Gedeputeerde Staten kunnen overeenkomstig de doelstellingen van deze subsidieregeling, een gebiedsgericht of thematisch uitvoeringsprogramma, als bedoeld in artikel 7 en zoals omschreven in de “Richtlijnen voor het vormen van een samenwerkingsverband en het opstellen van een uitvoeringsprogramma”, laten opstellen. In dit programma wordt de ambitie verwoord ten behoeve van de uitvoering. Artikel 17 Ten aanzien van de looptijd van uitvoeringsprogramma’s geldt dat: een programma geldig is gedurende een periode van 10 aaneengesloten jaren, tenzij Gedeputeerde Staten anders beslist; indien een samenwerkingsverband de continuïteit van de uitvoering wil waarborgen, deze verplicht is om, voortvloeiend uit de toepassing van artikel 20, minimaal 1 jaar voor de datum van het verstrijken van de looptijd van het huidige uitvoeringsprogramma, een nieuw programma gereed te hebben en ter beoordeling aan Gedeputeerde Staten voor te leggen. Artikel 18 De in artikel 4 sub a genoemde maatregelen zijn ieder weer opgebouwd uit verschillende thema’s met bijbehorende pakketten zoals omschreven in de bijlagen B t/m E. Artikel 19 Het Stimuleringskader kent een modulaire opbouw, wat betekent dat in het kader van een (nieuw) uitvoeringsprogramma ook nieuwe of gewijzigde thema’s en/of pakketten ter goedkeuring aan Gedeputeerde Staten kunnen worden voorgelegd. Na vaststelling door Gedeputeerde Staten worden deze gepubliceerd in het Provinciaal Blad. Voor nieuwe of gewijzigde pakketten geldt dat deze niet van toepassing zijn op lopende beschikkingen, voor de duur van het tijdvak. Artikel 20 Van herziening van een door Gedeputeerde Staten vastgesteld uitvoeringsprogramma, voorafgaand aan het verstrijken van de geldigheidsduur, kan sprake zijn in de volgende voorkomende gevallen: nieuwe maatregelen of thema’s worden ontwikkeld en toegevoegd aan onderhavige subsidieregeling, waarop het vastgestelde uitvoeringsprogramma wordt aangepast ten einde de nieuwe maatregel of het thema als dienst open te kunnen stellen; het herziene uitvoeringsprogramma omvat een groter geografisch afgebakend gebied dan het eerder door Gedeputeerde Staten vastgestelde uitvoeringsprogramma; de looptijd van het uitvoeringsprogramma wordt aangepast; na het afvoeren of herformuleren van pakketten zoals omschreven in de bijlagen B, C, D en E; bij gezamenlijk besluit van alle partners die het bij het uitvoeringsprogramma behorende gebieds- of themacontract hebben ondertekend. 3.2 Bijdrage in planvorming 3.2.
Gedeputeerde Staten kunnen overeenkomstig artikel 3, lid a, subsidie verstrekken aan een samenwerkingsverband ten behoeve van het opstellen van een uitvoeringsprogramma. Een van de partners doet namens het samenwerkingsverband hiertoe schriftelijk een verzoek aan Gedeputeerde Staten. Artikel 22 Gedeputeerde Staten kunnen besluiten geen subsidie toe te kennen aan een samenwerkingsverband: indien er onvoldoende financiële middelen beschikbaar zijn; indien niet, of in onvoldoende mate wordt voldaan aan de richtlijnen zoals omschreven in ”Richtlijnen voor het vormen van een samenwerkingsverband en het opstellen van een uitvoeringsprogramma”. 