3e Nota kapitaaldienstDe Provinciale Staten stelt de 3e nota kapitaaldienst vast. 1. Inleiding en samenvatting 1.1 Strekking 3e Nota kapitaaldienst Deze 3e Nota kapitaaldienst bevat de grondslagen voor het te voeren financieel beleid m.b.t. investeringen en de vermogenspositie. Een belangrijke leidraad daarbij vormt het "Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten", kortweg BBV genoemd. Dit Besluit vervangt vanaf het begrotingsjaar 2004 het "Besluit comptabiliteitsvoorschriften 1995". Deze nota treedt in de plaats van de eerdere nota’s kapitaaldienst uit 1990 en 1993. 1.2 Financieel beleid Algemeen Het financieel beleid kan worden gedefinieerd als het geheel van spelregels dat de provincie hanteert om haar financi?le huishouding aan te sturen en om beslissingen te kunnen nemen over zaken als nieuwe programma-uitgaven, investeringen, beleggingen, de vaststelling van tarieven, het opnemen en aflossen van geldleningen, etc. Het financieel beleid richt zich in de kern op de lasten en baten (de gewone dienst) en op de activa en passiva (kapitaaldienst). De gekozen regels zijn op hun beurt bepalend voor de omvang van het begrotingsresultaat (de budgettaire positie) en voor de omvang van het vermogen (de vermogenspositie) van de provincie. Begrenzing Nota Kapitaaldienst In deze nota is ervoor gekozen om uitsluitend de uitgangspunten en regels te behandelen m.b.t. de vermogensonderwerpen, te weten: de waardering en afschrijving van activa; het beleid t.a.v. reserves en voorzieningen; de omvang van de weerstandscapaciteit i.r.t. de risico’s; het financieringsbeleid en rentebeleid; Hiermee wordt gestand gedaan aan het verzoek van Provinciale Staten en tevens ingespeeld op de gewijzigde wet- en regelgeving. Op het moment dat daar aanleiding toe is, zullen ook andere onderwerpen van het financieel beleid onder de loep worden genomen, wat o.a. al gebeurt in het kader van de nieuwe begrotingsopzet (met o.a. nieuwe autorisatieniveaus en een nieuwe wijze van resultaatbepaling) en in de budgettaire nota’s (waarin de risicopositie een prominente plaats krijgt). Verder zal aandacht worden geschonken aan de uitbouw van de interne stuurinformatie m.b.t. bedrijfsprocessen en de administratie. Term kapitaaldienst In navolging van de eerdere nota’s hanteren wij hier de term "kapitaaldienst", hoewel deze benaming in de huidige voorschriften niet meer voorkomt. Vandaag de dag wordt gesproken over de financi?le positie en/of balanspositie. Verder hebben wij te maken met het duale bestel waarbinnen weer een nieuwe indeling is voorgeschreven. De navolgende tabel geeft daarvan een overzicht, met tussen haakjes vermeld de relatie met de gewone dienst (GD) en kapitaaldienst (KD). Indeling begroting en jaarstukken volgens BBV-artikelen 7 en 24 Document Begroting Jaarstukken Hoofdindeling Beleidsbegroting Financiele begroting Jaarverslag Jaarrekening Onderverdeling a. programmaplan a. overzicht van baten en lasten (GD) a. programmaverantwoording a. programmarekening (GD) b. paragrafen b. uiteenzetting van financiele positie (KD) b. paragrafen b. balans met toelichting (KD) De gewone dienst is synoniem met de exploitatie van de provincie. De kapitaaldienst heeft betrekking op de (mutaties op
- de)balans en daarmee op de investeringen, financiering, reserves en voorzieningen en het weerstandsvermogen van de provincie. Een groot deel van deze onderwerpen wordt geschaard onder de uiteenzetting van de financi?le positie en de begrotingsparagrafen. De financi?le positie heeft op zichzelf beschouwd een veel bredere strekking (zie paragaaf 2.2). 1.3 Aanleiding en voorschriftenkader Vorige nota’s In 1990 is de 1e Nota kapitaaldienst uitgebracht. Aanleiding vormde de in die tijd slechte vermogenspositie van de provincie en in de nota werden dan ook maatregelen voorgesteld om de situatie te verbeteren. Drie jaar later volgde een tweede nota waarin de resultaten werden nagegaan en waarin tevens voorstellen werden gedaan voor een eenduidiger activerings- en afschrijvingsbeleid en een meer systematische benadering van reserves en fondsen. Verzoek Provinciale Staten Anno 2003 is er alle aanleiding om de uitgangspunten m.b.t. kapitaaldienst opnieuw te bezien in het licht van de huidige financi?le omstandigheden en nieuwe regelgeving. De financi?le schaarste situatie van eind jaren tachtig heeft plaats gemaakt voor een situatie van relatieve overvloed. Dit heeft een gunstig effect gehad op zowel het begrotingsbudget (gewone dienst) als op het investeringsvolume en de vermogenspositie van de provincie (onderdeel kapitaaldienst). Ook is gaandeweg de samenstelling van het provinciale vermogen veranderd. In dat verband is vanuit Provinciale Staten aangedrongen op een nieuwe Nota kapitaaldienst die inzicht geeft in de financi?le positie van de provincie en die een handvat biedt voor het te voeren financieel beleid en beheer. Normatief kader Bij het financieel beleid hebben wij in de eerste plaats te maken met de bepalingen uit de Provinciewet en de bij of krachtens algemene maatregelen van bestuur te geven regels. Voor 1995-2003 gold het "Besluit comptabiliteitsvoorschriften 1995". Vanaf het begrotingsjaar 2004 geldt het "Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten" (BBV, januari 2003). Dit bevat de regelgeving voor onder andere het opstellen van de begroting, de jaarstukken, de financi?le positie, de waardering van activa en de informatie voor derden. In relatie tot het BBV en de zogenoemde Commissie BBV (BBV-artikel 75) die als taak heeft zorg te dragen voor een eenduidige uitvoering en toepassing van het besluit zijn verder van toepassing: "Uitgangspunten gemodificeerd stelsel van baten en lasten provincies en gemeenten" (mei 2003), waarin de principes worden behandeld die ten grondslag liggen aan het BBV, mede gelet op de eigenheid van provincies en gemeenten (zie paragraaf 1.4). De "vraag- en antwoordrubriek" van de Commissie BBV, een doorlopende rubriek waarin de Commissie tekst en uitleg geeft over de toepassing van het BBV. De informatie voor derden – in het bijzonder t.b.v. het periodiek onderzoek en het toezicht door BZK, de informatiebehoefte van het CBS en de verplichte jaar- en kwartaalrapportages aan de EU – is nader uitgewerkt in de "Ministeri?le regeling informatie voor derden" (februari 2003). Hiermee is een eigenstandig kader gecre?erd voor de verslaggeving van provincies en gemeenten, als tegenhanger van de algemeen aanvaarde bedrijfseconomische grondslagen en voorschriften voor het bedrijfsleven. De uitgangspunten en regels voor het bedrijfsleven en de decentrale overheid kunnen als volgt naast elkaar worden gezet: Voorschriften naar sector Private sector Provincies en gemeenten Stramien voor de opstelling en vormgeving van de jaarrekening Uitgangspunten gemodificeerd stelsel van baten en lasten provincies en gemeenten Burgerlijk wetboek 2, titel 9 Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten (BBV) Richtlijnen voor de jaarverslaggeving Vraag- en antwoordrubriek van de Commissie BBV Overige wet- en regelgeving In aansluiting op het nieuwe BBV zal ook het toezichtkader van het Rijk op de provincies, het zogenaamde "Beleidskader financieel toezicht", worden herzien. Het toezichtkader legt tevens een link met de Wet financiering decentrale overheden (Wet Fido). Een belangrijk uitgangspunt van de wet en de onderliggende regelingen is de bevordering van een solide financiering en kredietwaardigheid van provincies en gemeenten. Kernpunt van de Wet Fido is dat leningen, uitzettingen en garanties uitsluitend mogen worden aangegaan voor de uitoefening van de publieke taak. Tot slot refereren wij aan de Wet dualisering provinciebestuur en het gewijzigde artikel 216 uit de Provinciewet waarin wordt aangegeven dat Provinciale Staten een verordening dienen vast te stellen met de uitgangspunten van het financieel beleid, alsmede de regels voor het financi?le beheer en voor de inrichting van de financi?le organisatie. Die verordening (PS 75/03) bevat o.a. de hoofdregels voor waardering en afschrijving van activa. Die hoofdregels worden nader uitgewerkt in deze Nota kapitaaldienst. 1.4 Eigenheid van de overheid Hiervoor is al even gewezen op de verschillende grondslagen voor het bedrijfsleven en de overheid. E.e.a. voert terug naar de zogenoemde eigenheid van de overheid ten opzichte van de marktsector die vooral tot uitdrukking komt in de volgende aspecten: Begroting en jaarrekening Essentieel voor de overheden is de begroting, in tegenstelling tot het bedrijfsleven waar de jaarrekening veelal de eerste plaats inneemt. Bij het vaststellen van de provinciale begroting wordt door de Staten afgewogen welke activiteiten het belangrijkst zijn en wordt het college gemachtigd tot het doen van uitgaven. Deze allocatie- en autorisatiefunctie zijn twee wezenlijke elementen van het budgetrecht, die in het duaal stelsel nog eens een extra accent krijgen. Het is dan ook van groot belang dat de begroting en jaarstukken in alle opzichten transparant zijn en de Staten meer dan voorheen ondersteunen in hun kaderstellende en controlerende rol. Eén van de veranderingen in dit verband is de wijze van toevoegen en onttrekken aan reserves. Het nieuwe BBV schrijft voor dat voortaan eerst alle baten en lasten van de programma’s worden geboekt, vervolgens wordt het resultaat bepaald en daarna wordt het resultaat bestemd, d.w.z. toegevoegd of onttrokken aan reserves (zie paragraaf 2.2 en verder hoofdstuk 4). Ten slotte wordt het resultaat n? bestemming bepaald. Deze procedure geldt ook voor de rentetoevoeging aan reserves (paragraaf 6.3). Accent op exploitatie Bedrijven streven in het algemeen naar vermogensvergroting en zijn inkomensverwervend. Voor de overheid is vanwege het inkomensbestedende karakter de exploitatie het belangrijkste en komt het vermogen pas op de tweede plaats. De balanspositie (aan de orde in paragraaf 2.3) is niettemin essentieel voor het instandhouden van het voorzieningenniveau en het kunnen opvangen van onverwachte uitgaven. Naarmate bovendien de decentralisatie voortschrijdt, de provincie(
- s)financieel zelfstandiger worden en ook de financiële risico’s toenemen, neemt ook het belang toe van een goede weerstandscapaciteit (zie verder hoofdstuk 5). Of het nu gaat om de verwerving van inkomen (marktsector) of de realisering van gemeenschapsvoorzieningen (overheid), een gemeenschappelijk kenmerk van beide sectoren is niettemin dat zij de geplande productie trachten te bereiken tegen zo laag mogelijke kosten. De marktsector zal dit doen in het belang van de vermogensverschaffers, de overheid doet dit in het belang van de belastingbetalers en burgers. Daarmee is ook de overheid gehouden om te handelen naar bedrijfseconomische uitgangspunten. Economisch versus maatschappelijk nut De activa van de overheid hebben overwegend een ander karakter dan die van het bedrijfsleven. Activa van ondernemingen hebben als regel een meerjarig economisch nut, ze genereren opbrengsten. Met uitzondering van activa waarvoor prijzen en tarieven gevraagd kunnen worden, zijn de activa van de overheid in bedrijfseconomische zin niet rendabel, zij leveren geen geld op (er is geen markt voor) maar dragen wel bij aan het maatschappelijk nut. Of anders gezegd: niet het rendement staat op de eerste plaats, maar de doeleinden waarvoor de middelen worden ingezet. Een uitgesproken voorbeeld daarvan zijn onze provinciale wegen (het onderwerp activering wordt behandeld in hoofdstuk 3). Gebonden middelen Een deel van onze middelen is door derden gebonden wat betreft uitgavendoel, iets wat bij bedrijven niet snel zal voorkomen. Dit geldt met name voor specifieke uitkeringen van het Rijk, waarvan de vrije bestedingsruimte beperkt is. In het BBV worden deze middelen, voor zover ze worden opgepot, voortaan gerekend tot het vreemd vermogen (voorzieningen) in plaats van tot het eigen vermogen (reserves). Dat leidt tot een forse verschuiving op onze balans (zie paragraaf 2.3 en hoofdstuk 4). 1.5 Aanvullende beleidsuitgangspunten De algemene wet- en regelgeving en in het bijzonder het BBV vormen voor deze nota vanzelfsprekend een gegeven. Daarbinnen is sprake van een zekere beleidsruimte die gepaard gaat met enkele (bestaande en nieuwe) beleidsmatige uitgangspunten en beheerregels die in deze nota hun plaats hebben gekregen. De belangrijkste daarvan worden hierna aangestipt: Aanvullende uitgangspunten m.b.t. het financieel beleid Het door de provincie opgebouwde maatschappelijke vermogen dient in beginsel in stand te blijven, wat betekent dat kapitaalopbrengsten bij voorrang zullen worden aangewend voor nieuwe investeringen met langdurig nut (beleidsuitgangspunt paragraaf 2.1). Minder substanti?le kapitaaluitgaven komen ten laste van de exploitatie (gewone dienst) , waarbij de grens wordt gelegd bij investeringen en/of aanschaffingen lager dan € 100.000 per geval per jaar (paragraaf 3.2). Volgens onze bestendige bedrijfspolitiek worden interne personeelskosten niet geactiveerd (paragraaf 3.3). Deelnemingen in nutsbedrijven en in andere vennootschapen met een publieke taak worden als pm op de balans opgenomen. Dit betekent dat toekomstige aandelenkapitalen volledig dienen te worden afgedekt c.q. eenmalig te worden afgeschreven (paragrafen 3.3 en 5.2). Voor nieuwe investeringen gelden vanaf 2004 de afschrijvingstermijnen zoals aangegeven in tabel V, wat o.a. inhoudt dat de afschrijvingsduur voor provinciale wegen wordt verkort naar 15 jaar (paragraaf 3.4). Bij afschrijvingen wordt primair de lineaire methode toegepast (paragraaf 3.5). In overeenstemming met de BBV-voorschriften wordt de aanwending van een (gedeelte van een) voorzieningen rechtstreeks ten laste van de voorziening geboekt. Om ondanks dat zicht te houden op alle mutaties zal als toelichting op de begroting per programma een extra comptabel overzicht worden opgesteld (paragraaf 4.1). Het aantal reserves en voorzieningen wordt waar mogelijk beperkt (paragraaf 4.3). Voor de algemene reserve wordt een norm aangehouden van 3% van de netto gezuiverde budgetomvang van de laatste jaarrekening (paragraaf 5.4). In de jaarrekening wordt de renteomslag (toerekening rentekosten aan investeringen) voortaan gebaseerd op het vooraf in de begroting van dat jaar vastgestelde percentage (paragraaf 6.4). Voor het overige wordt de balansindeling afgestemd op de BBV-voorschriften met o.a. een herindeling van reserves en voorzieningen (paragraaf 4.3). Voor het uitzetten van projectgelden van derden zal een omslagsysteem voor rentebaten worden ingevoerd (paragraaf 6.5). 