Beleidsnota Bijzondere wetten Horeca, coffeeshop, prostitutie en kansspelen 31 januari 2011 Inleiding en samenvatting Het beleid op het gebied van horeca, prostitutie, coffeeshop, Wet op de Kansspelen en de handhaving was versnipperd over diverse beleidsstukken. Daarnaast waren er diverse beleidsnota’s verouderd. In deze Beleidsnota Bijzondere wetten hebben we de verschillenden beleidstukken onder een paraplu gebracht. In deze Beleidsnota Bijzondere wetten zijn vier hoofdstukken, waarin alles is geregeld met betrekking tot de horeca, coffeeshops, prostitutie en de Kansspelen. Samenvatting van het oude beleid naar het nieuwe beleid Inhoudsopgave 1 Horeca 1.1 Vestigingsbeleid horeca 1.1.1 Indeling in gebieden. 1.1.2 Indeling in horecacategorieën. 1.2 Vergunningenstelsel horeca 1.2.1 Huidige situatie 1.3 Sluitingstijden 1.3.1 Huidige sluitingstijden. 1.3.2 Werkgroep Jeugd en Alcohol/Regionaal College 1.3.3 Overgangsrecht 1.3.4 Sluitingstijd in het deconcentratiegebied 1.3.4.1 Nieuw beleid 1.3.5 Ontheffing sluitingstijden 1.3.5.1 Nieuw beleid 1.3.6 Ontheffing voor terrassen in de zomermaanden 1.3.6.1 Nieuw beleid 1.4 Terrasbeleid 1.5 Paracommerciële inrichtingen 1.5.1 Huidige situatie 1.5.2 Nieuw beleid 1.6 Ondergeschikte horeca 1.6.1 Huidige situatie 1.7 Uitvoering Wet BIBOB 1.7.1 Huidige situatie 1.7.2 Nieuw beleid 1.8 Tapontheffing (artikel 35 Drank- en Horecawet) 1.8.1 Huidige situatie 1.8.2 Nieuw beleid. 1.9 Bêd en Brochje 1.9.1 Huidige situatie 1.10 Rookbeleid buiten 1.10.1 Huidige situatie 1.11 Glaswerk tijdens evenementen 1.11.1 Huidige situatie 1.11.2 Nieuw beleid 2 Coffeeshopbeleid 2.1 Huidige beleid en stand van zaken 2.2 Nieuw beleid 2.2.1 Geldigheid gedoogverklaring 2.2.2 Hoe komt de aanvraag tot stand 2.2.3 Grenzen aan THC waarde 2.2.4 Aanpassing sluitingstijden 2.2.5 Afstandscriterium tot scholen 2.2.6 Pilot coffeeshops gereguleerd 3 Prostitutiebeleid. 3.1 Huidige situatie 3.2 Vergunningstelsel 3.3 Toezicht 3.4 Hulpverlening 3.5 Wet regulering prostitutie en bestrijding misstanden seksbranche 3.6 Nieuw beleid 3.6.1 Aanvullende voorschriften vergunning 3.6.2 Extra toezicht functioneren beheerders 4 Kansspelen 4.1 Wet op de Kansspelen 4.2 Speelautomatenhallen 4.2.1 Staand beleid 4.3 Speelautomaten 4.3.1 Huidige situatie 4.3.2 Nieuw beleid 5 Intrekken van diverse beleidsstukken en nota’s 5.1 Intrekking BIJLAGE 1 Nadere regels prostitutie o.g.v. artikel 3:3 APV BIJLAGE 2 Bestaande kaart met de horecagebieden in de binnenstad BIJLAGE 3 Nieuwe kaart met de horecagebieden in de binnenstad (Voorstel) 1 Horeca 1.1 Vestigingsbeleid horeca 1.1.1 Indeling in gebieden. De belangrijkste doelstellingen van het horecabeleid zijn: Zorgen voor een horecafunctie die deel uitmaakt van een attractieve binnenstad; Versterken van de regionale functie en kwaliteit van de Leeuwarder horeca; Terugdringen horeca gerelateerde overlast; Zorg dragen voor een juridisch instrumentarium waarmee het horecabeleid adequaat kan worden uitgevoerd en; Vergroten van de leefbaarheid en veiligheid, met name in de binnenstad. Om deze doelstellingen te realiseren is er in het verleden gekozen voor gebiedsdifferentiatie voor de vestiging van horeca-inrichtingen binnen de gemeente. Immers niet in elk gebied in de gemeente kan of mag hetzelfde. Het bestemmingsplan is hierin sturend. Deze keuze is werkbaar en duidelijk gebleken, zodat ook in deze nota die keus wordt voortgezet. De kenmerken van de verschillende gebieden zijn hierin beleidsmatig vastgelegd. De gebiedsdifferentiatie is gebaseerd op een onderscheid naar zes typen gebieden met een eigen karakteristiek op het gebied van horeca. Het gaat hierbij om gebieden waar de horeca vooral een ondersteunende rol heeft voor andere functies. Gebieden die minder geschikt geacht worden voor horecaontwikkeling, omdat daar of de voorkeur wordt gegeven aan andere functies of dat hierdoor een te sterke versnippering van het horeca-aanbod ontstaat buiten de gebieden die daar beter voor geschikt zijn. Of juist om gebieden waar de horeca het middelpunt vormt. De volgende typen horecagebieden zijn te onderscheiden: A. Winkelgebied Het gebied in de binnenstad, bestaande uit het kernwinkelgebied en de belangrijkste aanlooproutes is het winkelgebied (zie bijlage 2, de bijgevoegde kaart horeca indeling). Het beleid richt zich op horecavestigingen die gericht zijn op maaltijdverstrekking en die goed aansluiten op de primaire (winkel)functie van het gebied. Gewenste vormen van horeca zijn bijvoorbeeld een lunchroom, een croissanterie, ijssalon en daarmee vergelijkbare horecabedrijven. De horeca moet kwantitatief ondergeschikt zijn aan de detailhandel. Dit betekent dat het aantal horecavestigingen per straat/blokzijde duidelijk lager moet liggen dan het aantal winkels. Kenmerken: De horeca dient zich in principe te beperken tot het gebruik van de begane grond verdieping; De horeca vervult primair een winkelondersteunende functie die bijdraagt aan het multifunctionele karakter van de binnenstad; De openingstijden van de horeca sluiten zoveel mogelijk aan bij die van de winkels (horeca overdag ook open); Het aantal horecavestigingen is ondergeschikt aan dat van de winkels; Uitbreiding van horeca is niet aan de orde. B. Concentratiegebied Er zijn drie concentratiegebieden: Grote Hoogstraat, de directe omgeving rond het westelijke deel van het Ruiterskwartier en een deel van de Weaze-westzijde met het achtergelegen gebied. Dit zijn de gebieden waar het beleid is gericht op concentratie van horecavestigingen, hetzij in mengvorm (dag-, avond- en nachthoreca), hetzij meer toegespitst op een bepaalde vorm van horeca. Nieuwe horecavestiging in een dergelijk gebied is mogelijk. Uitgangspunt is dat horeca zowel horizontaal (meerdere panden per functie) als verticaal (in etages) mogelijk wordt gemaakt. Per straat of straatwand wordt aangegeven welke categorieën zijn toegestaan en om welke aantallen het mag gaan. Uitgegaan wordt van het aantal panden dat mag worden gebruikt voor een horecafunctie. Dit is in het bestemmingsplan aangeduid op de plankaart, welke gekoppeld is aan een tabel, behorende bij de voorschriften. Kenmerken: Het gebied is goed bereikbaar voor auto, openbaar vervoer en (brom -) fiets; De horeca is gericht op een bovenlokaal verzorgingsgebied; Horecagebruik hoeft niet beperkt te blijven tot de begane grondverdieping; Er zijn reeds meerdere horecavestigingen op korte afstand van elkaar aanwezig; Gebied is niet gelegen in een overlast gevoelige omgeving (bijvoorbeeld een woongebied); De