3.2.2 Subsidieverlening en -vaststelling Artikel 23 Voor aanvragen die betrekking hebben op het gestelde in artikel 21 geldt: dat door Gedeputeerde Staten een éénmalige bijdrage van 50% van de werkelijke kosten voor planvorming wordt verstrekt, tot een maximum van € 25.000,00 per uitvoeringsprogramma; dat overeenkomstig de looptijd van het programma, voor het desbetreffende gebied of thema, iedere 10 jaar hernieuwd subsidie kan worden aangevraagd voor herziening en evaluatie van het betreffende programma. Artikel 24 Indien voor een gebied of thema subsidie wordt verleend ten behoeve van de planvorming, dan vermeldt de beschikking in ieder geval: de ligging en begrenzing van het gebied, dan wel een omschrijving van het thema, waarop het programma betrekking heeft; het doel van de subsidie, zijnde het opstellen van een gebiedsgericht of thematisch uitvoeringsprogramma voor de maatregelen zoals genoemd in artikel 4 sub a, op grond waarvan subsidieaanvragen, overeenkomstig hoofdstuk 5 van deze subsidieregeling kunnen worden getoetst; de datum waarop het uitvoeringsprogramma uiterlijk gereed dient te zijn, zijnde twee jaar na afgifte van de beschikking; de vastgestelde subsidiebijdrage en de termijnen waarin deze beschikbaar komt. 3.2.3 Voorwaarden en verplichtingen Artikel 25 Indien ten behoeve van de planvorming subsidie wordt verleend, is de subsidieontvanger, voortvloeiend uit de toepassing van artikel 21, verplicht om het in de beschikking tot subsidieverlening vermelde doel, bedoeld in artikel 24, sub b, te realiseren; Artikel 26 Het in het kader van deze subsidieregeling, door een samenwerkingsverband opgestelde uitvoeringsprogramma als bedoeld in artikel 16, wordt binnen de in de beschikking gestelde termijn, ter goedkeuring aangeboden aan? Gedeputeerde Staten. Artikel 27 Tegelijk met het ter goedkeuring voorleggen van het uitvoeringsprogramma dient de subsidieontvanger een verzoek tot subsidievaststelling in. Artikel 28 De subsidiebijdrage als bedoeld in artikel 24, sub d, wordt niet of slechts gedeeltelijk verstrekt indien Gedeputeerde Staten het ingediende uitvoeringsprogramma niet of gedeeltelijk goedkeuren. 3.2.4 Betaling Artikel 29 Dat deel van de subsidie, wat niet als voorschot is verstrekt, wordt uitbetaald aan de aanvrager binnen 8 weken nadat Gedeputeerde Staten het betreffende uitvoeringsprogramma heeft goedgekeurd.
Ten behoeve van de uitvoering, als bedoeld in artikel 4 sub a, kan een vergoeding worden verstrekt voor de aanleg van een pakket, indien: de aanvraag in overeenstemming is met begrenzing en toepassing van het betrokken vastgestelde uitvoeringsprogramma en gebieds- of themacontract; het betreffende terrein of element is gelegen op landbouwgrond, en de aanvrager tevens dienstverlener is voor het betreffende terrein of element, én voor zover artikel 8 niet van toepassing is, én voor het aan te leggen terrein of element tevens een aanvraag voor onderhoud is ingediend, én voor zover aanleg noodzakelijk is om de fysieke condities of kenmerken van terrein of element rechtstreeks en direct te wijzigen, zonder welke wijziging ontwikkeling en instandhouding van een pakket niet mogelijk is. Artikel 44 Voor aanvragen die betrekking hebben op het gestelde in artikel 43 geldt dat alleen een vergoeding wordt verstrekt indien gepresenteerde aanleg en maatvoering voldoen aan de voorschriften zoals opgenomen in de bijlagen B t/m E, en de aanvrager ook de overige voorschriften van het desbetreffende pakket in acht neemt. Artikel 45 Een vergoeding wordt verstrekt voor de periode bedoeld in artikel 49, sub e, zijnde, in het geval de aanleg betrekking heeft op maatregelen bedoeld in artikel 4 sub a ten II, III en IV, 1 jaar na onherroepelijk worden van het besluit; indien de aanleg betrekking heeft op de maatregelen bedoeld in artikel 4 sub a ten I maximaal 3 jaar na onherroepelijk worden van het besluit; Van de in sub a en b van dit artikel bepaalde periodes kan Gedeputeerde Staten besluiten af te wijken en besluiten een andere periode vast te stellen bij aangetoonde overmacht door de aanvrager. Artikel 46 1 Indien sprake is van overmacht als bedoeld in artikel 45, sub c, en indien sprake is van de ondertekening van een kwalitatieve verplichting als bedoeld in artikel 71, sub a, wordt de ondertekening van de kwalitatieve verplichting met een overeenkomstige periode uitgesteld. 