Verordening peuterspeelzaakwerk Purmerend 2006De raad van de gemeente Purmerend; gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van Purmerend d.d. 22 februari 2006 nr. 06-16; gelet op artikel 149 van de Gemeentewet; overwegende dat het wenselijk is regels te stellen ten aanzien van de kwaliteit van peuterspeelzalen; besluit: vast te stellen de Verordening peuterspeelzaalwerk Purmerend 2006 HOOFDSTUK1ALGEMENE BEPALINGEN Artikel1.Begripsomschrijvingen In deze verordening wordt verstaan onder: Peuterspeelzaalwerk: het bieden van speelgelegenheid aan kinderen van twee tot vier jaar gedurende een of meer dagdelen per week van maximaal 3,5 uur met als doel de ontwikkeling van deze kinderen te bevorderen en hen samen te laten spelen; Peuterspeelzaal: een voorziening waar peuterspeelzaalwerk plaatsvindt; Houder: degene die een peuterspeelzaal exploiteert; Beroepskracht: degene die in een peuterspeelzaal werkzaamheden verricht die zijn opgenomen in de voor het peuterspeelzaalwerk geldende CAO en die beschikt over een voor deze werkzaamheden passende beroepskwalificaties; Begeleider: degene die anders dan als beroepskracht is belast met de begeleiding van kinderen bij een peuterspeelzaal. Kindplaats: een rekeneenheid die overeenkomt met een peuterbezoek aan de peuterspeelzaal van minimaal vijf uur, verdeeld over twee dagdelen per week, gedurende maximaal 40 weken per jaar. College: het college van burgemeester en wethouders van Purmerend. Ouder: degene die het ouderlijk gezag bezit, of de voogd of verzorger. HOOFDSTUK2MELDINGSPLICHT Artikel2.Melding in exploitatie nemen van een peuterspeelzaal 1.Degene die voornemens is een peuterspeelzaal in exploitatie te nemen binnen de gemeente doet daarvan melding aan het college. 2.De melding vindt plaats met behulp van een door het college vastgesteld en beschikbaar gesteld formulier. 3.Wijzigingen in de in de voorgaande leden genoemde gegevens dienen onmiddellijk te worden gemeld aan het College. Artikel3.Begeleidingsniveau van het peuterspeelzaalwerk De houder bepaalt in samenspraak met de gemeente het begeleidingsniveau van de speelzaal. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen de volgende begeleidingsniveaus: begeleidingsniveau basis: "spelen en ontmoeten"; begeleidingsniveau extra: "spelen, ontmoeten, ontwikkelen en signaleren"; begeleidingsniveau Voor en Vroegschoolse Educatie: "spelen, ontmoeten, ontwikkelen, signaleren en ondersteunen". Artikel4.Termijn van in exploitatie nemen van een peuterspeelzaal 1.Een peuterspeelzaal wordt niet in exploitatie genomen binnen acht weken na het tijdstip van de melding. 2.Indien uit het onderzoek van de toezichthouder, bedoeld in artikel 11, eerste lid, eerder is gebleken dat de exploitatie zal plaatsvinden in overeenstemming met de bepalingen in hoofdstuk 3, kan de exploitatie vanaf dat moment plaatsvinden. Artikel5.Verbod op het in exploitatie nemen van een peuterspeelzaal Het is verboden een peuterspeelzaal in exploitatie te nemen of te houden indien uit het onderzoek van de toezichthouder blijkt dat niet aan de eisen uit Hoofdstuk 3 wordt voldaan. Artikel6.Register 1.Het college houdt een register bij van gemelde peuterspeelzalen. In dit register worden na een melding onmiddellijk de gegevens opgenomen die ingevolge artikel 2, tweede en derde lid, en artikel 3 zijn verstrekt. 2.Het college deelt de houder schriftelijk mee dat opneming van de peuterspeelzaal en wijzigingen van de gegevens in het register heeft plaatsgevonden. 