afstand tot andere concentratiegebieden is zodanig dat deze beloopbaar is; In het gebied of in de nabijheid van het gebied is bij voorkeur een publiekstrekker aanwezig; Het gebied heeft een open en overzichtelijke structuur; Geen horecaontwikkeling in stegen uitkomend op Ruiterskwartier uit oogpunt van de openbare orde. C. Ontwikkelingsgebied Dit betreffen de gebieden waar ruimte wordt geboden voor nieuwe vestiging van horecabedrijven, welke de gewenste horecastructuur van de binnenstad kunnen versterken, zoals het Harmoniekwartier. Bij de vorige nota viel ook het gebied rond het Raadhuisplein/ Hofplein/Gouverneursplein en de Weerd hieronder, maar hier is inmiddels de gewenste ontwikkelingssituatie gerealiseerd. Daarom wordt dit niet langer bestempeld als een ontwikkelingsgebied, maar als een consolidatiegebied. De horecaregeling voor deze gebieden is derhalve gelijk, met dien verstande dat het aantal horecabedrijven per straat of straatwand kan verschillen. Dit wordt tot uitdrukking gebracht in de tabel behorende bij het bestemmingsplan in de binnenstad. Kenmerken: De bebouwing en de openbare ruimte biedt ruimte voor horeca –ontwikkeling; Gebied is niet gelegen in een overlast gevoelige omgeving (bijvoorbeeld een woongebied); De afstand tot kernwinkelgebied en horecaconcentratiegebieden is zodanig dat deze beloopbaar is; De horecaontwikkeling voegt iets toe aan aanwezige (geconcentreerde) horecavoorzieningen; Kleinschaliger horeca qua aantal en omvang dan in concentratiegebieden; Sturing geven aan kwantiteit in plaats van kwaliteit horeca; Een specialisatie of thematisering van de horeca ligt voor de hand; Voor ontwikkelingsgebieden horecagebruik van de verdiepingen bij recht mogelijk maken. D. Consolidatiegebied Dit betreffen de gebieden met veelal een gemengde functie, waar het beleid is gericht om naast kwantitatieve beperking mogelijkheden te bieden voor een kwalitatieve verbetering. Nieuwe vestiging van horeca in deze gebieden wordt niet toegestaan, wel wordt gestreefd naar een kwaliteitsverbetering van het bestaande aanbod. Verder wordt een uitwisseling tussen bepaalde horecacategorieën wel toegestaan in die zin dat een horecabedrijf uit de ‘zware’ milieucategorie zonder meer mag worden vervangen door een horecafunctie uit een lichtere milieucategorie. Deze gebieden zijn niet aan een specifieke centrumbestemming toe te wijzen, maar zijn geregeld in verschillende bestemmingen. Net als bij de concentratiegebieden en ontwikkelingsgebieden, zijn de horecafuncties per straat of per straatwand vastgelegd in het bestemmingsplan. Uitgangspunt voor deze gebieden is dat het aantal en het type horecabedrijf wordt vastgelegd op de bestaande situatie. Kenmerken: De gebieden maken geen deel uit van het kernwinkelgebied of horecaconcentratiegebied, maar zijn hier tegenaan gelegen of er voert een aanlooproute doorheen of langs; De omgeving en bebouwing zijn niet of minder geschikt voor horecaontwikkeling; De genoemde openbare ordeproblemen zijn voor het grootste deel niet gerelateerd aan de aanwezige horeca, waardoor ook om deze reden geen beleidswijziging noodzakelijk is; Binnen dit gebied vindt geen uitbreiding plaats van horeca in welke vorm dan ook. Ook een zwaardere categorie horeca wordt gezien als uitbreiding. E. Deconcentratiegebied Dit zijn de gebieden binnen de stadsgrachten, waar het beleid is gericht op de afname van de aanwezige horecavestigingen via natuurlijk verloop. De gemeente voert geen actief beleid om het aantal horecavestigingen te verminderen. In tegenstelling tot de andere horecagebieden, zal hier geen uitwisseling mogen plaatsvinden per straatwand in die zin dat als er een horecabedrijf verdwijnt, er elders geen nieuwe terug mag komen. Dit betekent dus een uitsterfbeleid. Om die reden zal de regeling in het nieuwe bestemmingsplan voor de binnenstad zijn gebaseerd op het via een aanduiding inbestemmen van de huidige functie op de huidige locatie. Bij verdwijning van de functie kan door het college van burgemeester en wethouders een wijzigingsbevoegdheid worden toegepast, teneinde de aanduiding te verwijderen met als doel het voorkomen van nieuwe vestiging van horeca op deze plek. Het deconcentratiegebied impliceert overigens niet dat horecafuncties zonder meer uitgesloten zijn. Er wordt beperkte ruimte geboden voor bestemmingen waar de horecafunctie ondersteunend is voor maatschappelijke en/of culturele functies die bijdragen tot een aantrekkingskracht van de binnenstad (voorbeeld Museumhaven, terras bij de bibliotheek, theaters). Omdat dit veelal niet voorzienbare ontwikkelingen zijn, en een goede sturing hierop vereist is, wordt voorgesteld dergelijke initiatieven niet binnenplans te regelen, maar via een projectprocedure te laten lopen. Kenmerken: De horeca draagt niet bij aan karakter van het gebied; De omgeving en bebouwing zijn niet of minder geschikt voor horecaontwikkeling; De omgeving is gevoelig voor overlast; Het gebied ligt niet in de looproutes tussen de concentratiegebieden en/of het kernwinkelgebied; De aanwezige horeca heeft vooral een buurt – of lokale functie en draagt niet bij aan uitstraling van binnenstad als uitgaanscentrum; Horecapanden qua locatie fixeren in de bestemmingsplannen. F. Horeca buiten de binnenstad Dit zijn horecavestigingen die buiten de stadsgrachten zijn gelegen. Een groei van het aantal horecavestigingen past niet binnen dit beleid, uitgangspunt is consolideren van bestaande horeca. De horeca dient gesitueerd zijn binnen de buurt- en wijkwinkelcentra. Hierbinnen is eventuele uitbreiding mogelijk, als het gaat om snackbar, buurtcafé, restaurant etc. met primair een beperkt verzorgingsgebied. In een nieuw woongebied van voldoende omvang, zal bij de plannen voor dit gebied aangegeven worden of ruimte geboden wordt, en zo ja waar, voor de vestiging van horeca. In de regel gaat het hierbij om vormen van eethoreca waarvoor mogelijkheden worden geboden binnen zones waar ook andere verzorgende functies zijn gepland. Nieuwe vestiging buiten de buurt- en wijkwinkelcentra wordt in principe tegengegaan. Uitzondering is mogelijk indien er aan de volgende punten wordt voldaan: Eethoreca moet gevestigd zijn langs de (stedelijke) hoofd infrastructuur zoals invalswegen en rondwegen. Aantoonbaar voldoende ontsluitingsmogelijkheden. Aantoonbaar voldoende parkeergelegenheden. Geen overlast naar achterliggende (woon) gebieden. 