1.6 Opbouw van de nota Deze 3e Nota kapitaaldienst is geschoeid op de BBV-voorschriften van januari 2003. Per hoofdstuk worden in deze nota de meest relevante voorschriften aangehaald en in een kader weergegeven en vervolgens uitgewerkt. De opbouw van deze nota is als volgt: In hoofdstuk 2 gaan wij allereerst in op enkele algemene aspecten en de structuur van de kapitaaldienst. In hoofdstuk 3 richten wij ons op het activerings-, waarderings- en afschrijvingsbeleid dat betrekking heeft op de linkerzijde in casu de activakant van de balans. Hoofdstuk 4 behandelt de reserves (eigen vermogen) en voorzieningen (vreemd vermogen) die de passivakant vertegenwoordigen. Hoofdstuk 5 gaat over het weerstandsvermogen. In hoofdstuk 6 wordt stilgestaan bij de financierings- en renteaspecten voor zover die verband houden met investeringen. In hoofdstuk 7 komen enkele overige beleidsonderwerpen aan bod. 2. Kapitaaldienst in ogenschouw 2.1 Kapitaaldienst en gewone dienst Baten- en lastenstelsel In het BBV is voor de provincies het stelsel van baten en lasten voorgeschreven. Kern hiervan is dat uitgaven en inkomsten worden toegerekend aan de jaren waarop ze betrekking hebben. Dit is vooral van belang bij omvangrijke investeringen, die bovendien van jaar tot jaar sterk kunnen fluctueren. Van oudsher bestaat daarom de behoefte om lasten die uit investeringen voortvloeien in de tijd gespreid op de begroting tot uitdrukking te brengen. Wij onderscheiden daarbij een gewone dienst en een kapitaaldienst. Tot de gewone dienst (exploitatiesfeer) behoren de lopende uitgaven, bestaande uit de bestedingen (programmakosten en apparaatskosten) en jaarlijkse lasten van investeringen (kapitaallasten). Aan de inkomstenkant staan de lopende inkomsten (w.o. belastingen, rijksuitkeringen en dividenden). De kapitaaldienst (vermogenssfeer) omvat de investeringen (kapitaaluitgaven waarvan het nut zich over meerdere jaren uitstrekt) en de financiering daarvan (met leningen en andere financieringsmiddelen). Met deze tweedeling heeft de rekening van de gewone dienst het karakter van een resultatenrekening, die van invloed is op de omvang van het vermogen. De kapitaaldienst geeft de mutaties weer in de samenstelling van de balans. Financieringsmiddelen Het onderscheid tussen de gewone dienst en kapitaaldienst werkt tevens door in het middelenbeheer en de treasury. De gewone dienst omvat de operationele (primaire) geldstromen en van daaruit het betalingsverkeer van de provincie (kort geld). De kapitaaldienst betreft de financiering van dat verkeer en omvat de uit die financiering resulterende (secundaire) geldstromen, bestaande uit leningen en de daarvoor te betalen aflossingen. De financi?le gevolgen hiervan worden in de programmabegroting geraamd respectievelijk verantwoord onder het hoofdstuk "overige lasten en baten/algemene dekkingsmiddelen". Maatschappelijk kapitaal en vermogensbehoud Voor de kapitaaldienst kan het beleidsuitgangspunt gelden dat het provinciale vermogen in materiele zin (zijnde het zichtbare ?n stille vermogen) in stand dient te blijven, dus dat kapitaalopbrengsten (zoals uit de verkoop van aandelen in nutsbedrijven) alleen beschikbaar zijn voor nieuwe investeringen (met langdurig nut) of schuldaflossing. Een andere optie is om een eventuele vermogenswinst blijvend te reserveren (inkomensreserve) en het rendement in de vorm van bespaarde rente te gebruiken als algemeen dekkingsmiddel, na eerst te hebben voorzien in de wegvallende dividendinkomsten. Het gaat erom als overheid het opgebouwde maatschappelijke vermogen te behouden en in te zetten als productiemiddel ten dienste van de samenleving (vergelijkbaar met de bedrijfseconomie: de instandhouding van het eigen vermogen is voorwaarde voor de continu?teit van het bedrijf). Indien kapitaalopbrengsten zouden worden gebruikt om exploitatie-uitgaven te dekken (met profijt van korte duur) dan leidt dat tot vermogensvernietiging. Op de regel van vermogensbehoud zijn in de praktijk uitzonderingen denkbaar. Zo is bijvoorbeeld in het vorige bestuursakkoord 1999-2003 afgesproken om de opbrengst van BBA-aandelen (bezit) aan te wenden voor de vernieuwing van het openbaar vervoer (exploitatie-uitgaven). De verkoopopbrengst van de aandelen Obragas wordt tijdelijk belegd (tot april 2006) in afwachting van een besluit over de definitieve overdracht van het netwerk. Kapitaaluitgaven (investeringen) Kapitaaluitgaven (investeringen) betreffen in het algemeen omvangrijke en fluctuerende (incidentele) bestedingen waarvan het nut langere tijd meegaat en die niet in ??n keer op de gewone dienst kunnen worden verantwoord. Een investering wordt opgenomen op de balans en vervolgens over een bepaalde duur afgeschreven. De jaarlijkse afschrijvingskosten en de kosten van financiering (rentekosten) komen vervolgens ten laste van de gewone dienst. Door daling van de boekwaarde (verminderingen) en door de aflossing van leningen neemt de vaststaande uitgaafverplichting langzaam af. Ten gevolge van nieuwe investeringen (vermeerderingen) nemen de kapitaallasten weer toe. In het investeringsschema, dat driemaal per jaar wordt bijgesteld, wordt bijgehouden welke kapitaaluitgaven (bestaande en nieuwe) zijn begroot. Die bijstellingen hebben plaats in de Voorjaarsnota, de Aanbiedingsbrief bij de begroting en de Najaarsnota. In de bijlagen van die nota’s wordt het investeringsschema bijgehouden, evenals in het bijlagenboek bij de begroting. Afschrijvingen Afschrijvingen vormen voor de gewone dienst een redelijk constante factor. Afwijkingen ten opzichte van de ramingen worden vooral veroorzaakt door het faseverschil (vertragingen) tussen de geplande uitvoering (in het investeringsschema) en de realisatie (op kasbasis). Naar aanleiding van de gebleken onderuitputtingen bij de investeringen is al eens opgemerkt dat het goed is de planning van het investeringsschema regelmatig kritisch te bezien om tot een re?le raming te komen. Dat voorkomt een onnodig beslag van begrote kapitaallasten op de gewone dienst. Rentelasten en rentevisie De rentecomponent van de kapitaallasten kan een wisselende invloed hebben op de gewone dienst. Een exogene factor vormt de ontwikkeling van de kapitaalmarktrente, een endogene factor is de eigen vermogens- en liquiditeitspositie. De rentelasten zijn opgebouwd uit: de daadwerkelijke rente over opgenomen leningen (tabel I, onderdeel R1); de toegerekende (bespaarde) rente over beschikbare interne financieringsmiddelen (reserves en voorzieningen) (R3), verminderd met eventuele renteopbrengsten (R2). Het totaal wordt door middel van een rente-omslagpercentage toegerekend aan de totale boekwaarde (totaal vaste activa). We sluiten geen leningen af voor een specifiek project, uitzonderingen daargelaten. In cijfers uitgedrukt: het rente-omslagpercentage bij de begroting 2004 bedraagt 6,9% (begrotingsbijlage 6). Om de rentelasten te optimaliseren is een goed inzicht vereist in de financieringsbehoefte op middellange/lange termijn, alsmede in de rente-ontwikkelingen (rentevisie). Relaties tussen kapitaaldienst en gewone dienst In tabel I wordt een schematisch overzicht gegeven van de doorwerking van de kapitaaldienst naar de gewone dienst en vice versa. Ge?llustreerd in cijfers: de provinciale begroting 2004 heeft een omvang van circa € 650 miljoen op jaarbasis. Ongeveer 13,6% daarvan bestaat uit kapitaallasten (€ 88,7 mln), waarvan 5,8% rentelasten (circa € 38 mln) en 7,8% aan afschrijvingen (€ 50,7 mln). Deze kapitaallasten corresponderen met een boekwaarde van circa € 500 mln (zie tabel IIB). Tabel I Relaties tussen kapitaaldienst en gewone dienst Gewone dienst, Lasten Gewone dienst, Baten A: Afschrijvingen (begrotingsbijlagen 5 en 8 t/m 10) R1: Rente van langlopende en kortlopende geldleningen (vreemd vermogen), inclusief kosten van afsluiting en conversie (begrotingsbijlagen 5 en 13) R2: Renteopbrengst van belegging van overtollige kasmiddelen (begrotingsbijlage 5) R3: Toegerekende rentelasten voor het gebruik van interne financieringsmiddelen (begrotingsbijlage 5) R4: Bespaarde rente door interne financiering met beschikbaar vermogen (R4 = R3) R5: Dividend van deelnemingen en (voor zover van toepassing) rente van uitgezet vermogen Vorming van en dotaties aan voorzieningen (begrotingsbijlage 12) Ontvangst van middelen van derden met verplichte besteding (begrotingsbijlage 12) Na resultaatbepaling volgt de resultaatbestemming (volgens nieuwe BBV) met o.a.: R6: Rentebijschrijving (voor zover van toepassing) op reserves (begrotingsbijlage 11) - Stortingen in reserves (begrotingsbijlage 11) Beschikkingen over reserves (begrotingsbijlage 11) (
- xx)Tussen haakjes is vermeld het nummer van de desbetreffende staat uit het bijlagenboek bij de begroting 2004. Toelichting bij tabel I De rentecomponent van de kapitaallasten is in de tabel af te lezen als het saldo van R1+R3 en R2. Deze lasten worden doorberekend (naar rato van de boekwaarde) aan de desbetreffende functies (met als grootste: wegen, waterkeringen en natuurterreinen) en kostenplaatsen (m.n. huisvesting) in de begroting. Toegerekende rente R3 wordt feitelijk niet uitgegeven maar wel in de lasten opgenomen. Dit effect wordt geneutraliseerd door een gelijk bedrag aan baten R4 te ramen op begrotingsonderdeel "overige baten/financieringsfunctie". Een deel van deze baten wordt vervolgens teruggegeven aan rentedragende investeringsreserves R6, het overige deel komt beschikbaar als algemeen dekkingsmiddel. De dividendinkomsten R5 staan op hun beurt geraamd onder het onderdeel "overige baten/dividenden". Voor de stortingen in en beschikkingen over reserves gelden nieuwe gedragsregels. In de CV1995 werden toevoegingen en verminderingen aan reserves tot de lasten en baten gerekend. De nieuwe BBV-regels schrijven voor dat eerst het resultaat wordt bepaald – met inbegrip van de toevoegingen aan voorzieningen – en daarna wordt bestemd, d.w.z. wordt toegevoegd of onttrokken aan reserves. Dat geldt ook voor rentetoevoegingen aan reserves. Ten slotte wordt het resultaat n? bestemming bepaald. 2.2 Financiële begroting en autorisatie Financiële begroting en financiële positie Sinds de CV1995 is de kapitaaldienst in zijn (formele) vorm niet meer verplicht, wat niet wegneemt dat de relevante informatie-elementen (in materiele zin) nog wel verlangd worden, namelijk als onderdeel van de financi?le begroting en van de financi?le positie. Het voorschriftenkader luidt als volgt: BBV-artikel 7: De begroting bestaat ten minste uit: de beleidsbegroting; de financi?le begroting. De beleidsbegroting bestaat ten minste uit: het programmaplan; de paragrafen. De financiële begroting bestaat ten minste uit: het overzicht van baten en lasten en de toelichting; de uiteenzetting van de financi?le positie en de toelichting. De uiteenzetting van de financi?le positie (genoemd in lid 3b) kan worden opgevat als een geprognosticeerde balans. De mutaties in de geprognosticeerde balans (of financieringsbalans) kunnen worden opgevat als investerings- en financieringsbeslissingen. Via achterliggende bijlagen wordt informatie verschaft over: de geplande (uitbreidings- en vervangings-)investeringen met de daaraan verbonden kapitaallasten (rente en afschrijving); de daartoe aangetrokken langlopende geldleningen; de mutaties (onttrekkingen en toevoegingen) m.b.t. reserves en voorzieningen. T.a.v. de financi?le positie gelden verder de volgende bepalingen: BBV-artikel 20: De uiteenzetting van de financi?le positie bevat een raming voor het begrotingsjaar van de financi?le gevolgen van het bestaande en nieuwe beleid dat in de programma’s is opgenomen. Afzonderlijke aandacht wordt ten minste besteed aan: de jaarlijks terugkerende arbeidskosten gerelateerde verplichtingen van vergelijkbaar volume; de investeringen; onderscheiden in investeringen met een economisch nut en investeringen in de openbare ruimte met een maatschappelijk nut; de financiering; de stand en het verloop van de reserves en voorzieningen. BBV-artikel 21 De toelichting op de uiteenzetting van de financi?le positie bevat ten minste de gronden waarop de ramingen zijn gebaseerd en een toelichting op belangrijke ontwikkelingen ten opzichte van de uiteenzetting van de financi?le positie van het vorige begrotingsjaar. Begrotingsvaststelling en autorisatie In de Provinciewet staat dat de begroting wordt vastgesteld door Provinciale Staten. In de praktijk wordt veelal gesproken over autoriseren, wat betekent dat de Staten het college toestemming geven in een bepaald jaar voor een bepaald doel uitgaven te doen en verplichtingen aan te gaan tot een bepaald bedrag. De begroting omvat tevens de financi?le begroting en financi?le positie. Met de vaststelling van de begroting, in onze termen "programmabegroting", worden de beleidsprogramma’s en de daarvoor opgestelde investeringsplannen (en de daarvan afgeleide kapitaallasten) voor het begrotingsjaar geautoriseerd, evenals het gebruik van de reserves en voorzieningen. Artikel 20 van het BBV schrijft voor dat in de uiteenzetting van de financi?le positie expliciet de investeringen(*) worden opgenomen (punt b), evenals de stand en het verloop van de reserves en voorzieningen (punt d/e). In de paragrafen weerstandsvermogen, onderhoud kapitaalgoederen en financiering komen de overige aspecten m.b.t. het vermogensbeleid aan bod. Van belang is het onderscheid tussen de begroting en de meerjarenraming. De Staten stellen de begroting vast. De consequenties van dit beleid worden doorgerekend in de meerjarenraming, zowel m.b.t. de ontwikkeling van baten en lasten als m.b.t. de financi?le positie. Inzicht in de (ontwikkeling van
