ook artikel 4.2 Bevoorschotting Asv). Artikel5.6Terugvordering Naast het ingevolge artikel 4:57 Awb recht van terugvordering wordt hierbij het college tevens het recht tot vordering van wettelijke rente toegekend. Hoofdstuk6Slotbepalingen Artikel6.1Hardheidsclausule Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de belanghebbende van het bepaalde in deze verordening of de deelverordeningen gemotiveerd afwijken, indien toepassing van de betreffende verordening tot onbillijkheden van overwegende aard leidt. Artikel6.2Overgangsbepaling 1.Bij het inwerking treden van deze verordening worden de volgende (deel)verordeningen ingetrokken: Algemene Subsidieverordening Wageningen 1998; deelverordening subsidiering godsdienst- en vormingsonderwijs; deelverordening subsidiering jeugdwerk (jeugdlidsubsidies); deelverordening subsidiering sport: m.u.v. hoofdstuk 5; deelverordening subsidiering kunst en cultuur; (deel)verordening milieu-actiebudget. 2.Aanvragen om verlening van subsidie, die op basis van de onder het eerste lid genoemde verordeningen zijn ingediend en waarover bij de inwerkingtreding van de verordening nog niet is beslist worden geacht op basis van onderhavige verordening te zijn ingediend. 3.De aanlevering van gegevens en bescheiden en/of aanvragen met het oog op (ambtshalve) vaststelling van subsidie, die op basis van de onder het eerste lid genoemde verordeningen is verleend, worden afgedaan op basis van die verordening. 4.Op bezwaarschriften gericht tegen een beschikking op een aanvraag krachtens de in het eerste lid genoemde verordeningen, wordt beslist met toepassing van de onder het eerste lid genoemde (deel)verordeningen. 5.In de gevallen dat een of meer bepalingen uit deze verordening voor een instelling ongunstiger zijn, gelden alleen voor het begrotingsjaar 2007 de bepalingen van de Algemene Subsidieverordening Wageningen
n wij er van af om in de Asv algemeen verbindende voorschriften op deze terreinen te formuleren. Uiteraard betekent dit niet dat wij geen waarde meer zouden hechten aan emancipatie, democratisch functioneren van instellingen en non-discriminatie. 4. Wat is een subsidie?4.1 De definitie ontleedDe Awb hanteert de volgende definitie (art. 4:21): een subsidie is een aanspraak op financiële middelen, door een bestuursorgaan verstrekt, met het oog op bepaalde activiteiten van de aanvrager, anders dan een betaling voor de aan het bestuursorgaan geleverde goederen of diensten. Met het woord “aanspraak” wordt aangegeven dat de financiële middelen (nog) niet daadwerkelijk verstrekt hoeven te worden. Zo is bijvoorbeeld ook het garant staan van de gemeente een subsidie in de zin van de wet. Door “op financiële middelen” in de definitie op te nemen worden verstrekkingen in natura (ook niet indien zij op geld waardeerbaar zijn zoals bv het beschikbaar stellen van sportvelden of accommodaties) niet onder het subsidiebegrip gerekend. Kredietverlening valt overigens wel onder het verlenen van een aanspraak op financiële middelen. "Bestuursorganen" van de gemeente zijn de burgemeester, het college van burgemeester en wethouders en de gemeenteraad. Soms kan het ook een commissie zijn met bepaalde bevoegdheden. Met het begrip “met het oog op bepaalde activiteiten” wordt bedoeld dat voorafgaand aan de activiteiten de bestedingsrichting van de gelden is vastgelegd. Ook een nalaten, zoals het braak laten liggen van grond, kan een activiteit zijn. De aard van de activiteiten kan zeer uiteenlopen. Het kan gaan om eenmalige of langdurende activiteiten. Door deze omschrijving vallen de sociale uitkeringen, huursubsidie, schadevergoedingen en studiefinanciering niet onder het subsidiebegrip. De bestedingsrichting staat hier immers niet vast. Uitkeringen die naast de sociale zekerheid worden verstrekt vallen wel onder het subsidiebegrip, tenzij zij in betreffende wetgeving uitgezonderd zijn van het subsidiebegrip. “Anders dan als betaling voor goederen of diensten” heeft tot gevolg dat commerciële transacties met de gemeente buiten het subsidiebegrip vallen. Deze vallen onder het Burgerlijk Wetboek. Of sprake is van subsidieverlening of een commerciële transactie moet aan de hand van de omstandigheden van het concrete geval worden vastgesteld (
