Verordening op de heffing en de invordering van leges 2009 De raad van de gemeente Deventer; gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 30 september 2008, nummer 2008.98339, eenheid Bedrijfsvoering; gelet op artikel 229, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van de Gemeentewet; BESLUIT Vast te stellen de volgende verordening: Verordening op de heffing en de invordering van leges
(1992)aandacht besteed. De bewindslieden van het ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM) hebben in dat verband opgemerkt dat legesheffing niet in de rede ligt indien sprake is van werkelijk ‘stilzitten’ van een gemeente. Legesheffing zou dan in strijd zijn met behoorlijk bestuur (Kamerstukken II 1988/89, 20066, nr. 9, p. 30). Dit betekent naar onze mening echter niet dat legesheffing achterwege moet blijven als een bouwvergunning van rechtswege wordt verleend. De leges zijn immers (reeds) verschuldigd voor het in behandeling nemen van de aanvraag tot het verkrijgen van een bouwvergunning. Indien een bouwvergunning van rechtswege wordt verleend en de gemeente aannemelijk maakt dat de aanvraag in behandeling is genomen, kunnen leges worden geheven (vergelijk Hof Arnhem 1 februari 2002, nr. 01/00943, LJN-nummer AD9872). Wel kan het redelijk zijn om een teruggaaf te verlenen indien bepaalde werkzaamheden niet zijn uitgevoerd (vergelijk Hof Arnhem 8 november 2001, nr. 99/1821, LJN-nummer AD6167, Belastingblad 2002/ 552). Indien de legesverordening niet in een teruggaafbepaling voorziet, kan in voorkomend geval ook de zogenaamde hardheidsclausule worden toegepast. Onderdeel 5.3 Verhogingen/aanvullende leges/bijzondere procedures Artikel 5.3.1 Algemeen Dit artikel geeft in zijn algemeenheid de inhoud van onderdeel 5.3 weer. Zo veel als mogelijk is in het Model transparantie bouwgerelateerde leges voor de doorberekening van de kosten van een extra toets gekozen voor een vast tarief. Extra toetsingen brengen veelal vaste en goed voorzienbare extra kosten met zich mee. In een drietal gevallen wordt hiervan afgeweken. De redenatie hierachter wordt per geval toegelicht. In de volgende paragrafen zal worden toegelicht wat een dergelijke extra toets inhoudt en welke extra verhogingen/aanvullende leges hiermee samenhangen. Artikel 5.3.2 Beoordeling milieukundig bodemrapport Het Besluit indieningsvereisten aanvraag bouwvergunning regelt dat bij de aanvraag van de bouwvergunning een onderzoeksrapport inzake de bodemgesteldheid (bodemrapport) wordt verstrekt (paragraaf 1.2.6, onderdeel e, van de bijlage bij het Besluit). Ingevolge artikel 8, derde lid, van de Woningwet heeft dit uitsluitend betrekking op bouwwerken: waarin voortdurend of nagenoeg voortdurend mensen zullen verblijven, voor het bouwen waarvan een reguliere bouwvergunning vereist is, en
- die de grond raken, of
- ten aanzien waarvan het bestaande, niet-wederrechtelijke gebruik niet wordt gehandhaafd. Bij een lichte bouwvergunning is derhalve geen onderzoeksrapport vereist. Dit lijdt slechts uitzondering in de zeer uitzonderlijke situatie dat een redelijk vermoeden bestaat dat de bodem ernstig is verontreinigd (artikel 52a, eerste lid, van de Woningwet). Indien een reguliere bouwvergunning in twee fasen wordt aangevraagd, vindt de beoordeling van een bodemrapport plaats in de tweede fase (paragraaf 1.3.2 van de bijlage bij het Besluit indieningsvereisten aanvraag bouwvergunning). In verband met het bovenstaande is artikel 5.3.2 opgenomen dat voorziet in een verhoging indien een bodemrapport moet worden overgelegd. Artikel 5.3.3 Beoordeling archeologisch bodemrapport Als in het kader van bouwplannen de grond moet worden ‘geroerd’ , kan het zijn dat eerst een archeologisch onderzoek in de bodem moet worden