- de)financi?le positie is van betekenis in relatie tot de exploitatie en met het oog op de continu?teit van beleid. Vanwege de toekomstgerichtheid wordt de meerjarenraming niet vastgesteld, wat niet wegneemt dat deze informatie onmisbaar is om zich een verantwoord oordeel te kunnen vormen over het financieel beleid. Autorisatie investeringsbudgetten Via de (programma-)begroting autoriseren de Staten ook de investeringsbudgetten (*) voor het desbetreffende jaar. Het college voert dit vervolgens uit (doet de investering) en gaat daarbij zonodig privaatrechtelijke overeenkomsten aan, zoals het aangaan van geldleningen en (bank)kredieten. De Staten nemen daarover geen direct besluit meer, maar houden via het vaststellen van de uiteenzetting van de financi?le positie, de financieringsparagraaf bij de begroting en via de verordening over financiering (ook wel genoemd het treasurystatuut) inzicht en invloed. *) M.b.t. de investeringsbudgetten onderscheiden wij in onze provinciale praktijk 3 niveaus: Investeringsschema: Het totaal aan geplande investeringsvolumes en kapitaaluitgaven voor de komende jaren, waarvan afgeleid de (geraamde) kapitaallasten die worden opgenomen in de meerjarenraming (gewone dienst). Verschuivingen tussen jaarschijven binnen het investeringsschema en de budgettaire effecten daarvan, worden meegenomen in de budgettaire nota’s. Met de vaststelling van de begroting wordt formeel alleen de eerste jaarschijf van het investeringsschema vastgesteld; de daarop volgende jaarschijven behoren tot de meerjarenraming. Investeringsproducten : Het investeringsschema is opgebouwd uit investeringsproducten, waarvan de volumes zijn gekoppeld aan specifieke beleidsprogramma’s en/of beleidsproducten die reeds zijn voorgelegd aan de Staten. Zo worden in het Meerjarenprogramma verkeer, vervoer en infrastructuur twaalf producten (aandachtsgebieden) onderscheiden, die te zamen het volume voor aanleg en verbetering wegen vormen. Grondaankopen t.b.v. de ecologische hoofdstructuur (EHS) en bijdragen in de aankoop van natuurgebieden (door derden) zijn op hun beurt investeringsproducten in relatie tot het natuurbeleid. Volumeverschuivingen tussen investeringsproducten zullen steeds ter advisering worden voorgelegd aan de functionele statencommissie(s), evenals volumeverhogingen die buiten het vastgestelde investeringsschema vallen. Investeringskredieten: Een investeringskrediet kan worden gedefinieerd als een meerjarig budget t.b.v. de uitvoering van een concreet project. De toedeling van kredieten binnen een reeds door PS vastgesteld volume per investeringsproduct is een bevoegdheid van GS. Autorisatie m.b.t. reserves en voorzieningen De Staten besluiten tot het instellen en opheffen van reserves en voorzieningen. Daarbij worden ten minste vastgelegd: doel, functie, minimum en maximum hoogte, bestaansduur, al of geen rentebijschrijving. Toevoegingen en onttrekkingen aan reserves hebben plaats d.m.v. van resultaatbestemming. Resultaatbestemmingen kunnen vooraf geraamd worden en vormen aldus een integrerend deel van de (programma-)begroting en vallen daarmee direct onder de beslissingsbevoegdheid van de Staten. Een dotatie aan een voorziening wordt opgenomen als last in het desbetreffende begrotingsjaar (dus in het resultaatbepalende deel van de begroting en/of jaarrekening). Hierbij is overigens weinig ruimte voor het maken van keuzen (allocatiefunctie); voorzieningen hebben immers een verplichtend karakter. Informatie over de risico’s Bij het opstellen van de begroting en de jaarrekening doen zich altijd onzekerheden en risico’s voor. Het voorzichtigheidsprincipe gebiedt dat voorziene verliezen en risico’s in acht moeten worden genomen als zij v??r het opmaken van de jaarrekening bekend zijn. Zolang dat nog niet het geval is, dient over de risico’s, hun aard en omvang informatie te worden verstrekt. Die informatie krijgt zijn plek in de toelichting bij het overzicht van baten en lasten in de begroting (respectievelijk rekening), in de uiteenzetting van de financi?le positie (respectievelijk toelichting op de balans) en in de paragraaf weerstandsvermogen. Aldus wordt aan de Staten een zo compleet mogelijk overzicht gegeven van de risicopositie en van het risicobeleid. 2.3 Balans en vermogenspositie Naar analogie van de begroting (BBV-artikel 7) bestaan de jaarstukken uit een jaarverslag en een jaarrekening (BBV-artikel 24). Tot de jaarrekening behoren de balans en de toelichting. De balans geeft de bezittingen en financi?le waarden (activa) van de provincie weer en de wijze waarop die zijn gefinancierd (passiva). De balans is een momentopname die aan het eind van ieder jaar plaats heeft als sluitstuk van de rekening. Eigen vermogen Het eigen vermogen bestaat uit de (zichtbare) reserves en het resultaat na bestemming uit de programmarekening. De bestemmingsreserves representeren de bestedingsruimte die naar de toekomst is doorgeschoven en waarover de Staten in principe nog vrijelijk kunnen beschikken (d.i. dat de Staten zolang de besteding nog niet heeft plaatsgehad kunnen besluiten om de provinciale middelen niet voor de oorspronkelijke bestemming aan te wenden maar voor andere doeleinden). Daarnaast kennen we een algemene reserve die onderdeel vormt van de weerstandscapaciteit. De algemene reserve is overigens geen fysieke pot met geld, maar een restpost op de balans waarmee het totaal van de passiva gelijk wordt gemaakt aan het totaal van de acticva (bezittingen). Vreemd vermogen Tot het vreemd vermogen behoren de voorzieningen (gekwantificeerde financi?le verplichtingen en risico’s), de langlopende schulden en de vlottende passiva (kortlopende schulden). Een essentieel kenmerk van vreemd vermogen is dat er voor de provincie een verplichting bestaat om op een bepaalde manier te handelen of te presteren tegenover een derde. Balansopstellingen Hierna worden twee balansopstellingen weergegeven naar de stand van 31-12-2002: Balans A is de balans uit het Jaarverslag/Jaarrekening 2002 ingedeeld naar de comptabiliteitsvoorschriften 1995; Balans B is een verkorte weergave van de balansindeling gebaseerd op de BBV-voorschriften zoals die m.i.v. 2004 gelden. Tabel IIA Balans per 31-12-2002 volgens CV1995 Activa x€ 1 mln Passiva x€ 1 mln Materi?le vaste activa (onroerende en roerende bezittingen) 378,8 Eigen vermogen (rekeningresultaat, alg.reserve en bestemmingsreserves) 358,8 Deelnemingen 0,5 Voorzieningen 8,9 Immateri?le activa (inv.subsidies) 81,2 Verstrekte geldleningen 36,5 Langlopende schulden 143,8 Totaal vaste activa 497,0 Totaal vaste financieringsmiddelen 511,5 Vlottende activa (vorderingen, voorraden, liquide middelen) 176,9 Vlottende passiva (kortlopende schulden) 162,4 Totaal kapitaal 673,9 Totaal vermogen 673,9 Tabel IIB Balans per 31-12-2002 gebaseerd op het BBV en 3e Nota kapitaaldienst Activa x€ 1 mln Passiva x€ 1 mln Immateri?le vaste activa 10,6 Eigen vermogen (rekeningresultaat, alg.reserve en bestemmingsreserves) 234,6 Materi?le vaste activa 378,8 Voorzieningen 136,2 Financi?le vaste activa 110,7 Vaste schulden 143,8 Totaal vaste activa 500,1 Totaal vaste financieringsmiddelen 514,6 Vlottende activa (vorderingen, voorraden, liquide middelen) 176,9 Vlottende passiva (kortlopende schulden) 162,4 Totaal kapitaal 677,0 Totaal vermogen 677,0 De veranderingen tussen balans A en B betreffen: een herschikking van de vaste activa (paragraaf 3.2, tabel III); de herindeling van reserves en voorzieningen naar hun stand per 31-12-2002 volgens de nieuwe BBV-voorschriften (paragraaf 4.3 en bijlage); de omzetting van de (negatieve) reserve herfinanciering BOM in een immaterieel vast actief (m.a.w. een overheveling van de passiefkant naar de actiefkant); afwaardering van de deelneming Eindhoven Airport (paragraaf 3.3). Ratio’s Ten aanzien van de balans kunnen verschillende ratio’s worden geformuleerd die een indicatie geven van de financi?le toestand van de provincie. Wij beperken ons hier tot een drietal ratio’s (per 31-12-2002) die veelal bij de interprovinciale vergelijkingen worden gebruikt: solvabiliteit: het eigen vermogen uitgedrukt in een percentage van het totale vermogen per balansdatum: 53% volgens CV1995 en 35% volgens BBV; omvang van vreemd lang vermogen t.o.v. de budgetomvang van € 675 mln: 23% volgens CV1995 en 42% volgens BBV; de liquiditeitsratio: vlottende activa t.o.v. vlottende passiva: 1,09 volgens CV en BBV. Financieringspositie De kengetallen a en b zeggen iets over de financieringspositie: hoe is het vermogen samengesteld en in hoeverre wordt het provinciale bedrijf gefinancierd met eigen middelen of met vreemd lang vermogen. Omdat objectieve normen ontbreken, zijn deze ratio’s slechts te interpreteren in verhouding tot voorgaande begrotingsjaren en in verhouding tot andere provincies. Het gaat om een globaal inzicht. Het zou de autonomie van de Staten tekort doen om expliciete normen te hanteren omdat in de loop van de tijd de financi?le inzichten en omgevingsfactoren kunnen veranderen. Ook een interprovinciaal gemiddelde is geen maatstaf omdat taakopvattingen tussen de provincies sterk uiteen kunnen lopen (o.a. het al dan niet hebben van bedrijfsmatige activiteiten). Een vuistregel in BZK-rapporten was tot nu toe (m.b.t. de CV1995) dat de solvabiliteit, oftewel de potentie om te voldoen aan de verplichtingen op langere termijn, goed is als de ratio 50% of hoger is. Deze norm is echter betrekkelijk. Overheidsbezittingen zijn ? in tegenstelling tot in de marktsector ? niet altijd goed vast te stellen. Daar komt bij dat de kredietwaardigheid van de overheid niet van haar eigen vermogen afhankelijk is (technisch gezien kan de provincie niet failliet gaan), maar vooral gewaarborgd wordt door de (continu?teit van) lopende inkomsten. Een score van onder de 50% moet dan ook in de eerste plaats gezien worden als het gevolg van de politieke beleidskeuzes om zoveel mogelijk voorzieningen voor de burgers te cre?ren via een hoog jaarlijks investeringsvolume. Zoals uit de cijfers blijkt, leidt de voorgeschreven herschikking van reserves en voorzieningen (hoofdstuk 4) tot een aanmerkelijk lagere solvabiliteitsratio. De omvang van het eigen vermogen kan verder bezien worden in het licht van mogelijke toekomstige verplichtingen (die nog niet zijn opgenomen c.q. begroot). Zo geldt bijvoorbeeld dat bij een relatief groot eigen vermogen maar een slecht onderhouden infrastructuur, de provincie er slechter zou voorstaan dan met een klein vermogen en minder grote toekomstige verplichtingen in het verschiet. Dergelijke waarborgen liggen besloten in het toekomstig beleid en zijn niet terug te vinden in de cijfers. In dit verband wordt in de nieuwe BBV-voorschriften (BBV-artikel 12) een paragraaf onderhoud kapitaalgoederen voorgeschreven (zie hoofdstuk 7). Verder is het volgende voorschrift relevant: BBV-artikel 53: In de toelichting op de balans worden de niet in de balans opgenomen belangrijke financi?le verplichtingen vermeld waaraan de provincie voor toekomstige jaren is verbonden. Liquiditeitspositie Het kengetal met betrekking tot de liquiditeit (
- c)geeft aan in hoeverre op korte termijn kan worden voldaan aan de betalingsverplichtingen. Dit verhoudingsgetal berust op de gedachte dat voor vlottende activa binnenkort geld wordt ontvangen, terwijl daartegenover voor het kortlopende vreemde vermogen geld moet worden uitgegeven: de schulden moeten worden betaald. Als tegenover de korte schulden voldoende vlottende activa aanwezig zijn (een liquiditeitsratio groter dan 1), is de liquiditeit in ieder geval in orde (op de balansdatum). Monitoring De uitoefening van de financi?le functie vereist dat de samenstelling van de vermogensstructuur zorgvuldig wordt bewaakt. Wij zullen voortaan bij het jaarverslag de ontwikkelingen in beeld brengen. Een terugblik over de afgelopen jaren laten wij hier achterwege. De ratio’s zijn namelijk sterk afhankelijk van de balansopbouw en juist die opbouw verandert fundamenteel door toepassing van de nieuwe comptabiliteitsvoorschriften (tabel IIA en B). 3. Activering, waardering en afschrijving 3.1 Toerekening / activering De provincie investeert in vaste activa die gedurende langere tijd meegaan. Omdat het nut zich over meer jaren uitstrekt, zouden deze uitgaven in principe over meerdere jaren ten laste van de resultatenrekening moeten komen. Andersom geldt dat investeringen en aanschaffingen met meerjarig nut in enig jaar niet volledig ten laste van dat ene jaarresultaat mogen worden gebracht. Dit is de kern van het baten- en lastenstelsel dat voorschrijft dat uitgaven en ontvangsten, los van het feit of zij gerealiseerd zijn, worden toegerekend aan de jaren en de functie waarop het profijt en/of het gebruik betrekking hebben. Activeren betekent dat een investering (met meerjarig nut) op de balans wordt opgenomen en over de geschatte gebruiksduur wordt afgeschreven. Daarbij doen zich de volgende vragen voor: welke investeringen moeten en welke mogen geactiveerd worden (paragrafen 3.2); tegen welke prijs (paragraaf 3.3); over hoeveel jaren strekt het nut zich vervolgens uit (paragraaf 3.4); hoe ontwikkelt zich de waarde en via welke methode moet worden afgeschreven (paragraaf 3.5). In het bestek van deze nota beperken wij ons tot de vaste activa die als regel ontstaan door het doen van een investering. Daarnaast worden vlottende activa onderscheiden, die bestaan uit vorderingen, voorraden, deposito’s, kas-, giro- en banksaldi, e.a. Deze categorie van vlottende activa wordt hier verder buiten beschouwing gelaten. Met het activerings-, waarderings- en afschrijvingsbeleid staat ons het volgende voor ogen: het voorzien in een eenduidige financi?le handelswijze; het zichtbaar maken van de re?le (kapitaal)lasten per product; het beperken van continu?teitsrisico’s (vervangingen); bevorderen van inzicht in de vermogenspositie. 3.2 Wel of niet (verplicht) activeren ... 3.2.1 Economisch nut versus maatschappelijk nut Bij het opstellen van het BBV is veel discussie geweest over het al dan niet verplicht activeren van investeringen met een maatschappelijk nut, maar zonder economisch nut. Voor veel overheidsinvesteringen, zoals wegen en natuurterreinen, kan worden beargumenteerd dat ze geen geld kunnen genereren en alleen maar kosten met zich meebrengen. Vandaar dat er uiteindelijk voor is gekozen om investeringen met een maatschappelijk nut maar geen economisch nut bij voorkeur niet te activeren. Omdat deze regel echter te zware beperkingen zou opleggen, wordt voor investeringen in de openbare ruimte activering wel toegestaan, met de bedoeling dat op deze activa op zo kort mogelijke termijn wordt afgeschreven. Dit is de reden waarom op deze investeringen (zie artikel 59, lid 4) reserves in mindering mogen worden gebracht en er ook resultaatafhankelijk op mag worden afgeschreven. BBV-artikel 59: Alle investeringen met een economisch nut worden geactiveerd. Investeringen hebben een economisch nut indien ze verhandelbaar zijn en/of indien ze kunnen bijdragen aan het genereren van middelen. In afwijking van het eerste lid worden kunstvoorwerpen met een cultuurhistorische waarde niet geactiveerd. Investeringen in de openbare ruimte met een maatschappelijk nut kunnen worden geactiveerd. 3.2.2 Omschrijving vaste activa Een vast actief kan worden gedefinieerd als een middel: waarover de provincie beschikt en waarvan de kostprijs of de waarde met betrouwbaarheid kan worden vastgesteld en waaruit naar verwachting economische voordelen zullen voortvloeien op het productievlak in de vorm van geldmiddelen en/of dat verhandelbaar is, of dat de potentie heeft een toekomstig maatschappelijke bijdrage te leveren binnen de doelstellingen van de provincie. Vele activa, zoals provinciale wegen, hebben een fysieke gedaante en behoren tot het bezit van de provincie. Behalve het eigendomsrecht kunnen ook andere juridische rechten gelden, vandaar hier de term "beschikt" die een bredere strekking aangeeft. Zo worden onder voorwaarden investeringssubsidies verleend voor de aankoop van natuurgebieden die in het bezit komen van derden. Bij vervreemding moet het geld wel terugkomen naar de provincie. De definitie brengt verder met zich mee dat de vraag of sprake is van een actief of niet, los staat van de vraag hoe een actief bekostigd of gefinancierd wordt (uit het lopende jaar of via een lening) maar afhankelijk is van de vraag of sprake is van meerjarig nut. Dit houdt in dat een inschatting moet worden gemaakt van de periode dat het actief bruikbaar is, respectievelijk bijdraagt tot het vervullen van maatschappelijke behoeften. Inherent aan activeren is dat naarmate het aandeel van de (vaste) kapitaallasten toeneemt, de bestedingsruimte en de flexibiliteit van de begroting beperkt worden. Dit betekent dat de invloed c.q. de beslissingsruimte van toekomstige besturen wordt ingedamd. De uitgangspunten voor waardering en activering kunnen zodoende verstrekkende financi?le gevolgen hebben en vormen daarom een wezenlijke beleidskeuze. Activeren en afschrijven houden anderzijds in dat op de meerjarenbegroting de kapitaallasten worden geraamd die na afloop van de afschrijvingstermijn vrijvallen voor vervangingsinvesteringen en/of andere investeringen. Dit pleit ervoor om reguliere investeringen die te zijner tijd vervanging behoeven altijd te activeren. Hooguit zal bij eenmalige investeringen in de openbare ruimte met maatschappelijk nut of in geval van investeringsbijdragen (aan derden) een deel van de uitgaaf al in ??n keer kunnen worden genomen (zie netto-activeren, paragraaf 3.3.2). 