2 Verlenging van de aanlegtermijn dient voor afloop van de geplande datum te worden aangevraagd bij Rijksdienst voor Ondernemend Nederland en zal, bij gegronde redenen, eenmalig voor ten hoogste 1 jaar kunnen worden verlengd. Artikel 47 Een vergoeding voor aanleg wordt verstrekt aan de individuele dienstverlener, die in geval van maatregelen met een collectief karakter als bedoeld in artikel 4 sub a ten I en III, er zorg voor dient te dragen dat de aanlegwerkzaamheden waarop zijn aanvraag betrekking heeft, deel uitmaken van een (bestaande) integrale visie op aanleg en onderhoud van het totale gebied of terrein. Artikel 48 1 Een vergoeding voor de aanleg van fijne dooradering wordt verstrekt aan de dienstverlener op basis van normbedragen voor inrichtingskosten, zoals opgenomen in bijlage F. 2 Voor aanvragen met betrekking tot hoofdaders worden de inrichtingskosten verstrekt op basis van een gespecificeerde begroting en verantwoording van de kosten bij subsidievaststelling. Artikel 49 De aanlegwerkzaamheden als bedoeld in artikel 48 dienen te zijn uitgewerkt in een plan, waarin in ieder geval zijn opgenomen: de uit te voeren werkzaamheden; de oppervlakte waarop, het aantal, of de lengte en breedte waarover die werkzaamheden zullen worden uitgevoerd (ha/m¹/m²/stuks); de motivering voor het treffen van die werkzaamheden; de met de werkzaamheden beoogde situatie van terrein of element; de periode waarin de aanleg zal plaatsvinden en een daarbij behorende planning; een begroting op basis van normbedragen voor inrichtingskosten of werkelijke kosten zoals bepaald in artikel 48 én, indien de aanvraag betrekking heeft op de maatregel als bedoeld in artikel 4 sub a ten I, een betalingsritme van voorschotten; een onderhoudsplan, indien de aanvraag betrekking heeft op de maatregel als bedoeld in artikel 4 sub a ten?I, op basis van de pakketten genoemd in deze subsidieregeling of op basis van de voorwaarden, zoals opgenomen, in de landelijke Catalogus Groen Blauwe Diensten. een topografische kaart, van ten hoogste 1:10.000, met daarop aangegeven de gebieden, terreinen en elementen waar de onderscheiden werkzaamheden zullen worden getroffen. Artikel 50 Tot de subsidiabele kosten behoren de kosten, inclusief BTW, voor zover verrekening niet mogelijk is, verband houdende met: kosten voor het door derden laten opstellen van een, al dan niet collectief, inrichtingsplan voorzover de kosten niet meer bedragen van 20% van de totale subsidiabele kosten voor aanleg; maatregelen voor zover strikt noodzakelijk voor aanleg van hoofdaders en pakketten zoals genoemd in bijlage C tot en met E; plaatsing kleinschalige voorzieningen ten behoeve van pakketten zoals bedoeld in bijlage E; onderzoek ten behoeve van aanleg; legeskosten ten behoeve van aanleg. Artikel 51 Naast de in artikel 3 van de Subsidieverordening genoemde gevallen komen kosten die verband houden met de volgende activiteiten in ieder geval niet voor subsidie in aanmerking: de bouw van opstallen; de aanschaf van machines; de aanschaf van materialen, anders dan ten behoeve van activiteiten als bedoeld in artikel 50; de verwijdering van bodemverontreiniging of afval. Artikel 52 Bij een aanvraag overeenkomstig de artikelen 43 en 44 wordt voor aanvragen met een oppervlakte tot één hectare de subsidie toegekend overeenkomstig de bijdragen zolas omschreven in bijalge F. Voor aanvragen van fijne dooradering met een oppervlakte groter dan één hectare en voor aanvragen met betrekking tot hoofdaders worden de inrichtingskosten verstrekt op basis van een gespecificeerde begroting of offerte. 