1.1.2Indeling in horecacategorieën. Naast het onderscheid in gebieden wordt in de bestemmingsplannen ook onderscheid in soort inrichting. De horecacategorieën zoals die in het verleden werden gebruikt, horeca e (eetgelegenheden) en horeca d (waarbij de verstrekking van alcoholische drank centraal staat) waren onduidelijk, omdat veel horecabedrijven in de binnenstad zich op het grensvlak van beide horecacategorieën bevinden. In de vigerende bestemmingsplannen levert dit problemen op ten aanzien van de vergunningverlening en de handhaving. In het nieuwe bestemmingsplan binnenstad is er een andere categorie-indeling gemaakt. De hiervoor genoemde indeling is, met uitzondering van horeca V, gebaseerd op de effecten op de omgeving (o.a. overlast): categorie I is de lichtste horecacategorie, categorie IV de zwaarste. Uitgangspunt voor het bestemmingsplan is dat waar een zware horecacategorie is toegestaan, ook een lichte categorie gevestigd mag worden. Op deze manier wordt de uitwisselbaarheid gewaarborgd. De niet zelfstandige horeca (ondergeschikte horeca), zijnde de horeca die deel uitmaakt van een winkel of een andere functie wordt eveneens specifiek geregeld. Horeca I is de zogeheten daghoreca: dit betreft de horecazaken die complementair zijn aan de centrumfuncties en zich ook schikken aan de winkeltijden. Het betreft hier bijvoorbeeld de lunch- en tearooms, croissanterieën of de ijssalon. De doelgroep van deze vorm van horeca is hoofdzakelijk de winkelbezoeker die tijdens het winkelen een hapje wil eten of een ijsje wil nuttigen. Horeca II zijn de restauratieve horecabedrijven die overwegend in de loop van de middag openen en aan het einde van de avond sluiten. Dit is een ‘rustige‘ horecafunctie waar in de regel geen hoge bezoekersfrequentie aanwezig is. Horeca III zijn de bezoekersintensieve horecabedrijven die gedurende de hele dag, avond en nacht open kunnen en mogen zijn. Hiermee worden de horecabedrijven bedoeld, waarvan vaak ’s avonds en in de nachturen gebruik van wordt gemaakt om bijvoorbeeld even te ‘snacken’. Het betreft hier bijvoorbeeld eetcafés, cafetaria’s snackbars, automatieken en shoarmazaken. Horeca IV kan als de zwaarste vorm van horeca worden beschouwd. Deze horecabedrijven zijn veelal uitsluitend ’s avonds en ’s nachts geopend en hebben gedurende deze uren, met name in het weekend, een zeer hoge bezoekersfrequentie. Het betreft hier bijvoorbeeld bars en cafés, de clubs en de discotheken. Daarnaast zijn de coffeeshops ook aangemerkt als horeca IV, omdat verkoop van drugs planologisch niet relevant is, kan het bestemmingsplan geen mogelijkheden bieden voor een specifieke coffeeshopregeling. Horeca V is een bedrijfsactiviteit waarbij de bedrijfsuitoefening uitsluitend is gericht op het tegen vergoeding verstrekken van logies (hotels). De gebiedsindeling en de in de bestemmingsplannen gehanteerde categorie-indeling worden gehandhaafd als het vestigingsbeleid voor horeca-inrichtingen. 1.2 Vergunningenstelsel horeca 1.2.1 Huidige situatie Op 25 mei 2009 heeft de gemeenteraad besloten de Algemene Plaatselijke Verordening Leeuwarden (hierna te noemen APV) dusdanig te wijzigen dat voor horecabedrijven, die alcohol schenken, de exploitatievergunning niet langer nodig is. De wijziging van de APV is gedaan in het kader van de deregulering en betekent een lastenverlichting voor horecaondernemers. Deze wijziging is op 4 juni 2009 in werking getreden. Dit houdt in dat horecabedrijven die alcohol schenken alleen een Drank- en Horecavergunning nodig hebben op grond van de Drank- en Horecawet. Indien het horecabedrijf een terras exploiteert en afwijkende sluitingstijden heeft, dan is er naast de Drank- en Horecavergunning nog een terrasvergunning en een ontheffing sluitingsuur nodig. Deze vergunningen en ontheffingen worden voor onbepaalde tijd verstrekt. Indien er wijzigingen zijn met betrekking tot de inrichting, sluitingsuur, de leidinggevenden of bij een overname, dan dient de exploitant een vergunning/ontheffing aan te vragen. In de APV is geregeld dat alleen niet alcoholhoudende horecabedrijven (o.a. coffeeshops) een exploitatievergunning nodig hebben. Hierin is vooral geregeld de openbare orde en veiligheid en eisen ten aanzien van de inrichting. In de exploitatievergunning kan onder meer per inrichting het volgende geregeld worden: Het treffen van maatregelen ten aanzien van het voorkomen van overlast voor zover niet geregeld in hogere wetgeving (b.v. openbare orde op straat via toezicht houden). Nadere eisen van zedelijkheid ten aanzien van de houder van de inrichting. Nadere eisen aan de inrichting. Gelet op de recente wijziging in het vergunningenstelsel, worden hierin geen verdere wijzigingen aangebracht. 1.3 Sluitingstijden 1.3.1 Huidige sluitingstijden. De sluitingstijden van de horecazaken zijn gebiedsgerelateerd en zijn geregeld in de APV. Voor het concentratiegebied, ontwikkelingsgebied, consolidatiegebied en het Stationskwartier gelden voor de bedrijven de openingstijden van 08.00 uur tot 06.00 uur, met dien verstande dat het tussen 03.00 uur en 06.00 uur verboden is nieuwe of komende bezoekers toe te laten in horecabedrijven, waarin alcoholhoudende drank of softdrugs worden verstrekt of verkocht. Voor het deconcentratiegebied gelden de openingstijden van 08.00 uur tot 23.00 uur. In het winkelgebied en de gebieden buiten de stadsgrachten gelden voor de bedrijven openingstijden van 08.00 uur tot 01.00 uur, met dien verstande, dat het tussen 00.00 uur en 01.00 uur verboden is nieuwe of komende bezoekers toe te laten in horecabedrijven, waarin alcoholhoudende drank of softdrugs worden verstrekt of verkocht. Een uitzondering op de sluitingstijden wordt gemaakt voor aan het FEC verbonden horeca-inrichtingen op de dagen dat de veemarkt wordt gehouden. Verder kan de burgemeester op basis van de APV voor een afzonderlijk horecabedrijf (of voor een daartoe behorend terras) ontheffing voor sluitings- en/of toelatingsuren worden verleend. Deze ontheffingen worden alleen verleend indien een bedrijf op grond van het overgangsrecht recht heeft op andere sluitingstijden, dan voor het gebied, waarin de inrichting ligt, gelden. 