gedaan. Indien bij een bouwaanvraag een archeologisch bodemrapport moet worden beoordeeld, kan de gemeente de extra gemeentelijke kosten doorberekenen via een verhoging van de bouwleges. Artikel 5.3.3.2 voorziet daarin. Het Model transparantie bouwgerelateerde leges gaat evenals Deventer uit van vaste bedragen. Er is geen reden om aan te nemen dat de beoordeling van een archeologisch bodemrapport belangrijk afwijkt van de beoordeling van een milieukundig bodemrapport, zodat het zelfde tarief is toegepast. Voor “bouwaanvraag” moet voor de toepassing van dit artikel tevens gelezen worden: Aanvraag voor een aanlegvergunning of een aanvraag voor een sloop-vergunning Artikelen 5.3.4 tot en met 5.3.9 In de artikelen 5.3.4 tot en met 5.3.9 manifesteren zich de meest ingrijpende wijzigingen als gevolg van de nieuwe Wet ruimtelijke ordening. Hieronder volgt een overzicht van de oude en nieuwe bepalingen. Wet op de Ruimtelijke Ordening Wet ruimtelijke ordening Wijzigingsbevoegdheid college Artikel 11 Wijzigingsbevoegdheid college Artikel 3.6, eerste lid, onder a Binnenplanse vrijstelling Artikel 15 Binnenplanse ontheffing Ontheffing binnen beheersverordening Artikel 3.6, eerste lid, onder c Artikel 3.38, vierde lid Verklaring van geen bezwaar provincie Artikel 16 Vervallen Tijdelijke vrijstelling Artikel 17 Tijdelijke ontheffing Artikel 3.22 Vrijstelling voor project of vrijstelling voor door provincie genoemde categorieën van gevallen met verklaring van geen bezwaar. Artikel 19, eerste en tweede lid Projectbesluit Artikel 3.10 of 3.40 Vrijstelling voor door provincie genoemde categorieën van gevallen of in amvb genoemde gevallen Artikel 19, tweede en derde lid Ontheffing bestemmingsplan voor in amvb genoemde gevallen Artikel 3.23 Ontheffing binnen Artikel 6.12, exploitatieplan van zesde lid verbod om bepaalde werken of werkzaam- heden uit te voeren totdat uitwerkingsplan is vastgesteld Woningwet Woningwet Bouwplan niet i.s.m. in voorbereiding zijnde bestemmingsplan Artikel 50, vierde lid Bouwwerk niet i.s.m. in voorbereiding zijnde bestemmingsplan Artikel 50, derde lid, onder a Bouwplan i.s.m. in voorbereiding zijnde bestemmingsplan, maar verklaring van geen bezwaar provincie Artikel 50, vijfde lid Vervallen Bouwplan i.s.m. in voorbereiding zijnde bestemmingsplan, maar aanvraag betreft woonkeet of tijdelijk bouwwerk of geval waarin artikel 19, tweede of derde lid, WRO wordt toegepast Artikel 50, zesde lid Bouwwerk i.s.m. in voorbereiding zijnde bestemmingplan of provinciale of rijksverordening, maar artikel 3.10, 3.22, 3.23 of 3.40 wordt toegepast Artikel 50, derde lid, onder b Bouwplan i.k.v. nog niet onherroepelijk exploitatieplan; geen of geringe gevolgen op bouwplan van beroep tegen exploitatieplan Artikel 50a Op grond van artikel 46, derde lid, laatste volzin, van de Woningwet wordt een aanvraag voor een bouwvergunning die slechts kan worden ingewilligd na ontheffing of na het nemen van een projectbesluit geacht mede een verzoek in te houden om zodanige ontheffing of zodanig projectbesluit. Verlening van de bouwvergunning wordt dan voorbereid volgens de procedure voor de ontheffing of het projectbesluit. In de nieuwe situatie is een vertaalslag naar de nieuwe Wet ruimtelijke ordening gemaakt en deze verwerkt in de artikelen 5.3.4 tot en met 5.3.