5.2.2 Subsidieverlening en -vaststelling Artikel 53 Indien voor een terrein of element subsidie wordt verleend ten behoeve van de aanleg van een pakket, dan vermeldt de beschikking in ieder geval: in hoeverre het aanleg- en onderhoudsplan in uitvoering kan worden genomen; het bedrag waarop de subsidie ten hoogste kan worden vastgesteld, en de datum waarop de periode, bedoeld in artikel 49, sub e, aanvangt; het totaal aantal ha, m¹, m² of stuks per pakket waarvoor subsidie wordt verleend; het betalingsritme van de voorschotten, in geval de subsidie betrekking heeft op de maatregel als bedoeld in artikel 4 sub a ten I. Artikel 54 De datum, bedoeld in artikel 53 sub c, waarop het tijdvak aanvangt waarover subsidie wordt verleend, kan uitsluitend de eerste dag van de onderscheiden maanden van een jaar zijn. Artikel 55 1 Binnen 8 weken na afloop van de vastgestelde periode overeenkomstig artikel 49, sub e, dient de subsidieontvanger een aanvraag tot oplevering en subsidievaststelling in bij het Centraal Administratie Kantoor met gebruikmaking van een daartoe bestemd aanvraagformulier. 2 De aanvraag gaat vergezeld van een verklaring dat de maatregelen overeenkomstig de subsidieverlening zijn uitgevoerd. 5.2.3 Voorwaarden en verplichtingen Artikel 56 Indien subsidie wordt verleend op grond van de artikelen 43 en 44, is de subsidieontvanger verplicht: de aanleg overeenkomstig het plan als bepaald bij de subsidieverlening uit te voeren en overeenkomstig de planning, bedoeld in artikel 49, sub e; uiterlijk 8 weken na gehele of gedeeltelijke overdracht van de bevoegdheid tot gebruik en onderhoud van het betrokken terrein of element, schriftelijk daarvan melding te doen. De schriftelijke melding als bedoeld in sub b, wordt gedaan conform de aanvraagprocedure in artikel 34, via de veld- of themacoördinatie. 5.2.4 Betaling Artikel 57 Bij een beschikking verstrekt Gedeputeerde Staten een voorschot op de subsidiebijdrage als bedoeld in artikel 53, sub e: van 80% van het normbedrag, met een minimum van € 2.000,-- indien de beschikking betrekking heeft op de maatregel als bedoeld in artikel 4 sub a ten II, III en IV; op basis van werkelijk gemaakte kosten en overeenkomstig het in de beschikking vastgestelde betalingsritme, indien de beschikking betrekking heeft op de maatregel als bedoeld in artikel 4 sub a ten I. Artikel 58 Gedeputeerde Staten gaan over tot betaling van het voorschot: als bedoeld in artikel 57, sub a, uiterlijk binnen 2 weken na het onherroepelijk worden van het besluit; als bedoeld in artikel 57, sub b, overeenkomstig het in de beschikking vastgestelde betalingsritme en het besluit onherroepelijk is geworden. Artikel 59 Indien niet is voldaan aan de verplichtingen als bedoeld in artikel 56, sub a, kan Gedeputeerde Staten besluiten tot het beëindigen, verlagen of intrekken en terugvorderen van de subsidie, afhankelijk van de aard, schaal en duur van de overtreding. 5.3 Onderhoud 5.3.