1.3.2 Werkgroep Jeugd en Alcohol/Regionaal College De werkgroep J&A/RC is in 2008 ontstaan omdat meerdere burgemeesters wilden onderzoeken of het mogelijk is om toelatings- en sluitingstijden regionaal af te stemmen als middel om het alcoholgebruik onder jongeren te beperken. Regionale afstemming is daarbij wenselijk omdat de horeca anders in een oneerlijke concurrentiepositie wordt gebracht. Regionale afstemming zal dan mogelijk ook tot meer draagvlak onder de horeca leiden. In de loop van de tijd is het thema verhoging van de leeftijdsgrens daarbij gekomen. De drive bij burgemeesters om het alcoholgebruik onder jongeren terug te dringen komt voort uit zowel een algemene zorg over de gezondheidsrisico’s die daaraan kleven, maar ook vanwege het terugdringen van de overlast die overmatig alcoholgebruik vaak met zich meebrengt. In de loop van de tijd is daar, mede naar aanleiding van de ontwikkelingen rondom de herziening van de Drank- en Horecawet, het onderwerp “leeftijdsgrenzen alcoholgebruik” aan toegevoegd. In de loop van 2010 zullen voorstellen worden uitgewerkt om de toelatingstijden regionaal af te stemmen. Daarnaast zal worden onderzocht in hoeverre de herziene Drank en Horecawet aanknopingspunten biedt voor het verhogen van de leeftijdsgrens voor de verstrekking van alcohol van zestien naar achttien jaar. En in hoeverre het wenselijk en haalbaar is om in Fryslân gebruik te maken van deze mogelijkheden. De werkgroep J&A/RC vindt het wenselijk dat in de wet de ondergrens voor alcohol wordt opgehoogd naar achttien jaar. Hiermee wordt duidelijkheid geschapen en geldt binnen alle gemeenten hetzelfde regime. Wetenschappelijk onderzoek heeft aangetoond dat de leeftijd waarop alcohol gebruikt wordt, bepalend is voor de schade die er mee wordt veroorzaakt. Het wettelijk verhogen van de ondergrens helpt gemeenten/regio’s om, aangevuld met andere beleidsmaatregelen, het alcoholgebruik onder jongeren te beperken. Zoals in het actieprogramma is aangegeven zal in de werkgroep RC/J&A verder onderzocht worden welke mogelijkheden de herziene DHW biedt voor het verhogen van de leeftijdsgrens voor de verstrekking van alcohol van zestien naar achttien jaar. Handhaving en toezicht zijn daarbij cruciaal. 1.3.3 Overgangsrecht De Raad heeft op 16 december 2002 vastgesteld dat voor horecabedrijven een “eeuwigdurend” overgangsrecht van de sluitingstijden geldt, indien de bedrijfsvoering gelijk blijft. Dit zijn horecabedrijven, niet gelegen in het concentratie-, ontwikkelings- of consolidatie-gebieden, waarvoor op 15 januari 1998 andere (latere) sluitingstijden golden, met uitsluiting van de bepalingen voor de sluitingstijden van terrassen. Hierdoor is er met name binnen het deconcentratiegebied een veelheid aan sluitingstijden. Voor de duidelijkheid wordt daarom nu bij de vergunning een raamkaart verstrekt, waarop de openings-, sluitings – en toelatingstijden van de horecavestiging staan vermeld. Deze kaart wordt op een voor een ieder zichtbare plaats opgehangen. Indien dit niet gebeurt dan gelden de sluitingstijden van 23.00 uur. Op deze wijze is handhaving van de verschillende sluitingstijden beter mogelijk. Bovendien ontstaat voor de consument duidelijkheid over de openingstijden van de betreffende vestiging. 1.3.4 Sluitingstijd in het deconcentratiegebied Zoals in vorige paragraaf al is aangegeven, is er met name in het deconcentratiegebied sprake van een veelheid aan sluitingstijden, veroorzaakt door het overgangsrecht. Hierdoor komt het voor dat in één straat drie bedrijven verschillende sluitingstijden hebben. Dit schept onduidelijkheid, zowel voor de burger, de ondernemer, als ook voor de gemeente zelf. Immers, aan de burger en ondernemer valt niet uit te leggen waarom het ene bedrijf om 23.00 uur dicht moet, terwijl een naastgelegen bedrijf tot 06.00 uur open mag zijn. Ook het toezicht op de horeca wordt hierdoor bemoeilijkt. Dat in het deconcentratiegebied een sluitingstijd van 23.00 uur geldt, vindt zijn oorsprong in het feit dat er destijds meer horeca-inrichtingen binnen dat gebied lagen, welke overlast veroorzaakten. Omdat de hoofdfunctie binnen het deconcentratiegebied over het algemeen wonen is, is dit begrijpelijk. Voorts was de beleidsvisie dat in dat deel van de binnenstad het aantal horeca-inrichtingen moest afnemen en dat horeca-drank inrichtingen zoveel mogelijk moesten verdwijnen of omgezet moesten worden in een horeca-eet inrichting. Deze ontwikkeling heeft zich in het afgelopen decennium voorgedaan. Hierdoor is de druk op het gebied afgenomen en het bestemmingsplan biedt ook geen ruimte voor meer inrichtingen. 1.3.4.1 Nieuw beleid Voor het deconcentratiegebied, gelijk aan het winkelgebied en de woongebieden buiten de stadsgrachten, worden openingstijden vastgesteld van 08.00 uur tot 01.00 uur, met dien verstande, dat het tussen 00.00 uur en 01.00 uur verboden is nieuwe of komende bezoekers toe te laten in horecabedrijven, waarin alcoholhoudende drank of softdrugs worden verstrekt. Hiermee wordt recht gedaan aan deregulering om de sluitingstijden eenduidiger te maken, nu het hier een woongebied betreft, zoals die zich ook buiten de stadsgrachten bevinden. Tevens worden de sluitingstijden voor een groot gedeelte van de horeca-inrichtingen gelijk getrokken. Dit zorgt voor rechtsgelijkheid, eenduidigheid en vereenvoudiging. Het gaat hier om twaalf horeca-inrichtingen die een sluitingstijd hebben van 01.00 uur waarbij geen overlastsituaties bekend zijn van omwonenden. Om de sluitingstijden helemaal op lijn te krijgen, wordt voor de bedrijven in het deconcentratiegebied, die nu nog recht hebben op een latere sluitingstijd dan 01.00 uur, het overgangsrecht aan een termijn van vijf jaar gebonden. Het betreft drie horeca-inrichtingen, waarvan één horeca-inrichting leeg staat met een sluitingstijd van 06.00 uur en waarvan er twee in het weekend later open mogen zijn. Aanpassing van de sluitingstijden en het overgangsrecht is opgenomen in de APV. Op 31 januari 2011 is tijdens de raadsvergadering een amendement ingediend door de VVD en deze is aangenomen om het overgangsrecht van vijf jaar bij horecabedrijven die recht hebben op een latere sluitingstijd in het deconcentratiegebied terug te brengen in de oude staat. Dit houdt in dat het eeuwigdurend overgangsrecht van toepassing blijft. 1.3.5 Ontheffing sluitingstijden De burgemeester kan op basis van de APV ontheffing verlenen van het sluitingstijdstip van 23.00 uur en 01.00 uur tot uiterlijk 02.00 uur. Zo wordt ieder jaar door de burgemeester ontheffing verleend voor alle horecabedrijven tot 02.00 uur, gedurende de volgende perioden: In de nacht van 31 december op 1 januari tot 02.00 uur. In de nacht van 1 op 2 januari (Nieuwjaar) tot 02.00 uur. In de beide Paasnachten. In de nacht van 30 april (Koninginnedag) op 1 mei. In de nacht van 5 op 6 mei (Bevrijdingsdag). In de beide Pinksternachten. In de nacht van 25 op 26 en van 26 op 27 december (Kerstdagen). Momenteel is er voor horecabedrijven die een sluitingstijd hebben van 23.00 uur of 01.00 uur een mogelijkheid om vier maal per jaar een ontheffing aan te vragen van het sluitingsuur van maximaal een uur. Het moet wel gaan om een bijzondere gelegenheid. In de praktijk is gebleken dat vier maal per jaar aan de lage kant is voor alle initiatieven. Er zijn diverse signalen binnen gekomen van culturele instellingen en dorpscentra om het aantal van vier uit te breiden. 