- Artikel 5.3.4 Ontheffing of toetsing exploitatieplan Het is mogelijk dat het college nog uitwerking moet geven aan het exploitatieplan dat voor een bepaald gebied is vastgesteld. In het exploitatieplan kan worden bepaald dat het verboden is om werken of werkzaamheden uit te voeren totdat het uitwerkingsplan is vastgesteld. Ook kan het exploitatieplan bepalen dat ontheffing van dit verbod mogelijk is. In dat geval kan het college met toepassing van de ontheffing al de bouwvergunning verlenen. De toets aan het exploitatieplan rechtvaardigt een verhoging van het basistarief bouwleges (onderdeel 5.2). Er is geen reden om aan te nemen dat de werkzaamheden verbonden aan het verlenen van een ontheffing van de exploitatieverordening belangrijk zal afwijken van die welke verbonden zijn aan een ontheffing van het bestemmingsplan, zodat voor een zelfde tarief is gekozen.. Op grond van artikel 50a van de Woningwet moet het college in beginsel de beslissing op een aanvraag om bouwvergunning aanhouden voor een bouwplan dat betrekking heeft op gronden waarvoor het exploitatieplan nog niet onherroepelijk is. Als een ingesteld beroep tegen het exploitatieplan geen of slechts ondergeschikte gevolgen heeft voor het bouwplan, kan het college de bouwvergunning toch verlenen. Vooralsnog wordt ingeschat dat deze toets nauwelijks meer werk en dus meer kosten voor de gemeente met zich meebrengt. Omdat kostenverhaal ook via het exploitatieplan mogelijk is, vindt de legesverhoging geen toepassing als kostenverhaal langs die weg plaatsvindt. In de Handreiking Grondexploitatiewet, een samenwerkingsproduct van VNG, VVG en VROM (Sdu uitgevers b.v., Den Haag 2008), wordt het kostenverhaal via afdeling 6.4 van de nieuwe Wro als een preferent spoor gezien in relatie tot het legesspoor (paragraaf 5.15). Artikel 5.3.5 Projectbesluit en 5.3.6 (Partiële) herziening bestemmingsplan De situatie kan zich voordoen dat iemand een verzoek doet bij de gemeente tot wijziging van de op zijn grond rustende bestemming, ook indien er een bouw- of aanlegvergunning wordt aangevraagd. Als deze wijziging in strijd is met het geldende bestemmingsplan, kan de gemeente daaraan door wijziging van het bestemmingplan, ontheffingverlening of het nemen van een projectbesluit meewerken. Indien de procedure daarvoor in gang wordt gezet in het individuele belang van de aanvrager, kunnen de gemeentelijke kosten voor deze procedure verhaald worden via het heffen van leges. Wij hebben in verband met het verschil in omvang van de werkzaamheden in onderscheid gemaakt tussen en projectbesluit (5.3.5), bestemmingsplanwijzigingen (5.3.6 en 5.3.7) en ontheffingsbevoegdheden (5.3.8 en 5.3.9). en ontheffing enerzijds (5.6.4.1) Zie ook de toelichting op de artikelen 5.3.7, 5.3.8 en 5.5.
- Artikel 5.3.5 Projectbesluit Heeft de aanvraag betrekking op een bouwplan dat niet in overeenstemming is met het geldende bestemmingsplan, dan kan het college van burgemeester en wethouders met toepassing van de artikelen 3.10 of 3.40 van de Wet ruimtelijke ordening de bouwvergunning toch verlenen, door een projectbesluit te nemen. Deze procedure brengt meer werkzaamheden met zich, wat een hoger legestarief rechtvaardigt. Op grond van artikel 50, derde lid, onder b, van de Woningwet kan artikel 3.10 of 3.40 van de Wet ruimtelijke ordening ook worden toegepast als het bouwplan in strijd is met een bestemmingsplan dat in voorbereiding is (toekomstig plan). Artikel 3.10 en 3.40 Wro gaan over het projectbesluit. Artikel 3.10 ziet daarbij op het bestemmingsplan. Artikel 3.40 heeft betrekking op het geval waarin er geen bestemmingsplan, maar een beheersverordening voor een bepaald gebied geldt. Het projectbesluit is omschreven in artikel 1.1, onder f, Wro. Het is een besluit, inhoudende dat ten behoeve van de verwezenlijking van een project, dat een of meer bouwwerken, werken geen bouwwerken zijnde of werkzaamheden of het daarbij behorende gebruik kan omvatten en dat afwijkt van het geldende bestemmingsplan, dit bestemmingsplan buiten toepassing blijft. Het gaat daarbij dus om aanvragen voor bouw- of aanlegvergunningen of gebruikswijzigingen, waarbij het bouwen, aanleggen of