Besluit individuele voorzieningen maatschappelijke ondersteuning gemeente Heerlen 2010 “Besluit Wmo 2010 “ bevoegdheid b&w INHOUDSOPGAVE PARAGRAAF 1 ALGEMENE BEPALINGEN 0 Artikel 1 Begripsbepalingen 0 PARAGRAAF 2 VORM VAN TE VERSTREKKEN VOORZIENINGEN 0 Artikel 2 Persoonsgebonden budget 0 Artikel 3 Vaststelling persoonsgebonden budget bij individuele voorzieningen 0 Artikel 4 Omvang van de eigen bijdragen bij hulp bij het huishouden en woonvoorzieningen. 0 Artikel 5 Negenendertig perioden van vier weken 0 Artikel 6 Geen eigen bijdrage of eigen aandeel. 0 PARAGRAAF 3 HULP BIJ HET HUISHOUDEN 0 Artikel 7 Vaststelling persoonsgebonden budget hulp bij het huishouden 0 Artikel 8 Globale verantwoording persoonsgebonden budget 0 Artikel 9 Intensieve verantwoording persoonsgebonden budget 0 PARAGRAAF 4 INDIVIDUELE BEGELEIDING 0 Artikel 10 Vaststelling persoonsgebonden budget individuele begeleiding 0 PARAGRAAF 5 WOONVOORZIENINGEN 0 Artikel 11 Hoogte financiële tegemoetkoming en persoonsgebonden budget in de kosten van woonvoorzieningen 0 Artikel 12 Tegemoetkoming in de verhuis- en herinrichtingskosten. 0 Artikel 13 Woonvoorzieningen van niet bouwkundige of technische aard. 0 Artikel 14 Het primaat van verhuizen. 0 Artikel 15 Onderhoud keuring en reparatie 0 Artikel 16 Bezoekbaar maken woning 0 Artikel 17 Woningaanpassing van gemeenschappelijke ruimten in bestaande gebouwen 0 Artikel 18 Complexgewijze aanpassing van bestaande woongebouwen op collectieve basis 0 Artikel 19 Terugbetaling bij verkoop 0 PARAGRAAF 6 HET ZICH LOKAAL VERPLAATSEN PER VERVOERMIDDEL 0 Artikel 20 Vaststelling persoonsgebonden budget of financiële tegemoetkoming 0 Artikel 21 Eigen bijdragen en hoogte financiële tegemoetkomingen in de kosten van vervoersvoorzieningen 0 Artikel 22 Inkomensgrens 0 Artikel 23 Systeem van Collectief Vraagafhankelijk Vervoer (CVV) 0 Artikel 24 Financiële tegemoetkoming autoaanpassing 0 Artikel 25 Tegemoetkomingen vervoer 0 PARAGRAAF 7 ROLSTOELEN 0 Artikel 26 Vormen van rolstoelvoorzieningen en overige hulpmiddelen 0 Artikel 27 Sportrolstoelen 0 PARAGRAAF 8 ADVISERING EN SAMENHANGENDE AFSTEMMING 0 Artikel 28 Advisering 0 Artikel 29 Samenhang en afstemming 0 PARAGRAAF 9 SLOTBEPALINGEN 0 Artikel 30 Citeertitel 0 BIJLAGE I KOSTENBEREKENING WOONVOORZIENINGEN 0 Bijlage II VERGOEDING VOOR KOSTEN VAN ONDERHOUD, KEURING EN REPARATIE (artikel 15) 0 BIJLAGE III Lijst Tarieven woonvoorzieningen 0 Bijlage IV COLLECTIEF VRAAGAFHANKELIJK VERVOER (artikel 23) 0 BIJLAGE V P R OTOCOL GEBRUIKELIJKE ZORG BIJ HULP BIJ HET HUISHOUDEN 0 BIJLAGE VI PROTOCOL INDICATIESTELLING HULP BIJ HET HUISHOUDEN 0 BIJLAGE VII PROTOCOL SPOEDZORG HULP BIJ HET HUISHOUDEN 0 PARAGRAAF 1 ALGEMENE BEPALINGEN Artikel 1 Begripsbepalingen In dit Besluit wordt verstaan onder: Wet: Wet maatschappelijke ondersteuning. Het college: het college van burgemeester en wethouders gemeente Heerlen. Aanvrager: 1. een persoon met beperkingen van 18 jaar en ouder oftewel de wettelijk vertegenwoordiger of diens gemachtigde 2. de wettelijk vertegenwoordiger oftewel een gemachtigde van een persoon met beperkingen van jonger dan 18 jaar. Persoon met beperkingen: een persoon die ten gevolge van ziekte of gebrek, inclusief chronische psychische en psychosociale problemen, aantoonbare beperkingen ondervindt bij het uitvoeren van activiteiten op het gebied van het voeren van het huishouden, bij het normale gebruik van de woning; bij het verplaatsen in en om de woning, bij het zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel of bij het ontmoeten van medemensen en het op basis daarvan aangaan van sociale verbanden Algemene voorziening: een voorziening die wordt geleverd op basis van directe beschikbaarheid, een beperkte toegangsbeoordeling en die een snelle, regelarme en adequate oplossing biedt voor een persoon met beperkingen. Individuele voorziening: een voorziening die individueel wordt aangeboden indien een algemene voorziening geen adequate oplossing biedt. Eigen bijdrage of eigen aandeel in de kosten: een door het college van burgemeester en wethouders vast te stellen bijdrage, die bij respectievelijk de verstrekking van een voorziening in natura, een financiële tegemoetkoming of een persoonsgebonden budget betaald moet worden en op waarop de regels van het Besluit individuele voorzieningen maatschappelijke ondersteuning gemeente Heerlen 2010 van toepassing zijn. Meerkosten: kosten van een mogelijk krachtens de wet te verlenen voorziening, voor zover dit deel van de kosten uitgaan boven voor die persoon als algemeen gebruikelijk te beschouwen kosten voor een dergelijke voorziening. Voorzieningen in natura: een voorziening die in eigendom, in bruikleen, in huur of in de vorm van persoonlijke dienstverleningwordt verstrekt. Persoonsgebonden budget: een geldbedrag waarmee de aanvrager één of meer aan hem te verlenen compenserende voorzieningen kan verwerven en waarop de in de Verordening individuele voorzieningen maatschappelijke ondersteuning gemeente Heerlen 2009 en het Besluit individuele voorzieningen maatschappelijke ondersteuning gemeente Heerlen 2010 te stellen regels van toepassing zijn. Financiële tegemoetkoming: een bijdrage in de kosten van een voorziening, al dan niet met inachtneming van een eigen bijdrage of een eigen aandeel. Inkomen: het inkomen zoals gedefinieerd in artikel 4.1 en 4.2 van het landelijke Besluit Maatschappelijke Ondersteuning, vastgesteld door de staatssecretaris van VWS . Hoofdverblijf: de woonruimte, bestemd en geschikt voor permanente bewoning, waar de persoon met beperkingen zijn vaste woon,- en verblijfplaats heeft en in de gemeentelijke basisadministratie staat ingeschreven dan wel zal staan ingeschreven, dan wel het feitelijke woonadres indien de persoon met beperkingen met een briefadres is ingeschreven. Gemeenschappelijke ruimte: gedeelte(
(2)manuur € 80,80 € 96,15 Groep 2: Douchevoorzieningen 2.001 Leveren en monteren douchezit met rugleuning, plaatsings- hoogte volgens opgave Wmo-consulent, haaks t.o.v. de kranen. opklapbaar, muurbevestiging (merk Linido o.g., kleur wit): -zonder rugleuning en armleggers € 136,00 € 161,84 -met rugleuning zonder armleggers € 230,00 € 273,70 -met rugleuning en armleggers € 255,00 € 303,45 -bevestigings materiaal € 13,00 € 15,47 -manuren (2 uur) € 80,80 € 96,15 2.002 Leveren en monteren van een hulppoot: -dubbele hulpset € 84,00 € 99,96 -manuren (0,5 uur) € 10,10 € 12,02 2.003 Leveren en monteren van een contraplaat: € 55,00 € 65,45 -manuren (0,25 uur) € 10,10 € 12,02 2.004 Verplaatsen douchezit, inclusief reparatie wand: -reparatiemateriaal wand, gaatjes dichten € 10,06 € 11,97 -manuren (1,5 uur) € 60,60 € 72,11 2.005 Leveren en monteren extra ophangpunt t.b.v. douchekop (Grohe, o.g.): € 6,75 € 8,03 -manuren (0,25 uur) € 10,10 € 12,02 2.006 Bestaande glijstang verplaatsen (0,5 manuren). € 20,20 € 24,04 2.007 Spiegelhouder draaibaar (Haceka o.g.) leveren en plaatsen: € 33,95 € 40,40 -manuren (0,5 manuur) € 20,20 € 24,04 2.008 Grote spiegel 80 x 60 cm (incl. klemmen): € 80,89 € 96,26 -manuren (0,5 manuur) € 20,20 € 24,04 Groep 3: Beugels 3.001 Leveren en monteren van een vaste wandbeugel (Linido, o.g., kleur wit), plaatsingshoogte volgens opgave Wmo- consulent: -bevestigingsmateriaal € 6,00 € 7,14 -manuren (0,5 uur) € 20,20 € 24,04 -beugel: -200 mm € 33,00 € 39,27 -300 mm € 34,00 € 40,46 -400 mm € 35,00 € 41,65 -500 mm € 37,00 € 44,03 -600 mm € 39,00 € 46,41 -700 mm € 44,00 € 52,36 -800 mm € 46,00 € 54,74 -900 mm € 50,00 € 59,50 -1000 mm € 52,00 € 61,88 -1200 mm € 69,00 € 82,11 -1400 mm € 80,00 € 95,20 3.002 Leveren en monteren van een vaste wandbeugel (Linido, o.g., kleur wit), plaatsingshoogte volgens opgave Wmo- consulent: -bevestigingsmateriaal € 12,00 € 14,28 -manuren (0,75 uur) € 30,30 € 36,06 -beugel: -1600 mm € 127,00 € 151,13 -1800 mm € 139,00 € 165,41 -2000 mm € 149,00 € 177,31 3.003 Vaste wandbeugel verplaatsen. Prijs hanteren indien er meerdere aanpassingen uitgevoerd moeten worden! Anders voorrijdkosten á 0,5 uur extra berekenen! -bevestigingsmateriaal € 6,00 € 7,14 -manuren (0,5 uur) € 20,20 € 24,04 3.004 Leveren en monteren van een hoekwandbeugel t.b.v. trapspil (Linido, o.g. kleur wit), afm. 510x510mm plaatsingshoogte volgens opgave Wmo-consulent: -links € 95,00 € 113,05 -rechts € 95,00 € 113,05 -bevestigingsmateriaal € 6,00 € 7,14 -manuren (0,5 uur) € 20,20 € 24,04 3.005 Leveren en monteren van een kozijnbeugel (Linido, o.g., kleur wit), plaatsingshoogte volgens opgave Wmo- consulent: -bevestigingsmateriaal € 6,00 € 7,14 -manuren (0,5 uur) € 20,20 € 24,04 -300 mm € 46,00 € 54,74 -450 mm € 51,00 € 60,69 -600 mm € 56,00 € 66,64 3.006 Leveren en monteren van een wastafelbeugel, breedte 700 mm, lengte/diepte 500 mm (Linido, o.g., kleur wit) € 195,00 € 232,05 -bevestigingsmateriaal € 12,00 € 14,28 -manuren (1 uur) € 40,40 € 48,08 Groep 4: Vaste en opklapbare toiletbeugels 4.001 Leveren en monteren van een vaste toiletbeugel (Linido o.g., kleur wit), plaatsingshoogte volgens opgave Wmo- consulent: -bevestigingsmateriaal € 9,00 € 10,71 -manuren (0,5 uur) € 20,20 € 24,04 -beugel: -500 mm € 78,00 € 92,82 -600 mm € 80,00 € 95,20 -700 mm € 82,00 € 97,58 -800 mm € 84,00 € 99,96 -900 mm € 87,00 € 103,53 4.002 Leveren en monteren van een opklapbare toiletbeugel (Linido o.g., kleur wit), plaatsingshoogte volgens opgave Wmo-consulent: -bevestigings materiaal € 9,00 € 10,71 -manuren (0,5 uur) € 20,20 € 24,04 -beugel: -500 mm € 90,00 € 107,10 -600 mm € 92,00 € 109,48 -700 mm € 94,00 € 111,86 -800 mm € 96,00 € 114,24 -900 mm € 98,00 € 116,62 4.003 Vloerstatief voor vaste beugel: -statief € 107,00 € 127,33 -bevestigingsmateriaal € 9,00 € 10,71 -manuren (0,5 uur) € 20,20 € 24,04 4.004 Hulppoot aan opklapbare beugel leveren en plaatsen: -hulppoot € 46,00 € 54,74 -manuren ( 0,25 uur) 10,10 € 12,02 4.005 Bevestiging m.b.v. contraplaat: -contraplaat € 45,00 € 53,55 4.006 closetrolhouder aan toiletbeugel € 17,00 € 20,23 -manuren (0,5 uur) € 20,20 € 24,04 Groep 5: Anti-slipvloeren 5.001 Anti-slipvloer met etsing aanbrengen (Slidex o.g.): -etsing vloer minimum afname 4 m2 € 259,20 € 308,45 -extra etsing (> 4m2) € 50,67 p/m2 € 60,30 -voorrijdkosten inbegrepen! 