1.3.5.1 Nieuw beleid De afwijkende sluitingstijden zijn vastgelegd in algemene regels in de APV, zodat de burgemeester niet jaarlijks een ontheffing hoeft te verlenen voor bovenstaande dagen. Voor zes verschillende dagen kan een ontheffing worden verleend tijdens bijzondere omstandigheden die buiten de normale bedrijfsvoering vallen en waarbij een latere sluitingstijd wenselijk is. Naast de vastgestelde dagen zoals oud en nieuw, Pasen, Pinksteren, bevrijdingdag, Kerstdagen, is er dan nog een mogelijkheid een afwijkende sluitingsuur te vragen. 1.3.6 Ontheffing voor terrassen in de zomermaanden In de APV is nu geregeld dat het in de maanden juni, juli en augustus toegestaan is het terras in de nacht van zaterdag op zondag tot 02.00 uur geopend te hebben, in plaats van 01.00 uur. In de inspraak is naar voren gekomen om een ontheffing te verlenen voor de terrassen om een uur langer open te zijn tot 02.00 uur in de maanden juni, juli en augustus in de nacht van vrijdag op zaterdag (zoals in de nacht van zaterdag op zondag) binnen de stadsgrachten in het concentratie-, ontwikkelings- of consolidatiegebied en het Stationskwartier. De burgemeester is bereid hiermee een proef te doen om een ontheffing voor een jaar te verlenen. De reden dat het hier een proef betreft vloeit voort uit het feit dat in de afgelopen jaren overlast is geconstateerd op deze avonden aan de Stationsweg en het Ruiterskwartier. 1.3.6.1 Nieuw beleid Gedurende de proef zal een ontheffing van het sluitingsuur voor een jaar voor de terrassen in de maanden juni, juli en augustus in de nacht van vrijdag op zaterdag tot 02.00 uur worden verleend, in plaats van 01.00 uur. De proef geldt alleen voor de gebieden binnen de stadsgrachten in het concentratie-, ontwikkelings- of consolidatiegebied en het Stationskwartier. Indien de proef goed verloopt dan zal de APV hierop gewijzigd worden. Op 31 januari 2011 is tijdens de raadsvergadering een motie ingediend door de VVD en deze is aangenomen, om een proef van een jaar van de maand september toe te voegen aan de ontheffing om de terrassen een uur langer open te houden tot 02.00 uur in de nacht van vrijdag op zaterdag en in de nacht van zaterdag op zondag binnen de stadsgrachten in het concentratie-, ontwikkelings- of consolidatiegebied en het Stationskwartier. Na één jaar zal de proef voor de terrassen om een uur langer open te zijn tot 02.00 uur in de maanden juni, juli en augustus in de nacht van vrijdag op zaterdag en voor de maand september binnen de stadsgrachten in het concentratie-, ontwikkelings- of consolidatiegebied en het Stationskwartier worden geëvalueerd en de evaluatie moet tijdig voor het zomerseizoen 2012 worden voorgelegd aan de gemeenteraad. 1.4 Terrasbeleid Eind 2006 zijn er op basis van de APV regels voor terrassen vastgesteld. De terrasvergunning wordt voor onbepaalde tijd verleend. Daarnaast is een terras een lokaliteit in de zin van de Drank- en Horecawet. Indien het gaat om een overdekt terras is de Woningwet van toepassing. Ten aanzien van dit laatste soort terras is de bouwregelgeving helder, zodat daar in de nota niet meer op in wordt gegaan. Voor de terrassen zijn toen regels vastgesteld. Inmiddels is in de praktijk gebleken dat niet alle regels gehandhaafd kunnen worden. Ook in het kader van de deregulering zouden een aantal regels kunnen vervallen, zonder dat dit afbreuk doet aan het beeld van de terrassen. Daarnaast brengt deze nota ook weer wijzigingen met zich mee. Daarom wordt nu het volgende terrassenbeleid vastgesteld: De sluitingstijden voor de terrassen zijn opgenomen in de APV; Indien terrasschermen worden geplaatst, dienen ze aan de volgende eisen te voldoen: Een hoogte van maximaal 1,50 meter en een eventueel gesloten onderzijde van maximaal 0,60 meter Langs de gracht: een volledige transparante uitvoering (van gehard blank glas). Het glas dient aan de bovenzijde een horizontale afwerking te hebben; Dwars op de gracht en aan de gevel een uitvoering met een transparante bovenzijde; De terrasschermen dienen recht te worden gesteld, ongeacht het soms aflopende straatpeil, en van een (verstelbaar) bevestigingssysteem te moeten worden voorzien; Bevestiging in het straatwerk dient verwijdering van de terrasschermen mogelijk te maken, zonder boven het straatwerk uitstekende bevestigingselementen. Parasols: Te plaatsen parasols dienen van een solide uitvoering te zijn en moeten op de juiste wijze in het straatwerk worden bevestigd; De parasol mag niet groter zijn dan het terras; De plaatsing van bevestigingspunten voor parasols in het straatwerk geschiedt pas na overleg met en door de gemeente. Terrasmeubilair: Hoewel het type terrasmeubilair vrij is naar keuze, is het gebruik van plastic meubilair uitgesloten, tenzij het kunststof terrasmeubilair betreft dat er uit ziet als riet of rotan of een ander natuurproduct; Het terrasmeubilair mag niet worden bevestigd in het straatwerk; Buiten de exploitatie-uren dient het terrasmeubilair inpandig te worden opgeslagen. Wanneer zulks niet mogelijk is, dient de exploitant nadere afspraken te maken met de gemeente; Stoelen en tafels, die buiten de inrichting en tegen de gevel van die inrichting worden opgeslagen, moeten vervaardigd zijn van brandvertragend materiaal (klasse 2). Dit voorschrift houdt verband met de brandveiligheid van opslag van materialen; De exploitanten mogen het hele jaar een terras opstellen; Bij coffeeshops zijn terrassen niet toegestaan; Bij ondergeschikte horeca (kleinschalige horeca binnen een andere bestemming) zijn terrassen die toegankelijk zijn zonder de inrichting te hoeven betreden, of terrassen die vanaf een openbare plaats zichtbaar zijn, niet toegestaan; Bij winkels, niet hebbende ondergeschikte horeca, is het plaatsen van één bankje voor de gevel van de winkel toegestaan, indien ook het plaatsen van een uitstalling daar toegestaan is. Overig: Bij de vorming van een terras dient rekening gehouden te worden met de bereikbaarheid van de panden. Andere functies, zoals winkels of het verkeer, mogen niet een negatief effect ondervinden van de terrassen ter plaatse, zoals in het verleden wel is