gebruik in strijd is met het geldende bestemmingsplan of de beheersverordening. Een projectbesluit kan worden genomen ten behoeve van een project van gemeentelijk belang. De woorden ‘van gemeentelijk belang’ zijn in de wettekst opgenomen om de gemeentelijke bevoegdheden ten opzichte van de provincie en het rijk af te bakenen. De uniforme openbare voorbereidingsprocedure van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht is van toepassing, tenzij de aanvraag wordt afgewezen (artikel 3.11 en 3.12 Wro). Een aanvraag om een bouwvergunning die slechts kan worden ingewilligd na het nemen van een projectbesluit wordt geacht mede een verzoek in te houden om zodanig projectbesluit (artikel 46, derde lid, Woningwet). De met de procedure gepaard gaande kosten, voor zover deze niet betrekking hebben op beleidsvoorbereiding of -heroverweging, inspraak of bezwaar, kunnen via legesheffing worden door-berekend. Een projectbesluit moet zijn voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing en een beschrijving van de redenen waarom van het bestemmingsplan wordt afgeweken. De opzet en diepgang daarvan (en dus de inspanning van de gemeente) hangen af van de ingrijpendheid en complexiteit van het voorgenomen project. In tegenstelling tot de huidige vrijstellingsbevoegdheden (19 WRO) is het projectbesluit geen zelfstandige bevoegdheid, maar gaat deze aan een bestemmingsplanvaststelling vooraf. Het projectbesluit is dus een zwaardere bevoegdheid, waaraan voor de gemeente ook meer gevolgen zijn verbonden. Zo stelt de nWro het verplicht om een projectbesluit binnen een jaar in te passen in een bestemmingsplan of beheersverordening. Bij de wijziging van de legesverordening is het uitgangspunt dat het bestemmingsplan centraal staat eveneens gehanteerd. In de nWro wordt het bestemmingsplan het meest gewenste instrument om projecten te realiseren. Het tarief voor een (partiële) herziening van het bestemmingsplan is lager gemaakt dan het tarief van een projectbesluit. Hiermee wordt het voor een initiatiefnemer aantrekkelijker gemaakt te kiezen voor een (partiële) herziening van het bestemmingsplan dan voor een projectbesluit. Dit levert voordelen voor de gemeente op. De gemeente hoeft geen ‘dubbele’ procedures te doorlopen en kan het legesbedrag voor het bestemmingsplan direct in rekening brengen. Daarbij is het hogere tarief voor het projectbesluit redelijk, omdat de behandeling van een aanvraag om een projectbesluit voor de gemeente ook daadwerkelijk meer werk oplevert. Er moet immers zowel een projectbesluitprocedure als een bestemmingsplanprocedure worden doorlopen. Voor het bestemmingsplan volgend op het projectbesluit kunnen niet apart leges worden geheven. Voor de initiatiefnemer zal deze sturing aan de hand van het legestarief geen nadeel opleveren. De doorlooptijd van beide procedures scheelt slechts een aantal weken. De hoogte en opbouw van het legestarief voor een (partiële) herziening van het bestemmingsplan zal gelijk zijn aan het huidige tarief voor een vrijstellingsprocedure (19 lid 1 WRO). Het tarief voor een projectbesluit is 150% van het tarief van een bestemmingsplan. De hoogte van deze legestarieven hangen samen met de bouwkosten. Voor deze tarieven geldt dan ook het uitgangspunt: ‘de sterkste schouders, de zwaarste lasten’. Onder de legesverordening voor de 3e wijziging is dat niet anders: De grote projecten betalen mee voor de kleinere. De invoering van de nWro heeft met dit voorstel niet tot gevolg dat de kosten voor een initiatiefnemer op dit moment omhoog gaan. De hoogte van de legestarieven blijven op hetzelfde niveau. De inkomsten blijven daarmee ook op hetzelfde niveau. Wel hangen de totaalinkomsten samen met het aantal en type bouwplannen dat wordt