5.002 Vervangen huidige vloer door anti-slipvloertegel: -verwijderen bestaande tegelvloer (1,25 uur p/m2) € 46,94 p/m2 € 55,86 -afvoeren oude vloer € 67,14 post € 79,90 -vloer uitvlakken en op afschot brengen € 30,45 p/m2 € 36,24 -aarding aanbrengen € 130,60 post € 155,41 -doucheplug aanbrengen en aansluiten € 78,70 post € 93,65 -Bette douchebak 3,5 cm hoog incl. montage 614,70 p/m1 € 731,49 -tegelwerk vloer (all
- in)€ 91,35 p/m2 € 108,71 -kitwerk € 6,60 p/m1 € 7,85 Groep 6: Drempelhulpen/drempels 6.001 Aanbrengen binnendrempelhulp, plaatsen houten scheg incl. schilderwerk aan binnenzijde bij dorpels. € 75,00 € 89,25 6.002 Verwijderen bestaande houten binnendorpel en aanbrengen van een verlaagde houten binnendorpel. € 78,28 € 93,15 6.003 Verwijderen bestaande houten buitendorpel en aanbrengen van een verlaagde hardstenen buitendorpel. € 193,50 € 230,27 6.004 Dorpeloploop standaard, oprijlengte 335 mm (Stabag o.g.), incl. levering en montage (tot hoogte van 2 – 6 cm): -manuren (0,75 uur) € 30,30 € 36,06 -dorpeloploop -900 mm € 61,00 € 72,59 -1000 mm € 64,50 € 76,76 -verzendkosten € 22,00 € 26,18 -verzendkosten bij meer dan 1 drempelhulp € 38,50 € 45,82 Groep 7: Straatwerk/vlonders 7.001 Toegangspad naar hoofdingang belanghebbende max. 20 m2, terras max. 6m2: -ontgraven € 10,96 p/m2 € 13,04 -aanbrengen zandbed en aftrillen € 10,41 p/m2 € 12,39 -stellen kantplank € 9,90 p/m2 € 11,78 -leveren en leggen betontegels (bv 30x30cm / 40x60cm) € 25,70 p/m2 € 30,58 * tot 6cm hoogteverschil! Totaal € 57,82 p/m2 € 68,81 * bij 4m2 of minder straatwerk. € 272,23 p/m2 € 323,95 7.002 Verwijderen groenvoorzieningen € 130,50 p/m2 € 155,30 7.003 Bankirai-vlonders per m2 (incl. arbeid). * n.v.t. bij woningen bouwjaar na 1998! € 179,36 p/m2 € 213,44 7.004 Balustrade verhoging in combinatie met vlonder (incl. arbeid) * n.v.t. bij woningen bouwjaar na 1998! € 97,83 p/m1 € 116,42 Groep 8: Aftimmering/trapleuning 8.001 2e trapleuning aanbrengen op wand/muur (prijs p/m¹) (incl. schilderwerk). € 81,23 € 96,66 8002 Sokkel leveren en plaatsen t.b.v. verhogen wasmachine/ koelkast, (bv Washmade) € 135,88 € 161,70 Groep 9: Elektra 9.001 Oplaadpunt scootmobiel (afsluitbaar): indien er binnen Een straal van 2 meter (voeding) elektra aanwezig is (excl. graaf-, breek- en hakwerk). (zie groep 11) € 206,38 € 245,59 9.002 Aanbrengen keiloog (buiten)wand (samen met 9.001) € 36,18 € 43,05 9.003 Extra wcd aanbrengen (opbouw, incl. arbeid) € 136,08 € 161,94 9.004 Automatische draaideuropener buitendeur: -drukschakelaar -elektrische sluitplaat -aansluiting intercom -volledige montage - totaal: €1.862,15 €2.215,96 9.005 Meerprijs afstandsbediening; zender 2/4 kanaals + ontvanger € 136,08 € 161,94 9.006 Elektra voorziening/aanpassing t.b.v.automatische buitendeuropener € 403,23 € 479,84 9.007 Automatische draaideuropener binnendeur -drukschakelaar -volledige montage - totaal: €1.862,15 €2.215,96 9.008 Elektra voorziening/aanpassing t.b.v.automatische binnendeuropener. € 191,94 € 228,41 9.009 Automatische draaideuropener centrale voordeur wooncomplex -drukschakelaar -sleutelschakelaar -ontvanger -zender 2/4 kanaals -volledige montage - totaal: €1.999,17 €2.379,01 9.010 Elektra voorziening/aanpassing t.b.v.automatische buitendeuropener centrale toegang. € 405,19 € 482,18 9.011 Automatische draaideuropener galerijdeur -2x drukschakelaar -ontvanger -zender 2/4 kanaals -volledige montage - totaal: €2.029,16 €2.414,70 9.012 Elektra voorziening/aanpassing t.b.v.automatische buitendeuropener galerijdeur. € 405,19 €482,18 Aanvullende elektrotechnische en / of bouwkundige aanpassingen t.b.v. automatische deuropener op basis van offerte eventueel subsidiabel te stellen. Groep 10: Raambediening 10.001 Per verblijfsruimte één bovenraambediening bereikbaar maken: -standaard; vaste overbrenging, incl. montage € 141,04 € 167,84 -flexibele overbrenging (> 2 scharnierpunten), incl. montage € 197,28 € 234,76 Groep 11: Scootmobielstalling 11.001 leveren + plaatsen houten tuinhuisje, afm. 2.00x2.50m, €2.070,00 €2.463,30 brede deuropening en geen onderdorpel (metalen strip). 11.002 Oplaadpunt + houder (incl. aanleg elektra/verlichting). € 255,90 € 304,52 11.003 Fundering/betontegels bv 30x30 t.p.v. stalling. € 271,90 € 323,56 Bijlage IV: COLLECTIEF VRAAGAFHANKELIJK VERVOER (artikel 23) Collectief vraagafhankelijk vervoer Collectief vraagafhankelijk vervoer is een vorm van openbaar vervoer waarvan iedereen binnen het vervoersgebied gebruik kan maken en dat tevens voorziet in het deur tot deur vervoer van gehandicapten, al dan niet gebruik makend van een rolstoel. Het CVV kent beperkingen die inherent zijn aan het systeem. Het collectief vraagafhankelijk vervoersysteem kan doorgaans niet garanderen dat iemand stipt op tijd wordt opgehaald. Het gezamenlijk reizen met anderen kan voor sommige cliënten een belasting zijn. Met deze kenmerken moet rekening gehouden worden bij het vaststellen of een CVV systeem voor de gehandicapte een adequate oplossing biedt. Elke reiziger, ook de WMO-geïndiceerde reiziger is in het CVV een reizigersbijdrage verschuldigd. De prijs die de gehandicapte in het CVV betaalt is evenwel aanmerkelijk lager dan de prijs die de niet WMO-geïndiceerde gebruiker moet betalen. De verschuldigde bijdrage per openbaar vervoer zone komt overeen met het blauwe strippenkaarttarief in het reguliere openbaar vervoer. De niet WMO-geïndiceerde reiziger in het CVV betaalt een hogere prijs maar krijgt daarvoor vervoer van deur tot deur aangeboden. Op grond van het gestelde in artikel 30 onder a van de Verordening individuele voorzieningen maatschappelijke ondersteuning gemeente Heerlen kan de gehandicapte tegen het gereduceerde tarief onbeperkt reizen binnen het geldende vervoersgebied. In het algemeen wordt een vervoersvoorziening getroffen als het verplaatsingsgedrag van de gehandicapte in belangrijke mate is verstoord vanwege de ondervonden belemmeringen. Van een dergelijke verstoring is geen sprake als slechts incidenteel verplaatsingsmoeilijkheden optreden. Algemeen De belangrijkste oorzaak van het mobiliteitsprobleem is het gegeven dat het openbaar vervoer onvoldoende toegankelijk is voor gehandicapten. Om deze reden is het noodzakelijk dat er aan gehandicapten een alternatief wordt aangeboden om zich te kunnen verplaatsen. Een mogelijkheid die in het WMO-beleid bestaat is de collectieve aanpak, waarbij opgemerkt dient te worden dat voorkomen moet worden dat WMO-middelen indirect worden ingezet om de problemen op te lossen waar het openbaar vervoer in algemene zin mee kampt. De in het kader van de WMO te verstrekken vervoersvoorziening dient in ieder geval adequaat te zijn en te voldoen aan een aantal kwaliteitseisen, waarbij er sprake is van verminderen van mobiliteitsproblemen en niet van het wegnemen daarvan. De selectie van de goedkoopst adequate vervoersvoorziening hangt af van: de ondervonden belemmeringen; het verplaatsingsmotief van de gehandicapte; de verplaatsingsbestemming; de frequentie van verplaatsingen; de wijze van verplaatsen. Hoewel tot op zekere hoogte verwacht mag worden dat een gehandicapte zijn verplaatsingspatroon aanpast aan de handicap (de handicap op zich dwingt hiertoe), zal een WMO-voorziening verstrekt worden teneinde de deelname aan het maatschappelijk verkeer te bevorderen en waar mogelijk de belemmeringen en beperkingen ten gevolge van de handicap te compenseren, Het leven van alle dag. Met het verstrekken van een vervoersvoorziening wordt beoogd te bereiken dat de aanvrager in staat wordt gesteld in ieder geval datgene te doen wat mensen van dag tot dag plegen te doen. Voor het grootste deel zijn dat routine-verplaatsingen (dagelijkse boodschappen, bezoeken van familie en kennissen, het zomaar buiten zijn). Dergelijke verplaatsingen bevinden zich in de regel in de directe woon- en leefomgeving van de gehandicapte. De voorziening is er op gericht gehandicapten de mogelijkheid te bieden nog in zo’n volledig mogelijke mate deel te nemen aan het leven van alle dag. De vervoersvoorziening heeft betrekking op de directe woon- en leefomgeving van de gehandicapte, tenzij het gaat om wezenlijk contact buiten dat gebied dat alleen onderhouden kan worden