3.2.3 Ondergrens en specifieke situaties Begrenzing Het komt de transparantie van de balans niet ten goede als alle uitgaven met een meerjarig nut maar van een beperkte omvang geactiveerd worden. Minder substanti?le kapitaaluitgaven zouden bij voorkeur direct ten laste van de exploitatie gebracht moeten worden. De draagkracht van de provincie laat dat makkelijk toe en het voorkomt bovendien onnodige administratie. In de praktijk gaat het om een drietal begrenzingen: naar verhouding geringe investeringsbedragen (wat per sector kan verschillen); een beperkt aantal nutsjaren (bijvoorbeeld minder dan drie jaar); de kwantiteit (de aanschaf van 1 of 100 computers maakt verschil). In de praktijk zal – per beleidssector en per geval – moeten blijken wat een re?le ondergrens is, al beschouwen wij een grens van € 100.000 per geval per jaar als een absoluut minimumniveau. Investeringen en/of aanschaffingen lager dan die grens worden in het jaar van realisatie en/of aanschaf in beginsel volledig ten laste van de exploitatie gebracht (eenmalige afschrijving t.l.v. de gewone dienst). Dit neemt niet weg dat deze vaste activa op de gebruikelijke wijze geregistreerd dienen te worden, o.a. ten behoeve van aanwezigheidscontrole, verzekering e.d. Eenmalig afschrijven Er zijn nog andere situaties denkbaar waarbij kapitaaluitgaven niet (volledig) worden geactiveerd en zodoende (deels) in ??n keer ten laste van de exploitatie worden gebracht (extra afschrijving). Dit kan zich voordoen als de grootte en de financi?le positie van de provincie dat toelaat. In de praktijk gebeurt dit door voor bepaalde situaties een reserve op te bouwen i.c. te sparen (zie paragraaf 4.2) om vervolgens de kapitaaluitgaaf (deels) in ??n keer bij de resultaatbestemming te dekken middels een onttrekking aan de reserve. Deze vorm van netto-activeren is alleen toegestaan voor investeringen in de openbare ruimte met een maatschappelijk nut (zie vorige paragraaf). Situatie wegensector In de wegensector wordt het volgende onderscheid gemaakt: Aanleg en reconstructie: Hierbij gaat het in hoofdzaak om meerjarige infrastructurele projecten en investeringen die geactiveerd worden en waarvan na aftrek van eventuele rijksbijdragen en bijdragen van derden de kapitaallasten worden doorbelast naar de gewone dienst. Structureel onderhoud: Betreft de onderhoudswerken die de levensduur (van onderdelen) van het provinciale wegennet verlengen, w.o. het vervangen van bestratingen en asfaltverhardingen etc. Gezien het levensduur verlengend effect komen de kosten van structureel onderhoud ten laste van de kapitaaldienst, m.a.w.: deze worden in alle gevallen geactiveerd. Operationeel onderhoud: Hiertoe behoren de publiekrechtelijke en privaatrechtelijke taken die nodig zijn om het provinciaal wegennet in goede staat te houden, anders dan de verlenging van de levensduur van wegen. Hierbij moet gedacht worden aan het dagelijks onderhoud van alle tot de wegen behorende elementen (van bermen tot verkeersregelinstallaties), gladheidbestrijding, inspecties, optreden bij calamiteiten, de exploitatie van districtskantoren en steunpunten, etc. Deze kosten komen direct ten laste van de exploitatie. Via de resultaatbestemming kunnen deze lasten eventueel worden gedekt uit een daartoe gevormde reserve. In aanvulling op deze indeling en werkwijze achten wij het stellen van een ondergrens per project niet relevant, temeer daar veel wegenprojecten vaak een onlosmakelijk deel vormen van een groter geheel. In deze nota wordt daarom niet ingegaan op een nadere afbakening van levensduurverlengend onderhoud en niet- levensduurverlengend onderhoud. 3.2.4 Indeling vaste activa Er worden drie soorten vaste activa onderscheiden (BBV-artikel 33): immateriële vaste activa (kapitaaluitgaven waar geen bezittingen tegenover staan); materiële vaste activa (kapitaaluitgaven i.r.t. een bezit); financiële vaste activa (activa die een financiële waarde of bezit vertegenwoordigen). Het navolgende schema (tabel III) geeft een onderverdeling en een vergelijking met de vigerende comptabiliteitsvoorschriften 1995 (als referentiebasis), onze huidige provinciale balansindeling (per 31-12-2002) en de nieuwe voorschriften 2004. De conclusie mag zijn dat de provinciale onderverdeling nogal afwijkt van de voorschriften 1995. In onze begroting 2004 worden de nieuwe BBV-voorschriften gevolgd, met weglating van de onderdelen die voor de provincie niet relevant zijn (n.v.t.). Tabel III Huidige en nieuwe indeling provinciale activa Vaste activa Provinciale balans 2002 CV
(1995)BBV
(2004)Immateri?le vaste activa investeringssubsidies a. kosten sluiten geldleningen en disagio a. kosten sluiten geldleningen en disagio kosten sluiten van geldleningen en disagio b. kosten onderzoek en ontwikkeling b. kosten van onderzoek en ontwikkeling voor een bepaald actief c. bijdragen aan activa in eigendom van derden (vermogensoverdracht) (c. verhuist naar financile vaste activa) d. overige immateri?le activa (d. vervalt) Vaste activa Provinciale balans 2002 CV
(1995)BBV
(2004)Materi?le vaste activa - terreinen en gebouwen(Provinciehuis; Waterstraat, machines, etc.), - water- en wegenbouwkundig werken a. gronden en terreinen, b. woonruimten, c. bedrijfsgebouwen, d. grond-, weg- en waterbouwkundige werken, e. vervoermiddelen, f. machines, apparaten en installaties a. investeringen met economisch nut(), b. investeringen in de openbare ruimte met maatschappelijk nut() - deelneming Eindhoven Airport, - overige deelnemingen (pm) g. overige materiele vaste activa Financiele vaste activa - verstrekte vaste geldleningen c. aandelen in gemeenschappelijke regelingen en deelnemingen a. kapitaalverstrekking aan: 1. deelnemingen, 2. gemeenschappelijke regelingen, 3. overige verbonden partijen a. leningen aan woning-Bouwcorporaties b. leningen aan:
(1)woningcorporaties, n.v.t., 2. deelnemingen, 3. overige verbonden partijen b. overige langlopende leningen c. overige langlopende leningen d. effecten (langlopende beleggingen bij derden) d. overige uitzettingen > 1 jaar (**) e. bijdragen aan activa in eigendom van derden (***) - geactiveerde tekorten (vervalt) (****) Vlottende activa - voorraden, - gelden in deposito, - vorderingen (korte termijn), - liquide middelen (kas, bank, girosaldi) a. voorraden, b. uitzettingen Toelichting en specificatie bij tabel III: *)Onderverdeling materi?le vaste activa In de toelichting op de balans dient een nadere uitsplitsing van de materi?le vaste activa te worden gegeven naar: gronden en terreinen, bedrijfsgebouwen, grond-, weg- en waterbouwkundige werken, vervoermiddelen, machines en installaties, en overige materi?le vaste activa (zie tabel V). **)Vlottende activa Het onderscheid tussen vlottend en vast ligt bij ??n jaar. Tot de uitzettingen met een looptijd van ??n jaar of minder behoren o.a. de vorderingen op openbare lichamen, w.o. de vordering op het Rijk in verband met het BTW-compensatiefonds. ***)Activering van bijdragen aan vaste activa van derden Het gaat hier om het verstrekken van investeringssubsidies vooraf voor een bepaalde activiteit, waaronder in het bijzonder vallen onze bijdragen in de aankoop van natuurterreinen. Met ingang van 2004 valt deze categorie onder de financi?le vaste activa. Hoewel het actief geen eigendom is van de provincie laat dit onverlet dat onder bepaalde voorwaarden activering zou kunnen plaatshebben. BBV-artikel 61: Bijdragen aan activa in eigendom van derden kunnen worden geactiveerd indien: er sprake is van een investering door een derde; de investering bijdraagt aan de publieke taak; de derde zich heeft verplicht tot het daadwerkelijk investeren, op een wijze zoals is overeengekomen en; de bijdrage kan worden teruggevorderd, indien de derde in gebreke blijft of de provincie anders recht kan doen gelden op de activa die samenhangen met de investering. Deze voorschriften en tevens subsidievoorwaarden spelen een belangrijke rol bij de beantwoording van de vraag of een aan een derde verstrekt investeringssubsidie voor activering in aanmerking komt. In het geval dat niet aan de vermelde (subsidie-)voorwaarden wordt voldaan, kan niet geactiveerd worden en is boeking via de gewone dienst (exploitatierekening) de enig juiste weg. ****)Activering van tekorten en aanloopkosten Hoewel dit in onze praktijk niet wordt toegepast, kan voor de volledigheid worden vermeld dat de nieuwe voorschriften het activeren van tekorten niet meer toestaan. Er is immers geen sprake van een potentieel nut. Tekorten dienen meteen ten laste van de algemene reserve te worden gebracht. Dat zou kunnen betekenen dat niet meer voldaan wordt aan onze minimum norm voor de algemene reserve (zie hoofdstuk 5). In de begroting en meerjarenraming dient dan te worden aangegeven hoe het eigen vermogen op termijn weer aangevuld zal worden. Onder voorwaarden is het wel mogelijk om aanloopkosten voor onderzoek en ontwikkeling voor een bepaald actief te activeren (BBV artikel 60). 3.3 Aanschafprijs / waarderingsgrondslag BBV-artikel 62: Alle vaste activa worden voor het bedrag van de investering geactiveerd (bruto-situatie). In afwijking van het eerste lid mogen bijdragen van derden die in directe relatie staan met een actief op de waardering daarvan in mindering worden gebracht (netto-situatie). In afwijking van het eerste lid mogen reserves in mindering worden gebracht op investeringen als bedoeld in artikel 59, het vierde lid (netto-situatie). Het BBV schrijft voor dat activa gewaardeerd dienen te worden op basis van de verkrijgings- of vervaardigingsprijs. Een uitzondering geldt voor de activa van het nazorgfonds waarvoor waardering tegen actuele waarde is toegestaan. Ook in het kader van de Wet Fido is hiervoor een uitzondering gemaakt. 3.3.1 Verkrijgings- of vervaardigingsprijs BBV-artikel 63 (deels): Activa worden gewaardeerd op basis van de verkrijgings- of vervaardigingsprijs. De verkrijgingsprijs omvat de inkoopprijs en de bijkomende kosten. De vervaardigingsprijs omvat de aanschaffingskosten van de gebruikte grond- en hulpstoffen en de overige kosten, welke rechtstreeks aan de vervaardiging kunnen worden toegerekend. In de vervaardigingsprijs kunnen voorts worden opgenomen een redelijk deel van de indirecte kosten en de rente over het tijdvak dat aan de vervaardiging van het actief kan worden toegerekend; in dat geval vermeldt de toelichting dat deze rente is geactiveerd. De bepaling in lid 3 speelt bij de provincie met name in de wegensector. Ook kunnen in dit verband apparaatskosten voor zover het althans externe advieskosten betreft, worden geactiveerd. In het kader van de vorige nota’s kapitaaldienst is ter indamming van de boekwaarde – en uit praktische overwegingen, want waar ligt dan de grens? – reeds besloten om interne personeelskosten in principe niet toe te rekenen. Die regel, dat interne personeelskosten niet geactiveerd worden omdat daarmee lasten naar de toekomst worden doorgeschoven, willen wij handhaven. 3.3.2 Bruto versus netto methode In het BBV-artikel 62 wordt de mogelijkheid gelaten om de waarderingsgrondslag bruto of netto toe te passen. Van een netto-situatie is sprake als: bijdragen van derden (met name van het Rijk) in mindering worden gebracht, onder de voorwaarde dat de bijdragen in directe relatie staan tot het actief; een reserve (deels) in mindering wordt gebracht, mits het gaat om investeringen in de openbare ruimte met maatschappelijk nut. Onze huidige financi?le praktijk sluit hier goeddeels bij aan. Volledigheidshalve zij opgemerkt dat de BTW op activa niet geactiveerd wordt als deze compensabel is volgens de wet op het BTW-compensatiefonds. Tussen Rijk, IPO en VNG is voor wat betreft de BTW gekozen voor de netto-methode, die inhoudt dat wordt geactiveerd zonder BTW. De compensabele BTW is immers feitelijk geen last. In de bestaande boekwaarden blijft de BTW-component overigens nog wel aanwezig. Bij de Najaarsnota 2002 is ervoor gekozen om niet tot BTW-afboeking over te gaan en niet terug te komen op in het verleden gehanteerde uitgangspunten en voorschriften (zie tevens paragraaf 3.6). 