ingediend. Dit is echter in de huidige situatie ook het geval. Dit voorstel betreft een voornamelijk technische wijzing van de legesverordening. In dit voorstel is dan ook niet gekeken naar de kostendekkendheid van de legesinkomsten. Het streven is de kostendekkendheid van de leges voor de voorjaarsnota van 2009 aan de raad voor te leggen. Opschorten invorderingsbevoegdheid De bevoegdheid tot het heffen van leges voor een projectbesluit wordt opgeschort tot het moment dat het bestemmingsplan of de beheersverordening waarin het projectbesluit is opgenomen, is vastgesteld. Dat moet uiterlijk binnen 1 jaar. Deze termijn kan met twee en in sommige gevallen met vier jaar worden verlengd. Als de inpassing in het bestemmingsplan niet tijdig gebeurt, schort dit de bevoegdheid om leges in te vorderen voor diensten die verband houden met het projectbesluit verder op. Als het projectbesluit zes maanden na het verstrijken van de termijn nog niet in het bestemmingsplan is ingepast, vervalt de invorderingsbevoegdheid zelfs (artikel 3.13, vierde lid, Wro). Het (nog) niet invorderen kan de gemeente op verschillende manieren vormgeven: De heffingsambtenaar legt al een definitieve aanslag (nota) op en de invorderingsambtenaar verleent tegelijkertijd (automatisch) uitstel van betaling. Als het projectbesluit is ingepast in het bestemmingsplan, deelt de invorderingsambtenaar mee dat de uitstel van betaling wordt ingetrokken en dat binnen <vier> weken moet worden betaald. De heffingsambtenaar legt een voorlopige aanslag op (vordert een voorlopig bedrag). Als het projectbesluit is ingepast in het bestemmingsplan, legt hij de definitieve aanslag/nota leges op, onder verrekening met de voorlopige aanslag (het voorlopig gevorderde bedrag). De heffingsambtenaar legt pas een aanslag/nota leges op nadat het projectbesluit is ingepast in het bestemmingsplan. De raad neemt in de legesverordening een aangepaste betalingstermijn op. De heffingsambtenaar legt direct een definitieve aanslag/nota op onder vermelding van de betalingstermijn. De raad neemt in de legesverordening een teruggaafbepaling (met invorderingsrenteclausule) op. De heffingsambtenaar legt meteen een definitieve aanslag (nota) op en verleent dus teruggaaf (met vergoeding invorderingsrente) als het projectbesluit na 18 maanden niet is ingepast in het bestemmingsplan. Optie 1 of optie 2 heeft onze voorkeur. Voor deze opties is geen afzonderlijke regeling nodig in de (model)verordening leges of de (model)uitvoeringsregeling gemeentelijke belastingen. Deze opties passen het beste bij de wettelijke regeling. Optie 3 heeft als (groot) nadeel dat de tijdsspanne tussen het belastbaar feit en het heffingsmoment erg groot is. Daarbij komt dat soms de inpassingstermijn met twee of vier jaar verlengd kan worden en de aanslagtermijn slechts drie jaar beloopt. Optie 4 heeft als nadeel dat de betalingstermijn ongewis is, omdat deze afhankelijk is van de snelheid waarmee de raad het projectbesluit inpast in het bestemmingsplan. Deze kan per geval verschillen. De laatste optie is eigenlijk in strijd met de wet en daarom af te raden. Artikel 5.3.7 Wijziging bestemmingsplan door burgemeester en wethouders Ook extra werk opleverend, zijn de wijziging, ontheffing of afwijking van het bestemmingsplan om een bouwvergunning te kunnen verlenen. Heeft de aanvraag betrekking op een bouwplan dat niet in overeenstemming is met het geldende bestemmingsplan, dan kan het college van burgemeester en wethouders met toepassing van de artikelen 3.6, eerste lid, onder a of c, 3.22, 3.23 of 3.38, vierde lid, van de Wet ruimtelijke ordening of artikel 50, derde lid, onder a, van de Woningwet, de bouwvergunning toch verlenen, door gebruik te maken van een