door persoonlijk bezoek van de gehandicapte en wanneer het wegvallen van dat contact zou leiden tot vereenzaming. Voor verplaatsingen buiten het vervoersgebied van 5 OV zones is er een algemene voorziening in de vorm van het landelijk systeem voor bovenregionaal vervoer “Valys”. Mensen met een WMO indicatie voor vervoer of voor een rolstoel, kunnen na aanmelding gebruik maken van dat systeem. Recreatieve bestemming kan onderdeel vormen van het dagelijkse patroon van het leven van alle dag, in welk geval met het treffen van een WMO-vervoersvoorziening dan ook rekening wordt gehouden. Een hulpmiddel dat aangevraagd wordt met het oog op recreatie en ontspanning alleen, wordt niet in het kader van de WMO verstrekt. Het vervoer naar bijvoorbeeld dagopvang of dagverzorging valt niet onder de WMO. Deze bestemmingen zijn niet te vatten onder de verplaatsingen die mensen in het algemeen van dag tot dag plegen te doen. Individuele invulling van het leven van alle dag. De gemeente dient een zorgvuldig onderzoek te doen naar het verplaatsingspatroon van de gehandicapte om vast te stellen welke verplaatsingen voor de gehandicapte van belang zijn voor het onderhouden van de voor hem noodzakelijke sociale contacten. Zijn de door de gehandicapte regelmatig af te leggen afstanden uitzonderlijk hoog en/of is de frequentie waarmee die afstanden worden afgelegd uitzonderlijk hoog, dan wordt daarmee bij het vaststellen van de goedkoopst-adequate voorziening rekening gehouden. Het is bijvoorbeeld mogelijk dat de betrokkene tijdelijk vanwege familieomstandigheden extra verplaatsingen over grotere afstanden moet maken, bijvoorbeeld van opname van een naaste in een bepaald ziekenhuis of in een AWBZ-instelling. In zo’n geval kan tijdelijk een verhoging van de omvang van de te verstrekken vervoersvoorziening/vergoeding aan de orde zijn. Ook kan de situatie zich voordoen dat het verplaatsingsgedrag van de gehandicapte uitzonderlijk laag is, waarmee dan ook rekening gehouden kan worden. Hiervan kan bijvoorbeeld sprake zijn als iemand woonachtig is in een woonomgeving waar in de zeer directe nabijheid de meest noodzakelijke voorzieningen en dagbesteding aanwezig zijn, bv een verzorgingstehuis met de nodige faciliteiten. Een beperking van de omvang van de voorziening kan dan ook gemotiveerd zijn. Openbaar vervoer niet kunnen bereiken en/of gebruiken. Een gehandicapte kan voor een WMO-vervoersvoorziening in aanmerking komen wanneer aantoonbare beperkingen als gevolg van ziekte of gebrek het gebruik of het bereiken van het openbaar vervoer onmogelijk maken. Hierbij wordt in de praktijk uitgegaan van de toegankelijkheid van de (stads-) bus. In de regel is de loopafstand tussen de woning en de bushalte bepalend, waarbij gebruiksmogelijkheden van fiets, brom- of snorfiets mede van invloed zijn. Het betreft niet alleen lichamelijke, functionele belemmeringen. Ook psychische beperkingen kunnen aanleiding zijn voor het verstrekken van een WMO-vervoersvoorziening. Psychische stoornissen kunnen alleen dan een criterium zijn om in aanmerking te komen voor een WMO-voorziening als de cliënt voor de stoornis onder specialistische behandeling is (geweest) die tot nu toe zonder resultaat is. Primaat bij het Collectief Vraagafhankelijk Vervoer. Binnen de gemeente Heerlen is in het verstrekkingenbeleid het primaat gelegd bij het Collectief VraagafhankelijkVervoer (CVV). Gehandicapten die geen gebruik kunnen maken van het openbaar vervoer, kunnen in aanmerking worden gebracht voor het collectief vervoersysteem. Wanneer dat systeem niet de goedkoopst-adequate oplossing biedt, dan kan de gehandicapte voor een van de andere vervoersvoorzieningen in aanmerking komen. Algemeen gebruikelijk. Het begrip “algemeen gebruikelijk” wordt bij de verstrekking van vervoersvoorzieningen ingevuld door voor enkele voorzieningen een inkomensgrens te stellen. Heeft men een inkomen onder de inkomensgrens, dan kan men in principe in aanmerking komen voor deze voorzieningen. Heeft men een inkomen boven de inkomensgrens, dan wordt gesteld dat met de voorziening samenhangende kosten algemeen gebruikelijk zijn. Voorzieningen die niet algemeen gebruikelijk zijn, zoals aanpassingen van een auto of een speciaal voertuig voor gehandicapten, worden wel verstrekt aan gehandicapten met een inkomen boven de inkomensgrens. Verder zijn in relatie tot vervoersvoorzieningen als algemeen gebruikelijk aan te merken de volgende hulpmiddelen: Bromfietsen, rijwielen en rijwielen met hulpmotor. Eventuele kosten van aanpassing van voornoemde voorzieningen zijn mogelijk wel voor rekening van de WMO te nemen. Een aangepaste driewielfiets wordt, gezien het depotkarakter c.q. herverstrekkingsmogelijkheden, als verstrekking in bruikleen gegeven zonder toepassing van een algemeen gebruikelijke factor. Ten aanzien van een tandem is, gezien de incidentele verstrekking, uit te gaan van meerkosten t.o.v. een algemeen gebruikelijke, vergelijkbare fiets. Zie ook de specifieke beleidsregels per onderwerp. Gebruik van een algemene voorziening waaronder een systeem van Collectief Vraagafhankelijk Vervoer, tegen gereduceerd tarief Een algemene voorziening kan zijn het reguliere openbaar vervoer, mits dat toegankelijk, bereikbaar en bruikbaar is voor mensen met een functiebeperking. In praktijk is dat nog lang niet het geval. Als WMO-geïndiceerde in het systeem van collectief vraagafhankelijk vervoer, kan de gehandicapte tegen gereduceerd tarief onbeperkt gebruik maken van het vervoerssysteem. Binnen de rangorde van te verstrekken voorzieningen heeft deze het primaat, aangezien deze tevens individuele voorzieningen (gedeeltelijk) overbodig kan maken. Door een hoogwaardig systeem van CVV op te (doen) zetten kan een gemeente in belangrijke mate invulling geven aan het compensatiebeginsel ten aanzien van het vervoer buitenshuis. Een dergelijk systeem dient wel aan een aantal voorwaarden te voldoen. In samenwerking met de Limburgse gemeenten heeft de Provincie een dekkend systeem opgezet welk vanaf 10-12-2006 wordt uitgevoerd door Veolia . Het systeem wordt gekenmerkt door de volgende kwaliteitseisen: vervoer van deur tot deur per minibus of rolstoeltaxi voor iedereen; onbeperkt gebruik van het CVV binnen het geldende vervoersgebied; openstelling gedurende 7 dagen per week, op maandag tot en met vrijdag van 06.00 uur tot 01.00 uur en op zaterdag tot en met zondag van 07.00 uur tot en met 01.00 uur; het vervoersgebied is vastgesteld op een gebied ter grootte van 5 openbaar vervoer zones vanaf het vertrekpunt van de reiziger; in het systeem zijn zogenaamde “puntbestemmingen” aangemerkt. Dit is een bestemming die buiten het gebied van 5 OV zones kan liggen maar waarvan de gemeente het belangrijk vindt dat Wmo-reizigers deze toch kunnen bereiken. Een voorbeeld is het Academisch ziekenhuis te Maastricht. indien de gehandicapte beschikt over een Openbaar Vervoer begeleiderskaart - welke ingeval van medische noodzaak op aanvraag verstrekt wordt door de NS - kan de gehandicapte een begeleider meenemen in het CVV, zonder dat voor de begeleider een reizigersbijdrage verschuldigd is; bij overstap op het reguliere openbaar vervoer bespreekt de reiziger de gewenste vertrektijd met de CVV vervoerder. Omdat Veolia ook verantwoordelijk is voor het reguliere openbare busvervoer en enkele treinverbindingen in Limburg, is afstemming minder complex dan in het verleden; desgewenst hulp bij in-, uit- en overstap; oproep gestuurd met een vooraanmeldtijd van 1 uur en een marge bij het ophalen van maximaal 15 minuten eerder of later dan het overeengekomen tijdstip; omrijfactor bij gecombineerde ritten niet meer dan 30 minuten. In plaats van de mogelijkheid om tegen gereduceerd tarief gebruik te maken van het CVV is er ten behoeve van bewoners van de Verpleegklinieken te Heerlen de mogelijkheid om te kiezen voor een vervoerssysteem behorende bij betreffende verpleeginrichting. Binnen de statuten van de uitvoerende stichting (“Stichting Vriendenkring VKH”) is de kwaliteit en continuïteit van het vervoer ten behoeve van de bewoners vastgelegd. De achtergrond van de omvang van de voorziening in relatie tot het compensatiebeginsel. Ten aanzien van de omvang van de voorziening is in het algemeen te stellen dat de gemeente Heerlen een relatie legt tussen de vervoersbehoefte van betrokkene en a. de leeftijd en b. het gebruik van andere vervoersvoorzieningen. Ad a: Binnen de gemeente wordt beleid betreffende de relatie tussen de vervoersbehoefte en de leeftijd als volgt gehanteerd: Indien in individuele gevallen het tegendeel niet blijkt wordt ervan uitgegaan dat: er bij kinderen jonger dan 5 jaar geen sprake is van vervoersproblemen, omdat de ouders hen meenemen, zoals ook gebruikelijk is bij niet-gehandicapte kinderen; kinderen van 5 tot 12 jaar een geringe zelfstandige vervoersbehoefte hebben, omdat zij veelal door hun ouders worden begeleid, zoals ook gebruikelijk is met niet-gehandicapte kinderen; kinderen van 12 tot 15 jaar zich ontwikkelen in de richting van volwassen verplaatsingsgedrag; kinderen vanaf 15 jaar een zelfstandige vervoersbehoefte hebben die overeenkomt met die van volwassenen. Voornoemde uitgangspunten hebben tot gevolg dat in de regel: aan gehandicapte kinderen tot 5 jaar geen vervoersvoorziening wordt verstrekt; aan gehandicapte kinderen van 5 tot 12 jaar een halve vervoersvoorziening wordt verstrekt; aan gehandicapte kinderen van 12 tot 15 jaar een 3/4 vervoersvoorziening wordt verstrekt; aan gehandicapte kinderen van 15 tot 18 jaar een volledige vervoersvoorziening wordt verstrekt. Deze beperkingen gelden niet bij de toekenning van het CVV, wel bij andere individuele vervoersvoorzieningen. Ad b: Binnen de gemeente wordt beleid betreffende de relatie tussen de vervoersbehoefte en het gebruik van andere en/of meerdere voorzieningen als volgt gehanteerd: Indien de gehandicapte een substantiële vervoersbehoefte heeft in de directe woonomgeving en daarvoor een open elektrische buitenwagen (elektrische rolstoel, scootermobiel e.d.) ter beschikking heeft gekregen vanuit de WMO of de AAW, is afhankelijk van de handicap, situatie en vervoersbehoefte een gedeeltelijke verstrekking van een andere vervoersvoorziening (o.a. CVV, individuele voorziening, overgangsregeling) aan de orde. De bedoelde andere voorziening wordt dan gekort met 25%. Samenloop van korting vanwege voornoemde is per gehandicapte te bepalen op maximaal 25%. Verstrekking van een voorziening(-