3.3.3 Waardering deelnemingen Een bijzondere positie wordt ingenomen door onze deelnemingen. Deze werden tot nu toe pro memorie op de balans gewaardeerd, met uitzondering van de deelneming in Eindhoven Airport. De aandelen zijn niet vrij verhandelbaar – voor een deel zelfs helemaal niet verhandelbaar (die van de nutsbedrijven) met anderen dan overheden – en ook het behalen van financieel voordeel (rendement) staat van oorsprong niet voorop. Doel is het realiseren van zeggenschap in het licht van onze publiekrechtelijke verantwoordelijkheden. Niettemin hebben wij de afgelopen jaren steeds meer en ook hogere dividenduitkeringen ontvangen. Hierdoor wordt de budgettaire positie van de provincie steeds meer bepaald door de financi?le positie en ontwikkeling van de onderneming waarin wordt deelgenomen. Om een meer volledig en getrouw beeld te geven van de provinciale bezittingen en mede in het perspectief van eventuele verkoop van de aandelen in nutsbedrijven, zou het voor de hand liggen om de deelnemingen tegen een meer re?le waarde op de balans op te nemen . De voorschriften, zowel de CV1995 als het BBV, houden dat echter tegen. Slechts waardering op de balans tegen de aanschaffingsprijs of lagere marktwaarde is mogelijk. Voor met name de traditionele nutsbedrijven geldt dat daar lang geleden aandelen in werden genomen tegen nu irrelevant lage bedragen. Slechts in de toelichting op de balans kan over de huidige waarde enige informatie worden gegeven. Dit betekent dat wij hebben moeten afzien van ons eerdere voornemen in de conceptnota van november 2002 om over te gaan tot het opnemen van alle aandelen tegen nominale waarde. Daarvoor in de plaats is nu de logische beleidslijn om aandelen op de balans slechts als pro memorie te ramen – dus in feite op een waarde nul. Tot op heden gold die praktijk ook al voor ?l onze aandelen, behalve voor de aandelen in Eindhoven Airport NV (in 1997 is ervoor gekozen om de eerste 50% storting in het aandelenkapitaal te activeren en de tweede 50% in het investeringsschema op te nemen). De nieuwe beleidslijn heeft twee consequenties: allereerst zal onze deelneming in Eindhoven Airport NV moeten worden afgeraamd tot nul (kosten € 556.000). In de tweede plaats zullen alle toekomstige deelnemingen volledig moeten worden afgedekt. Dit laatste element – deelnemingen volledig afdekken – spoort ons inziens ook met ons in ontwikkeling zijnde risicobeleid: nieuwe deelnemingen in nieuwe bedrijven zijn beleidsmatig gericht (en niet als belegging) en zijn in feite steeds innovatief van aard. Daaraan zijn per definitie risico’s verbonden en die wensen wij in het geval van aandelen volledig af te dekken (zie paragraaf 5.2). Tabel IV Provinciale deelnemingen Deelneming Aandelenkapitaal Huidige balanswaarde x€ 1.000 Nominale waarde op 1-1-2004 x€ 1.000 Gestort op 1-1-2004 Nieuwe balanswaarde x€ 1.000 Essent NV 30,8% Pm 46.144 100% pm NV Delta Nutsbedrijf 0,1% Pm 4 100% pm NV Brabant Water 31,5% Pm 88 100% pm NV Brabantse Ontw.maatschappij (BOM) 35,5% Pm 7.106 100% pm Eindhoven Airport NV 24,5% 556 1.112 50% pm NV Bank voor Nederlandse Gemeenten kleiner dan 0,1% Pm 100 100% pm NV Waterschapsbank kleiner dan 0,1% Pm 22 38% pm Ontwikkelingsmaatschappij Ruimte voor Ruimte BV 20,0% pm 6 100% pm CV 19,0% pm 285 pm Tuinbouwontwikkelingsmaatschappij (TOM) BV 50,0% pm 9 100% pm CV 49,8% pm 448 pm Ontwikkelingsmaatschappij Intensieve Veehouderij (OMIV) BV 50,0% pm 9 100% pm CV 49,8% pm 245 pm Totaal (afgerond op € mln) - € 0,6 mln € 55,6 mln - pm Deelnemingen maken deel uit van de zogenoemde "verbonden partijen" waarbij de provincie aandelen heeft in een NV of BV. Tot de verbonden partijen behoren verder de privaatrechtelijke of publiekrechtelijke organisaties waarin de provincie een financieel en/of bestuurlijk belang heeft (zie hoofdstuk 7). Hieronder valt o.a. onze participatie in de gemeenschappelijke regeling m.b.t. het Havenschap Moerdijk. In deelnemingen kunnen stille reserves schuilen. Een stille reserve is in beginsel het verschil tussen de boekwaarde (in ons geval nul) en de actuele (markt)waarde. De voorgeschreven "toelichting op de balans" geeft de mogelijkheid hier nader op in te gaan, wat o.a. al gebeurt door een specificatie op te nemen van de nominale bedragen van ons aandelenbezit. De stille reserves maken verder onderdeel uit van de weerstandscapaciteit (paragraaf 5.3). Het gaat dan om de vaste activa die snel te verkopen zijn, of waarvoor expliciet al een besluit tot verkoop is genomen. In dat laatste geval wordt in de paragraaf weerstandsvermogen inzicht gegeven in de verwachte verkoopopbrengst. 3.4 Verwachte gebruiksduur / afschrijvingstermijnen BBV-artikel 64 (vervolg zie paragraaf 3.4.2): Afschrijvingen geschieden onafhankelijk van het resultaat van het boekjaar. Slechts om gegronde redenen mogen de afschrijvingen geschieden op andere gronden dan die welke in het voorgaande begrotingsjaar zijn toegepast. Op vaste activa met een beperkte gebruiksduur wordt jaarlijks afgeschreven volgens een stelsel dat is afgestemd op de verwachte toekomstige gebruiksduur. In afwijking van het eerste en het derde lid kan er op activa in de openbare ruimte met een maatschappelijk nut extra worden afgeschreven. Met afschrijving wordt bedoeld het tot uitdrukking brengen van de waardevermindering van een actief. Die waardevermindering wordt in de vorm van (structurele) afschrijvingslasten ten laste gebracht van de gewone dienst. Relevant hierbij zijn de afschrijvingstermijnen en de afschrijvingsmethoden. Afschrijvingstermijnen Het onderscheid in BBV artikel 59 (paragraaf 3.2) tussen investeringen met een meerjarig economisch nut en investeringen (in de openbare ruimte) met een meerjarig maatschappelijk nut heeft zijn doorwerking naar de afschrijvingsduur. Investeringen met economisch nut (materi?le vaste activa) Investeringen met een economisch nut betreffen met name de provinciale bedrijfsvoering en gebouwen. Op deze activa dient op consistente wijze te worden afgeschreven. In tegenstelling tot de CV1995 mogen reserves niet meer in mindering worden gebracht op investeringen, evenmin mag resultaatafhankelijk worden afgeschreven. Ten aanzien van de afschrijvingstermijnen gelden de gebruikelijke rekenregels zoals m.b.t. de technische levensduur en de economische veroudering. Als voorbeeld kan gelden automatiseringsapparatuur: gangbaar is een afschrijvingstermijn van 3 jaar, wat overigens niet uitsluit dat de technische levensduur langer kan zijn. Investeringen in openbare ruimte met maatschappelijk nut (materi?le vaste activa) Voor investeringen in de openbare ruimte met maatschappelijk nut, met name wegen, gaat in het BBV de voorkeur ernaar uit deze niet te activeren of anders deze activa in zo kort mogelijke termijn af te schrijven. Dit betekent dat op deze investeringen extra mag worden afgeschreven (d.m.v. resultaatbestemming). In de praktijk zijn de volgende twee invalshoeken denkbaar: politiek-bestuurlijke overwegingen: terughoudend te zijn met lasten naar de toekomst door te schuiven en financi?le ruimte te houden voor toekomstige taakstellingen; budgettaire overwegingen: een gelijkmatige belasting van de gewone dienst, al of niet gekoppeld aan de maatschappelijke gebruiksduur c.q. het publieke nut. Wat betreft dit laatste stellen wij voor de afschrijvingstermijn voor wegen, die van oudsher is vastgelegd op 20 jaar, terug te brengen naar 15 jaar. Een belangrijke overweging daarbij is de alom snellere functionele veroudering in relatie tot de hedendaagse beleidsnormen. Bijdragen aan activa in eigendom van derden (financi?le vaste activa) Wat betreft investeringsbijdragen voor de aankoop van natuurterreinen (in handen van derden) die van duurzame betekenis zijn voor de ontwikkeling en instandhouding van natuur en landschap zien wij geen aanleiding om over te stappen op een andere afschrijvingstermijn en handhaven wij de afschrijvingstermijn van 25 jaar. Extra afschrijving en begrensde afschrijvingstermijnen Voor een aantal specifieke situaties stelt het BBV nadere regels t.a.v. de afschrijvingstermijnen. Deze worden hierna voor de volledigheid vermeld: BBV-artikel 65: Naar verwachting duurzame waardeverminderingen van vaste activa worden onafhankelijk van het resultaat van het boekjaar in aanmerking genomen. Voorraden en deelnemingen worden tegen marktwaarde gewaardeerd indien de marktwaarde lager is dan de verkrijgings- of vervaardigingsprijs. Een actief dat buiten gebruik wordt gesteld, wordt afgewaardeerd op het moment van buitengebruikstelling, indien de restwaarde lager is dan de boekwaarde. BBV-artikel 64 vervolg De afschrijvingsduur op geactiveerde kosten verbonden aan het sluiten van geldleningen is maximaal gelijk aan de looptijd van de lening. De afschrijvingsduur op geactiveerde kosten van onderzoek en ontwikkeling voor een bepaald actief is ten hoogste vijf jaar. Geen afschrijvingen Niet op alle activa hoeft te worden afgeschreven of wordt in het huidige beleid afgeschreven. Dat geldt voor: uitstaande leningen (uitgangspunt is dat deze worden terugbetaald); deelnemingen (deze worden ineens afgeschreven c.q. voor 100% afgedekt, zie paragrafen 3.3 en 5.2); grond (voor zover niet tot de ondergrond van wegen behorend, in dat geval wordt afgeschreven als onderdeel van het totale project). Zo nodig kan ten aanzien van deze bestanddelen wel een incidentele waardebijstelling plaatshebben. Totaalbeeld afschrijvingstermijnen In het algemeen kan de verdeling van afschrijvingslasten over de gebruiksduur het beste worden benaderd door: de verwachte levensduur zo nauwkeurig mogelijk in te schatten; extra af te schrijven als de levensduur korter blijkt; niet af te schrijven als er geen waardevermindering is; eventueel rekening te houden met een restwaarde; te beginnen met afschrijven in het jaar volgend op de investering. Uit oogpunt van voorzichtigheid en eenvoud kiezen wij als provincie in beginsel voor een restwaarde van € 0,-. Een betrouwbare inschatting van een restwaarde is moeilijk. Daarbij moet overigens niet alleen gedacht worden aan een eventuele positieve restwaarde, ook een negatieve restwaarde is mogelijk, bijvoorbeeld wanneer sprake is van verontreiniging of achterstallig onderhoud. Mocht de waarde in het economische verkeer hoger zijn, dan ontstaat een zogenaamde stille reserve, voor zover althans die surpluswaarde ook contant is te maken. Bij activa die per definitie niet verkocht kunnen worden, is het niet re?el om een stille reserve te veronderstellen. Mede uit oogpunt van administratieve eenvoud kiezen wij ervoor de eerste afschrijvingslast van een investering te laten drukken op het eerste jaar n? de investering. De exacte investeringsdatum of datum van ingebruikneming is dus niet van belang. De provincie kent geen algemene afschrijvingsmethodiek voor samengestelde activa, waarbij een gedifferentieerde afschrijvingssystematiek wordt gevolgd. Wel wordt voor de afschrijving van het provinciehuis een methode van gedifferentieerde afschrijvingstermijnen gevolgd. 3.5 Afschrijvingsmethode(
- n)In het BBV zijn ten aanzien van de methoden van afschrijven geen regels gesteld. De provincie hanteert op dit moment zowel de lineaire als annu?taire methode. De meest voor de hand liggende afschrijvingsmethode is de lineaire afschrijving, waarbij jaarlijks gelijkblijvende bedragen worden afgeschreven op basis van een vast percentage van het af te schrijven bedrag i.c. de verkrijgingsprijs. Door de jaarlijkse terugloop van de boekwaarde wordt de rentelast steeds lager. Het totaal van afschrijving en rente, die tezamen de kapitaallast vormen, laat zodoende een dalende reeks zien. Het voordeel van deze methode is dat door de jaarlijks afnemende rentelast de stijgende onderhoudskosten ten gevolge van de toegenomen ouderdom van het actief kunnen worden opgevangen. Bovendien is het de meest eenvoudige methode. Soms wordt ook op annu?teitenbasis afgeschreven. Bij de annu?teitenmethode vormen de afschrijving en rentelast over het ge?nvesteerde vermogen gedurende de levensduur een jaarlijks vast bedrag. Het bezwaar van deze methode is de relatief lage afschrijving in de eerste jaren. Als de waardedaling van vaste activa zich juist in de beginjaren voordoet, kan dit kan leiden tot een te hoge balanswaardering. De annu?taire methode is eigenlijk alleen geschikt voor investeringen met een korte gebruiksduur (snelle vervangingscyclus) waarbij gedurende de gebruiksperiode geen stijgende onderhoudskosten zijn te verwachten. Onze keuze is om voortaan primair de lineaire afschrijvingsmethode te hanteren. Voor bestaande investeringen (t/m 2003) blijven de bestaande afschrijvingsmethoden ongewijzigd. 3.6 Activa-administratie en afschrijvingstabel Activa-administratie Om het afschrijvingsbeleid goed te kunnen uitvoeren en de kapitaallasten correct te kunnen berekenen en naar de juiste producten toe te rekenen, is een deugdelijke financi?le activa-administratie noodzakelijk. In die administratie dient het verloop van de boekwaarden van de investeringen te worden geregistreerd. Conform de voorschriften (BBV artikel 52 inzake toelichting op de balans) wordt dit uitgevoerd in de jaarrekening, waar een "specificatie" wordt gegeven van de activa- en passivaposten op de balans. Bij die "specificatie" past wel een kanttekening. In de sector verkeer, vervoer en infrastructuur voert de provincie niet zozeer een objectadministratie maar een financi?le administratie die gebaseerd is op uitvoeringsprogramma’s. Daarbij wordt afgeschreven op het (sub)totaal van de investeringen per jaar en niet op ieder afzonderlijk object of project. Dit bevordert de overzichtelijkheid en eenvoud en bespaart een aanzienlijke hoeveelheid administratie. Daar staan echter kleine oneffenheden tegenover. Zo kan het voorkomen dat een bepaald weggedeelte inmiddels is overgedragen aan een gemeente, terwijl de afschrijving hierop nog doorloopt. In wezen gaat het hier niet langer om een materieel vast actief maar om een financieel vast actief i.c. bijdrage aan activa in eigendom van derden. Dit geeft nog geen aanleiding om een gedetailleerde objectadministratie op te zetten; de kosten daarvan wegen niet of nauwelijks op tegen een betere toelichting op de balans. Afschrijvingstabel De verschillende elementen uit dit hoofdstuk vinden tot slot hun uitwerkingen in de afschrijvingstabel (tabel V). Wat betreft de nieuwe afschrijvingtermijnen en –methoden zijn de volgende toepassingen mogelijk: op alle nieuwe investeringen vanaf 2004: de budgettaire consequenties blijven in dit geval beperkt tot een herberekening van kapitaallasten m.b.t. de reeds geraamde investeringsvolumes m.i.v. 2004; op alle boekwaarden waarop de afschrijving doorloopt na 2004, hetgeen leidt tot een verdichting van kapitaallasten vanaf 2004 (over de resterende afschrijvingstermijnen); op alle activa met terugwerkende kracht afschrijven volgens de nieuw uitgangspunten (volledige herijking). Niet alleen vanwege de budgettaire consequenties kiezen wij voor optie a, er is ook geen aanleiding om nu terug te komen op in het verleden gehanteerde uitgangspunten en voorschriften. Het ligt in de rede om vanaf de invoeringsdatum van het nieuwe BBV ook het financieel beleid te herijken. Het (tijdelijk) naast elkaar bestaan van oude en nieuwe afschrijvingstermijnen en –methoden is daaraan inherent. Tabel V Afschrijvingstabel vaste activa 3.4 Verwachte gebruiksduur / afschrijvingstermijnen BBV-artikel 64 (vervolg zie paragraaf 3.4.2): Afschrijvingen geschieden onafhankelijk van het resultaat van het boekjaar. Slechts om gegronde redenen mogen de afschrijvingen geschieden op andere gronden dan die welke in het voorgaande begrotingsjaar zijn toegepast. Op vaste activa met een beperkte gebruiksduur wordt jaarlijks afgeschreven volgens een stelsel dat is afgestemd op de verwachte toekomstige gebruiksduur. In afwijking van het eerste en het derde lid kan er op activa in de openbare ruimte met een maatschappelijk nut extra worden afgeschreven. Met afschrijving wordt bedoeld het tot uitdrukking brengen van de waardevermindering van een actief. Die waardevermindering wordt in de vorm van (structurele) afschrijvingslasten ten laste gebracht van de gewone dienst. Relevant hierbij zijn de afschrijvingstermijnen en de afschrijvingsmethoden. Afschrijvingstermijnen Het onderscheid in BBV artikel 59 (paragraaf 3.2) tussen investeringen met een meerjarig economisch nut en investeringen (in de openbare ruimte) met een meerjarig maatschappelijk nut heeft zijn doorwerking naar de afschrijvingsduur. Investeringen met economisch nut (materi?le vaste activa) Investeringen met een economisch nut betreffen met name de provinciale bedrijfsvoering en gebouwen. Op deze activa dient op consistente wijze te worden afgeschreven. In tegenstelling tot de CV1995 mogen reserves niet meer in mindering worden gebracht op investeringen, evenmin mag resultaatafhankelijk worden afgeschreven. Ten aanzien van de afschrijvingstermijnen gelden de gebruikelijke rekenregels zoals m.b.t. de technische levensduur en de economische veroudering. Als voorbeeld kan gelden automatiseringsapparatuur: gangbaar is een afschrijvingstermijn van 3 jaar, wat overigens niet uitsluit dat de technische levensduur