wijzigingsbevoegdheid, ontheffing te verlenen of een projectbesluit te nemen. Deze procedures brengen meer werkzaamheden met zich, wat een hoger legestarief recht-vaardigt. Artikel 3.6, eerste lid, onder a, Wro gaat over een zogenaamde wijzigingsbevoegdheid. Het college kan binnen bij het bestemmingsplan te bepalen grenzen het plan wijzigen. Afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (uniforme openbare voorbereidingsprocedure) is van toepassing Artikel 5.3.8 Ontheffing bestemmingsplan door burgemeester en wethouders Artikel 3.6, eerste lid, onder c, Wro gaat over een zogenaamde binnenplanse ontheffing. In het bestemmingsplan staat dan dat het college van bij het plan aan te geven regels ontheffing kan verlenen. Belanghebbenden worden in de gelegenheid gesteld hun zienswijzen over een voorgenomen ontheffing naar voren te brengen. Eenzelfde ontheffingsbevoegdheid kan worden opgenomen in een beheersverordening, die de raad kan vaststellen voor een gebied waar hij geen ruimtelijke ontwikkeling voorziet (artikel 3.38, vierde lid). Artikel 3.23 Wro betreft “buitenplanse” ontheffing van het geldende bestemmingsplan voor bij algemene maatregel van bestuur (Amvb) aan te geven gevallen en volgens bij Amvb gestelde regels. Het college kan een ontheffing onder beperkingen verlenen of daaraan voorschriften verbinden. Artikel 5.3.9 Tijdelijke ontheffing bestemmingsplan door burgemeester en wethouders Artikel 3.22 Wro gaat over een tijdelijke ontheffing. Het college kan met het oog op de voorziening in een tijdelijke behoefte voor een bepaalde termijn ontheffing verlenen van een bestemmingsplan. Aan de ontheffing kan het college voorschriften verbinden Artikel 5.3.10 Ontheffing gebruiksvoorschrift bestemmingsplan Het gaat hier om het verlenen van ontheffing van een gebruiksvoorschrift van een bestemmingsplan (waartoe ook een beheersverordening gerekend), anders dan via een projectbesluit, voor zover geen sprake is van een bouwvergunningplichtige activiteit. Het gaat dus uitsluitend om een gebruikswijziging, voor welke wijziging een bijzondere procedure moet worden gevolgd en waaraan dus extra werkzaamheden verbonden zijn..Dit artikel is bij de 3e wijzing ongewijzigd gebleven. Onderdeel 5.4 Slopen In onderdeel 5.4 zijn tarieven opgenomen voor het in behandeling nemen van een aanvraag tot het verstrekken van een sloopvergunning in de zin van de Bouwverordening (artikel 5.4.2), alsmede voor het in behandeling nemen van een sloopvergunning in de zin van het bestemmingsplan, artikel 37 van de Monumentenwet en de gemeentelijke monumentenverordening (artikel 5.4.3). Artikel 5.4.1 Begripsbepaling sloopkosten In artikel 5.4.1 hebben wij een begripsomschrijving van de sloopkosten opgenomen. In beginsel zijn de sloopkosten gelijk aan de aannemingssom waarvoor het sloopwerk wordt gedaan, exclusief omzetbelasting. Als het slopen door zelfwerkzaamheid plaatsvindt, wordt ook een objectieve aannemingssom tot uitgangspunt genomen. Artikel 5.4.2 Aanvraag sloopvergunning op grond van de Bouwverordening Het betreft hier het in behandeling nemen van een aanvraag om sloopvergunning, die is gebaseerd op artikel 8.1.1 van de model-bouwverordening dat uitvoering geeft aan het bepaalde in artikel 8, tweede lid, onderdeel d, van de Woningwet. Het artikel is ongewijzigd gebleven Artikel 5.4.3 Sloopvergunning op grond van het bestemmingsplan of een beheersverordening, Monumenten-wet of Monumentenverordening: De sloopvergunning bedoeld in artikel 3.3, aanhef en onder b, en 3.38, derde lid, onder b, van de Wet ruimtelijke ordening betreft een louter planologische maatregel. De gemeente kan in het bestemmingsplan bepalen dat een sloopvergunning alleen wordt verleend als vervangende bouw plaatsvindt om gaten in