ook art. 4:21 Awb). 4.2 Toepassing en uitgangspuntDe subsidietitel van de Awb is van toepassing indien aan alle elementen van de begripsomschrijving wordt voldaan, ongeacht de benaming die eraan wordt gegeven. Subsidie kan zich in vele gedaanten voordoen. Cruciaal is niet de feitelijke verstrekking (vandaar de term aanspraak), maar de beslissing om de voorgenomen activiteit te subsidiëren. Uitgangspunt hierbij is dat: subsidie een sturingsinstrument is; subsidie vernieuwing en samenwerking stimuleert; subsidieafspraken worden vastgelegd in beschikkingen (al dan niet met prestatie/productafspraken of eventuele overeenkomsten); subsidieafspraken meetbaar worden gemaakt in beschikkingen (al dan niet met prestatie/productafspraken of eventuele overeenkomsten). 4.3 Subsidieverlening, -vaststelling en uitbetaling4.3.1 SubsidieverstrekkingIn het proces van subsidieverstrekking zijn drie belangrijke momenten te onderscheiden: de subsidieverlening, de subsidievaststelling en de betaling. Met de term subsidieverlening duidt de Awb de beschikking aan die voorafgaand aan de (voltooiing van de) te subsidiëren activiteit wordt gegeven. De subsidieverlening geeft de subsidieontvanger een voorwaardelijke aanspraak op financiële middelen, waarvan de precieze omvang vaak nog niet vaststaat. Ondanks dit voorwaardelijke karakter schept de subsidieverlening al een rechtens afdwingbare aanspraak. De aanspraak is voorwaardelijk omdat het op dat moment nog niet zeker is of de aanvrager daadwerkelijk de gesubsidieerde activiteiten verricht en hij zich aan de opgelegde verplichtingen houdt. De subsidievaststelling is het besluit (tweede beschikking), waarin wordt vastgesteld in hoeverre de voorwaarden zijn vervuld en hoeveel het exacte subsidiebedrag bedraagt. De subsidievaststelling geeft een onvoorwaardelijke en definitieve aanspraak op een bepaald bedrag. Als de subsidieontvanger de bij de verlening omschreven activiteit heeft verricht en de verplichtingen is nagekomen en er zich geen onregelmatigheden hebben voorgedaan, dan moet de subsidie worden vastgesteld op het bedrag dat bij de verlening in het vooruitzicht is gesteld. De uitbetaling van de subsidie is geen beschikking, maar een rechtshandeling naar burgerlijk recht. In de praktijk wordt veelal gewerkt met voorschotten die moeten worden verrekend bij de vaststelling van de subsidie. 4.3.2 Directe subsidievaststellingDe mogelijkheid bestaat om af te
n van subsidieverlening en direct tot vaststelling over te gaan, indien een verlening vooraf gelet op de subsidievorm en de hoogte van het subsidiebedrag niet nodig dan wel te omslachtig is. Art 4:43 van de Awb voorziet er in dat elementen die je normaal gesproken op zou nemen in de verleningsbeschikking nu opgenomen worden in de vaststellingsbeschikking. 4.3.3 Ambtshalve subsidievaststellingDaarnaast biedt de Awb de mogelijkheid om de subsidie ambtshalve vast te stellen. Ambtshalve vaststelling wil niet zeggen ”ambtelijk”, want het bestuursorgaan, het college, neemt wel degelijk een besluit, maar het betekent: zonder voorafgaande aanvraag. De jaarlijks in te dienen jaarstukken worden dan beschouwd als aanvraag voor de vaststelling van de subsidie. De subsidie wordt dan vastgesteld op basis van de op dat moment beschikbare gegevens. Intrekken en wijzigen subsidiesIn de Asv zijn geen bepalingen opgenomen over de intrekking en wijziging van subsidies. De mogelijkheden daartoe zijn geregeld in de artikelen 4:48 tot en met 4:51 van de Awb. 5. Soorten subsidiesIn de Asv worden 2 soorten subsidies onderscheiden: meerjarige subsidies; incidentele subsidies. De meerjarige subsidies worden onderverdeeld in: Budgetsubsidies (
van dit hoofdstuk); Exploitatiesubsidies (
van dit hoofdstuk); Waarderingssubsidies (
Incidentele subsidies zijn subsidies voor activiteiten met een eenmalig, experimenteel of projectmatig karakter (
Bij meerjarige subsidies is gekozen voor een mutatiesysteem. Dit systeem houdt in dat er sprake is van meerjarige subsidieverlening met een jaarlijkse ambtshalve subsidievaststelling. Deze vaststelling en bevoorschotting gebeuren in de jaren waarvoor de subsidieverlening geldt, tamelijk routinematig. Zolang er geen bijzonderheden zijn, bijvoorbeeld als de activiteiten niet zijn gerealiseerd, indien de vereiste verplichtingen niet zijn nagekomen of als er een groot financieel tekort is ontstaan, wordt de subsidie jaarlijks ambtshalve vastgesteld conform de verleningsbeschikking. Pas als er een meerjarige subsidieperiode voorbij is, is er een moment van toetsing en afweging. Dan kijkt het college naar de komende jaren en stelt het zichzelf de (beleidsmatige) vragen óf de subsidie voor de betreffende activiteiten moet worden voortgezet, hoeveel subsidie daarvoor beschikbaar zal worden gesteld en welke verplichtingen daaraan verbonden