langer kan zijn. Investeringen in openbare ruimte met maatschappelijk nut (materi?le vaste activa) Voor investeringen in de openbare ruimte met maatschappelijk nut, met name wegen, gaat in het BBV de voorkeur ernaar uit deze niet te activeren of anders deze activa in zo kort mogelijke termijn af te schrijven. Dit betekent dat op deze investeringen extra mag worden afgeschreven (d.m.v. resultaatbestemming). In de praktijk zijn de volgende twee invalshoeken denkbaar: politiek-bestuurlijke overwegingen: terughoudend te zijn met lasten naar de toekomst door te schuiven en financi?le ruimte te houden voor toekomstige taakstellingen; budgettaire overwegingen: een gelijkmatige belasting van de gewone dienst, al of niet gekoppeld aan de maatschappelijke gebruiksduur c.q. het publieke nut. Wat betreft dit laatste stellen wij voor de afschrijvingstermijn voor wegen, die van oudsher is vastgelegd op 20 jaar, terug te brengen naar 15 jaar. Een belangrijke overweging daarbij is de alom snellere functionele veroudering in relatie tot de hedendaagse beleidsnormen. Bijdragen aan activa in eigendom van derden (financi?le vaste activa) Wat betreft investeringsbijdragen voor de aankoop van natuurterreinen (in handen van derden) die van duurzame betekenis zijn voor de ontwikkeling en instandhouding van natuur en landschap zien wij geen aanleiding om over te stappen op een andere afschrijvingstermijn en handhaven wij de afschrijvingstermijn van 25 jaar. Extra afschrijving en begrensde afschrijvingstermijnen Voor een aantal specifieke situaties stelt het BBV nadere regels t.a.v. de afschrijvingstermijnen. Deze worden hierna voor de volledigheid vermeld: BBV-artikel 65: Naar verwachting duurzame waardeverminderingen van vaste activa worden onafhankelijk van het resultaat van het boekjaar in aanmerking genomen. Voorraden en deelnemingen worden tegen marktwaarde gewaardeerd indien de marktwaarde lager is dan de verkrijgings- of vervaardigingsprijs. Een actief dat buiten gebruik wordt gesteld, wordt afgewaardeerd op het moment van buitengebruikstelling, indien de restwaarde lager is dan de boekwaarde. BBV-artikel 64 vervolg De afschrijvingsduur op geactiveerde kosten verbonden aan het sluiten van geldleningen is maximaal gelijk aan de looptijd van de lening. De afschrijvingsduur op geactiveerde kosten van onderzoek en ontwikkeling voor een bepaald actief is ten hoogste vijf jaar. Geen afschrijvingen Niet op alle activa hoeft te worden afgeschreven of wordt in het huidige beleid afgeschreven. Dat geldt voor: uitstaande leningen (uitgangspunt is dat deze worden terugbetaald); deelnemingen (deze worden ineens afgeschreven c.q. voor 100% afgedekt, zie paragrafen 3.3 en 5.2); grond (voor zover niet tot de ondergrond van wegen behorend, in dat geval wordt afgeschreven als onderdeel van het totale project). Zo nodig kan ten aanzien van deze bestanddelen wel een incidentele waardebijstelling plaatshebben. Totaalbeeld afschrijvingstermijnen In het algemeen kan de verdeling van afschrijvingslasten over de gebruiksduur het beste worden benaderd door: de verwachte levensduur zo nauwkeurig mogelijk in te schatten; extra af te schrijven als de levensduur korter blijkt; niet af te schrijven als er geen waardevermindering is; eventueel rekening te houden met een restwaarde; te beginnen met afschrijven in het jaar volgend op de investering. Uit oogpunt van voorzichtigheid en eenvoud kiezen wij als provincie in beginsel voor een restwaarde van € 0,-. Een betrouwbare inschatting van een restwaarde is moeilijk. Daarbij moet overigens niet alleen gedacht worden aan een eventuele positieve restwaarde, ook een negatieve restwaarde is mogelijk, bijvoorbeeld wanneer sprake is van verontreiniging of achterstallig onderhoud. Mocht de waarde in het economische verkeer hoger zijn, dan ontstaat een zogenaamde stille reserve, voor zover althans die surpluswaarde ook contant is te maken. Bij activa die per definitie niet verkocht kunnen worden, is het niet re?el om een stille reserve te veronderstellen. Mede uit oogpunt van administratieve eenvoud kiezen wij ervoor de eerste afschrijvingslast van een investering te laten drukken op het eerste jaar n? de investering. De exacte investeringsdatum of datum van ingebruikneming is dus niet van belang. De provincie kent geen algemene afschrijvingsmethodiek voor samengestelde activa, waarbij een gedifferentieerde afschrijvingssystematiek wordt gevolgd. Wel wordt voor de afschrijving van het provinciehuis een methode van gedifferentieerde afschrijvingstermijnen gevolgd. 3.5 Afschrijvingsmethode(
- n)In het BBV zijn ten aanzien van de methoden van afschrijven geen regels gesteld. De provincie hanteert op dit moment zowel de lineaire als annu?taire methode. De meest voor de hand liggende afschrijvingsmethode is de lineaire afschrijving, waarbij jaarlijks gelijkblijvende bedragen worden afgeschreven op basis van een vast percentage van het af te schrijven bedrag i.c. de verkrijgingsprijs. Door de jaarlijkse terugloop van de boekwaarde wordt de rentelast steeds lager. Het totaal van afschrijving en rente, die tezamen de kapitaallast vormen, laat zodoende een dalende reeks zien. Het voordeel van deze methode is dat door de jaarlijks afnemende rentelast de stijgende onderhoudskosten ten gevolge van de toegenomen ouderdom van het actief kunnen worden opgevangen. Bovendien is het de meest eenvoudige methode. Soms wordt ook op annu?teitenbasis afgeschreven. Bij de annu?teitenmethode vormen de afschrijving en rentelast over het ge?nvesteerde vermogen gedurende de levensduur een jaarlijks vast bedrag. Het bezwaar van deze methode is de relatief lage afschrijving in de eerste jaren. Als de waardedaling van vaste activa zich juist in de beginjaren voordoet, kan dit kan leiden tot een te hoge balanswaardering. De annu?taire methode is eigenlijk alleen geschikt voor investeringen met een korte gebruiksduur (snelle vervangingscyclus) waarbij gedurende de gebruiksperiode geen stijgende onderhoudskosten zijn te verwachten. Onze keuze is om voortaan primair de lineaire afschrijvingsmethode te hanteren. Voor bestaande investeringen (t/m 2003) blijven de bestaande afschrijvingsmethoden ongewijzigd. 3.6 Activa-administratie en afschrijvingstabel Activa-administratie Om het afschrijvingsbeleid goed te kunnen uitvoeren en de kapitaallasten correct te kunnen berekenen en naar de juiste producten toe te rekenen, is een deugdelijke financi?le activa-administratie noodzakelijk. In die administratie dient het verloop van de boekwaarden van de investeringen te worden geregistreerd. Conform de voorschriften (BBV artikel 52 inzake toelichting op de balans) wordt dit uitgevoerd in de jaarrekening, waar een "specificatie" wordt gegeven van de activa- en passivaposten op de balans. Bij die "specificatie" past wel een kanttekening. In de sector verkeer, vervoer en infrastructuur voert de provincie niet zozeer een objectadministratie maar een financi?le administratie die gebaseerd is op uitvoeringsprogramma’s. Daarbij wordt afgeschreven op het (sub)totaal van de investeringen per jaar en niet op ieder afzonderlijk object of project. Dit bevordert de overzichtelijkheid en eenvoud en bespaart een aanzienlijke hoeveelheid administratie. Daar staan echter kleine oneffenheden tegenover. Zo kan het voorkomen dat een bepaald weggedeelte inmiddels is overgedragen aan een gemeente, terwijl de afschrijving hierop nog doorloopt. In wezen gaat het hier niet langer om een materieel vast actief maar om een financieel vast actief i.c. bijdrage aan activa in eigendom van derden. Dit geeft nog geen aanleiding om een gedetailleerde objectadministratie op te zetten; de kosten daarvan wegen niet of nauwelijks op tegen een betere toelichting op de balans. Afschrijvingstabel De verschillende elementen uit dit hoofdstuk vinden tot slot hun uitwerkingen in de afschrijvingstabel (tabel V). Wat betreft de nieuwe afschrijvingtermijnen en –methoden zijn de volgende toepassingen mogelijk: op alle nieuwe investeringen vanaf 2004: de budgettaire consequenties blijven in dit geval beperkt tot een herberekening van kapitaallasten m.b.t. de reeds geraamde investeringsvolumes m.i.v. 2004; op alle boekwaarden waarop de afschrijving doorloopt na 2004, hetgeen leidt tot een verdichting van kapitaallasten vanaf 2004 (over de resterende afschrijvingstermijnen); op alle activa met terugwerkende kracht afschrijven volgens de nieuw uitgangspunten (volledige herijking). Niet alleen vanwege de budgettaire consequenties kiezen wij voor optie a, er is ook geen aanleiding om nu terug te komen op in het verleden gehanteerde uitgangspunten en voorschriften. Het ligt in de rede om vanaf de invoeringsdatum van het nieuwe BBV ook het financieel beleid te herijken. Het (tijdelijk) naast elkaar bestaan van oude en nieuwe afschrijvingstermijnen en –methoden is daaraan inherent. Tabel V Afschrijvingstabel vaste activa Indeling vaste activa (zie tabel III) Vaste activa provincie Boekwaarde eind 2002 x€1.000 Huidige afschr.termijn Huidige afschr.methode Nuts cat. Afschr.termijn vanaf 2004 Afschr.methode vanaf 2004 Immateriele vaste activa - - = ongewijzigd regime, - - L = oud ongewijzigd, nieuw lineair a. Kosten sluiten geldleningen en disagio Conversie geldleningen 1.110 10 Lineair Afh.looptijd - - b. Kosten van onderzoek en ontwikkeling voor een bepaald actief Licentiekosten infoportaal (eenmalig) 484 4 (t/m 2004) Annuetair - - c. Overige immateriele activa WHP-II (eenmalig) 5.445 10 (t/m 2012) Lineair Extra afs. in 2004 - BOM 3.582 20 Annuitair - - Subtotaal immateriele vaste activa 10.621 Materiele vaste activa E = Economisch nut M = Maatschappelijk nut a. Gronden en terreinen Afhankelijk van toekomstig grondbeleid - - - E 0 N.v.t. b. Woonruimten N.v.t. - - - - - - c. Gebouwen Provinciehuis 36.104 8-50 Divers E - - -L Waterstraat (eenm.) 2.300 25 Annuitair E - -L d. Grond-, weg- en waterbouwkundige werken Wegen (-sector) 335.987 20 Annuitair M 15 - -L Gladheidsysteem 152 10 Annuitair M - - - -L e. Vervoermiddelen Milieumeetwagens 397 5 Divers E - - - -L f. Machines, apparaten en installaties Machines drukkerij 57 3-10 Divers E - - - -L g. Overige mat.activa Div.facilitaire voorz. (meubilair, kantoor, flexpl., arbo, IVS) 3.735 4-20 Divers E/M Max.10 - -L Subtotaal materiele vaste activa 378.731 Financiele vaste activa a. Kapitaalverstr.aan: 0 N.v.t. 0 N.v.t. 1. Deelnemingen, 2. Gem.regelingen, 3. Overige verbonden partijen Eindhoven Airport pm Overige deelnemingen (tabel IV) pm b. Leningen aan: 0 N.v.t. 0 N.v.t. 1. Woningbouwcorp. N.v.t. - 2. Deelnemingen ORR 2.772 3. Overige verbonden partijen TOM - OMIV - c. Overige langlopende leningen Verstrekte studieleningen 129 0 N.v.t. 0 N.v.t. d. Uitzettingen groter dan 1 jaar Obragas 26.912 - - - - - Escrow 6.723 e. Bijdragen aan activa in eigendom van derden Natuur- en recreatiegebieden 32.257 25 Lineair - - - - Dijkverbetering 35.287 20 Lineair - - - - Welschap (infrastructuur, eenmalig) 904 10 (t/m 2008) Lineair - - - - Ec.actieprogramma (infra, eenmalig) 2.078 20 (t/m 2014) Annuitair - - - -L Jeugdhulpverlening (gebouwen) 3.613 15 (t/m 2019) Annuitair - - - -L Donge-Oude Maasje 20 0 N.v.t Extra afsch. in 2004 - Subtotaal financiele vaste activa 110.694 Totaal vaste activa 500.046 4. Reserves en voorzieningen Vooraf Ten aanzien van de reserves en voorzieningen kunnen vooraf de volgende kenmerken worden genoemd: Voorzieningen staan voor verplichtingen en verwachte verliezen en behoren tot het vreemd vermogen. Reserves worden gerekend tot het eigen vermogen (defini?ring paragraaf 4.1). Zolang de bestemming veranderd kan worden, is er sprake van een reserve; zodra dit niet meer kan is sprake van een voorziening. Omdat een groot deel van onze bestemmingsreserves bestond uit gelden van derden en dus niet feitelijk vrij aanwendbaar was, behoort dit deel volgens de nieuwe voorschriften tot de categorie voorzieningen. Deze herindeling heeft zijn beslag gekregen in de Voorjaarsnota 2003 en is vervolgens overgenomen in de begroting 2004 (paragraaf 4.3). Toevoegingen en onttrekkingen aan reserves verlopen via de resultaatbestemming. Mutaties m.b.t. voorzieningen worden aangemerkt als saldobepalend. In de navolgende paragrafen worden deze aspecten nader toegelicht en uitgewerkt. 4.1 Definities en voorschriften Voorzieningen BBV-artikel 44: Voorzieningen worden gevormd wegens: verplichtingen en verliezen waarvan de omvang op de balansdatum onzeker is, doch redelijkerwijs te schatten; op de balansdatum bestaande risico’s ter zake van bepaalde te verwachten verplichtingen of verliezen waarvan de omvang redelijkerwijs is te schatten; kosten die in een volgend begrotingsjaar zullen worden gemaakt, mits het maken van die kosten zijn oorsprong mede vindt in het begrotingsjaar of in een voorafgaand begrotingsjaar en de voorziening strekt tot gelijkmatige verdeling van lasten over een aantal begrotingsjaren; Tot de voorzieningen worden ook gerekend van derden verkregen middelen die specifiek besteed moeten worden (met name doeluitkeringen van het Rijk); Voorzieningen worden niet gevormd voor jaarlijks terugkerende arbeidskosten gerelateerde verplichtingen van vergelijkbaar volume. BBV-artikel 45: Rentetoevoegingen aan voorzieningen zijn niet toegestaan. Uit BBV-artikel 44 vloeit voort dat middelen van derden met een verplichte besteding beschouwd worden als een exploitatiebate in het jaar waarin de middelen ontvangen worden. Het vormen van een voorziening, dan wel een dotatie aan een al bestaande voorziening, wordt als een last in het desbetreffende jaar opgenomen. De aanwending van een (gedeelte van een) voorziening wordt vervolgens rechtstreeks ten laste van de voorziening geboekt. De aanwending is dus geen last en loopt niet via de exploitatie. Hiervoor worden twee redenen aangevoerd: Door de onttrekking van een voorziening als een bate te boeken – wat de huidige praktijk is – en de betaling als een last ontstaan dubbeltellingen. De Staten hebben bij het instellen van een voorziening de condities bepaald en de kaders gesteld voor de uitvoering (zie paragraaf 2.2). Het feitelijke betalingsverloop is een uitvoeringstaak van het college, ook indien de betalingen in een later jaar plaatshebben. Het buiten de exploitatie houden van de aanwending van voorzieningen (vooral die m.b.t. jeugdzorg en openbaar vervoer) betekent dat meer dan een kwart van de bestedingen zich buiten de normale begroting kan afspelen. Omdat het hier gaat om relatief grote bedragen en om zicht te houden op alle mutaties, zullen wij per programma een extra comptabel overzicht opstellen. Voorzieningen behoeven niet te worden ingesteld voor: posten als schulden en transitoria; deze vallen niet onder de definitie van voorzieningen omdat daarover geen onzekerheid bestaat; aan arbeidskosten gerelateerde jaarlijkse verplichtingen van een vergelijkbaar volume, zoals IZR-premies en vakantiegeld; veelal zijn dergelijke verplichtingen reeds opgenomen in de begroting en meerjarenraming; risico’s waarvan de omvang niet is in te schatten; deze vallen eveneens buiten de categorie van voorzieningen en dienen te worden opgenomen in de paragraaf weerstandsvermogen (hoofdstuk 5). Reserves BBV-artikel 43: In balans worden de reserves onderscheiden naar: de algemene reserve; bestemmingsreserves die dienen om ongewenste schommelingen op te vangen in de tarieven die aan derden in rekening worden gebracht, maar die niet specifiek besteed hoeven te worden; overige bestemmingsreserves. Een bestemmingsreserve is een reserve waaraan Provinciale Staten een bepaalde bestemming hebben gegeven. Volgens de nieuwe bepalingen is het rechtstreeks via de exploitatie aan reserves toevoegen of onttrekken van middelen niet meer toegestaan. Ook rente toerekenen kan alleen nog indirect door een rente via de resultaatbestemming aan de reserves toe te voegen. Voorheen werden ook de nog niet bestede middelen van derden met een specifieke aanwending (doeluitkeringen) tot de reserves gerekend. Omdat aan verkregen middelen van derden een verplichting is opgelegd en deze middelen niet vrij aanwendbaar zijn, worden deze onder het nieuwe BBV als voorziening aangemerkt. 