- en)in de vorm van een elektrische buitenrolstoel met bediening achterop (specifiek bedoeld voor de begeleider), een tandem, een aangepaste driewielfiets, een handbike, een handbewogen rolstoel/duwwandelwagen, aangepaste buggy leiden niet tot een korting. BIJLAGE V PROTOCOL GEBRUIKELIJKE ZORG BIJ HULP BIJ HET HUISHOUDEN Voorwoord Dit document is afgeleid van het CIZ protocol gebruikelijke zorg. Het document is zoveel mogelijk in stand gehouden en bedoeld als mogelijke richtlijn bij de indicatiestelling voor hulp bij het huishouden in de Wmo. Deze richtlijn is een hulpmiddel bij het indiceren voor hulp bij het huishouden. Met de invoering van de Wmo op 1 januari 2007 is de uitvoering van de Huishoudelijke Verzorging over naar gemeenten. Huishoudelijke Verzorging in de AWBZ komt daarmee te vervallen. Persoonlijke en activerende begeleiding OB / AB blijven nog wel bestaan binnen de AWBZ. Deze richtlijn bevat een nadere definiëring en normering van wat gebruikelijke zorg is en verduidelijkt daarmee de zorg die niet valt binnen de aanspraak op ondersteuning vanuit de Wmo. Inhoudsopgave 1. Plaatsbepaling gebruikelijke zorg 1 Gebruikelijke zorg in relatie tot hulp bij het huishouden vanwege de ondersteuning vanuit de Wmo 2 Gebruikelijke zorg en mantelzorg 3 De omgeving als wegingsfactor 4 Status van het indicatiebesluit 5 Status van dit protocol 2. Definities en algemene uitgangspunten 1 Aanvrager 2 Gezamenlijke huishouden 3 Huisgenoot 4 Een- en meerpersoonshuishouden 5 Maatschappelijke participatie 6 Culturele diversiteit 7 PGB en mantelzorg 8 Betrekken van huisgenoten/mantelzorgers bij het indicatieonderzoek 9 Gemotiveerd afwijken 10 Cliëntsoevereiniteit 3. Richtlijnen voor de indicatiestelling voor ondersteuning vanuit de Wmo bij het bepalen van gebruikelijke zorg 1 Ondersteuning vanuit de Wmo aanvullend op eigen mogelijkheden 2 Gezondheidsproblemen of (dreigende) overbelasting 3 Fysieke afwezigheid 4 Korte levensverwachting 5 Telefonisch indiceren 4. Gebruikelijke zorg naar functie 4.1 Huishoudelijke verzorging 4.1.1 Doel huishoudelijke verzorging 4.1.2 Leefeenheid primair verantwoordelijk 4.1.3 Huishoudelijke taken: uitstelbaar en niet uitstelbaar 4.1.4 Indicatie voor het aanleren van huishoudelijke activiteiten 4.1.5 Opvang en verzorging van kinderen bij uitval van één van de ouders 4.1.6 Uitval van ouder in éénoudergezin 4.1.7 Bijdrage van kinderen aan het huishouden 4.1.8 Hoge leeftijd en trainbaarheid 5. Voorliggende voorzieningen 1 Wettelijk voorliggende voorzieningen 2 Algemeen gebruikelijke voorziening Bijlage 1 Het onderzoeken van overbelasting Bijlage 2 Over wegen en overwegen 1. Plaatsbepaling gebruikelijke zorg 1.1 Gebruikelijke zorg in relatie tot hulp bij het huishouden vanwege ondersteuning vanuit de Wmo De Wmo verschilt sterk van de AWBZ. In de Wmo vervalt het verzekerd recht op zorg. In plaats daarvan is een compensatieplicht in de wet opgenomen. Omschrijving compensatieplicht: Wet Wmo Artikel 4 lid 1. Ter compensatie van de beperkingen die een persoon als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder g, onderdeel 4°, 5° en 6°, ondervindt in zijn zelfredzaamheid en zijn maatschappelijke participatie, treft het college van burgemeester en wethouders voorzieningen op het gebied van maatschappelijke ondersteuning die hem in staat stellen: een huishouden te voeren; zich te verplaatsen in en om de woning; zich lokaal te verplaatsen per vervoermiddel medemensen te ontmoeten en op basis daarvan sociale verbanden aan te gaan. Bij het bepalen van de voorzieningen houdt het college van burgemeester en Wethouders rekening met de persoonskenmerken en behoeften van de aanvrager van de voorziening, alsmede met de capaciteit van de aanvrager om uit een oogpunt van kosten zelf in maatregelen te voorzien. In de modelverordening van de VNG staat bij hoofdstuk 1 Algemene bepalingenartikel 1 n: Algemeen gebruikelijk: naar geldende maatschappelijke normen tot het gangbare gebruiks- dan wel bestedingspatroon van een persoon als de aanvrager behorend. Hoofdstuk 3 ‘Hulp bij het huishouden’ artikel 3.3 gebruikelijke zorg. In afwijking van het gestelde in artikel 3.3 komt een persoon als bedoeld in artikel 1 eerste lid onder g onderdeel 4,5 en 6 van de wet niet in aanmerking voor hulp bij het huishouden als tot de leefeenheid waar deze persoon deel van uitmaakt een of meer huisgenoten behoren die wel in staat zijn het huishoudelijk werk te verrichten Onder vorenbedoelde zorg zijn begrepen voorzieningen tot behoud, herstel of ter bevordering van de arbeidsgeschiktheid of strekkende tot verbetering van levensomstandigheden, alsmede maatschappelijke dienstverlening. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden aard, inhoud en omvang van de zorg waarop aanspraak bestaat, geregeld; daarbij kunnen met betrekking tot de inhoud en omvang van de desbetreffende zorg beperkingen worden gesteld. Het bepalen van aard en omvang van gebruikelijke zorg in relatie tot een eventuele aanspraak op hulp vanwege ondersteuning vanuit de Wmo heeft alleen betrekking op de functie hulp bij het huishouden. 1.2 Gebruikelijke zorg en mantelzorg In relatie tot ondersteuning vanuit de Wmo is het van belang de term gebruikelijke zorg goed te onderscheiden van het begrip mantelzorg. Gebruikelijke zorg en mantelzorg zijn elkaar uitsluitende begrippen. Gebruikelijke zorg is per definitie zorg waarop geen aanspraak bestaat vanuit de Wmo. Het is de normale, dagelijkse zorg die partners of ouders en inwonende kinderen geacht worden elkaar onderling te bieden omdat ze als leefeenheid een gezamenlijk huishouden voeren en op die grond een gezamenlijke verantwoordelijkheid hebben voor het functioneren van dat huishouden. Gebruikelijke zorg is ook alleen aan de orde als er een leefeenheid is die een gezamenlijk huishouden voert. Uitwonende kinderen vallen hier dus buiten. Bij mantelzorg gaat het om ondersteuning vanuit de Wmo waarop de burger vanuit het compensatiebeginsel een beroep kan doen op de gemeente. Er wordt dan ook gesproken van de externe mantelzorg. Externe mantelzorg is zorg die niet in het kader van een hulpverlenend beroep wordt geboden aan een hulpbehoevende, door personen uit diens directe omgeving waarbij de zorgverlening rechtstreeks voortvloeit uit de sociale relatie (Zorg Nabij, VWS 2001). Bij externe mantelzorg wordt de normale (gebruikelijke) zorg in zwaarte, duur en/of intensiteit aanmerkelijk overschreden. Externe mantelzorg vindt plaats op basis van vrijwilligheid, dat wil zeggen dat de mantelzorger bereid en in staat geacht mag worden deze zorg te leveren. Het betreft hier dus niet de partner, inwonende kinderen of andere huisgenoten. 1.3 De omgeving als wegingsfactor De fysieke en sociale omgeving zijn van invloed op de zorgbehoefte van de cliënt. Huisgenoten, andere naasten en verwanten van de cliënt kunnen zowel in positieve als in negatieve zin de zorgbehoefte beïnvloeden. Zij kunnen zelf zorg behoeven (kleine kinderen, een gehandicapte huisgenoot/familielid), zij kunnen ook verlichting geven en bijdragen aan te verrichten taken (gezonde volwassenen). In het indicatieonderzoek naar beperkingen en participatieproblemen van cliënten zal altijd de fysieke en sociale omgeving van de vrager meegenomen worden in de afweging. In geval er voor de cliënt externe mantelzorg vrijwillig beschikbaar is kan dat deel van de zorgaanspraak buiten het indicatiebesluit blijven omdat daar geen hulp bij het huishouden vanuit de ondersteuning in de Wmo voor ingezet hoeft te worden. Dit deel hoeft door de gemeente niet gecompenseerd te worden. De externe mantelzorger voorziet al in die hulp en de consulent weegt dat mee in het opstellen van het indicatiebesluit. Welke zorg de externe mantelzorger op zich neemt en in welke omvang is, in overleg met de cliënt, uitsluitend en alleen aan de externe mantelzorger zelf om te bepalen. Het meewegen van de externe mantelzorg betekent ook dat de consulent nagaat of voor een deel van de externe mantelzorg alsnog ondersteuning vanuit de Wmo geïndiceerd moet worden ter ondersteuning van de externe mantelzorger zodat die regelmatig tijdelijk ontlast wordt. In geval er voor een cliënt geen mantelzorg beschikbaar is of mantelzorg wegvalt, wordt dus ondersteuning vanuit de Wmo geïndiceerd. 