Ten behoeve van de uitvoering van maatregelen, als bedoeld in artikel 4 sub a, kan een vergoeding worden verstrekt voor onderhoud van een pakket, indien: de aanvraag in overeenstemming is met begrenzing en toepassing van het vastgestelde uitvoeringsprogramma en gebieds- of themacontract; het betreffende terrein of element is gelegen op landbouwgrond of natuurterrein; de aanvrager tevens dienstverlener is voor het betreffende terrein of element; verschijningsvorm en/ of maatvoering van terrein of element overeenkomen met de voorschriften van desbetreffend pakket, en; voor zover artikel 8 niet van toepassing is, én; voor zover onderhoud, in de vorm van voorschriften, in de bijlagen B t/m E ook daadwerkelijk deel uitmaakt van desbetreffend pakket. het element zich bevindt op het erf van een burgerwoning of niet agrarische bedrijfswoning, niet zijnde het erf van een agrarisch bedrijf of tuin. Artikel 61 Voor aanvragen die betrekking hebben op het gestelde in artikel 60 geldt dat: onderhoudsvergoeding wordt verstrekt voor een tijdvak van zes jaar, én wordt toegekend overeenkomstig de vergoedingen als omschreven in bijlage F. 5.3.2 Subsidieverlening en -vaststelling Artikel 62 Indien voor een terrein of element, subsidie voor onderhoud wordt verleend, dan vermeldt de beschikking in ieder geval: de ligging en maatvoering (ha/m¹/m²/stuks) van het terrein of element; het doel van de subsidie, bestaande uit het gedurende het tijdvak onderhouden van het desbetreffende pakket conform de voorschriften; de subsidiebijdrage per jaar; de datum waarop het tijdvak waarover subsidie wordt verleend, aanvangt. Artikel 63 De datum, bedoeld in artikel 62 sub d, waarop het tijdvak aanvangt waarover subsidie wordt verleend, kan uitsluitend de eerste dag van de onderscheiden maanden van een jaar zijn. Artikel 64 1 Binnen 8 weken na afloop van een tijdvak, dient de subsidieontvanger een verzoek tot subsidievaststelling in bij het Centraal Administratie Kantoor, met gebruikmaking van het daartoe bestemde formulier. 2 De subsidieontvanger geeft in het verzoek aan in hoeverre het doel, bedoeld in artikel 62, sub b, is gerealiseerd. 3 In afwijking van het eerste en tweede lid wordt de subsidie voor Actief Randenbeheer ambtshalve vastgesteld. 5.3.3 Voorwaarden en verplichtingen Artikel 65 Indien subsidie wordt verleend op grond van de artikelen 60 en 61, is de subsidieontvanger, naast de in de artikelen 8 tot en met 13, 16 en 17 van de Subsidieverordening genoemde bepalingen, verplicht: in de beschikking vermelde doelen, bedoeld in artikel 62, sub b, te realiseren; uiterlijk 8 weken na gehele of gedeeltelijke overdracht van de bevoegdheid tot gebruik en onderhoud van het betrokken terrein of element, schriftelijk daarvan melding te doen. De schriftelijke melding als bedoeld in sub b, wordt gedaan conform aanvraagprocedure in artikel 34, via de veld- of themacoördinatie. 5.3.4 Betaling Artikel 66 Bij een beschikking als bedoeld in artikel 62 wordt na afloop van ieder jaar, én binnen 8 weken, de vastgestelde jaarlijkse bijdrage, als voorschot uitbetaald door Gedeputeerde Staten, tenzij de aanvrager in het voorafgaande jaar de verplichtingen als bedoeld in artikel 65, of enig ander voorschrift in de beschikking tot subsidieverlening niet heeft nageleefd. Artikel 67 De subsidie voor onderhoud wordt na afloop van het tijdvak vastgesteld overeenkomstig, met het bedrag dat voortvloeit uit de subsidieverlening voor het desbetreffende terrein. Indien niet is voldaan aan de verplichtingen als bedoeld in artikel 65 kan Gedeputeerde Staten, behoudens in geval dat overdracht van de beschikking tot subsidieverlening en de daarbij behorende verplichtingen nog niet zijn over gedragen na overlijden van de dienstverlener, besluiten tot het beëindigen, verlagen of intrekken en terugvorderen van de subsidie, afhankelijk van de aard, schaal en duur van de overtreding. 5.4 Grond 5.4.