4.2 Aard en functies Wat betreft de reserves en voorzieningen zijn enkele algemene kanttekeningen te plaatsen bij de aard en functies van deze vermogensbestanddelen. Egalisatiefunctie en bestedingsfunctie (reserves en voorzieningen) Een veelvoorkomende functie van voorzieningen is de egalisatiefunctie die dient voor: het opvangen van ongewenste schommelingen in tarieven die aan derden in rekening worden gebracht (leges en heffingen) voor een specifiek doel en die specifiek besteed moeten worden; de egalisatie c.q. overheveling van budgetten waar het gaat om van derden verkregen middelen (m.n. doeluitkeringen); de opvang van lasten van planmatig onderhoud. Ook aan reserves kan een egalisatiefunctie worden toebedeeld, zij het via de weg van resultaatbestemming. Voorbeelden hiervan zijn: overhevelingen en het doorschuiven van budgetruimte via (de incidentele ruimte van) de algemene reserve; de meeste bestemmingsreserves. Egalisatievoorzieningen en –reserves hebben veelal tevens een bestedingsfunctie: ze zijn geoormerkt voor een specifiek doel waarvoor in de toekomst uitgaven nodig zijn. Risicofunctie (voorzieningen) Risicovoorzieningen worden ingesteld met het oog op lasten die voortvloeien uit risico’s welke in hoofdzaak samenhangen met de bedrijfsvoering (bijvoorbeeld als het gaat om wettelijke aansprakelijkheid) of met speciaal benoemde projecten. Het betreffen de per balansdatum bestaande risico’s m.b.t. bepaalde te verwachten verplichtingen of verliezen waarvan de omvang redelijkerwijs is in te schatten. Spaarfunctie (investeringsreserves) Er kunnen politiek-bestuurlijke redenen zijn om in tijden van relatieve overvloed te sparen voor toekomstige magere jaren (anticyclische planning). In dat geval is sprake van een duidelijke spaarfunctie, meestal met het oog op toekomstige grote (investerings)projecten. Een exponent hiervan is het Ontwikkelingsfonds Brabant 2050 (de term fonds is hier synoniem met reserve) waarvan de aanwendingsrichting in hoofdlijnen is bepaald. Ook meer specifieke spaarvormen doen zich voor, zoals voor de bijdrage aan stedelijke tangenten en de vernieuwing van het openbaar vervoer. Deze spaarreserves met een expliciete bestemming geven wij de naam mee van "investeringsreserve" die in aanmerking komen voor rentebijschrijving (zie paragraaf 4.3.2). Bufferfunctie, weerstandscapaciteit (algemene reserve) Het eigen vermogen is medebepalend voor de weerstandscapaciteit (zie hoofdstuk 5) die nodig is om financi?le tegenvallers op te kunnen vangen en een ongestoorde voortzetting van essenti?le beleidstaken mogelijk te maken. Een elementair bestanddeel van de weerstandscapaciteit vormt de structurele ruimte van de algemene reserve, die daarmee een bufferfunctie vervult. Inkomensfunctie (algemene reserve en/of specifieke bestemmingsreserve) Een bijzondere situatie kan zich voordoen bij de verkoop van aandelen of onroerend goed. Het ligt in de rede om het dan beschikbaar komende vermogen, na eerst te hebben voorzien in de wegvallende dividendinkomsten, opnieuw te bestemmen in de kapitaalsfeer en niet te gebruiken om lopende (exploitatie-)uitgaven te dekken (zie uitgangspunt vermogensbehoud paragraaf 2.2). De blijvend hogere renteopbrengst van dat vermogen biedt de mogelijkheid tot extra uitgaven en/of belastingverlaging. Er kan zodoende gesproken worden van een expliciete (kapitaal-)inkomensfunctie (los van de bespaarde rente-inkomsten uit overige reserves en voorzieningen). Indien de bespaarde rente structureel wordt ingezet als dekkingsmiddel betekent dit dat niet vrij over die reserve beschikt kan worden; het is evenals de algemene reserve dan een gebonden reserve. Financieringsfunctie (geldt voor alle reserves en voorzieningen) Investeringen kunnen worden gefinancierd met leningen en/of aanwezige eigen financieringsmiddelen. Over leningen wordt rente betaald aan de bank en over de eigen middelen wordt een rekenrente toegepast (zie paragraaf 6.2). De totale rentekosten worden omgeslagen over alle investeringen. Omdat de toegerekende rente over de eigen financieringsmiddelen feitelijk niet wordt uitgegeven, heeft een correctie plaats door in de begroting een gelijk bedrag aan bespaarde rente op te nemen (zie paragraaf 2.2). Uit oogpunt van financiering wordt zodoende aan het eigen vermogen en vreemd vermogen een zelfde functie toegemeten, het zijn beide financieringsmiddelen. 4.3 Herijking reserves en voorzieningen Algemene uitgangspunten Reserves en voorzieningen kunnen een belangrijke bijdrage leveren aan de realisering van beleid. Voorwaarde daarbij is dat het inzicht en overzicht behouden blijft. In dit verband kunnen de volgende algemene uitgangspunten worden genoemd: De Staten besluiten tot het instellen en opheffen van reserves en voorzieningen. Daarbij worden ten minste vastgelegd: doel, functie, minimum en maximum hoogte, duur, wijze van voeding en onttrekking en rentebijschrijving. De provinciale reserve- en voorzieningenpositie dient inzichtelijk en hanteerbaar te zijn. Dit betekent minimaal een jaarlijkse doorlichting en voorts een beperking van het aantal reserves en voorzieningen. De aanwendbaarheid dient zo groot mogelijk te zijn zonder dat dit budgettaire consequenties heeft. De inzet van rente als dekkingsmiddel dient te worden beperkt. Rentebijschrijving over voorzieningen heeft niet plaats, tenzij dat verplicht is gesteld. Overeenkomstig de voorschriften geldt als uitgangspunt dat een voorziening toereikend moet zijn voor de verwachte verplichtingen en risico’s. Voor- en nadelen bestemmingsreserves Aan de instelling van bestemmingsreserves zijn voor- en nadelen verbonden Als voordelen zijn te noemen: zekerstelling van middelen voor bepaald beleid en beheer voor een periode langer dan ??n dienstjaar; een meer gelijkmatige belasting van de gewone dienst bij de uitvoering van beleid; een grotere slagvaardigheid om in te kunnen spelen op zich plotseling aandienende situaties of verzoeken om bijdragen vanuit de samenleving. Als nadelen kunnen gelden: middelen worden voor een langere periode vastgelegd en zijn daardoor niet inzetbaar voor ander beleid of actuele knelpunten; het doet afbreuk aan het principe van de integrale afweging, immers een integraal beleid is niet gebaat bij een grote versnippering van gereserveerde middelen; door het loslaten van de directe koppeling tussen baten en lasten ontbreekt het inzicht op de feitelijk te besteden middelen en op budgetoverhevelingen. De kunst is om hiertussen een zo goed mogelijk evenwicht te vinden. Waar mogelijk zullen reserves moeten worden samengevoegd. Om een wildgroei van egalisatiereserves te voorkomen, willen wij m.b.t. de financi?le bedrijfsvoering intern afspraken maken (en schriftelijk vastleggen) over beperkte over- en onderschrijdingen van begrotingsposten (of door op basis van een meerjarig bestedingsplan wisselende jaarbudgetten op te nemen) indien re?el zicht bestaat dat over een termijn (bijvoorbeeld vier jaar) de baten- en/of lasten zich middelen (in plaats steeds nieuwe egalisatiereserves te vormen). De gewone dienst en de praktijk van de positieve rekeningsaldi laten deze flexibiliteit toe. Verder dienen reserves te worden opgeheven op het moment dat de bestemming (grotendeels) is gerealiseerd. Periodieke doorlichting Een bijzonder aandachtspunt bij de doorlichting is de volledigheid en actualiteit van de verplichtingen en bestemmingen. Verplichtingen (in de vorm van nog niet afgeronde en afgerekende opdracht of subsidieprestatie) die op de balans worden opgenomen worden per kwartaal gecontroleerd en in principe na drie jaar geschrapt (de verplichting kan overigens ten laste van de beleidssector blijven bestaan). De verplichtingen die onderdeel vormen van een voorziening of reserve worden automatisch doorgeschoven naar het volgende boekjaar. De jaarovergang heeft in dit geval plaats via de voorziening of reserve en niet via een balanspost. Rentebijschrijving De noodzaak of wenselijkheid van het toevoegen van bespaarde rente (de beleggingsopbrengst) aan reserves moet van geval tot geval beoordeeld worden. Rentetoevoeging aan bestemmingreserves kan nodig zijn ter voorkoming van rentelasten bij aanwending; dus voornamelijk bij investeringsreserves, niet bij egalisatie- of andere reserves. Een investeringsreserve is te beschouwen als een spaarpot voor toekomstige grote uitgaven, met het doel om kapitaallasten in de toekomst te vermijden. Die spaarpot wordt zolang gebruikt voor interne financiering (van andere investeringsuitgaven). Daarover worden rentelasten berekend (zie tabel I, component R3), te beschouwen als de prijs voor het inzetten van financieringsmiddelen. Daar tegenover wordt een bedrag aan bespaarde rente opgenomen (R4), te beschouwen als de beloning voor het feit dat de provincie over eigen middelen beschikt en dus niet hoeft te lenen. Door op de reserves zelf rente bij te schrijven, blijft de gewone dienst gevrijwaard van een terugval in de bespaarde rente op het moment dat deze (relatief grote) reserves worden aangewend voor investeringsuitgaven. De begroting van de gewone dienst vertoont dan v??r en na het moment van investeren een gelijkmatiger beeld. E.e.a. vraagt wel om een periodieke toetsing van de omvang van de reserve aan het bedrag van de bestemming. Door jaarlijks rente bij te schrijven, kan de reserve immers groeien tot een bedrag dat gelet op het doelvermogen van de reserve te hoog is. In dat geval dient er eenmalig aan de reserve onttrokken te worden tot een zodanig bedrag dat het met de jaarlijkse rentebijschrijving adequaat is op het moment van investeren. Op dit moment zijn er twee investeringsreserves waarop wij rentebijschrijving van toepassing verklaren, te weten de Reserve stedelijke tangenten en de Reserve vernieuwing openbaar vervoer. Rentebijschrijving op voorzieningen is niet toegestaan omdat voorzieningen naar de beste schatting dekkend dienen te zijn voor de achterliggende verplichtingen. Wel is het mogelijk een voorziening jaarlijks met een rekenrente te verhogen om de voorziening op het juiste niveau te houden (indexatie). Ook in het geval het Rijk rentebijschrijving eist, wordt dit beschouwd als een storting om de voorziening op peil te houden. Herindeling bestemmingsreserves en voorzieningen De nieuwe BBV-voorschriften en de hiervoor genoemde uitgangspunten hebben geleid tot een herindeling van onze bestemmingsreserves en voorzieningen. E.e.a. wordt samengevat in tabel VI. Een compleet overzicht van onze reserves en voorzieningen is opgenomen als bijlage. Tabel VI Totaal reserves en voorzieningen Stand per 31-12-2002 Oude situatie Opheffing en/of samenvoeging Nieuwe situatie na herindeling Aantal Volume Aantal Volume Aantal Volume Algemene reserve 1 69,9 mln - - 1 69,9 mln Bestemmingsreserves 61 278,3 mln -7 nihil 28 150,9 mln Voorzieningen 6 8,9 mln -2 -0,1 mln 30 136,2 mln Totaal 68 357,2 mln -9 -0,1 mln 59 357,1 mln Beknopte toelichting op de stand van reserves en voorzieningen in tabel VI Beknopte toelichting op de stand van reserves en voorzieningen in tabel VI Omdat een groot deel van onze bestemmingsreserves bestond uit gelden van derden en dus niet vrij aanwendbaar was, behoort dit deel volgens de nieuwe voorschriften tot de categorie voorzieningen. Dit leidt tot een omzetting van € 127,4 mln eigen vermogen in vreemd vermogen (zie ook tabel II A-B). De algemene reserve per 31-12-2002 omvat: a. vrije gedeelte (met een genormeerd minimum niveau) 16,8 mln b. volume aan overhevelingen (van 2002 naar 2003 e.v.) 20,0 mln c. doorgeschoven begrotingsruimte inclusief rekeningresultaat 29,6 mln d. reserve Obragas 3,5 mln Totaal algemene reserve 69,9 mln Onderdeel b is bestemd voor 2003, onderdeel c is gereserveerd en inmiddels aangewend voor de uitwerking van het Bestuursakkoord 2003-2007 en onderdeel d betreft een verplichting m.b.t. het zogenoemde terugklapscenario. Er resteert feitelijk dus een vrij gedeelte van € 16,8 mln (stand 31-12-2002, als sluitpost tussen het totaal aan passiva en het totaal aan acticva). Het volume van € 150,9 mln aan bestemmingsreserves is grofweg opgebouwd uit: a. het Ontwikkelingsfonds Brabant 2050 (spaarreserve) 39,4 mln b. de dividendreserve Essent (egalisatie dividenduitkeringen) 40,7 mln c. reserve stedelijke tangenten (investeringsreserve) 28,9 mln d. reserve vernieuwing openbaar vervoer (investeringsreserve) 15,2 mln e. 24 overige bestemmingsreserves (voornamelijk egalisatiereserves) 26,7 mln Totaal bestemmingsreserves 150,9 mln Ad d. In de Voorjaarsnota 2003 is de dividendreserve afgeroomd tot € 23,0 mln, zijnde de minimum norm die overeenstemt met eenmaal het begrote dividend op jaarbasis. 4.4 Algemene reserve(
- s)Tot de algemene reserve(
- s)worden ingevolge de BBV-voorschriften gerekend alle reserves, niet zijnde een bestemmingsreserve. Of anders gezegd: alle reserves (te zamen) die in principe vrij aanwendbaar zijn en waaraan geen concrete bestemming is gegeven. De omvang van de algemene reserve is onderdeel van de zogenoemde weerstandscapaciteit (paragraaf 5.3) en mede bepalend voor de mate waarin de provincie in staat is om onvoorziene tegenvallers op te vangen en geeft de organisatie de tijd om noodzakelijke aanpassingen te treffen. Volgens deze maatstaven kunnen tot algemene reserve(