1.4 Status van het indicatiebesluit Bij de invoering van de Wmo op 1 januari 2007 is het een taak van de gemeente om de indicatie voor hulp bij het huishouden vast te stellen. Of deze hulp in natura of in de vorm van een persoonsgebonden budget zal worden afgenomen door de hulpvrager doet voor de indicatiestelling niet terzake. 1.5 Status van deze richtlijnen Deze richtlijnen zijn gebaseerd op het protocol gebruikelijke zorg, zoals het CIZ die eerder heeft uitgewerkt. WMO-consulenten dienen deze richtlijnen te hanteren bij het bepalen of er aanspraak op ondersteuning vanuit de Wmo aan de orde is waarbij beoordeeld moet worden hetgeen van huisgenoten onderling verwacht wordt aan zorg van en voor elkaar. De afdeling Werkgelegenheid en Sociale Zaken heeft de mogelijkheid, in geval toepassing van deze richtlijnen in concrete gevallen tot kennelijke onbillijkheid leidt, om zelf en waar nodig te besluiten dat van de richtlijnen moet worden afgeweken. 2.Definities en algemene uitgangspunten 2.1 Aanvrager 2.De aanvrager is degene die een gezondheidsprobleem heeft en daardoor beperkingen ondervindt in de zelfredzaamheid. Ook wanneer ondersteuning wordt gevraagd in het functioneren van het huishouden door een ander dan de aanvrager (zoals de echtgenote of de ouder), is degene met het gezondheidsprobleem de aanvrager. 2.De cliënt hoeft niet altijd de aanvrager van het verzoek om ondersteuning te zijn. Ook de wettelijke vertegenwoordiger van de cliënt kan een aanvraag indienen. 2.2 Gezamenlijke huishouding 2.De definitie van gezamenlijke huishouding is opgenomen in de wet Wmo art. 1 lid 4: 2.Van een gezamenlijke huishouding is sprake indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins. Lid 5: Een gezamenlijke huishouding wordt in ieder geval aanwezig geacht indien de betrokkenen hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en: zij met elkaar gehuwd zijn geweest of eerder voor de toepassing van deze wet daarmee gelijk zijn gesteld, uit hun relatie een kind is geboren of erkenning heeft plaatsgevonden van een kind van de een door de ander, zij zich wederzijds verplicht hebben tot een bijdrage aan de huishouden krachtens een geldend samenlevingscontract, of zij op grond van een registratie worden aangemerkt als een gezamenlijke huishouding die naar de aard en strekking overeenkomstig met de gezamenlijke huishouding, bedoeld in het vierde lid. 2.3 Huisgenoot 2.Gebruikelijke zorg wil zeggen dat als de hulpvrager huisgenoten heeft die het huishoudelijk werk over kunnen nemen, zij verondersteld worden dit door een herverdeling van taken te doen, zodat er geen ruimte meer bestaat hulp bij het huishouden te indiceren. 2.Dit principe is gebaseerd op de achterliggende gedachte dat een leefeenheid in gezamenlijkheid verantwoordelijk is voor het huishoudelijke werk. Dat betekent dat indien degene die gewend is het huishoudelijk werk te doen hiertoe niet meer in staat is, andere leden van de leefeenheid verondersteld worden dit over te nemen. Dit principe heeft een verplichtend karakter en betreft alle huisgenoten ouder dan 18 jaar. Vanaf 18 jaar wordt men verondersteld in verband met studie op kamers te kunnen wonen en een eenpersoonshuishouden te kunnen draaien. Vanaf 23 jaar wordt men verondersteld een volledig huishouden te kunnen draaien. 2.Hoewel in de verordening onder huisgenoot wordt verstaan, iedere meerderjarige met wie de aanvrager duurzaam gemeenschappelijk een woning bewoont, worden personen onder 18 jaar verondersteld te helpen bij het huishouden, zoals het bijhouden van de eigen kamer, het helpen dekken van de tafel, het helpen bij de afwas enz. Ook met deze activiteiten kan rekening gehouden worden bij de indicatie (zie § 4.1.7). 2.Daarbij wordt er geen rekening mee gehouden of men het al dan niet wil of al dan niet gewend is te doen. In situaties dat personen uit de leefeenheid die nog nooit huishoudelijk werk hebben gedaan, dit niet kunnen, kan via een tijdelijke indicatie hulp geboden worden bij het aanleren hiervan. De taak wordt dan niet overgenomen maar via instructies gestuurd. 2.Het is echter expliciet niet de bedoeling om bewoners van kloosters, woongemeenschappen en dergelijk te dwingen tot het verlenen van zorg aan medebewoners. 2. 2.4 Eén- en meerpersoonshuishouden 2.Indien de cliënt deel uitmaakt van een leefeenheid bestaande uit meerdere personen (meerpersoonshuishouden) moet de consulent vaststellen wat, gezien de samenstelling van die leefeenheid, in dat geval verstaan wordt onder gebruikelijke zorg van huisgenoten voor elkaar. Pas dan kan de consulent besluiten op welke ondersteuning vanuit de Wmo de cliënt redelijkerwijs is aangewezen. 2.In geval cliënt een éénpersoonshuishouden voert is er geen sprake van gebruikelijke zorg. 2.5 Maatschappelijke participatie 2.Iedere volwassen burger wordt verondersteld naast een volledige baan of opleiding een huishouden te kunnen voeren. 2.In geval van een meerpersoonshuishouden staat het hebben van een normale baan of het volgen van een opleiding per definitie het leveren van gebruikelijke zorg niet in de weg. Gebruikelijke zorg gaat voor op andere activiteiten van leden van de leefeenheid in het kader van hun maatschappelijke participatie (zie ook § 3.4). 2.6 Culturele diversiteit 2.Bij het inventariseren van de eigen mogelijkheden van het huishouden wordt geen onderscheid gemaakt op basis van sekse, religie, cultuur, de wijze van inkomensverwerving of persoonlijke opvattingen over het verrichten van huishoudelijke taken. Er is sprake van een pluriforme samenleving waarin een ieder gelijke aanspraken op ondersteuning vanuit de Wmo kan maken. 2.7 Betrekken van huisgenoten / mantelzorgers bij het indicatieonderzoek 2.Indien er sprake is van huisgenoten, die gebruikelijke zorg Leveren, is het zaak dat de consulent de huisgenoten persoonlijk hoort in het kader van het indicatieonderzoek. Op die manier kan de consulent correct inventariseren welke taken de huisgenoot uitvoert en hoe hij/zij de belasting van deze taken ervaart in relatie tot zijn/haar maatschappelijke participatie. 2.Ook – of juist - wanneer het gaat om min of meer gebruikelijke zorg en de inzet van de huisgenoot, vereist de zorgvuldigheid dat deze wordt gehoord. 2.Een externe mantelzorger wordt in principe alleen op verzoek van de cliënt gehoord in het indicatieonderzoek. 2.8 Gemotiveerd afwijken 2.Indien er sprake is van een zorgvraag waarvan de consulent objectief heeft vastgesteld dat het gaat om zorg die valt onder de eigen verantwoordelijkheid van het huishouden dan wel om zorg die vrijwillig door mantelzorg wordt geleverd, kan conform dit document worden vastgesteld dat er geen grondslag voor ondersteuning vanuit de Wmo is. 2.Wanneer een dergelijke vaststelling voor de consulent als professional tot kennelijke onredelijkheid en/of onbillijkheid leidt gezien de situatie van de cliënt, kan en moet de consulent (gemotiveerd) van deze richtlijn afwijken. 2.Er kan dan besloten worden gebruik te maken van de hardheidsclausule, artikel 37 van de Verordening. 2.9 Cliëntsoevereiniteit 2.Een van de basisprincipes van de Wmo is de cliëntsoevereiniteit. 2.Hiermee wordt bedoeld, dat de wens van de cliënt ten aanzien van de vraag van wie hij zorg wenst te ontvangen, leidend dient te zijn bij de (indicatie
- en)hulprealisatie. Een hulpvrager heeft vanuit dat perspectief zeggenschap in de hulpverlening. In het verlengde daarvan kan hij niet zonder meer verplicht worden (persoonlijke) hulp van de partner/huisgenoot te aanvaarden. Of er vervolgens aanspraak is op ondersteuning vanuit de Wmo hangt af van de uitkomst van de indicatiestelling. 3.Richtlijnen voor de indicatiestelling hulp bij het huishouden ondersteuning bij het bepalen van gebruikelijke zorg in relatie tot ondersteuning vanuit de Wmo 3.1 Ondersteuning vanuit de Wmo aanvullend op eigen mogelijkheden 3.Ondersteuning vanuit de Wmo is aanvullend op de mogelijkheden die de cliënt heeft om op eigenkracht zijn probleem op te lossen. 3.Dit is terug te vinden in de Wet Maatschappelijke Ondersteuning Artikel 2: 3.Er bestaat geen aanspraak op maatschappelijke ondersteuning voor zover met betrekking tot de problematiek die in het gegeven geval aanleiding geeft voor de noodzaak tot ondersteuning, een voorziening op grond van een andere wettelijke bepaling bestaat. 3.Wanneer een cliënt in zijn hulpvraag voorziet met eigen middelen, en dat niet op eigen kosten wenst te continueren, is er, wanneer daartoe aanleiding bestaat, een aanspraak op ondersteuning vanuit de Wmo. Dit doet zich bv. voor wanneer een cliënt particuliere hulp in dienst heeft, of wanneer een cliënt op eigen kosten in een beschermende woonomgeving woont. Deze op eigen kosten getroffen voorzieningen zijn niet voorliggend op ondersteuning vanuit de Wmo. 3.Vervolgens moet bekeken worden of voorliggende voorzieningen een oplossing kunnen bieden voor het zorgprobleem. Hierbij wordt een onderscheid gemaakt naar wettelijk voorliggende voorzieningen en voorzieningen die algemeen gebruikelijk zijn. Zie bijlage 1. Wettelijke voorliggende voorzieningen zijn afdwingbaar terwijl bij algemeen gebruikelijke voorzieningen moet worden nagegaan of deze voorziening ook werkelijk beschikbaar is en adequaat is ingeval van de cliënt. 