3.Het register is digitaal via de website van de gemeente voor iedereen bereikbaar en ligt op het stadhuis kosteloos voor een ieder ter inzage. HOOFDSTUK3.DE KWALITEITSEISEN Artikel7.Algemene kwaliteitseisen Het college kan nadere regels stellen omtrent: Informatievoorziening aan ouders; Personeel en organisatie; Veiligheid en gezondheid; Accommodatie en inrichting; Groepsgrootte en leidster-kind-ratio; Pedagogisch beleid; Klachtenregeling. Artikel8.Overeenkomst tussen houder en ouder Opvang in een peuterspeelzaal geschiedt op basis van een schriftelijke overeenkomst tussen de houder en een ouder. Artikel9.Verklaring omtrent het gedrag 1.Personen werkzaam bij de peuterspeelzaal (de houder, bestuurder of werknemer met een arbeidsovereenkomst) zijn in het bezit van een verklaring omtrent het gedrag. 2.Indien de houder of de toezichthouder vermoedt dat een persoon, werkzaam binnen een peuterspeelzaal, niet langer voldoet aan de eisen voor het afgeven van een verklaring omtrent het gedrag, verlangt de houder dat die persoon opnieuw een verklaring omtrent het gedrag overlegt die niet ouder is dan twee maanden. De desbetreffende persoon overlegt de verklaring binnen een door de houder vast te stellen termijn. Artikel10.Acceptatieplicht Voor de peuterspeelzalen geldt een acceptatieplicht van kinderen. Alleen op grond van afspraken tussen gemeente en peuterspeelzalen over de spreiding van leerlingen met specifieke onderwijsvragen of -achterstanden kan hiervan gemotiveerd worden afgeweken. HOOFDSTUK4HET GEMEENTELIJK TOEZICHT Artikel11.Aanwijzing van toezichthouders Met het toezicht op de kwaliteit van de peuterspeelzalen op basis van deze verordening zijn belast de inspecteurs van de GGD Zaanstreek-Waterland. Artikel12.Onderzoek door de toezichthouder 1.De toezichthouder onderzoekt na een melding als bedoeld in artikel 2, eerste lid, binnen acht weken of de voorgenomen exploitatie plaatsvindt in overeenstemming met de krachtens hoofdstuk 3 gestelde eisen. 2.Onverminderd het eerste lid onderzoekt de toezichthouder jaarlijks of de exploitatie van elke peuterspeelzaal plaatsvindt in overeenstemming met de krachtens hoofdstuk 3 gestelde eisen. Dit onderzoek vindt plaats aan de hand van de nadere regels voor peuterspeelzaalwerk 3.Naast het onderzoek bedoeld in het eerste en tweede lid kan de toezichthouder incidenteel onderzoek verrichten naar de naleving, door de houder, van de krachtens hoofdstuk 3 gestelde eisen. Artikel13.Het inspectierapport 1.De toezichthouder legt zijn bevindingen naar aanleiding van een onderzoek bij een peuterspeelzaal vast in een inspectierapport. 2.Alvorens het rapport vast te stellen, stelt het college de houder in de gelegenheid van het ontwerprapport kennis te nemen en daarover zijn zienswijze kenbaar te maken. De zienswijze van de houder wordt in een bijlage bij het rapport vermeld. 3.Het college zendt het vastgestelde inspectierapport onverwijld aan de houder, die een afschrift daarvan zo spoedig mogelijk ter inzage legt op een voor ouders en personeel toegankelijke plaats. 4.Het college maakt het inspectierapport uiterlijk drie weken na de vaststelling openbaar. HOOFDSTUK5SLOT- EN OVERGANGSBEPALINGEN Artikel14.Overgangsbepaling 1.Een peuterspeelzaal met een vergunning op grond van de Verordening kinderopvang en peuterspeelzaalwerk Purmerend 2001, wordt geacht een melding gedaan te hebben op grond van artikel
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.