zullen worden. Uiteraard kan via het budgetoverleg, waarin de afspraken die zijn vastgelegd in de uitvoeringsovereenkomst worden bewaakt, gestuurd worden op gewenste (tussentijdse) resultaten. De terminologie in de nieuwe Asv moet overeenkomen met die van de huidige Awb. Dat betekent onder meer, dat niet meer gesproken kan worden over toekenning, afwijzing en definitieve vaststelling van subsidie. Voortaan worden de volgende begrippen gebruikt: verlening (voorheen toekenning): dit is het besluit, waarbij de aanvrager aanspraak krijgt op een bepaald subsidiebedrag; weigering (voorheen afwijzing): dit is het besluit, waarbij een bepaalde activiteit niet subsidiabel wordt verklaard c.q. geen subsidie wordt verleend; vaststelling (voorheen definitieve vaststelling): volgt in de regel na de subsidieverlening; verstrekking: omvat het proces van subsidieverlening en (directe) –vaststelling. 5.1 BudgetsubsidiesAan wie?De gemeente verleent uitsluitend budgetsubsidies aan grotere professionele instellingen die meerdere beroepskrachten in dienst hebben (minimaal 2fte). Het gaat om instellingen waarmee de gemeente een langdurige subsidierelatie heeft. Het gaat veelal om relatief grote bedragen (het subsidiebedrag bedraagt minimaal € 50.000,- (prijspeil 2006). De subsidie heeft betrekking op een aantal basisactiviteiten waarvan de wenselijkheid is vastgelegd in meerjarige door de raad vastgestelde beleidsnota’s en/of programmabegroting. BekostigingsgrondslagDe subsidieverstrekking vindt plaatst op basis van outputafspraken. Er wordt dan ook gewerkt met een productbegroting, waarbij sprake is van een integrale kostprijsberekening per product. De verleningsbeschikking wordt uitgewerkt in een uitvoeringsovereenkomst. De uitvoeringsovereenkomst vervangt de verleningsbeschikking overigens niet. Het afsluiten van de uitvoeringsovereenkomst betekent dat de subsidieontvanger verplicht is de gesubsidieerde activiteiten uit te voeren. Eenzijdige heroverwegingen door de subsidieverlener (lager of hoger vaststellen van de subsidie tegen een kleiner of groter productenaanbod) binnen de termijn waarvoor subsidie is verleend is niet mogelijk (de afspraken in de verleningsbeschikking liggen immers vast voor de gehele contractperiode). Vanaf rekeningjaar 2008 wordt van iedere instelling die in aanmerking wil komen voor een budgetsubsidie een productbegroting geëist. TermijnenBudgetsubsidies worden verleend voor minimaal 2 en maximaal 4 jaar. Het heeft de voorkeur de termijnen voor budgetfinanciering te synchroniseren met de zittingsperiodes van de raad. Er vinden jaarlijks vaststellingen plaats op grond van de door de subsidie ontvanger ingediende rapportages (o.a. jaarrekening en jaarverslag). Dit systeem wordt mutatiesysteem genoemd. RolverdelingEr is sprake van een heldere rolverdeling tussen de subsidieontvanger en de subsidiegever. De subsidieontvanger is verantwoordelijk voor zijn eigen bedrijfsvoering en loopt het daarbij behorende bedrijfsrisico. De subsidiegever is een afnemer van producten tegen een vooraf bepaalde prijs en kwaliteitsniveau. Kostenbeheersing en efficiencyHet vooraf afspraken maken over producten en bijbehorende kosten leidt voor de subsidieverlener tot een betere beheersing van de kosten. Daarnaast is er is voor de instelling een prikkel ingebouwd om efficiënt te werken. Eventuele overschotten aan het einde van het jaar mogen (eventueel middels een verdeelsleutel) door de instelling in principe worden behouden. Anderzijds moeten eventuele tekorten door de instelling zelf worden opgevangen. Lange termijnDoor de meerjarenafspraken wordt de subsidieverlener gestimuleerd om na te denken over langere termijn doelstellingen. De output (kwalitatief en kwantitatief) en de bijdrage daarvan aan de beoogde maatschappelijke effecten staan centraal. Indien een subsidiegever tijdelijk extra producten wil inkopen kan hiervoor een aparte subsidiebeschikking worden verleend in de vorm van een éénmalige activiteitensubsidie (o.a. project). Lange termijn afspraken kunnen overigens tevens kostenverlagend werken doordat de subsidieontvanger over een langere termijn weet waar hij aan toe is (i.v.m. investeringen). 