3.2 Gezondheidsproblemen of (dreigende) overbelasting 3.Een consulent kan besluiten dat een huisgenoot of partner geen gebruikelijke zorg kan leveren als deze zodanige gezondheidsproblemen heeft dat de consulent redelijkerwijs moet concluderen dat de betreffende taken niet door hem uitgevoerd kunnen worden. 3.Een consulent moet altijd onderzoeken of een leefeenheid, gegeven de voor die leefeenheid geldende gebruikelijke zorg, door de (chronische) uitval van een gezinslid niet alsnog onevenredig belast wordt en overbelasting dreigt. 3.Wanneer partner of huisgenoot gezondheidsproblemen en beperkingen heeft of door de combinatie van een (volledige) werkkring of opleiding en het voeren van het huishouden overbelast dreigt te raken, zullen de (medische) gegevens ter onderbouwing daarvan door de betrokkene moeten worden aangeleverd. De gemeente moet daar dan een geobjectiveerd oordeel over vormen. Wanneer de dreigende overbelasting wordt veroorzaakt door een combinatie van werk en gebruikelijke zorg en andere activiteiten dan werk en huishouden, gaan werk en gebruikelijke zorg voor. 3.Het beoefenen van vrijetijdsbesteding kan op zich geen reden zijn om een indicatie te geven voor gebruikelijke zorg. 3.In geval de leden van een leefeenheid dreigen overbelast te raken door de combinatie van werk en verzorging van de zieke partner/huisgenoot, kan een indicatie worden gesteld op de onderdelen die normaliter tot de gebruikelijke zorg worden gerekend. In eerste instantie zal die indicatie van korte duur zijn om de leefeenheid de gelegenheid te geven de onderlinge taakverdeling aan de ontstane situatie aan te passen. Hetzelfde geldt als een partner/ouder ten gevolge van het plotseling overlijden van de andere ouder dreigt overbelast te raken door de combinatie van werk en verzorging van de inwonende kinderen. 3. 3.3 Fysieke afwezigheid 3.Indien de huisgenoot van een cliënt vanwege zijn/haar werk fysiek niet aanwezig is wordt hiermee bij de indicatiestelling uitsluitend rekening gehouden, wanneer het om aaneengesloten perioden van ten minste zeven etmalen gaat. 3.De afwezigheid van de huisgenoot moet een verplichtend karakter hebben en inherent zijn aan diens werk; denk hierbij aan offshore werk, internationaal vrachtverkeer en werk in het buitenland. Wanneer iemand aaneengesloten perioden van ten minste zeven etmalen van huis is, is er in die periode feitelijk sprake van een éénpersoonshuishouden en kan er geen gebruikelijke zorg worden geleverd. 3.4 Korte levensverwachting 3.In geval de cliënt een zeer korte, bekende levensverwachting heeft kan ter ontlasting van de leefeenheid van de cliënt afgeweken worden van de normering van gebruikelijke zorg. 3.5 Telefonisch indiceren 3.Een aanvraag mag nooit telefonisch worden afgehandeld wanneer de cliënt het – ook na uitleg – niet eens is met de uitkomst. 4. Gebruikelijke zorg bij de functie hulp bij het huishouden 4.1 Doel hulp bij het huishouden Hulp bij het huishouden is aangewezen wanneer disfunctioneren van de leefeenheid als gevolg van gezondheidsproblemen van (één van) de verzorgende (leden) dreigt. Dat kan zich uiten in vervuiling (van de woning of van kleding), verwaarlozing (gezondheidsrisico’s, persoonlijke verzorging, voeding en vocht) of ontreddering van zichzelf of van afhankelijke huisgenoten waardoor het functioneren in huis maar ook buitenshuis belemmerd wordt. Het doel van huishoudelijke verzorging kan dan zijn het schoonhouden van het huis en/of het verrichten van de dagelijks voorkomende huishoudelijke activiteiten, maar ook het ondersteunen bij het organiseren van het huishouden. (Zie verder richtlijn hulp bij het huishouden) 4.2 Leefeenheid primair verantwoordelijk De leefeenheid van een cliënt die een beroep doet op ondersteuning vanuit de Wmo blijft altijd primair verantwoordelijk voor het functioneren van het huishouden. Dat betekent dat van een leefeenheid wordt verwacht dat, bij uitval van één van de leden van die leefeenheid, gestreefd wordt naar een herverdeling van de huishoudelijke taken binnen die leefeenheid. 4.3 Huishoudelijke taken: uitstelbaar en niet uitstelbaar Onder huishoudelijke taken vallen zowel de uitstelbare als de niet-uitstelbare taken. Het verzorgen van –overigens gezonde- kinderen valt ook onder de functie hulp bij het huishouden. Niet-uitstelbare taken zijn maaltijd verzorgen, de kinderen verzorgen, afwassen en opruimen; Wel-uitstelbare taken zijn boodschappen doen, wasverzorging, zwaar huishoudelijk werk: stofzuigen, sanitair, keuken, bedden verschonen. Taken van een 18 tot en met 22 jarige Van een volwassen gezonde huisgenoot wordt verwacht dat deze de huishoudelijke taken overneemt wanneer de primaire verzorger uitvalt. Een 18-23 jarige wordt verondersteld een eenpersoonshuishouden te kunnen voeren. De huishoudelijke taken voor een éénpersoonshuishouden zijn: schoonhouden van sanitaire ruimte, keuken en een kamer, de was doen, boodschappen doen, maaltijd verzorgen, afwassen en opruimen. Te normeren naar 2 uur uitstelbare, zware huishoudelijke taken en 3 uur lichte, niet uitstelbare huishoudelijke taken per week. Daarnaast kunnen zij eventuele jongere gezinsleden verzorgen en begeleiden. 4.4 Indicatie voor het aanleren van huishoudelijke activiteiten Redenen als 'niet gewend zijn om’ of ‘geen huishoudelijke werk willen en/of kunnen verrichten' leiden niet tot een indicatie voor het overnemen van huishoudelijke taken. Indien hiervoor motivatie aanwezig is- kan er een indicatie worden gesteld voor 6weken zorg voor het aanleren van huishoudelijke taken en/of het leren (efficiënter) organiseren van het huishouden. Afstemming met de functies OB/AB in het kader van de AWBZ is noodzakelijk. 4.5 Opvang en verzorging van kinderen bij uitval van een van de ouders Ouders hebben een zorgplicht voor hun kinderen. De ouders zorgen voor de opvoeding van hun kinderen. Dit houdt in: het zorgen voor hun geestelijk en lichamelijk welzijn en het bevorderen van de ontwikkeling van hun persoonlijkheid (en naar draagkracht voorzien in de kosten van dit alles). Deze zorgplicht strekt zich uit over opvang, verzorging, begeleiding en opvoeding die een ouder (of verzorger), onder meer afhankelijk van de leeftijd en verstandelijke ontwikkeling van het kind, normaal gesproken geeft aan een kind, inclusief de zorg bij kortdurende ziekte. Bij uitval van één van de ouders neemt de andere ouder de gebruikelijke zorg voor de kinderen over. Gebruikelijke zorg voor kinderen omvat in ieder geval de aanwezigheid van een verantwoordelijke ouder of derde persoon conform de leeftijd en ontwikkeling van het kind. Opvang is niet structureel in de Wmo. Voor de verzorging van de kinderen kan, zonodig, wel een beroep op ondersteuning vanuit de Wmo gedaan worden. Eigen oplossingen gaan voor Indien nodig dient de ouder gebruik te maken van de voor hem/haar geldende regeling voor zorgverlof. De consulent onderzoekt, in geval er mantelzorg aanwezig is, wat in redelijkheid met mantelzorg kan worden opgevangen. Is dit niet mogelijk dan dient de ouder gebruik te maken van (een combinatie van ) crèche, opvang op school, buitenschoolse opvang, gastouder ed. (de zogenaamde algemeen gebruikelijke voorliggende voorzieningen). Het verplichte gebruik van alternatieve opvangmogelijkheden voor kinderen is redelijk, onafhankelijk van de financiële omstandigheden. Voorkomen van crisis en ontwrichting Zijn deze mogelijkheden reeds maximaal gebruikt of afwezig, of is er slechts kortdurend overbrugging nodig in noodgevallen, dan kan de functie huishoudelijke verzorging worden ingezet. Structurele opvang van kinderen is geen taak binnen de Wmo. Niet-structurele opvang van kinderen kan alleen bij ontwrichting of calamiteiten tijdelijk tot ondersteuning vanuit de Wmo leiden. Verzorging van de kinderen kan zonodig tot ondersteuning vanuit de Wmo leiden 4.6 Uitval van ouder in éénoudergezin Indien er sprake is van uitval van de ouder in een éénoudergezin, of beide ouders ondervinden beperkingen in de opvang en verzorging van de kinderen, wordt er eerst (zie § 4.5) nagegaan wat mantelzorg opvangt, en wat vrijwilligers als vervangende mantelzorg, voorliggende voorzieningen en algemeen gebruikelijke voorzieningen kunnen opvangen. Voor oppas en opvang van gezonde kinderen is in principe geen ondersteuning vanuit de Wmo, daarvoor zijn andere, algemeen gebruikelijke en voorliggende voorzieningen voorhanden. Gebruik van kinderopvang/crèche als voorliggende voorziening voor oppas en opvang van gezonde kinderen tot 5 dagen per week is redelijk. Indien indicatiesteller zich ervan heeft vergewist dat de voorliggende algemeen gebruikelijke voorzieningen niet aanwezig of niet toepasbaar zijn of zijn uitgeput is bij uitval van de ouder in een éénoudergezin afhankelijk van de leeftijd en ontwikkeling van het kind een indicatie voor hulp bij het huishouden mogelijk tot 40 uur per week voor oppas en opvang van gezonde kinderen. Een dergelijke indicatie is in principe van korte duur (max. 3 maanden), de periode waarin een eigen oplossing moet worden gevonden. 