). Het onder e genoemde benadelingsbedrag komt in de WWB niet voor. Voor de definitie van dit begrip is aansluiting gezocht bij het voormalige Boetebesluit sociale zekerheidswetgeving, aangevuld met een nadere omschrijving van het benadelingsbedrag indien de belanghebbende een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid heeft betoond. In de verordening wordt het begrip ‘belanghebbende’ gebruikt. Dit begrip wordt in artikel 1:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) omschreven als ‘degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken’. Lid 2 Een nieuw begrip in deze verordening is “de uitkering”. Met toevoeging van dit begrip wordt het mogelijk om in de uitvoering van het afstemmingsbeleid voor de WWB rekening te houden met maatregelwaardige gedragingen uit een periode voorafgaande aan de aanvraag van een (nieuwe) bijstandsuitkering voor zover er sprake was van een inkomen op grond van de WIJ, de IOAW of de IOAZ. Artikel 2 - Het besluit tot afstemmingLid 1 De WWB verbindt aan het recht op een bijstand de volgende verplichtingen: Het tonen van voldoende besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan (artikel 18, tweede lid van de wet). De plicht tot arbeidsinschakeling (artikel 9 van de wet). Deze plicht bestaat uit twee soorten verplichtingen: de plicht om naar vermogen algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen en deze te aanvaarden; en de plicht gebruik te maken van een door het college aangeboden voorziening gericht op ondersteuning bij arbeidsinschakeling. Deze verplichtingen worden voor iedere cliënt nader uitgewerkt met inachtneming van de Re-integratieverordening. De informatieplicht (artikel 17, eerste lid van de wet). Op een cliënt rust de verplichting aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling te doen van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand. De medewerkingsplicht (artikel 17, tweede lid van de wet). Dit is de plicht van iedere cliënt om desgevraagd het college de medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van de wet. De medewerkingsplicht kan uit allerlei concrete verplichtingen bestaan, zoals: het toestaan van huisbezoek; het meewerken aan een psychologisch onderzoek. Artikel 18, tweede lid van de wet, noemt een gedraging die in ieder geval een schending van de medewerkingsplicht inhoudt: ‘het zich jegens het college zeer ernstig misdragen’. Lid 2 In het tweede lid is de hoofdregel neergelegd dat de verlaging wordt afgestemd op de ernst van de gedraging, de mate waarin de belanghebbende de gedraging kan worden verweten en de omstandigheden waarin hij verkeert. Dit betekent dat het college bij het beoordelen of de bijstand moet worden verlaagd, en zo ja hoe, telkens drie stappen moet doorlopen: Stap 1: vaststellen van de ernst van de gedraging. Stap 2: vaststellen van de mate van verwijtbaarheid. Stap 3: vaststellen van de omstandigheden waarin de belanghebbende verkeert. De beoordeling van de ernst van de gedraging is in deze verordening geobjectiveerd door voor een groot aantal gedragingen een standaardverlaging voor te schrijven. Dit neemt uiteraard niet weg dat indien individuele omstandigheden daartoe aanleiding geven, ten voor- of ten nadele van de cliënt, een andere dan de standaardverlaging kan worden opgelegd. Voor de beoordeling van de mate van verwijtbaarheid kan bijvoorbeeld gekeken worden naar de omstandigheden waaronder de belanghebbende zijn verplichtingen niet is nagekomen of de mate waarin belanghebbende bekend verondersteld kan worden met de hem opgelegde verplichtingen. Toetsing van de mate van verwijtbaarheid kan in individuele gevallen leiden tot een grotere of een mindere verlaging dan de standaardverlaging. Indien de gedraging in het geheel niet verwijtbaar is, wordt geen verlaging opgelegd. Zie hiervoor artikel 3, eerste lid, onder a van deze verordening en de toelichting hierop. Bij de vaststelling van de omstandigheden waarin de belanghebbende verkeert kan gedacht worden aan financiële en sociale aspecten. Hierbij kan onder meer aandacht worden besteed aan eventuele bijzondere lasten, bijvoorbeeld hoge woonlasten of aflossingsverplichtingen, de gezinssamenstelling, of het effect van een opeenstapeling van verlagingen. Uitgangspunt is dat het college vaststelt of er sprake is van een gedraging waarvoor verlaging van de bijstand gepast is en dossieronderzoek doet naar de mate van verwijtbaarheid en de omstandigheden van de belanghebbende. Daarnaast kan het college, indien het zich nog niet voldoende geïnformeerd acht, de belanghebbende uitnodigen zijn visie te geven op het voornemen om de bijstand te verlagen. Lid 3 In de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zijn de belangrijkste algemene beginselen van behoorlijk bestuur nader uitgewerkt. Eén van de verplichtingen van het college is het horen van de belanghebbende. Dit is aangegeven in de artikelen 4:7 en 4:8 Awb. In artikel 4:12 Awb zijn enkele uitzonderingen opgenomen waaronder het horen niet behoeft plaats te vinden. In de verordening is de verplichting opgenomen om steeds te horen indien de verlaging indien de afstemming meer bedraagt dan 50% van de uitkering. Voordat een besluit wordt genomen, wordt de belanghebbende in de gelegenheid gesteld om te reageren op het voornemen om de uitkering af te stemmen. Omdat de belanghebbende op geen enkele manier beïnvloed mag worden door het college, bijvoorbeeld doordat hij overvallen wordt door een telefoontje van de gemeente, is het aan te bevelen om het horen schriftelijk uit te voeren. De cliënt krijgt dan van het college een brief “voornemen tot het afstemmen van de uitkering”. In deze brief wordt belanghebbende de mogelijkheid geboden schriftelijk te reageren of desgewenst een afspraak te maken. Artikel 3 - Afzien van afstemmingLid 1 Het afzien van het verlagen van de bijstand ‘indien elke vorm van verwijtbaarheid’ ontbreekt, is geregeld in artikel 18, tweede lid, WWB. Het ontbreken van iedere verwijtbaarheid kan niet snel worden aangenomen en het om deze reden afzien van het verlagen zal dus tot de uitzonderingen behoren. Een andere reden om af te zien van het verlagen van de bijstand is dat de gedraging te lang geleden heeft plaatsgevonden (verjaring). Omwille van de effectiviteit (‘lik-op-stuk’) is het nodig dat een verlaging spoedig nadat de gedraging heeft plaatsgehad wordt opgelegd. Om deze reden wordt onder
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.