Ten behoeve van de uitvoering van de maatregelen, als bedoeld in artikel 4 sub a, kan een vergoeding worden verstrekt voor de inzet van grond, indien: de aanvraag in overeenstemming is met begrenzing en toepassing van het vastgestelde uitvoeringsprogramma en gebieds- of themacontract; het betreffende terrein of element is gelegen op landbouwgrond; de aanvrager de voorschriften van desbetreffend pakket, zoals opgenomen in de bijlagen B t/m E in acht neemt, al dan niet door het ook aanvragen van een vergoeding voor aanleg, onderhoud, én; voor zover artikel 8 niet van toepassing is, én; voor zover waardedaling en/ of opbrengstderving deel uitmaken van de vergoedingen van het desbetreffende pakket (bijlage F), én; rekening is gehouden met vergoedingen voor de inzet van diezelfde grond die worden aangevraagd of zijn verkregen bij het tot stand brengen of in standhouden van een ander pakket. Artikel 69 Voor aanvragen die betrekking hebben op het gestelde in artikel 68 geldt dat de vergoeding voor de inzet van grond kan worden verstrekt op de grondslag van: waardedaling, waarbij de totale vastgestelde waardedaling in één keer wordt uitgekeerd; opbrengstderving, waarbij de vastgestelde pakketafhankelijke vergoeding jaarlijks én over een tijdvak van zes jaar als een voorschot wordt uitgekeerd. Artikel 70 Voor de afzonderlijke pakketten is in de bijlagen B t/m E aangegeven in hoeverre en op welke wijze het planologisch en/ of functioneel zekerstellen van het nieuwe of aangepaste grondgebruik een voorwaarde is. In de vergoedingsystematiek wordt naar aanleiding hiervan de vergoeding voor de inzet van grond gebaseerd op waardedaling van de grond of op opbrengstderving. Artikel 71 Bij de toepassing van een pakket, wordt de vergoeding voor de inzet van grond voor het desbetreffende terrein of element gebaseerd op de volgende grondslagen: waardedaling van de grond, indien sprake is van een definitief én geheel gewijzigd grondgebruik, de eigenaar direct een kwalitatieve verplichting, overeenkomstig een door het Centraal Administratie Kantoor te verstrekken model, voor het nieuwe grondgebruik aangaat; opbrengstderving, indien het terrein of element na het verlopen van de beschikking weer de oorspronkelijke (agrarische) bestemming en gebruik kan verkrijgen; Artikel 72 Ten behoeve van de uitvoering van de maatregel als bedoeld in artikel 4 sub a ten II, kan op verzoek van de subsidieontvanger een reeds afgegeven beschikking op grond van opbrengstderving, als bedoeld in artikel 71, sub b, worden omgezet in een nieuwe beschikking op grond van waardedaling, als bedoeld in artikel 71, sub a, mits de voorschriften voor het desbetreffende pakket dit toelaten en Gedeputeerde Staten de mening is toegedaan dat sprake is van omstandigheden die een vroegtijdig omzetting rechtvaardigen. Artikel 73 In geval artikel 40 van toepassing is, wordt als subsidieontvanger en eindbegunstigde van de vergoeding aangemerkt: dienstverlener, indien en voor zover de vergoeding is vastgesteld op de grondslag van opbrengstderving als omschreven in artikel 71, sub b; de eigenaar, niet zijnde een publiek rechtelijk rechtspersoon, indien en voor zover de vergoeding is vastgesteld op de grondslag van waardedaling als omschreven in artikel 71, sub a. 5.4.2 Subsidieverlening en -vaststelling Artikel 74 Indien voor een terrein of element, subsidie wordt verleend ten behoeve van de inzet van grond, dan vermeldt de beschikking in ieder geval: de ligging en maatvoering (ha/m²) van het terrein of element; het doel van de subsidie, bestaande uit het gedurende het tijdvak inzetten van gronden voor de toepassing van desbetreffende pakket; de gehanteerde grondslag (waardedaling of opbrengstderving); de subsidiebijdrage voor waardedaling of opbrengstderving, met onderscheid naar eindbegunstigde(n) als bedoeld in artikel 40; de datum waarop het tijdvak waarover subsidie wordt verleend, aanvangt. Artikel 75 De datum, bedoeld in artikel 74, sub e, waarop het tijdvak aanvangt waarover subsidie voor de inzet van grond wordt verleend, kan uitsluitend de eerste dag van de onderscheiden maanden van een jaar zijn. Artikel 76 Binnen 3 maanden na afloop van een tijdvak, dient de subsidieontvanger met gebruikmaking van het daartoe bestemde formulier, een aanvraag tot subsidievaststelling in, bij het Centraal Administratie Kantoor. De subsidieontvanger geeft in de aanvraag aan in hoeverre het doel, bedoeld in artikel 74, sub a en b, is gerealiseerd. Artikel 77 De subsidie voor grond wordt voor het tijdvak vastgesteld overeenkomstig, op het bedrag dat voortvloeit uit de subsidieverlening voor het desbetreffende terrein. 5.4.