gebeurd. Het beleid is daarom als volgt: Terrassen tegen de gevel van de horeca-inrichting mogen niet breder zijn dan de gevel; Voor voetgangers dient er een ruimte over te blijven van minimaal 1,50 meter op het trottoir, of, indien het terras zich bevindt in een autovrij gebied, op de weg; In gebieden met winkels moet worden uitgegaan van een ruimte van minimaal 4 meter; In straten waar het trottoir smal is en het trottoir over het algemeen niet door voetgangers gebruikt wordt, omdat het trottoir onderbroken wordt door stoepjes, hekjes en kelderingangen, is een gevelterras toegestaan, indien op dat stuk trottoir ook het plaatsen van een uitstalling is toegestaan en het gevelterras niet verder dan 1 meter uit de gevel staat; Terrassen die van de horeca-inrichting worden gescheiden door een voetgangers- of andere verkeersstroom dienen qua grootte afgestemd te worden op de gevelbreedte, tenzij rechthebbenden op de naastliggende panden, in kunnen stemmen met een breder terras tegenover hun zaak. In dat geval mag het terras breder. Het begrip “rechthebbende” wordt hierbij gedefinieerd als eenieder, die een direct belang heeft in een naastliggend pand. De instemming van de rechthebbenden geldt voor onbepaalde tijd en ook voor een opvolgende rechthebbende. Indien de rechthebbenden uit zichzelf aangeven moeite te hebben met het terras, zal eerst gezocht worden naar een compromis. Mocht dit niet mogelijk zijn, en het terras moet verdwijnen, dan geldt een overgangstermijn van 5 jaar. Gedurende deze termijn kan de ondernemer inspelen op de veranderende situatie en eventuele gedane investeringen in het terras afschrijven. Het terras verdwijnt niet indien een eerdere rechthebbende reeds heeft ingestemd; Een losstaand terras mag niet verder van de horeca-inrichting (dichtstbijzijnde muur pand) liggen dan 20 meter (rand van het begin van het terras); Terrassen op een plein of een verbreding in de straat worden gesitueerd overeenkomstig een door de wegbeheerder op te maken terrassenplan. Dit terrassenplan maakt onderdeel uit van de vergunning van de desbetreffende horeca-inrichting. Bij het maken van het terrassenplan worden de in het voorgaande genoemde afstanden in acht genomen; Een aanvraag voor inrichting van een terras of uitbreiding van een terras wordt getoetst aan de beleidsnota Bijzondere wetten; Het plaatsen van verwarmingsapparaten op terrassen is toegestaan; Er worden geen extra terrassen of vergroting van bestaande terrassen toegestaan tijdens feestdagen of evenementen, tenzij een tijdelijke uitbreiding van het terras binnen het evenemententerrein ligt. In verband met de drukte op dergelijke dagen en de daarmee gepaard gaande verdeelde inzet van toezichthouders was deze regel de laatste jaren al praktijk. Locaties, die van belang kunnen zijn voor evenementen, moeten gevrijwaard blijven van terrassen. In ieder geval dient het trottoir van de Nieuwestad z.z. en de Wirdumerdijk gevrijwaard te blijven van terrassen. Binnen de in de nota “Levendigheid in de Binnenstad: een passend gebruik van de openbare ruimte” aangegeven kwetsbare en bijzonder kwetsbare gebieden dient voor de horecagelegenheden die een aanvraag doen voor een terras een nadere stedenbouwkundige toets plaats te vinden; Als het gedeelte van de openbare weg, waar het terras is opgericht, betrokken is bij een evenement, moet het meubilair tijdelijk worden verwijderd; Tevens geldt de terrasvergunning niet indien aan de weg onderhoud moet worden gepleegd, de weg moet worden vernieuwd of heringericht. 1.5 Paracommerciële inrichtingen 1.5.1 Huidige situatie In de gemeente Leeuwarden zijn ongeveer 95 paracommerciële instellingen met een Drank- en Horecavergunning. Onder paracommercieel wordt verstaan een vorm van niet-commerciële horeca door verenigingen of stichtingen. Zij moeten voldoen aan één van de doelstellingen van artikel 4 van de Drank- en Horecawet: een instelling (meestal stichting of vereniging) van recreatieve, sportieve, sociaal-culturele, educatieve of godsdienstige aard. Dit wordt vastgesteld door naar de statuten van de stichting of vereniging te kijken. Van ongewenste mededinging is geen sprake als een instelling voldoet aan onder meer de volgende voorwaarden: Ingeschreven staat in het handelsregister van de Kamer van Koophandel; Ingeschreven staat bij het Bedrijfschap Horeca en Catering; De collectieve arbeidsovereenkomst voor de horecasector volledig toepast; Voor al haar werknemers de verschuldigde sociale verzekeringspremies en belastingen op het volledige loon inhoudt en afdraagt; Alle overige verschuldigde belastingen afdraagt en geen BTW-vrijstelling geniet; Niet hoofdzakelijk draait dankzij de inzet van vrijwilligers; Geen overheidssubsidie – in welke vorm dan ook – ontvangt; Een prijsniveau hanteert, vergelijkbaar met soortgelijke horecabedrijven ter plaatse of in de omgeving; Onderneemt voor rekening en risico van de instelling zelf; Onderneemt op een manier die past in het bestemmingsplan, dat wil zeggen dat de accommodatie (mede) de bestemming horeca heeft en niet alleen een bestemming maatschappelijke of sociaal-culturele doeleinden; De instelling een accommodatie in eigendom bezit of hiervoor een reële huurprijs betaalt in overeenstemming met de marktwaarde, dan wel een aangepaste huurprijs in relatie tot het primaire doel van de exploitatie. Afhankelijk van de mate en ernst van de ongewenste mededinging worden voorschriften of beperkingen aan de vergunning verbonden. De instrumenten om niet wenselijke mededinging aan te pakken zijn de volgende: Toepassing geven aan de artikelen 4 tot en met 6 en 9 van de Drank- en Horecawet. Het verbinden van voorschriften aan nieuwe Drank- en Horecavergunningen. Het toetsen en handhaven van bestuursreglementen. Het verbinden van nadere voorschriften aan bestaande Drank- en Horecavergunningen. De regels voor paracommerciële instellingen zijn: Twee leidinggevenden moeten het diploma SVH verklaring sociale hygiëne hebben; Gedurende tijden dat alcohol wordt geschonken, dient een leidinggevende met het diploma SVH verklaring sociale hygiëne aanwezig te zijn of een barvrijwilliger die door het bestuur is geïnstrueerd over verantwoord alcoholgebruik; De tijden waarop alcohol geschonken wordt, moeten zichtbaar worden aangegeven; De wettelijke leeftijdsgrenzen moeten zichtbaar worden aangegeven; Er mag niet geschonken worden aan mensen onder invloed van alcohol, drugs of medicijnen Het bestuur stelt een bestuursreglement (de huisregels) vast waarbij de volgende elementen verplicht