4.7 Bijdrage van kinderen aan het huishouden In geval de leefeenheid van de cliënt mede bestaat uit kinderen, dan gaat de consulent ervan uit, dat de kinderen, afhankelijk van hun leeftijd en psychosociaal functioneren, een bijdrage kunnen leveren aan de huishoudelijke taken. Kinderen tot 5 jaar leveren geen bijdrage aan de huishouding. Kinderen tussen 5-12 jaar worden naar hun eigen mogelijkheden betrokken bij lichte huishoudelijke werkzaamheden als opruimen, tafel dekken/afruimen, afwassen/afdrogen, boodschap doen, kleding in de wasmand gooien. Kinderen vanaf 13 jaar kunnen, naast bovengenoemde taken hun eigen kamer op orde houden, d.w.z. rommel opruimen, stofzuigen, bed verschonen. 4.8 Hoge leeftijd en trainbaarheid Wanneer in redelijkheid niet (meer) kan worden verondersteld dat een nieuwe taak als het huishouden nog is te trainen of aan te leren, zoals bij ouderen op hoge leeftijd (> 75 jaar) kan, indien nodig, hulp voor die zwaar huishoudelijke taken worden geïndiceerd die anders tot de gebruikelijke zorg zouden worden gerekend. 5. Voorliggende voorzieningen Behalve gebruikelijke zorg zijn ook voorliggende voorzieningen reden om ondersteuning vanuit de Wmo te beperken of af te wijzen. De methodiek van de indicatiestelling zoals ontwikkeld in het Breed Indicatie Overleg (BIO protocol 1997) kende de volgende afwegingen: Wanneer er algemene voorzieningen zijn waarvan de hulpvrager gebruik kan maken, dan verdienen die de voorkeur boven het gebruik van bijzondere, (voorheen) sectorale voorzieningen. Bijvoorbeeld: openbaar vervoer gaat voor bijzonder vraagafhankelijk vervoer, en dit gaat weer voor op collectief aanvullend vervoer, dat weer voor gaat op vervoer gericht op een specifieke doelgroep. Dezelfde redenering gaat op voor arbeid, dagbesteding, onderwijs, welzijnsvoorzieningen, enz. Voorliggende voorzieningen zijn er in twee soorten: wettelijke en algemeen gebruikelijke. 5.1 Wettelijk voorliggende voorzieningen Wettelijk voorliggende voorzieningen zijn deels neergelegd in de Wmo en deels in andere regelgeving dan de Wmo Wanneer er wettelijke voorliggende voorzieningen zijn, dient de hulpvrager daar gebruik van te maken. Wanneer zo’n voorziening een adequate oplossing voor het probleem van de cliënt zou bieden, bestaat er geen aanspraak op ondersteuning vanuit de Wmo. Het is daarbij niet van belang of de voorliggende voorziening daadwerkelijk aanwezig is of niet. Er moet bij de indicatiestelling vanuit worden gegaan dat de voorliggende voorziening beschikbaar is. Het feit dat de instantie die verantwoordelijk is voor de realisatie van de voorziening in gebreke is gebleven, is geen reden dit af te wentelen op de Wmo. De afweging of voorliggende voorzieningen een adequate oplossing bieden voor het probleem van de cliënt is een vraag die de consulent zich stelt nadat de afweging: “Is hier sprake van gebruikelijke zorg?” heeft plaatsgevonden. 5.2 Algemeen gebruikelijke voorziening Een algemeen gebruikelijke voorziening is een voorliggende voorziening waarvan gebruik moet worden gemaakt als deze voorhanden is en in redelijkheid een oplossing biedt voor de zorgvraag van de cliënt. Hierbij moet worden gedacht aan: crèche, kinderopvang, gastouder; personenalarmering; maaltijdservice; financieel-administratieve ondersteuning; hondenuitlaatdienst; klussendienst. Vrijwilliger is vervangende mantelzorg Vrijwilligers moeten niet worden opgevat als een ‘voorliggende voorziening’ maar als vervanging van mantelzorg. Dat betekent dat indien er vrijwilligers aanwezig, beschikbaar en bereid zijn om de zorg vrijwillig te (blijven) leveren, er voor dat deel geen ondersteuning is vanuit de Wmo. Bijlage 1 Het onderzoeken van overbelasting Algemeen De consulent onderzoekt altijd of er in de individuele situatie moet worden afgeweken van de algemene regels. Een van de redenen om in de individuele situatie af te wijken kan zijn dat degene van wie wordt verwacht dat zij taken overneemt, reeds overbelast dreigt te raken. In Van Dale wordt overbelasting uitgelegd als “meer belasten dan het prestatievermogen toelaat”. In medische kringen praten we dan over het (on)evenwicht tussen draagkracht (= belastbaarheid) en draaglast (= belasting). Overbelasting kan veroorzaakt worden door een combinatie van symptomen van lichamelijke en/of psychische aard en wordt het bepaald door in- en uitwendige factoren. Factoren die van invloed zijn op de draagkracht zijn onder meer: • lichamelijke conditie mantelzorger; • geestelijke conditie mantelzorger; • wijze van omgaan met problemen (coping); • motivatie voor zorgtaak; • sociaal netwerk. Factoren die van invloed zijn op de draaglast zijn onder meer: • omvang en mate van (on)planbaarheid van zorgtaken; • ziektebeeld en prognose; • inzicht van mantelzorger in ziektebeeld van de cliënt; • woonsituatie; • bijkomende sociale problemen; • bijkomende emotionele problemen; • bijkomende relationele problemen. Onderzoek naar de draaglast-draagkracht mantelzorger Het kan soms heel duidelijk zijn dat de mantelzorger overbelast is, in ander gevallen is dat minder duidelijk en zal dit in het indicatieonderzoek moeten worden uitgediept. Er bestaat niet één, simpel af te nemen test, die hierover direct uitsluitsel geeft. Wel bestaan er allerlei vragenlijsten op dat gebied en kunnen door de mantelzorger ervaren klachten duiden op overbelasting. Een recente uitspraak van het Cvz (Zknr. 23010188) leert dat het College van mening is dat de beperkingen in de belastbaarheid vanwege de gezondheid van de mantelzorger dienen te worden beoordeeld door of onder verantwoordelijkheid van een arts. In voorkomende gevallen kan het opnemen van contact met de behandelende sector volstaan om hierover een oordeel te vormen. Dit dient dan wel onder aanwijzing van een arts te gebeuren; deze dient vervolgens ook bij het eindoordeel te worden betrokken. Onderzoeksvragen Hieronder volgt een reeks van vragen die de consulent zouden kunnen helpen bij het verkrijgen van een indruk over de eventuele overbelasting van de mantelzorger. Wat zegt de mantelzorger er zelf over, hoe ervaart hij of zij het zorgen? Hoe is de (lichamelijke en geestelijke) gezondheid van de mantelzorger? Zijn er signalen van overbelasting: nervositeit, vermoeidheid? Heeft de mantelzorger een “uitlaatklep”? Heeft hij of zij de mogelijkheid om activiteiten buitenshuis te doen? Kan iemand zijn verhaal kwijt bij vrienden, familie of professionals? Wordt er respijtzorg geboden zodat de mantelzorger even op adem kan komen? Hoe is de relatie tussen de mantelzorger en de cliënt? Hoe stelt de cliënt zich op, veeleisend of juist dankbaar? Kan de mantelzorger grenzen aangeven en ‘nee’ zeggen? Is er irritatie tussen de mantelzorger en cliënt? Heeft de mantelzorger inzicht in de ziekte van de cliënt? (Als men weet dat bepaald gedrag uit de ziekte voortkomt, kan het gemakkelijker zijn dat gedrag te accepteren.) Hoeveel tijd heeft de mantelzorger? Heeft iemand een baan, een eigen gezin, een ander familielid dat zorg behoeft? Voorbeeld: een echtgenoot wordt ziek, terwijl zijn vrouw ook al voor haar ouders zorgt. Is de zorg te plannen of is er continue controle en toezicht nodig? Hoe is de prognose? (Een terminale situatie is altijd zwaar, maar een situatie die langdurig en stabiel is, kan ook veeleisend zijn.) Wat zijn de knelpunten in de zorg? Hoe is de woonsituatie? Woont men afgelegen, of in een flat zonder lift zodat de cliënt en de mantelzorger min of meer samen opgesloten zitten. Symptomen die zouden kunnen wijzen op overbelasting Diverse symptomen zijn waar te nemen bij (dreigende) overbelasting. Het is mogelijk, dat slechts één van deze symptomen waarneembaar is. Over het algemeen zullen meerdere symptomen gecombineerd optreden. De mate, waarin ze zich manifesteren, zal van persoon tot persoon verschillen. Daarnaast dient men zich te bedenken dat het hierbij om veelal, aspecifieke symptomen gaat, die ook bij andere stoornissen kunnen passen (dit is een van de redenen waarom Cvz de beoordeling hiervan bij de arts neerlegt). Het bestaan van deze symptomen moet dus als een mogelijk signaal worden opgevat. Indien er meerdere van onderstaande symptomen aanwezig zijn, is het raadzaam dat de zorger zijn huisarts raadpleegt, omdat bij langdurige aanwezigheid en/of verwaarlozing van dergelijke symptomen weer kunnen leiden tot andere, ernstige stoornissen. Mogelijke symptomen van overbelasting zijn: Gespannen spieren, vaak in schoudergordel en rug Hoge bloeddruk Gewrichtspijn Gevoelens van slapte Slapeloosheid Migraine, duizeligheid Spierkrampen Verminderde weerstand, ziektegevoeligheid Opvliegingen Ademnood en gevoelens van beklemming op de borst Plotseling hevig zweten Gevoelens van beklemming in de hals Spiertrekkingen in het gezicht Verhoogde algemene prikkelbaarheid, boosheid, (verbale) agressie, zwijgen Ongeduld Vaak huilen Neerslachtigheid Isolering Verbittering