- s)gerekend worden: het zogenoemde vrije gedeelte van onze Algemene reserve (de sluitpost van onze balans) plus de doorgeschoven bestedingsruimte voor zover die nog niet bestemd is; het vrije (niet concreet bestemde) deel van het Ontwikkelingsfonds Brabant 2050. eventuele vrije ruimte in bestemmingsreserves. Primair dient (dienen) de algemene reserve(s): tot het afdekken van niet reeds elders afgedekte (beleids)risico’s en van niet-voorzienbare risico’s, zoals een rekeningtekort (verder uiteengezet in paragraaf 5.3 en 5.4); tot het vormen van een algemene spaarpot; als algemeen financieringsmiddel. De Algemene reserve gebruiken wij verder voor het tijdelijk parkeren van geoormerkte bedragen en van nog niet bestede overschotten van het afgelopen jaar (zie overzicht vorige paragraaf), bestaande uit: het volume aan overhevelingen: de middelen voor bepaalde taakuitoefeningen (bestemd) die worden doorgeschoven naar latere jaren; over de jaren heen is dit budgettair neutraal; de doorgeschoven begrotingsruimte inclusief rekeningresultaat die dient voor de dekking van uitgaven in latere jaren (deels bestemd, deels vrij aanwendbaar). specifieke reserveringen, zoals op dit moment de restant Obragas-gelden. Het niet bestemde deel van het Ontwikkelingsfonds Brabant 2050 wordt thans tijdelijk gebruikt voor de afdekking van garanties. Op het moment dat deze garanties aflopen, zullen de desbetreffende middelen weer vrij besteedbaar zijn (zie paragraaf 5.3). 5. Weerstandsvermogen 5.1 Buffer voor tegenvallers en risico’s Het weerstandsvermogen brengt tot uitdrukking de mate waarin de provincie relevante risico’s heeft afgedekt en zij in staat is middelen vrij te maken om substanti?le (incidentele) tegenvallers op te vangen, zonder dat dit dwingt tot beleidsombuigingen en/of bezuinigingen. De paragraaf weerstandsvermogen in de begroting brengt in beeld hoe robuust die begroting is. In het BBV is opgenomen dat de provincie dient aan te geven welke risico’s er spelen, welke middelen (capaciteit) daarvoor beschikbaar zijn en ook wat het beleid is t.a.v. de risico’s, de capaciteit en de relatie tussen beide. Onderstaand wordt het wettelijk kader aangegeven. BBV-artikel 11: Het weerstandsvermogen bestaat uit de relatie tussen: de weerstandscapaciteit, zijnde de middelen en mogelijkheden waarover de provincie beschikt of kan beschikken om niet begrote kosten te dekken; alle risico’s waarvoor geen maatregelen zijn getroffen en die van materi?le betekenis kunnen zijn in relatie tot de financi?le positie. De paragraaf betreffende het weerstandsvermogen bevat ten minste: een inventarisatie van de weerstandscapaciteit; een inventarisatie van de risico’s; het beleid omtrent de weerstandscapaciteit en de risico’s. 5.2 Risico’s Risico’s zijn er in vele soorten en maten en kunnen in de tijd ook sterk veranderen. In het bestek van deze nota is het goed te realiseren dat het bij het weerstandsvermogen gaat om al die risico’s die nog niet voldoende budgettair zijn afgedekt. Met andere woorden: als een risico zich daadwerkelijk voordoet en er dus geen afdoende dekkingsbron is aangewezen. Er bestaan immers ook risico’s die al wel volledig zijn afgedekt (d.m.v. een voorzieningen of reeds betaald) en waar het risico bestaat uit het niet terugontvangen van het geld. In zo’n geval is er geen sprake van een niet budgettair gedekt risico, maar van het uitblijven van een budgettaire meevaller en die zijn in het kader van het weerstandsvermogen niet relevant. Wij gaan in deze nota in op enkele van de bestaande en mogelijke risico’s van de provincie. Voor een actueel en compleet overzicht zij verwezen naar de risicoparagrafen bij de begroting en bij het jaarverslag (die overigens in hun risicobenadering beide soorten risico’s van de vorige alinea bevatten). Om te beginnen zijn niet alle risico’s relevant voor het weerstandsvermogen. Van belang zijn slechts die risico’s die niet op andere wijze worden ondervangen en waarvan een werkelijke kans op het optreden van dat risico wordt geschat. Risico’s die zich regelmatig voordoen en die goed meetbaar zijn, maken geen deel uit van de paragraaf weerstandsvermogen. Hiervoor kunnen immers verzekeringen worden afgesloten of kan een voorziening worden gevormd (paragraaf 4.1). Voorts vormt de (meerjaren-)begroting zelf in eerste instantie de meest belangrijke buffer voor allerlei risico’s die kunnen optreden. De "dagelijkse" risico’s, die samenhangen met de provinciale bedrijfsvoering en reguliere begrotingsuitvoering, worden immers primair be?nvloed door de wijze van handelen van de verschillende beleidssectoren zelf. Zij zijn het daarom die primair zelf risico’s zullen moeten opvangen. Voorbeelden die wel tot de paragraaf weerstandsvermogen horen, zijn de "expliciete beleidsrisico’s" in relatie tot externe projecten en organisaties, zoals publiek-private samenwerkingen, financi?le relaties met instellingen, open-einde regelingen etc. Financieringsrisico’s blijven hier buiten beschouwing. Deze risico’s zijn wel kwantificeerbaar en worden, in samenhang met de Wet Fido, in een aparte financieringsparagraaf ondergebracht (zie hoofdstuk 7). Van de (resterende) risico’s kan een lijst worden gemaakt. Een dergelijke lijst i.c. risicoparagraaf wordt tweemaal per jaar opgesteld en/of geactualiseerd, namelijk in januari/februari ten behoeve van het jaarverslag en in de zomer ten behoeve van de begrotingsstukken voor het nieuwe dienstjaar. Los daarvan is ons voornemen om op twee momenten per jaar ons te buigen over een risico-inventarisatie, de risicokansen en de gewenste dekking daarvan. Om de risicoparagraaf meer structuur te geven, kunnen de volgende parameters worden genoemd: omschrijving en toelichting van het risico; boven- en ondergrens risico; kans op het risico-optreden; termijn binnen welke duidelijkheid ontstaat over de risicogebeurtenis; verantwoordelijkheid en te ondernemen acties en maatregelen (risicobeheer); overige aspecten. Het risicobeleid is nog in ontwikkeling. Met betrekking tot een aantal financi?le risico’s inzake externe projecten en organisaties hebben wij als voorlopige standpunten ingenomen: Deelnemingen: deelname in een aandelenkapitaal dient steeds voor 100% te worden afgedekt (zie ook 3.3.3). Converteerbare en achtergestelde leningen en garantstellingen: in het kader van het huidige bestuursakkoord hebben wij besloten dat vooralsnog, voorzover er voor 2003-2007 verplichtingen worden aangegaan, deze voor 50 % moeten worden afgedekt. Leningen: afhankelijk van de aard van de lening en van de instelling waar het om gaat, zal 0 tot 50 % moeten worden afgedekt. Grondbeleid: de huidige lijn is nog 100 % afdekken van de aankopen, waarbij wij neigen naar een beperktere afdekking van het prijs- en marktrisico. Een nader standpunt is in ontwikkeling; tot dan geldt de huidige beleidslijn: 100 % afdekken. Voorfinanciering: deze dient in principe geheel gegarandeerd te zijn door de instelling waarvoor wordt voorgefinancierd (meestal het Rijk). Indien een dergelijke garantie niet te verkrijgen is dan dient in principe een garantie op de betreffende sector te rusten. In het vervolgtraject zullen deze uitgangspunten worden uitgewerkt en verfijnd. Daarbij zal tevens gekeken worden naar de termijnen waarbinnen de risicoafdekkingen moeten plaatshebben. In dit verband refereren wij verder aan artikel 50 uit het BBV dat bepaalt dat aan de passiefzijde van de balans buiten de balanstelling het bedrag wordt opgenomen waartoe waarborgen of garantstellingen zijn verstrekt aan natuurlijke en rechtspersonen (zie de begrotingsbijlagen 14, 15 en 16). 5.3 Weerstandscapaciteit Indeling weerstandscapaciteit De weerstandscapaciteit bestaat uit de middelen en mogelijkheden waarover de provincie beschikt om niet te begroten kosten die onverwachts en substantieel zijn op te vangen en daarmee te dekken. Een precies sluitende begroting zonder weerstand betekent dat iedere tegenvaller een probleem gaat opleveren. Een buffer is daarom wenselijk. Hoe groot die buffer c.q. de weerstandscapaciteit moet zijn, hangt af van diverse factoren en risico’s, zoals de omvang van de exploitatiebegroting, of de provincie veel of weinig investeringsprojecten uitvoert, een actief grondbeleid voert, al dan niet deelneemt aan PPS-constructies, aan deelname in (nieuwe) (ontwikkelings)maatschappijen etc. Het is aan de provincie zelf om te bepalen wat een passende omvang van de weerstandscapaciteit is. Die weerstandscapaciteit – die overigens elementen bevat van zowel de gewone dienst als de kapitaaldienst – is te verdelen in een incidentele en een structurele component. Incidentele weerstandscapaciteit: de algemene reserve(s); een reserve weerstandscapaciteit; de vrij aanwendbare bestemmingsreserves; de stille reserves, bestaande uit privaatrechtelijke eigendommen die in het economisch verkeer een hogere waarde hebben dan de boekwaarde. De incidentele weerstandscapaciteit is bedoeld om rekeningtekorten, calamiteiten en incidentele tegenvallers op te vangen, zonder dat dit invloed heeft op de voortzetting van taken op het geldende niveau. Structurele weerstandscapaciteit: de post onvoorzien in de begroting; de structurele begrotingsruimte; de onbenutte belastingcapaciteit. Met de structurele weerstandscapaciteit worden de middelen bedoeld die permanent ingezet kunnen worden om tegenvallers in de exploitatie op te vangen, zonder dat dit ten koste gaat van de uitvoering van bestaande taken. De post onvoorzien is weliswaar bestemd voor eenmalige extra uitgaven, maar structureel geraamd. Deze structurele begrotingsruimte (voor zover aanwezig) en de onbenutte belastingcapaciteit omvatten de middelen die ingezet kunnen worden om structurele en/of zeer grote tegenvallers op te vangen. Naast de posten van de weerstandscapaciteit kunnen er nog andere specifieke reserves of voorzieningen bestaan om specifiek benoemde risico’s af te dekken. Voorbeelden daarvan zijn de reserveringen voor monumentenrestauraties en de herstructurering van bedrijventerreinen. Componenten van de weerstandscapaciteit Algemene reserve en reserve weerstandscapaciteit De Algemene reserve zien wij in de eerste plaats gezien als buffer voor de opvang van de "dagelijkse risico’s" m.b.t. de bedrijfsvoering en reguliere begrotingsuitvoering. De normering van de Algemene reserve komt aan bod in paragaaf 5.4. Binnen het Ontwikkelingsfonds Brabant 2050 is een deel van de middelen tijdelijk gereserveerd voor de rentegarantie m.b.t. de ruimte voor ruimte regeling en de garantie m.b.t. de ontwikkelingsmaatschappij OMIV. Naarmate deze risico’s – die door een PS-besluit zijn afgedekt ten laste van de algemene middelen – aflopen omdat blijkt dat ze niet daadwerkelijk behoeven te worden afgedekt, zullen de middelen binnen het fonds vrijkomen, zodat het Ontwikkelingsfonds zijn functie behoud van algemene spaarpot voor toekomstige investeringen. Wij benadrukken dat het hier gaat om afdekkingen van in het verleden door PS geaccepteerde risico’s, voorzover er geen andere dekkingsbronnen waren aangewezen. Nieuwe risico’s zullen voor hun dekking in principe door de betreffende sector zelf moeten worden afgedekt. Voor zover toch wordt gekozen voor een dekking ten laste van de algemene middelen, valt te overwegen hiervoor een centrale reserve, bijvoorbeeld een "reserve weerstandscapaciteit", in het leven te roepen. Gezien zijn status maakt deze dan deel uit van de algemene reserve(s), waarbij ons het volgende beeld voor ogen staat: Risicocategorie 1e afdekking 2e afdekking 3e afdekking dagelijkse risico’s m.b.t. de provinciale bedrijfsvoering en reguliere begrotingsuitvoering Begroting Meerjarenraming Algemene reserve expliciete beleidsrisico’s in relatie tot externe projecten en organisaties Sectorale begrotingsposten Specifieke reserveringen Reserve weerstandscapaciteit Aan de reserve weerstandscapaciteit zou een zodanige kritische massa moeten worden meegegeven dat sprake kan zijn van een optimale afdekking van uiteenlopende beleidsrisico’s. De voorgestane tweedeling zou ook tot uitdrukking moeten komen in de risicoparagraaf c.q. de risicolijst als onderdeel van de weerstandsparagraaf. Voor de kaderstellende en controlerende functies van de Staten zijn immers vooral de beleidsrisico’s relevant en in mindere mate de dagelijkse risico’s. De ontwikkeling van de risicopositie in verhouding tot de weerstandscapaciteit dient voorts een vast onderdeel uit te maken van de integrale afweging door de Staten. Vrij aanwendbare bestemmingsreserves Zolang de besteding nog niet heeft plaatsgehad, kunnen de Staten nog besluiten de gereserveerde middelen anders in te zetten dan voor de bestemming die eerder voor ogen stond. Gezien echter de vastgelegde bestemmingen blijft de vrije ruimte in de praktijk beperkt tot de vrijval bij de periodieke doorlichting van de bestemmingsreserves. Stille reserves In het geval aandelen snel te verkopen zijn, of waarvoor expliciet al een besluit tot verkoop is genomen, wordt in de paragraaf weerstandsvermogen inzicht gegeven in de verwachte verkoopopbrengst van de deelnemingen (zie paragraaf 3.3). Onvoorzien De raming van de post onvoorzien is in de begroting bedoeld om onverwachte tegenvallers in het begrotingsjaar op te vangen en is door ons mede bestemd voor het dekken van de kosten uit het vorige jaar van overgehevelde beleidstaken en heeft daarmee dus verschillende doelen. De post onvoorzien is in 2003 op een structureel niveau gebracht van afgerond € 1,3 mln. Structurele begrotingsruimte De toekomstige begrotingsruimte is in sterke mate een afgeleide van de politiek-bestuurlijke afspraken en beleidsambities. Onbenutte belastingcapaciteit De onbenutte belastingcapaciteit betreft het verschil tussen het werkelijk geheven aantal opcenten en het wettelijk toegestane maximaal te heffen aantal opcenten op de hoofdsom van de motorrijtuigenbelasting, vermenigvuldigd met de opbrengst per (extra) opcent. Het aantal Brabantse opcenten zal vanaf april 2004 in beginsel 68,1 opcenten bedragen. Het door de wet gestelde maximum bedraagt 94,7 opcenten. Het verschil van 26,6 opcenten correspondeert met een theoretische en structurele meeropbrengst in de orde van zo’n € 63 mln op jaarbasis. Er is hier overigens sprake van een politieke vrije zoom en van een theoretische vrije zoom: de "politieke" vrije zoom is nul. Immers Provinciale Staten hebben meermalen gesteld niet over te willen gaan tot een verdere verhoging van de opcenten motorrijtuigenbelasting dan het volgen van de inflatie. Dat betekent dat bij toekomstige nieuwe risicovolle projecten de vrije zoom niet als dekkingsmiddel kan dienen. De "theoretische" vrije zoom houdt in dat deze extra structurele inkomstenstroom wel degelijk kan worden ingezet voor dekkingstekorten. Indien de financi?le risico’s in te omvangrijke mate tegelijk optreden kunnen PS wel degelijk voor de keus worden gesteld deze theoretische vrije zoom te gebruiken om e.e.a. af te dekken. Opgemerkt kan nog worden dat de onbenutte belastingcapaciteit de laatste jaren sterk is gegroeid. Voor een deel is dit het gevolg van de toename van het wagenpark. Voor een ander deel is dit het gevolg van het feit dat de verhoging van ons provinciale opcententarief (inflatievolgend) lager is geweest dan de trendmatige verhoging (evenredig met de groei van het nationaal inkomen) van het maximum opcententarief. Weerstandcapaciteit 2004 De weerstandcapaciteit voor 1-1-2004 laat zich als volgt in cijfers weergeven: Tabel VII Weerstandscapaciteit 2004 1. Incidentele capaciteit (onderdelen in de vermogenssfeer) a. vrije deel algemene reserve (als sluitpost van de ba