zijn: Hoe het bestuur waarborgt dat de verstrekking van sterk- c.q. zwakalcoholhoudende dranken geschiedt door personen die voldoende kennis en inzicht hebben in sociale hygiëne. Het bestuur stelt kwaliteitseisen op voor barvrijwilligers over verantwoord alcoholgebruik. Op welke dagen en tijdstippen sterk- c.q. zwakalcoholhoudende drank wordt verstrekt. Deze dagen en tijdstippen moeten duidelijk zichtbaar in de horecalokaliteit worden aangegeven. Hoe het toezicht op de naleving van de inhoud van het reglement zal plaatsvinden. Andere onderwerpen die in het bestuursreglement kunnen worden opgenomen, zijn bijvoorbeeld: Regels omtrent omgaan met agressie en normafwijkend gedrag, tegengaan van drugsgebruik en seksuele intimidatie; Beperkingen van het assortiment alcoholhoudende dranken; Beleid ter promotie van alcoholvrije dranken; Voorschriften over de prijsverhouding tussen alcoholhoudende en alcoholvrije dranken. De vergunningvoorschriften of beperkingen zijn: De vergunning geldt niet voor het verstrekken van alcoholhoudende drank voor gebruik ter plaatste vóór, tijdens of ná bijeenkomsten van persoonlijke aard, als bedoeld in artikel 4, tweede lid, van de Drank- en Horecawet; Het is verboden bijeenkomsten van persoonlijke aard, als bedoeld in artikel 4, tweede lid, van de Drank- en Horecawet, openlijk aan te prijzen, daarmee te adverteren of daarvoor reclame te maken; De tijden gedurende welke in een niet-commerciële instelling sterk- c.q. zwakalcoholhoudende drank mag worden verstrekt worden beperkt door aan de Drank- en Horecavergunningen voortaan de navolgende voorschriften te verbinden, luidend als volgt voor: Recreatieve- sportieve en sociaal-culturele instellingen De vergunning geldt uitsluitend voor het verstrekken alcoholhoudende drank voor gebruik ter plaatse gedurende één uur voor bijeenkomsten/trainingen/wedstrijden, tijdens en tot uiterlijk twee uur na activiteiten met een sportief/ recreatief/sociaal of cultureel karakter, onder de voorwaarde dat de activiteiten passen in de in statutaire doelstelling en georganiseerd in verenigingsverband. Educatieve instellingen en instelling van levensbeschouwelijk of godsdienstige aard De vergunning geldt uitsluitend voor het verstrekken van alcoholhoudende drank voor gebruik ter plaatse in het kader van het onderricht/bijeenkomsten, tot uiterlijk twee uur na afloop van de laatste les/dienst, onder de voorwaarde dat deze activiteiten passen in de statutaire doelstelling. 1.5.2Nieuw beleid In de huisregels (bestuursreglement) van de paracommerciële instellingen komt te staan, dat tijdens de jeugdactiviteiten, jeugdwedstrijden en jeugdbijeenkomsten, waaraan jeugd tot en met 15 jaar deelneemt geen alcohol mag worden verstrekt. Daarnaast worden de vergunningvoorwaarden aangepast, zodat de Drank- en Horecavergunning uitsluitend geldt voor het verstrekken van alcoholhoudende drank voor gebruik ter plaatse gedurende één uur voor bijeenkomsten/trainingen/wedstrijden, tijdens en tot uiterlijk één uur na activiteiten met een sportief, recreatief, levensbeschouwelijk of goddienstige, educatief, sociaal-cultureel karakter, onder de voorwaarde dat de activiteiten passen in de in statutaire doelstelling. Dit vanwege het terugdringen van alcoholgebruik in laagdrempelige inrichtingen. Daarnaast worden ook in andere Friese gemeenten deze tijden gehanteerd. Op 31 januari 2011 is tijdens de raadsvergadering een amendement ingediend door de PVDA en deze is aangenomen om de vergunningvoorwaarden van de schenktijden bij paracommerciële instellingen weer terug te brengen in de oude staat. Dit houdt in dat het verstrekken van alcoholhoudende drank voor gebruik ter plaatse gedurende één uur voor bijeenkomsten/trainingen/wedstrijden, tijdens en tot uiterlijk twee uur na activiteiten met een sportief, recreatief, levensbeschouwelijk of goddienstige, educatief, sociaal-cultureel karakter onder de voorwaarde dat de activiteiten passen in de in statutaire doelstelling. De vergunningvoorwaarden van de Drank- en horecavergunningen bij paracommerciële instellingen hoeft niet aangepast te worden. 1.6 Ondergeschikte horeca 1.6.1 Huidige situatie Ondergeschikte horeca is het kleinschalig verstrekken van eten en drinken tegen betaling voor gebruik ter plaatse, dat ondergeschikt onderdeel is van de hoofdactiviteit. Hierbij valt te denken aan een koffiecorner bij een winkel, eethoek bij de visboer, eetcafé bij een musea, leescafé bij een bibliotheek etc. De ondergeschikte horeca mag niet leiden tot overlast of tot aantasting van de openbare orde in de omgeving. Als een bestemmingsplanregeling niet voorziet dat ondergeschikte horeca toelaatbaar is, dan gelden voor het horecagedeelte de hieronder zeven genoemde eisen. Daarnaast is de ondergeschikte horeca vrijgesteld van de vergunningsplicht exploitatievergunning, gelet op artikel 2:28 en 2:28 c van de APV, maar de ondergeschikte horeca moet wel voldoen aan de volgende eisen: De opening- en sluitingstijden van het horecabedrijf zijn dezelfde als die van de hoofdfunctie c.q. hoofdactiviteit, of het horecabedrijf begint later en/of eindigt eerder dan de hoofdactiviteit; Het horecabedrijf is niet rechtstreeks vanaf de openbare weg toegankelijk; Er worden op, aan of bij de openbare weg geen aanduidingen gegeven waaruit op te maken valt dat in de inrichting etenswaren en dranken tegen betaling worden verstrekt voor gebruik ter plaatse; Er wordt geen reclame gemaakt voor het horecabedrijf; Er is geen buitenterras dat rechtstreeks vanaf de weg zichtbaar en toegankelijk is; Het horecabedrijf wordt uitgeoefend op een vloer- of grondoppervlakte dat niet meer bedraagt dan 15% van de netto vloeroppervlakte van de inrichting, waarin de hoofdbestemming is verwezenlijkt, dan wel grondoppervlakte waarop de hoofdfunctie wordt uitgeoefend, tot een maximum van 150 m2; Bij hoofdbestemmingen die meer dan 1500 m2 in beslag nemen mag het ondergeschikte horecabedrijf niet meer dan 10% van de netto vloeroppervlakte van de inrichting waarin de hoofdfunctie wordt uitgeoefend, tot een maximum van 450 m2, in beslag nemen. Het beleid rond ondergeschikte horeca blijft ongewijzigd. 