5.2 ExploitatiesubsidiesAan wie?De gemeente verleent exploitatiesubsidie aan (semi-) professionele instellingen of Vrijwilligersorganisaties. Het gaat om instellingen waarmee de gemeente veelal een langdurige subsidierelatie heeft, maar waarbij het (nog) niet mogelijk of wenselijk is over te gaan tot budgetfinanciering. Op termijn zal deze subsidiesoort niet meer voorkomen, aangezien deze subsidievorm weinig tot geen mogelijkheden tot sturing biedt en voor de instellingen weinig tot geen prikkels bevat om efficiënt te werken. BekostigingsgrondslagDe subsidieverstrekking vindt in de regel plaats op basis van de input (subsidiabele kosten) en is gericht op de instandhouding van de betreffende organisatie en de bijbehorende activiteiten. Jaarlijkse heroverweging door de subsidiegever is mogelijk in de vorm van het beschikbaar stellen van meer of minder budget met een bijbehorende aanpassing van het activiteitenniveau. TermijnenExploitatiesubsidies worden verleend voor minimaal 2 en maximaal 4 jaar. Er vinden jaarlijks vaststellingen plaats op grond van de door de subsidie ontvanger ingediende rapportages (o.a. jaarrekening en jaarverslag). Dit systeem wordt mutatiesysteem genoemd. 5.3 WaarderingssubsidiesBij waarderingsubsidies is er geen direct verband tussen de kostprijs van de gesubsidieerde activiteit en de hoogte van het subsidiebedrag. Het is als het ware een "waardering" van de activiteiten (een extra steuntje in de rug) die de subsidieontvanger ontplooit. Waarderingssubsidies worden verleend voor minimaal 2 en maximaal 4 jaar. Er vinden jaarlijks vaststellingen plaats op grond van de door de subsidie ontvanger ingediende rapportages (o.a. jaarrekening en jaarverslag). Dit systeem wordt mutatiesysteem genoemd. De hoogte van de waarderingssubsidie wordt bepaald met behulp van een normbedrag en objectieve kwantitatieve gegevens (bijvoorbeeld een vast bedrag per (jeugd)lid per sportvereniging). De criteria en verdeelregels zijn opgenomen in beleidsregels per beleidsterrein. Het gaat veelal om relatief kleine bedragen en vrijwilligersorganisaties. 5.4 Eenmalige activiteitensubsidiesHierbij gaat het om subsidieverstrekking van activiteiten met een eenmalig, experimenteel of projectmatig karakter. Het kan zowel om grote als kleine bedragen gaan. De subsidie kan zowel aan professionele instellingen als aan vrijwilligersorganisaties worden verleend. Voor professionele instellingen geldt dat er sprake dient te zijn van een aanvullende activiteit die niet onder de uitvoeringsovereenkomst valt en/of niet gefinancierd kan worden uit de reguliere subsidie. De instelling dient dit te onderbouwen met argumenten. Indien er geen beleidsregels zijn om op terug te vallen welke activiteiten voor een eenmalige activiteitensubsidie in aanmerking komen, is vermelding van een bedrag en de hoogte van het bedrag in de gemeentebegroting voldoende. Artikelsgewijze toelichting op de Algemene Subsidie Verordening gemeente Wageningen Hoofdstuk 1 Algemene bepalingenArtikel 1.1 BegripsbepalingenDe begripsomschrijvingen in dit artikel van de Asv zijn opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Begripsbepalingen die al in de Awb worden gebruikt en toegelicht zijn niet herhaald. Artikel 1.2 Reikwijdte van de algemene subsidieverordeningDit artikel is van belang omdat het de terreinen waarop de gemeente subsidie kan geven afbakent. Tevens vallen hier de subsidies onder die rechtstreeks in de begroting zijn opgenomen. De subsidie valt dan rechtstreeks onder de Awb. De Awb biedt voor deze mogelijkheid een uitzonderingsbepaling. Artikel 1.3 RechtspersoonlijkheidRegel is, dat subsidie wordt verstrekt aan instellingen die een volledige rechtspersoonlijkheid bezitten. Dit artikel biedt de mogelijkheid om daarvan in bijzondere gevallen af te wijken, dat wil zeggen voor activiteiten die passen binnen het subsidiebeleid en waarbij de omstandigheid dat deze niet worden gerealiseerd door een (volledige) rechtspersoonlijkheid bezittende instelling geen beletsel is. De eis dat alleen aan rechtspersonen subsidie wordt verleend is mede ter bescherming van de aanvrager. Is de aanvrager een natuurlijk persoon, dan is deze hoofdelijk aansprakelijk c.q. verantwoordelijk voor de besteding van de subsidie. Verder voorkomt het mogelijke fraude en biedt een rechtspersoon meer waarborgen voor de uitvoering van de gesubsidieerde activiteiten (i.v.m. de continuïteit). Artikel 1.4 De rol van de raadDe bevoegdheidsverdeling in dit artikel geeft aan dat de raad stuurt op hoofdlijnen. Zij stelt het inhoudelijke en financiële kader.
ook hoofdstuk 3 van de Algemene toelichting. Artikel 1.5 De rol van het collegeDe bevoegdheidsverdeling geeft aan dat het college verantwoordelijk is voor de uitvoering van het door de raad vastgestelde beleid. Zo besluit het college omtrent verlening, intrekking, wijziging en vaststelling van subsidie.