de bebouwing te voorkomen. De sloopvergunning bedoeld in artikel 37, eerste lid, van de Monumentenwet 1988 heeft betrekking op het slopen binnen het beschermd stads- of dorpsgezicht. De beoordeling van een aanvraag om sloopvergunning in de zin van de in dit artikel bedoelde regeling brengt een indringender en extra toetsing met zich mee, met meer ambtelijke werkzaamheden. Daarom ligt dit tarief hoger dan bij de sloopvergunning in de zin van de bouwverordening betrokken zijn. Ingeval meerdere vergunning als bedoeld in dit artikel zijn vereist worden deze voor wat betreft de legesheffing als een aanvraag beschouwd. Voor de sloopvergunning in de zin van artikel 5.4.2 blijft wel het gewone tarief (extra) verschuldigd, omdat die een anderssoortige toetsing met zich meebrengt. Onderdeel 5.5 Aanlegvergunning In onderdeel 5.5 zijn de leges met betrekking tot de aanlegvergunning ondergebracht. De aanlegvergunning is geregeld in artikel 3.3, aanhef en onder a, of artikel 3.38, derde lid, aanhef en onder a, van de Wet ruimtelijke ordening. Het bestemmingsplan of de beheersverordening kan erin voorzien dat met betrekking tot het uitvoeren van bepaalde werken (geen bouwwerken zijnde) of werkzaamheden, vooraf een aanlegvergunning nodig is. Het Model transparantie bouwgerelateerde leges heeft de aanlegvergunning gerubriceerd onder ‘Overig/administratief’. Wij vinden de aanlegvergunning wat rubricering betreft vergelijkbaar met de sloopvergunning, waarvoor in het model wel een aparte plaats is ingeruimd. Daarom hebben wij de aanlegvergunning ook in een apart onderdeel vormgegeven. Als voor de afgifte van een aanlegvergunning een bijzondere planologische procedure moet worden gevoerd, dan zijn daarop de extra tarieven van toepassing zoals vermeld bij onderdeel
- Artikel 5.5.1 Begripsbepaling aanlegkosten Artikel 5.5.1 bevat een begripsomschrijving van de aanlegkosten. Doorgaans is dat de aannemingssom waarvoor het werk of de werkzaamheden worden verricht, exclusief omzetbelasting. Als het werk of de werkzaamheden door zelfwerkzaamheid plaatsvinden, geldt een geobjectiveerde aannemingssom als heffingsgrondslag. Artikel 5.5.2 Aanvraag aanlegvergunning Op grond van artikel 5.5.2 kunnen gemeenten leges in rekening brengen voor het in behandeling nemen van aanvragen tot het verkrijgen van een aanlegvergunning. Dit artikel is inhoudelijk niet gewijzigd. Onderdeel 5.6 Restitutieregeling Artikel 5.6.1 Teruggaaf als gevolg van intrekken aanvraag bouw-, sloop- of aanlegvergunning Artikel 5.6.1 ziet op de situatie dat de aanvraag wordt ingetrokken binnen een bepaald tijdsbestek na het in behandeling nemen van de aanvraag maar voor het verlenen van de vergunning. Uitgangspunt is dat de burger een deel van de betaalde leges kan terugkrijgen (of niet alle berekende leges hoeft af te rekenen), maar dat de gemeente reeds wel kosten heeft gemaakt bij het in behandeling nemen van de aanvraag. Hoe meer tijd er verstreken is, hoe meer werkzaamheden al zijn uitgevoerd, hoe hoger de gemaakte kosten zullen zijn en des te minder zal de burger terug ontvangen. Vandaar dat het percentage in het Model transparantie bouwgerelateerde leges is gedifferentieerd naar de verstreken tijd. Wij hebben de teruggaaf niet beperkt tot de leges voor bouwvergunningen, maar ook de leges voor sloop- en aanlegvergunningen eronder gebracht. Het uitgangspunt dat geen leges verschuldigd zijn als de aanvraag wegens onvoldoende gegevens niet in behandeling kan worden genomen is gehandhaafd. Ditzelfde geldt voor de mededeling dat geen bouwvergunning is vereist, alsmede voor de mededeling dat een lichte bouwvergunning is vereist indien een reguliere vergunning is aangevraagd of andersom. Artikel 5.6.2 Geen teruggaaf als gevolg van