1.7 Uitvoering Wet BIBOB 1.7.1 Huidige situatie Op 25 april 2006 hebben het college en de burgemeester de Beleidslijn BIBOB vastgesteld. Deze is op 11 mei 2006 in werking getreden. De Wet BIBOB is hierbij van toepassing verklaard op vergunningen voor de horeca (inclusief coffeeshops), seksinrichtingen en speelautomatenhallen. Bij aanvragen voor deze vergunningen wordt de volgende beleidslijn gevolgd: Bij alle aanvragen worden de aangeleverde gegevens (aanvraagformulier, bescheiden) over financiering, bedrijfsactiviteiten, zeggenschap en bedrijfsstructuur globaal bekeken (lichte toets); Als er naar aanleiding van het ingevulde vragenformulier en op basis van de bijhorende stukken nog onduidelijkheden zijn dan wordt een diepgaande toets uitgevoerd. Uiteraard wordt eerst getracht onduidelijkheden op te helderen door hierover de aanvrager te bevragen. De diepgaande toets wordt binnen de wettelijke termijn voor afgifte van de betreffende vergunning afgehandeld; Bij inrichtingen die op grond van strijd met de openbare orde of 13b van de Opiumwet zijn gesloten wordt in principe een diepgaande toets uitgevoerd; In de gevallen waarin de officier van justitie de gemeente adviseert om in een bepaald geval een advies aan het landelijk Bureau BIBOB aan te vragen, wordt een diepgaande toets uitgevoerd en wordt vervolgens advies aan het landelijk Bureau BIBOB gevraagd; In gevallen dat is overgegaan tot de diepgaande toets, kan het bestuursorgaan bij twijfel over de authenticiteit van de overhandigde stukken, de aanvrager verzoeken de originele documenten te tonen; Advies aan het landelijk Bureau BIBOB wordt gevraagd als : Na de diepgaande toets nog vragen blijven bestaan over de bedrijfsstructuur; Na de diepgaande toets vragen blijven bestaan over de financiering van het bedrijf; Na de diepgaande toets vragen blijven bestaan over omstandigheden rond de persoon van de aanvrager, de financier van de onderneming of de eigenaar van het pand waarin de onderneming is gevestigd; De officier van justitie de gemeente adviseert om in geval van een bepaalde aanvraag een advies aan het landelijk Bureau BIBOB aan te vragen. Tevens is een privacyprotocol gemaakt, om te voorkomen dat de verkregen gegevens openbaar worden, hetgeen in strijd zou kunnen zijn met de privacy. Hierin zijn regels vastgesteld over geheimhoudingsplicht, toegang tot gegevens, raadplegen dossiers, bewaren van de dossiers en het advies van het landelijk Bureau BIBOB. Naar aanleiding van de evaluatie van dit beleid in 2007 is het vragenformulier verbeterd, is een aantal bijlagen geschrapt en is de samenwerking met andere partijen verbeterd. Een voorbeeld hiervan is het Integraal Overleg Handhaving. Landelijk is er de ontwikkeling van de Regionale Informatie en Expertise Centra (RIEC). Deze instantie, waar in het noorden alle gemeenten van de drie provinciën zijn aangesloten, zal in de nabije toekomst een belangrijke rol vervullen in de informatieverzameling in het kader van de Wet BIBOB. Bovendien kunnen, los van een aanvraag, panden of ondernemers gescreend worden in verband met criminele activiteiten. 1.7.2 Nieuw beleid Zowel de Drank- en Horecavergunning als de exploitatievergunning worden nu verleend voor onbepaalde tijd. Voorheen was de BIBOB-toets gekoppeld aan de periodieke verlenging van de exploitatievergunning. Dit is nu niet meer mogelijk. Omdat het wenselijk is om periodiek een BIBOB-toets te kunnen doen, wordt daarom de volgende regel aan het bestaande beleid toegevoegd: Bij aanvraag van een vergunning wordt een BIBOB-toets gedaan. Bij wijzigingen in de vergunning, binnen vijf jaar na afgifte van de vergunning, wordt in principe niet opnieuw een BIBOB-toets uitgevoerd, tenzij er redenen zijn dit wel te doen. Bij wijziging van de vergunning later dan vijf jaar na afgifte van de vergunning, wordt opnieuw een BIBOB-toets van de vergunning gedaan. Daarnaast is in de afgelopen jaren gebleken dat de BIBOB-toets een belasting is voor paracommerciële inrichtingen, terwijl het risico op ontoelaatbare situaties daar gering is. Ook in andere gemeenten is de Wet BIBOB op deze groep horeca-inrichtingen niet van toepassing verklaard. Daarom wordt in Leeuwarden de Wet BIBOB niet langer van toepassing verklaard op paracommerciële inrichtingen. Dit betekent een lastenvermindering voor deze groep horeca-inrichtingen. 1.8 Tapontheffing (artikel 35 Drank- en Horecawet) 1.8.1 Huidige situatie Op grond van artikel 35 Drank- en Horecawet kan de burgemeester voor het verstrekken van zwak-alcoholhoudende drankop aanvraag ontheffing verlenen van het verbod om zonder (horeca-) vergunning van burgemeester en wethouders het horecabedrijf uit te oefenen. Deze voorziening bestaat voor ‘bijzondere gelegenheden van zeer tijdelijke aard’ en kan een aaneengesloten periode van ten hoogste twaalf dagen omvatten. Deze mogelijkheid geldt niet voor paracommerciële instellingen die al een Drank- en Horecavergunning hebben. Zij mogen geen feesten of partijen van persoonlijke aard geven en kunnen daarom geen aanspraak maken op een ontheffing. Wat is een bijzondere gelegenheid? Een bijzondere gelegenheid kan een evenement zijn. Een evenement is elke voor publiek toegankelijke verricht van vermaak. Daarnaast zijn er nog andere bijzondere gelegenheden die eenmalig zijn, dan wel in de regel niet meer dan twee maal per jaar plaatsvinden, zoals: braderie, jaarlijks sportevenement. Bruiloft, muziek festival, bedrijfsfeest, kermis, bloemetjesmarkt, manifestaties, jaarmarkt, jubileum viering van een bedrijf/persoon etc. Het toetsingkader en de weigeringgronden zijn: De leidinggevende mag niet onder curatele staan; De leidinggevende mag niet uit de ouderlijke macht zijn ontzet; De leidinggevende mag niet uit de voogdij zijn ontzet; De leidinggevende mag niet in enig opzicht van slecht levensgedrag zijn; De leidinggevende moet de leeftijd van eenentwintig jaar hebben bereikt; Er mag geen sterke alcoholische dranken worden geschonken; De leidinggevende moet in het bezit zijn van een diploma SVH verklaring sociale hygiëne; De ontheffing kan voor een aaneengesloten periode van ten hoogste twaalf dagen worden verleend; Is het een bijzondere gelegenheid of is er een evenementenvergunning verleend; Indien van toepassing, dat de tijden, waarvoor de ontheffing geldt, dan ook overeen dienen te komen met de in de evenementenvergunning vermelde tijden; De bijzondere gelegenheid mag zich niet alleen richten tot voornamelijk minderjarigen; Indien de evenementenvergunning is geweigerd, dan kan de ontheffing niet in behandeling worden genomen; Bij het toetsen van de zedelijkheid kan alleen informatie van de politie gebruikt worden. Ruimte voor het opvragen van informatie bij de Justitiële Informatiedienst is er niet. Aan de ontheffing worden de volgende voorschriften verbonden: De in de ontheffing vermelde leidinggevende(
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.