ook hoofdstuk 3 van de Algemene toelichting. Artikel 1.6 ToezichthoudersIn de Awb is in hoofdstuk 5, afdeling 5.1 het nodige geregeld omtrent toezichthouders. Een uitgebreide regeling in de Asv is daarom niet nodig. Wel moet de Asv de mogelijkheid aangeven om toezichthouders aan te wijzen. Op grond van het bepaalde in afdeling 5.1 moet de instelling de toezichthouder toegang verlenen tot de accommodatie en de administratie. Hij is bevoegd inlichtingen te vorderen en zo nodig zakelijke bescheiden en gegevens mee te nemen om kopieën te kunnen maken. Artikel 1.7 Subsidieplafond en verdelingsmaatstafVolgens de Awb kan een subsidieplafond alleen bij of krachtens wettelijk voorschrift worden ingesteld. Deze Asv doet dat door te bepalen dat de bedragen genoemd in de door de raad vastgestelde programma’s of een daaronder vallend product uit de programmabegroting te bestemmen als subsidieplafond. Met de vaststelling van een subsidieplafond wordt voorkomen dat een subsidieregeling tot onbegrensde uitgaven leidt. Een subsidie moet namelijk worden geweigerd, voor zover door verstrekking van de subsidie een vastgesteld subsidieplafond zou worden overschreden. Het subsidieplafond is dus tevens een weigeringsgrond. Hiertoe is geen verdere motivatie vereist. Verwijzing naar artikel 4:25, tweede lid Awb is voldoende. De weigeringsplicht geldt overigens niet als het bestuursorgaan te laat is met de aankondiging van een voornemen tot niet-voortzetten van een meer dan drie jaar durende subsidieverstrekking (
art.4:51, aant. 4). De regeling van het subsidieplafond beoogt enerzijds recht te doen aan de rechtszekerheid van subsidieaanvragers, anderzijds aan de begrotingsdiscipline. Lid 3 biedt voor incidentele subsidievormen de mogelijkheid om naast het principe van de volgorde van ontvangst ook de mogelijkheid te hebben te kiezen voor een van de volgende verdelingsmaatstaven: Verdeling naar rato: aan de hand van alle tijdig ingediende aanvragen en aan de hand van vastgestelde grondslagen, wordt berekend tot aan welk totaalbedrag aan subsidie zou moeten worden verleend. Bij overschrijding van het subsidieplafond wordt de subsidie van alle in aanmerking komende subsidieaanvragers naar rato verlaagd. Dit gebeurt door het totaal beschikbare subsidiebudget te delen door het berekende totaalbedrag en deze uitkomst te vermenigvuldigen met de individuele subsidieaanvraag. Tendersysteem: aan de hand van alle tijdig ingediende aanvragen, wordt op basis van vooraf vastgestelde criteria een vergelijk en beoordeling gemaakt van de aanvragen. Vervolgens worden de aanvragen tegen elkaar afgewogen en gerangschikt op basis van kwaliteit. Het beschikbare budget wordt op volgorde van rangorde verdeeld. “Derde” systeem: indien de te verlenen subsidie verstrekt wordt op basis van een (gedeeltelijk) beschikbaar gesteld budget van een “derde partij” (bijvoorbeeld Rijk of Provincie) zijn de door deze derdepartij” gehanteerde voorwaarden bepalend voor de verdeling van deze budgetten. Het subsidieplafond moet worden bekendgemaakt. Het plafond incl. de verdelingsmaatstaven moet conform art. 4:27 lid 1 Awb bekendgemaakt worden voor aanvang van het tijdvak waarop het betrekking heeft. Ook behoren potentiële subsidieaanvragers te weten dat hun subsidieaanvraag kan worden geweigerd wegens het ontbreken van gelden, ook al voldoet de aanvraag aan de gestelde eisen. Artikel 1.8 SubsidiesoortenZie hoofdstuk 5 van de algemene toelichting. In de beschikking tot subsidieverlening wordt vermeld welke subsidiesoort voor de desbetreffende instelling van toepassing is. Op deze manier is voor de subsidieontvanger meteen duidelijk welke regels op de subsidieverstrekking van toepassing zijn. Artikel 1.9 Indexering voor instellingen met vast personeelInstellingen met vast personeel ontvangen gedurende de periode van de subsidieverlening een indexering van de personele en niet-personele kosten. Er wordt daarbij uitgegaan van landelijke indexcijfers en een splitsing in personele en overige kosten. Dit geeft het meest zuivere beeld van de reële kostenstijging. Hieronder een voorbeeld van een berekening van de indexering: Subsidie jaar A: • personele deel: € 150.000 = 75% • niet personele deel: € 050.000 = 25% ---------------------- + • totaal: € 200.000 = 100% Subsidie jaar A +1: • index personele deel: - subsidie jaar A = € 200.000 - % personele deel = 75% - % CAO = 4% • formule: = (subsidie jaar A x % personele deel) x % CAO) = (€ 200.000 x 0,75) x 0,04 = € 6.000 • index niet personele deel: - subsidie jaar A = € 200.000 - % niet pers. deel = 25% - % gem. Begr.rchtl = 3% • formule: = (subsidie jaar A x % niet pers. deel) x % gem. Begr.rchtl = (€ 200.000 x 0,25) x 0,03 = € 1.500 • Subsidie jaar A+1 = subsidie jaar A + index pers. deel + index niet-pers. deel = € 200.000 + € 6.000 + € 1.500 = € 207.500 