Concentratieproblemen Dwangmatig denken, niet meer kunnen stoppen Rusteloosheid Perfectionisme Geen beslissingen kunnen nemen Denkblokkades Bronnen: • Een open gesprek. Indicatiestelling en mantelzorg NIZW 2000; • Nieuwsbrief adviesprocedure indicatiegeschillen Cvz, nr. 2003/3; • Assesment Scales in Old Age Psychiatry. A. Burns e.a. Martin Dunitz Ltd 1999. Bijlage 2 : Over wegen en overwegen Uit: Gebruikelijke zorg van ouders voor hun kinderen, Jeanne Stroucken, Jeanette van den Brink, afstudeerscriptie MGZ, VDO, 2002 De in dit document gehanteerde indeling in leeftijdscategorieën komt overeen met de verdeling in de bestudeerde literatuur (o.a. Mönks 1994 en Verhulst 1997). Andere documenten die deze indeling ook hanteren zijn bijvoorbeeld de Sociale Redzaamheidschaal Zwakzinnigen. Deze test wordt pas vanaf 4 jaar gebruikt, waaruit je kunt opmaken dat voor die leeftijd de vaardigheden in het kader van zelfredzaamheid niet of nauwelijks te verwachten zijn bij kinderen. Kijkend naar de kinderopvang in Nederland dan is te zien dat ook daar dezelfde categorieën worden gehanteerd. Tot 4 jaar zijn er kinderdagcentra waar kinderen kunnen worden opgevangen van ouders die bijvoorbeeld werken. Vanaf 4 jaar tot 12 jaar is er de zogenaamde BSO ofwel Buiten Schoolse Opvang. Daar wordt opvang verzorgd voor kinderen na schooltijd en in vakanties. Voor kinderen van 12 jaar en ouder is geen (of nauwelijks) opvang. Hieruit zou kunnen worden opgemaakt dat kinderen tot 12 jaar na school opvang nodig hebben en oudere kinderen niet meer. Dat zegt iets over de leeftijd die normaal geacht wordt voor een kind, zonder direct toezicht thuis te zijn. Voor ons een belangrijk gegeven, want dat geeft het moment aan waarop ouders van verstandelijk gehandicapte kinderen een beroep kunnen doen op de AWBZ voor vergoeding van de oppas die zij nodig hebben voor hun kind. Wanneer het gaat over verkeersveiligheid zijn er eigenlijk geen eenduidige leeftijdsgrenzen gevonden. De motorische vaardigheden worden wel beschreven, maar niet wanneer een kind normaal gesproken alleen het verkeer in kan. Er wordt wel iets gezegd over de leeftijd kinderen waarop regels begrijpen (verkeersregels) en op welke leeftijd kinderen meerdere dingen tegelijk kunnen overzien en er op kunnen reageren (het verkeer) (Verhulst) 1997). Het enige uitgangspunt dat hierbij algemeen vorm heeft gekregen is het moment waarop kinderen op de basisschool verkeersexamen doen. Dit vindt meestal plaats in groep 7 wanneer kinderen tussen de 10 en 12 jaar oud zijn. Gesteld kan worden dat de meeste kinderen vanaf 12 jaar zich zelfstandig in het verkeer moeten kunnen begeven. Ook is bestudeerd wat er geschreven staat over de zelfredzaamheid van kinderen in het kader van de persoonlijke verzorging, met name de onderdelen: zichzelf wassen of douchen, aan- en uitkleden en tandenpoetsen. In dat kader is tevens de zindelijkheid benoemd. Samenvattend kan gesteld worden dat deze vaardigheden door de meeste kinderen beheerst worden rond hun 5e levensjaar, maar dat controle dan nog wel nodig is. (o.a. Mönks 1994 en Verhulst 1997). Conclusie daaruit is dat het normaal is dat kinderen tot 5 jaar geheel verzorgd worden door hun ouders of opvoeders op het gebied van persoonlijke verzorging. Tot welke leeftijd toezicht nodig blijft, wordt niet vermeld. Wij vinden echter dat, gebaseerd op wat we hebben gelezen, er vanuit gegaan mag worden dat rond het 12e levensjaar toezicht in het kader van de persoonlijke verzorging niet meer nodig is. Voor de indicatieaanvragen voor persoonlijke verzorging zal dan ook een leeftijdsgrens van 12 jaar gehanteerd kunnen worden. Bij het zoeken naar wat deskundigen schrijven over vrijetijdsbesteding, is uitgegaan van een sport of hobby bedrijven, niet buitenspelen of binnenshuis zichzelf vermaken. Binnen clubs of verenigingen worden kinderen ook weer ingedeeld in leeftijdscategorieën. Tot 5 jaar kunnen kinderen eigenlijk nergens georganiseerd sporten of hobby’s uitoefenen. Kinderen tot 6 jaar zijn motorisch nog onvoldoende ontwikkeld en is het uithoudingsvermogen te gering om sport te beoefenen, behalve zwemmen (Feddema, Wagenaar 1999). Zwemles valt ons inziens echter niet onder vrijetijdsbesteding. Het leren zwemmen wordt in Nederland over het algemeen als een essentieel onderdeel van de opvoeding gezien. Vanaf 5 jaar, maar meestal vanaf 6 jaar, vallen kinderen bij clubs en verenigingen onder de beginners. Vanaf 8 jaar vallen ze doorgaans in een volgende categorie tot 10 jaar en daarna in een categorie tot 12 jaar. Indeling in categorieën gaat meestal door tot 18 jaar. Daarna horen kinderen (bij sporten) tot de senioren. Over een gemiddeld aantal uren vrijetijdsbesteding per week buitenshuis voor kinderen is vrijwel niets te vinden in de literatuur. Vermeld staat alleen wat er binnen een sport- of hobbyclub aan uren per kind wordt besteed, maar niet naar hoeveel clubs kinderen normaal gesproken gaan. Het betreft meestal activiteiten voor 1 tot 2 uur per week. Het totaal aantal uren vrijetijdsbesteding is dus afhankelijk van het aantal clubs dat wordt bezocht en hobby's die worden beoefend. BIJLAGE VI PROTOCOL INDICATIESTELLING HULP BIJ HET HUISHOUDEN Voorwoord De basis voor deze Wmo richtlijn Hulp bij het huishouden is het CIZ protocol huishoudelijke verzorging voor de indicatiestelling AWBZ en het protocol Gebruikelijke Zorg, beide uit 2005. De functie Huishoudelijke Verzorging (HV) is per 1 januari 2007 uit de AWBZ gehaald en in de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) als Hulp bij het Huishouden (HbH) opgenomen. Om tot deze Wmo richtlijn te komen is het AWBZ protocol Huishoudelijke Verzorging en Gebruikelijke Zorg aangepast op basis van de Wmo modelverordening en modelbeleidsregels van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG). Deze modelverordening en modelbeleidsregels zijn bedoeld voor gemeenten als hulpmiddel voor het opstellen van een eigen Wmo verordening en beleidsregels. In de toelichting op de modelverordening stelt de VNG: “In deze modelverordening is vorm gegeven aan het compensatiebeginsel zonder de regels van de Wet voorzieningen gehandicapten en de regels rond de functie huishoudelijke verzorging uit de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) geheel los te laten. Dit is van belang om niet een vacuüm te laten ontstaan, te meer daar het overgangsrecht zoals geregeld in de Wmo bestaande cliënten maximaal één jaar het behoud van de oude rechten op grond van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten of de Wet voorzieningen gehandicapten biedt.” Het is de verwachting dat in de toekomst gemeenten eigen beleid zullen gaan maken wat mogelijk meer af zal wijken van de functie huishoudelijke verzorging zoals die was in de AWBZ. Inleiding De gemeente heeft de plicht om burgers met beperkingen in staat te stellen om een huishouden voeren. Hiertoe behoort zowel de hulp bij het huishouden als de Wmo-woonvoorzieningen. In de modelverordening wordt er van uitgegaan dat: “een persoon pas behoefte kan hebben aan hulp bij het huishouden indien dat huishouden in een voor hem geschikte woning is gesitueerd.” Dit betekent dat woonvoorzieningen voorliggend kunnen zijn op Hulp bij het huishouden, bijvoorbeeld een woningsanering of het plaatsen van een wasmachine op een verhoging. De hulp bij het huishouden kan in 3 vormen als voorziening worden verstrekt: Hulp bij het Huishouden als algemene voorziening Hulp bij het Huishouden in natura Persoonsgebonden budget (PGB) voor Hulp bij het Huishouden Ad. 1 In de Verordening is dit omschreven als: “een snelle en eenvoudige dienstverleningsoplossing zonder veel administratieve rompslomp voor gemeente en aanvrager. Gedacht moet worden aan het vormen van direct beschikbare hulp bij het huishouden vanuit bijvoorbeeld een wijksteunpunt met name voor eenvoudige werkzaamheden, al dan niet op basis van een kortdurende hulpbehoefte.” De regels voor algemene voorzieningen zijn de volgende: Het gaat om een voorziening die in tijd een korte duur heeft; Het gaat om een voorziening die betrekking heeft op lichte, niet complexe zorg; Of het gaat om een voorziening ten behoeve van een incidentele zorgbehoefte. Denk hierbij bijvoorbeeld aan lichte, niet complexe zorg, zoals tijdelijke hulp bij het huishouden na een ziekenhuisopname. Het is niet mogelijk om een algemene voorziening als PGB te ontvangen. Er wordt geen eigen bijdrage gevraagd. Ad. 2/3 Het primaat ligt bij de hulp bij het huishouden als algemene voorziening. Cliënten kunnen in aanmerking komen voor Hulp bij het Huishouden in natura of PGB als de Hulp bij het Huishouden als algemene voorziening een onvoldoende oplossing biedt of niet beschikbaar is. Ad. 1/2/3 De gemeente stelt de Hulp bij het Huishouden vast in klassen. Gemeente bepaalt de maximale geldigheidsduur van de indicatie. 1. Uitgangspunten voor Hulp bij het Huishouden 1.1.Als er beperkingen zijn bij het voeren van een huishouden Hulp bij het Huishouden is aan de orde als er beperkingen zijn bij het voeren van een huishouden. Dat kan zich uiten in vervuiling (van de woning of van kleding), verwaarlozing (gezondheidsrisico’s, persoonlijke verzorging, voedin