Vervallen Artikel 83 Vervallen 5.5.2 Subsidieverlening en -vaststelling Artikel 84 Vervallen Artikel 85 Vervallen 5.5.3 Voorwaarden en verplichtingen Artikel 86 Vervallen 5.5.4 Betaling Artikel 87 Vervallen Artikel 88 Vervallen 5.6 Wijziging en intrekking Artikel 89 Een verzoek tot wijziging van de beschikking voor aanleg, onderhoud en/ of inzet van grond kan worden gedaan met het oog op het willen vergroten van het terrein of element waarvoor de verbintenis is aangegaan. Artikel 90 Een verzoek als bedoeld in artikel 89 kan gedurende het tijdvak van de beschikking éénmaal per jaar worden gedaan, met uitzondering van het eerste jaar, en kan voor subsidieverlening in aanmerking komen, indien: de uitbreiding gunstig is wat de toepassing van de betrokken maatregel betreft; de uitbreiding is gerechtvaardigd uit het oogpunt van de aard van de verbintenis, de duur van de resterende looptijd en de omvang van de extra oppervlakte; de uitbreiding geen afbreuk doet aan een doeltreffende controle op de naleving van de voor de steunverlening geldende voorwaarden. Artikel 91 1 In het geval, bedoeld in artikel 90, sub a, zijn de bepalingen omtrent maatvoering (lengte, breedte, oppervlak), zoals opgenomen in de voorschriften van het desbetreffende pakket, voor het toe te voegen terrein of element, niet van toepassing. 2 De artikelen 1 en 34 tot en met 40 zijn overeenkomstig van toepassing in het geval van artikel 90, sub a. Artikel 92 De subsidie voor onderhoud en inzet van grond, als bedoeld in artikel 89, wordt in afwijking van artikel 61, sub a, en artikel 69, naar evenredigheid verleend en vastgesteld voor het resterende deel van het tijdvak waarvoor reeds subsidie was verleend. Artikel 93 In geval op grond van de onderhavige subsidieregeling subsidie is verleend ten behoeve van een terrein of element, waarvan het duurzaam gebruiksrecht van de subsidieontvanger overgaat op een derde gedurende het tijdvak genoemd in de beschikking, dan wordt met ingang van de dag waarop het recht is overgegaan, de subsidieverlening ingetrokken, voor zover deze betrekking heeft op: aanleg als bedoeld in paragraaf 5.2; onderhoud als bedoeld in paragraaf 5.3; inzet van grond - waardedaling - als bedoeld in artikel 71, sub a; inzet van grond - opbrengstderving - als bedoeld in artikel 71, sub b. Artikel 94 In geval van intrekking uit hoofde van: artikel 93, sub a, b en d, wordt in afwijking van artikel 65, sub a en artikel 78, sub a, de te verlenen subsidie aan de subsidieontvanger, ambtshalve vastgesteld over het tijdvak tot aan het moment van overdracht, en naar evenredigheid ten opzichte van de subsidiebijdrage als genoemd in de beschikking; artikel 93, sub c, wordt de subsidie vastgesteld op de totale bijdrage voor waardedaling als genoemd in de beschikking, en uitbetaald aan de huidige subsidieontvanger. Artikel 95 In uitzondering op artikel 93 kan in geval subsidie is verleend voor aanleg, onderhoud of de inzet van grond, en het duurzaam gebruiksrecht van een terrein of element gaat gedurende het tijdvak van de subsidieontvanger over op een derde, de desbetreffende beschikking worden gewijzigd in een beschikking aan deze derde, indien deze, uiterlijk 8 weken na de datum waarop het recht is overgegaan, in een gericht schrijven aan het Centraal Administratie Kantoor, verklaart te treden in de aan de subsidieverlening verbonden rechten en plichten, waarvan de wijziging uit hoofde van dit artikel van kracht zal zijn. Artikel 96 In geval subsidie is verleend met betrekking tot een terrein of element, waarvan het duurzaam gebruiksrecht berust bij een natuurlijk persoon die komt te overlijden gedurende het tijdvak waarover subsidie is verleend, gaat de desbetreffende subsidieverlening over op de wettelijke erfgenamen dan wel de gerechtigde bij testament, tenzij deze uiterlijk drie maanden na het overlijden schriftelijk verzoeken om vaststelling en stopzetting. Dit verzoek wordt gedaan aan het Centraal Administratie Kantoor, via de veldcoördinatie. Artikel 97 Stopzetting als bedoeld in artikel 96, en vaststelling van de subsidiebijdrage vindt plaats, met ingang van de dag, volgend op de dag van overlijden en op overeenkomstige wijze als bedoeld in artikel
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.