Subsidie jaar A+2 en verder:In de jaren volgend op het jaar A+1 wordt in de formule telkens uitgegaan van het daaraan voorafgaande jaar: Jaar A+1: A Jaar A+2: A+1 Jaar A+3: A+2 etc……. Het college kan op basis van lid 2 afwijken van het bovenstaande. Indien het college de indexering gedurende twee of meer achtereenvolgende jaren lager vaststelt dan conform het bepaalde in artikel 1.9 lid 1, kan het zijn dat in het geval van budgetfinanciering de productafspraken in de uitvoeringsovereenkomst aangepast moeten worden. Indien het college gebruik maakt van lid 2 dienen de betreffende subsidieaanvragers tijdig (dat wil zeggen vóór 1 april) op de hoogte worden gesteld, opdat zij hiermee rekening kunnen houden bij het opstellen van de begroting voor het volgende kalenderjaar. Lid 2 is opgenomen om te kunnen afwijken. Er kunnen zich situaties voordoen die zo specifiek zijn dat het wenselijk is dat het college deze mogelijkheid tot haar beschikking heeft. Het college dient bij toepassing van dit lid te motiveren waarom zij gebruik maakt van de afwijkingsmogelijkheid. Artikel 1.10 Indexering voor instellingen zonder vast personeelIeder jaar wordt de indexering opnieuw bezien en vastgesteld aan de hand van de gemeentelijke begrotingsrichtlijn. In geval van bezuinigingen kan de indexering wordenvastgesteld op nul. De betreffende subsidieaanvragers moeten hiervan tijdig (dat wil zeggen vóór 1 april) op de hoogte worden gesteld, opdat zij hiermee rekening kunnen houden bij het opstellen van de begroting voor het volgende kalenderjaar. Voorbeeld: • Subsidie jaar A: € 30.000,- • inflatie % gemeentebegroting: 2,5% • Subsidie jaar A+1: € 30.750,- Lid 2 is opgenomen om te kunnen afwijken. Er kunnen zich situaties voordoen die zo specifiek zijn dat het wenselijk is dat het college deze mogelijkheid tot haar beschikking heeft. Het college dient bij toepassing van dit lid te motiveren waarom zij gebruik maakt van de afwijkingsmogelijkheid. Artikel 1.11 EvaluatieverslagIn artikel 4:24 van de Awb wordt bepaald dat, indien een subsidie op een wettelijk voorschrift berust, tenminste één maal in de vijf jaar een verslag moet worden gepubliceerd over de doeltreffendheid en de effecten van de subsidie in de praktijk, tenzij bij verordening anders is bepaald. In de nieuwe gemeentewet, zoals aangepast door de inwerkingtreding van de Wet dualisering gemeentebestuur, wordt veel belang gehecht aan systematisch onderzoek naar doelmatigheid en doeltreffendheid van het gemeentelijk beleid en de uitvoering daarvan. Het artikel in de Asv reikt verder dan de bepaling in de Awb. Artikel 1.11 bepaalt dat het college gemeentelijke subsidies die worden verstrekt en waarvan het college van mening is dat de verslaglegging onvoldoende inzicht biedt, eens in de vier jaren worden gescreend op rechtmatigheid, doelmatigheid en doeltreffendheid. Onder “rechtmatigheid” wordt in dit verband verstaan of de subsidie is besteed aan het doel, waarvoor zij verstrekt is, onder “doelmatigheid” of het beoogde doel op een efficiëntere manier is gerealiseerd en onder “doeltreffendheid” of het met de subsidieverstrekking beoogde in de beschikking vermelde doel daadwerkelijk is gerealiseerd. Elk jaar een aantal subsidierelaties bekijken werkt doelmatiger dan om de vier jaar alles in één keer doen. Het college stelt jaarlijks vast welke subsidierelaties aan bod komen. Hoofdstuk 2 Verplichtingen van de subsidieontvanger Artikel 2.1 Verplichtingen van de subsidieontvangerDe mogelijkheid tot het opleggen van verplichtingen wordt noodzakelijk geacht om een doelmatig en rechtmatig subsidiebeleid te kunnen voeren. Enkele verplichtingen vloeien rechtstreeks voort uit de Awb. Dit artikel biedt het college de mogelijkheid om ten aanzien van een aantal onderwerpen aanvullende regels op te stellen. Daarnaast heeft het college de mogelijkheid om in de beschikking verplichtingen op te nemen waaraan moet worden voldaan. De aanvullende verplichtingen moeten altijd in het verlengde liggen van de met de subsidie beoogde doelstellingen en mogen geen onevenredige nadelige gevolgen hebben voor derden. De subsidieverplichtingen eindigen als de subsidie wordt vastgesteld. Omdat het gemeentebestuur activiteiten subsidieert die het van belang acht voor haar inwoners, heeft het er ook belang bij, dat de instelling ten aanzien van haar vrijwilligers beleid ontwikkelt dat hun rechten waarborgt. Een instelling dient haar vrijwilligers in voldoende mate bij het beleid van de instelling en bij de uitvoering te betrekken. Dit is door de instelling vastgelegd in een statuut en diverse regelingen voor de bij de instelling werkzame vrijwilligers. Dit artikel is opgenomen omdat het een speerpunt van het algemeen beleid is, waaraan via deze Asv concrete invulling wordt gegeven. Betreffende documenten dienen aan de gemeente te