intrekking verleende bouw-, sloop- of aanlegvergunning. In dit artikel wordt geregeld dat geen restitutie wordt verleend, als een vergunning eenmaal is verleend en de werkzaamheden voor de vergunning derhalve zijn afgerond, maar vergunninghouder te kennen geeft gegeven dat hij van de vergunning geen gebruik zal maken waarna deze zal worden ingetrokken. Ditzelfde geldt als de vergunning wordt ingetrokken indien achteraf blijkt dat deze op basis van onjuiste gegevens is verleend. De intrekking behoort tot het risico van aanvrager Artikel 5.6.3 Teruggaaf als gevolg van het weigeren van een bouw-, sloop- of aanlegvergunning De situatie van artikel 5.6.3 doet zich voor indien de aanvraag niet leidt tot het verlenen van de vergunning. Aanvrager wil wel maar hij krijgt geen toestemming Ofschoon niet gesteld kan worden dat aan de weigering van een bouwvergunning minder werkzaamheden zijn verbonden aan de verlening daarvan, is in het verleden grond van hoofdzakelijk politieke redenen bepaald dat een aanvrager bij weigering van een vergunning recht heeft op 50% restitutie. Inhoudelijk is dit artikel niet gewijzigd, zij het dat met zoveel worden is opgenomen dat de restitutieregeling ook geldt voor de sloop- en aanlegvergunning. Voor enige restitutie valt uiteraard iets te zeggen omdat geen controlewerkzaamheden behoeven te worden verricht. Uitgangspunt is in ieder geval dat de burger een deel van de betaalde leges kan terugkrijgen. Artikel 5.6.4 Teruggaaf leges bijzondere procedures De artikelen 5.6.4.1 t/m 5.6.4.3 bevatten de restitutieregeling voor bijzondere planologische procedures. Ook hier geldt dat hoe verder de procedure is doorlopen, hoe minde recht op restitutie er bestaat. Is de procedure inmiddels doorlopen, dan bestaat geen recht op restitutie. De regeling is goeddeels ongewijzigd gebleven. Er zijn een paar onbeduidende wijzigingen, waaronder tekstuele wijzigingen, aangebracht. Onderdeel 5.7 Overig/administratief Artikel 5.7.1 Algemeen In dit hoofdstuk komt de overschrijving van een vergunning aanbod, alsmede een ontheffing van een verbodsbepaling uit een exploitatieplan voor activiteiten waarvoor geen bouwvergunning is verleend. Artikel 5.7.2 Overschrijven vergunningen Artikel 5.7.2 kent een tarief voor het overschrijven van een bouw-, sloop- of aanlegvergunning. Dit doet zich bijvoorbeeld voor indien de bouwvergunning aan A is verleend maar B wil uiteindelijk (hetzelfde bouwwerk) gaan bouwen. Dan kan de vergunning worden overgeschreven van A op B. Hiervoor is een vast bedrag aan leges verschuldigd. In de tekst van het Model transparantie bouwgerelateerde leges staat alleen de bouwvergunning genoemd. Blijkens de schematische toelichting bij het model betreft de overschrijving niet alleen de bouwvergunningen, maar ook de sloop- en aanlegvergunningen. Om die reden hebben wij deze vergunningen aan de bepaling toegevoegd. Artikel 5.7.3 Ontheffing verbodsbepaling in exploitatieplan voor werken, geen bouwwerken zijnde Dit artikel regel de legesheffing voor een ontheffing van een verbodsbepaling in een exploitatieplan voor werken geen bouwwerken zijnde. Er is geen reden om aan te nemen dat de hoeveelheid werk welke met de afhandeling van een dergelijke aanvraag is gemoeid wezenlijk afwijkt van de werkzaamheden welke zijn gemoeid met de afhandeling van een ontheffing van het bestemmingsplan, zodat voor een gelijk tarief gekozen is. Onderdeel 5.8 Huisvesting Dit onderdeel regelt de legesheffing voor aanvragen tot tijdelijk verhuur in het kader van de leegstandswet, kamerverhuurbedrijven in de zin van de gemeentelijke huisvestingsverordening en aanvragen voor gemeentegarantie. Inhoudelijk zijn geen wijzigingen aangebracht. Uitsluitend de artikelnummering is gewijzigd.