worden overlegd. Artikel 2.2 Algemene egalisatiereserve bij exploitatie- en budgetsubsidieIn dit artikel staan de bepalingen opgenomen die betrekking hebben op het creëren van een algemene egalisatiereserve. Een algemene egalisatiereserve is een bedrag dat ‘over’ is in het financiële overzicht c.q. de balans en dient als een buffer, waarmee tekorten in het ene jaar kunnen worden opgevangen met overschotten in het andere jaar. De algemene egalisatiereserve vormt mede de weerstandscapaciteit. Het kan niet de bedoeling zijn dat deze reserve oneindig groot wordt. Het college kan dan ook in nadere regels of beleidsregels uitwerken wat de totale maximale omvang van de algemene egalisatiereserve mag bedragen. Dit artikel is bedoeld om een doelmatige besteding en beheer van subsidiegelden te waarborgen. Daarnaast dient het als stimulans voor de subsidieontvanger om efficiënt met het subsidiegeld om te gaan. De subsidieaanvrager is verplicht in zijn financiële overzicht of jaarrekening de omvang van de algemene egalisatiereserve te vermelden. Artikel 2.3 Algemene egalisatiereserve bij waarderingssubsidieIndien gewenst kan het college nadere regels of beleidsregels stellen ten aanzien van de vorming van de algemene egalisatiereserve, de maximale omvang en het jaarlijks toe te voegen bedrag. In de Asv is voor deze subsidiesoorten vastgelegd dat het in ieder geval nooit meer dan 10% van het verleende subsidiebedrag periodiek (jaarlijks) mag worden toegevoegd. Artikel 2.4 BestemmingsreservesDeze nadere regels of beleidsregels bieden de instelling de mogelijkheid om naast een algemene egalisatiereserve één of meerdere bestemmingsreserves te vormen. Bestemmingsreserves zijn reserves die kunnen worden gevormd met het oog op bepaalde investeringen, die in een bepaald jaar voor een bepaald doel zullen worden gedaan. Voorwaarde is dat het geld in het betreffende jaar voor het betreffende doel wordt uitgegeven. Gebeurt dit niet, dan vloeit de reserve onverbiddelijk terug naar de subsidiërende overheid. Op basis van het Burgerlijk Wetboek is een instelling verplicht om voorzieningen aan te leggen. Regelgeving vanuit het college of de gemeenteraad zijn niet nodig. Voorzieningen worden gecreëerd om zekere uitgaven op termijn te kunnen doen, bijvoorbeeld voor het onderhouden van een accommodatie. In principe wordt de maximale hoogte van de voorziening gebaseerd op een meerjarenplan dat voor dit doel is opgesteld. De jaarlijkse toevoeging aan een voorziening maakt, in tegenstelling tot reserves, deel uit van de exploitatiebegroting. Artikel 2.5 Vergoeding vermogensvormingDe subsidieontvanger is onder bepaalde omstandigheden verplicht tot het betalen van een schadevergoeding aan de gemeente, wanneer de ontvangen subsidie tot vermogensvorming bij de subsidieontvanger heeft geleid. Hierbij gaat het in het bijzonder om situaties, waarbij vermogensbestanddelen niet langer dienen voor het verwezenlijken van het doel, waarvoor subsidie is verleend: denk aan situaties waarbij de subsidieontvanger goederen vervreemdt, de activiteiten heeft beëindigd, de subsidieverlening of –vaststelling wordt ingetrokken of de rechtspersoon wordt ontbonden. Aangezien het niet redelijk is iedere vermogenstoename af te romen is de vergoedingsplicht gehouden aan enkele beperkingen, zoals genoemd in art. 4:41, lid 2, Awb. Voorbeeld: De gemeente subsidieert de bouw van een clubhuis. De vereniging heft zichzelf op en verkoopt het clubhuis. De opbrengst van de verkoop na aftrek van de kosten wordt verdeeld onder de leden. Voorbeeld: De gemeente subsidieert de exploitatie van een Stichting. De Stichting bouwt een reserve op. De Stichting stopt met de activiteiten waarvoor subsidie is verleend en zet de reserve in voor andere activiteiten die niet passen binnen het gemeentelijke beleid. Hoofdstuk 3 Aanvraag van subsidieverleningArtikel 3.1 Termijn voor indiening aanvraagDe datum voor indienen van de aanvraag houdt verband met de besluitvorming in het kader van de begrotingscyclus van de gemeente. In de toekomst kan deze datum naar voren worden gehaald, als de begrotingscyclus dit vraagt. Bij dit artikel wordt ten aanzien van de termijn een onderscheid gemaakt tussen de meerjarige subsidiesoorten en de incidentele subsidies. Artikel 3.2 Afhandelingstermijn aanvraagEen instelling ontvangt de verleningsbeschikking nadat de gemeenteraad de begroting voor het komende jaar heeft goedgekeurd. Uiterlijk 31 december hebben de instellingen de beschikking ontvangen, zodat zij weten op welke subsidie zij kunnen rekenen voor het komende jaar. Voor alle overige afhandelingstermijnen wordt de redelijke termijn van de Awb gehanteerd (art. 4:13 Awb). Artikel 3.3 Vereisten aanvraag voor budget- en een exploitatiesubsidieDit artikel geeft aan welke gegevens moeten worden ingediend om voor een budget- of exploitatiesubsidie in aanmerking te komen. Een meerjarenbeleidsplan en meerjarenbegroting bieden niet alleen de instelling de mogelijkheid om vooruit te denken, maar geeft het college tevens de mogelijkheid in te spelen op toekomstige ontwikkelingen. Het is overigens gebruikelijk om bij meerjarige subsidieverlening een begrotingsvoorbehoud te maken in de beschikking voor wat betreft het volgende of de volgende jaren (
art. 4:34 Awb). Meerjarige subsidieverlening heeft zowel voordelen voor de subsidiërende overheid als voor de subsidieontvangende instelling. Het voordeel voor het bestuursorgaan is dat de subsidie niet ieder jaar opnieuw verleend hoeft te worden. Het kan zich beperken tot het jaarlijks controleren of voldaan is aan de voorwaarden en verplichtingen. Het voordeel voor de instelling is uiteraard meerjarige zekerheid over het verkrijgen van subsidie. In het geval van budgetfinanciering, waarbij sprake is van meerjarige subsidieverlening, zullen afwijkingen in de meerjarenbegroting alleen dan tot aanpassingen kunnen leiden van de uitvoeringsovereenkomst indien daar gegronde redenen voor zijn. Deze uitzonderingen worden vastgelegd in de uitvoeringsovereenkomst. De inhoud van een activiteitenplan is vastgelegd in art. 4:62 van de Awb. Dit artikel stelt eisen aan de inhoud, zodat het bestuursorgaan kan beoordelen of de activiteiten en doelstellingen passen in het door haar nagestreefde beleid en of de doelen kunnen worden bereikt met de voorgestelde activiteiten. De instelling benoemt tevens de doelstellingen die zij wil behalen en de te verwachte resultaten. Door de vermelding van de per activiteit benodigde personele en materiële middelen, zoals het artikel voorschrijft, kan het college zich een voorlopig oordeel vormen over de doelmatigheid waarmee de subsidieontvanger opereert. Artikel 3.4 Vereisten aanvraag voor waarderings- en incidentele subsidieIn het geval van waarderingssubsidie wordt een meerjarenbegroting verwacht. Er is hier immers sprake van een meerjarige subsidie die voor meerdere jaren kan worden verleend. Voor incidentele subsidie kan worden volstaan met een begroting. De vereisten voor een waarderings- of incidentele subsidie zijn minder omvangrijk dan bij budget- of exploitatiesubsidie. De vereisten maken het mogelijk te beoordelen of de subsidiegelden doelmatig en rechtmatig worden ingezet. Het tweede lid heeft met name betrekking op het stellen van structureel lichtere eisen bij kleinere subsidies. Artikel 3.5 Aanvullende vereisten bij eerste aanvraagArtikel 4:64 verplicht een aanvrager die in het vorige jaar geen subsidie heeft aangevraagd (een zogeheten eerste aanvraag) om een aantal extra stukken te overleggen. Dit is noodzakelijk omdat het bestuursorgaan bij een eerste aanvraag in het algemeen nog niet voldoende inzicht heeft in het reilen en zeilen van de subsidieontvanger. Indien het college behoefte heeft aan aanvullende vereisten of gebruik wil maken van de mogelijkheid tot het geven van een vrijstelling of ontheffing, dan beschikt zij over deze bevoegdheid. Hier kan bijvoorbeeld gedacht worden aan het eisen van een bewijs van inschrijving Kamer van Koophandel of de verdeling van bevoegdheden binnen een bestuur. Hoofdstuk 4 SubsidieverleningArtikel 4.1 WeigeringsgrondenDe in dit artikel genoemde weigeringsgronden bevatten een aanvulling op de weigeringsgronden die al in art. 4:25 en 4:35 Awb zijn vermeld. Naast de weigeringsgronden in de Awb en de Asv kunnen in specifieke situaties in de beschikking nog andere weigeringsgronden worden geformuleerd. Zowel de artikelen van de Awb als de gronden in de Asv of beschikking vereisen een deugdelijke motivatie. De voorwaarden en criteria genoemd onder lid a zijn alle verplichtingen en vereisten zoals deze in de Asv zijn geformuleerd. Bijvoorbeeld de vereisten genoemd in artikel 3.3 of 3.
ook de algemene toelichting van deze Asv (hoofdstuk 4.3.3 en hoofdstuk 5). Artikel 5.2 Termijn voor indiening gegevens, bescheiden/ aanvraag subsidievaststellingDe datum voor indienen van de aanvraag houdt verband met de besluitvorming in het kader van de begrotingscyclus van de gemeente. In de toekomst kan deze datum naar voren worden gehaald, als de begrotingscyclus dit vraagt. Bij dit artikel wordt ten aanzien van de termijn een onderscheid gemaakt tussen de meerjarige subsidiesoorten en de incidentele subsidies. Volledigheidshalve wordt er op gewezen dat alleen bij incidentele subsidies een aanvraag tot vaststelling dient te worden ingediend. Art. 4:2 Awb omschrijft welke gegevens een dergelijke aanvraag dient te bevatten. Artikel 5.3 Verzoek om uitstel van het indienen van de gegevens, bescheiden tot subsidievaststellingEr kunnen redenen zijn waarom een instelling niet kan voldoen aan de termijn genoemd in artikel 5.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.