Gedeputeerde Staten van Noord-Brabant, Gelet op artikel 105 juncto artikel 143 van de Provinciewet; Gelet op de artikelen 2 en 15 van de Algemene subsidieverordening Provincie Noord-Brabant; Gelet op artikel 2 van de Wet BDU verkeer en vervoer; Overwegende dat Gedeputeerde Staten uitvoering wensen te geven aan de wet BDU verkeer en vervoer en aan de Essentiële onderdelen van het PVVP, welke verder zijn uitgewerkt in de Dynamische beleidsagenda en de Regionale beleidsagenda's; Overwegende dat Gedeputeerde Staten daartoe op 1 april 2008 de Cofinancieringsregeling Verkeer en Vervoer hebben vastgesteld; Overwegende dat de bestaande regeling wijziging behoeft en Gedeputeerde Staten vanwege de omvang van de wijzigingen een nieuwe regeling wensen vast te stellen; Besluiten vast te stellen de volgende regeling: HOOFDSTUK 1. ALGEMENE BEPALINGEN Artikel 1.1 Begripsbepalingen In deze regeling wordt verstaan onder: a. Wet BDU: Wet brede doeluitkering verkeer en vervoer; brede doeluitkering: uitkering die de provincie Noord-Brabant ontvangt op basis van de Wet BDU; c. PVVP: provinciaal verkeers- en vervoerplan van de provincie Noord-Brabant; d. GGA-regio: samenwerkingsverband met als vaste partners de inliggende en aangesloten Noord-Brabantse gemeenten, de provincie Noord-Brabant en Rijkswaterstaat directie Noord-Brabant, dat samenwerkt op het gebied van verkeer en vervoer in het algemeen en bij de uitvoering van het PVVP en van de Wet Personenvervoer in het bijzonder; e. kleine infrastructurele projecten: investeringsprojecten in infrastructuur, die bijdragen aan de verwezenlijking van het provinciale verkeers- en vervoerbeleid en waarvan de subsidiabele kosten minimaal € 10.000 en maximaal € 10.000.000 bedragen; f. niet-infrastructurele projecten: niet-infrastructurele maatregelen, regionale studieprojecten en/of mensgerichte maatregelen of pakketten van mensgerichte maatregelen waarvan de subsidiabele projectkosten minimaal € 10.000 en maximaal € 10.000.000 bedragen; g. innovatieve projecten: investeringsprojecten en/of initiatieven met een experimenteel en tijdelijk karakter, waarvan de resultaten redelijkerwijs bij kunnen dragen aan de realisering van de doelen van het provinciale verkeers- en vervoerbeleid, en waarvan de subsidiabele projectkosten minimaal € 10.000 en maximaal € 10.000.000 bedragen; h. grote infrastructurele projecten: investeringsprojecten in infrastructuur, die bijdragen aan de verwezenlijking van het provinciale verkeers- en vervoerbeleid en waarvan de subsidiabele kosten meer dan € 10.000.000 en maximaal € 40.000.000 bedragen; i. provinciebrede projecten: majeure en voor de gehele provincie van belang zijnde projecten en/of initiatieven, gericht op innovatie, instrumentontwikkeling of vormen van samenwerking met het oog op realisering en/of versnelde realisering van thema's of doelen van het provinciale verkeers- en vervoerbeleid, en waarvan de subsidiabele kosten minimaal € 10.000 bedragen; j. regionaal uitvoeringsprogramma: jaarlijks door de GGA-regio’s en het SRE op te stellen pakket van kleine infrastructurele, niet-infrastructurele en/of innovatieve projecten; k. bestedingsplan: bestedingsplan zoals bedoeld in artikel 6 van de Wet BDU verkeer en vervoer; l. reizigersoverleg Brabant: platform van consumenten- en belangenorganisaties dat de wensen van de reizigers in de provincie Noord-Brabant in beeld brengt en er aan bijdraagt dat het openbaar vervoer en het collectief vraagafhankelijk vervoer zowel ieder op zich als in samenhang met elkaar op deze wensen wordt afgestemd; m. Wp 2000: Wet personenvervoer 2000; n. Openbaar Vervoer: voor een ieder openstaand personenvervoer volgens een dienstregeling met een auto, bus, trein, metro, tram of een via een geleidesysteem voortbewogen voertuig; o. Collectief Vraagafhankelijk Vervoer (CVV): voor een ieder openstaand personenvervoer per auto niet volgens een dienstregeling als bedoeld in het Besluit personenvervoer 2000, voorzover een reiziger het vervoer voor een bepaalde tijd heeft besteld, het vervoer plaatsvindt volgens een contract met de provincie Noord-Brabant of waarin de provincie Noord-Brabant participeert en het vervoer aanvullend en/of vervangend is ten opzichte van het openbaar vervoer; p. Collectief Vraagafhankelijk Vervoerproject: het aanbod aan collectief vraagafhankelijk vervoer binnen een bepaald begrensd gebied. q. Bedrijfsvervoer: collectief vervoer van werknemers door of vanwege de werkgever van en naar de werkplek, voor aanvang van en na afloop van de werkzaamheden, verricht met bussen dan wel met auto’s, ingericht voor vervoer van minimaal acht personen, de bestuurder daaronder niet begrepen; r. Vervoerder: degene die openbaar vervoer, besloten busvervoer of taxivervoer verricht, niet in de hoedanigheid van bestuurder van een auto, bus, trein, metro, tram of een via een geleidesysteem voortbewogen voertuig; s. Beroepsvervoerder: vervoerder met een vergunning voor het verrichten van besloten busvervoer of taxivervoer; t. Concessie: recht om met uitsluiting van anderen openbaar vervoer te verrichten in een bepaald gebied gedurende een bepaald tijdvak; u. Toegankelijk openbaar vervoer: openbaar vervoer dat beantwoordt aan de criteria voor toegankelijkheid van het openbaar vervoer die door Gedeputeerde Staten zijn opgenomen in de ten behoeve van de concessieverlening door hen vastgestelde Progamma’s van eisen; v. Sociale veiligheid openbaar vervoer: criteria voor sociale veiligheid van het openbaar vervoer en van het collectief vraagafhankelijk vervoer die door Gedeputeerde Staten zijn opgenomen in de ten behoeve van de concessieverlening door hen vastgestelde Programma’s van eisen; w. Werkplek: vaste plaats waar de werkzaamheden worden uitgevoerd binnen de provincie Noord-Brabant (met uitzondering van de werkplekken die zijn gelegen binnen het kaderwetgebied Samenwerkingsverband Regio Eindhoven (SRE) en waarop de werkgever een op het privaatrecht gebaseerde zeggenschap of recht op gebruik heeft; x. Bedrijfsvervoerplan: plan voor werknemers van één bedrijf of ten behoeve van werknemers in dienst van verschillende bedrijven, indien deze in dezelfde regio en op dezelfde werkplek gevestigd zijn, inzicht biedend in het te verrichten vervoer van één of meer (samenwerkende) bedrijven en de regelingen tussen werkgever en werknemer in het woon-werkverkeer; y. Uitkeringsjaar: kalenderjaar waarop de subsidie of uitkering betrekking heeft; z. Bekostigingssystematiek: contractuele afspraken met de vervoerder en de bestuurlijke afspraken met gemeenten over de wijze waarop de provinciale bijdrage in de kosten van het Collectief Vraagafhankelijk Vervoer wordt berekend; aa. Halte: in-, uit- en/of overstapfaciliteit voor de bus met voorzieningen voor een goede dan wel comfortabele in- en uitstap. Een halteplaats wordt op grond van het RVV 1990 aangeduid door het bord L 03; bb. Projecten ter verbetering van de toegankelijkheid van haltes: investeringsprojecten die de fysieke toegankelijkheid van het openbaar busvervoer bevorderen en gemakkelijker maken; cc. Geprioriteerde haltes: haltes of haltevoorzieningen voor openbaar busvervoer die zijn opgenomen in de lijst van geprioriteerde haltes in bijlage 8 van deze regeling; dd. Niet-geprioriteerde haltes: haltes of haltevoorzieningen voor openbaar busvervoer die niet zijn opgenomen in de lijst als bedoeld in bijlage 8 van deze regeling; ee. Regionaal halteplan: plan dat voor een GGA-regio per gemeente aangeeft op welk moment welke halte toegankelijk wordt gemaakt en hoe de aanpak van het toegankelijk maken van de haltes wordt gefinancierd; ff. B5-overleg: het overleg van de gemeenten Breda, Tilburg, ’s-Hertogenbosch, Eindhoven en Helmond en de provincie Noord-Brabant; gg. B5-uitvoeringsprogramma: jaarlijks door de B5 op te stellen pakket van grote infrastructurele projecten, kleine infrastructurele projecten en niet-infrastructurele projecten; hh. Netwerkprogramma BrabantStad Bereikbaar: het samenwerkingsverband waarin de gemeenten Breda, Tilburg, ’s-Hertogenbosch, Eindhoven en Helmond, het Samenwerkingsverband Regio Eindhoven (SRE), de provincie Noord-Brabant, het ministerie van Verkeer en Waterstaat, Rijkswaterstaat Noord-Brabant, de Nederlandse Spoorwegen en ProRail samenwerken aan het verbeteren van de bereikbaarheid van de economische kerngebieden in het stedelijke netwerk BrabantStad. Artikel 1.2 Doelstelling en kaders 1 Deze subsidieregeling beoogt uitvoering te geven aan de wet BDU verkeer en vervoer en aan de Essentiële onderdelen van het PVVP, welke verder zijn uitgewerkt in de Dynamische beleidsagenda en de Regionale beleidsagenda's. 2 Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verstrekken voor activiteiten, projecten, maatregelen en/of initiatieven voor zover deze passen binnen of onderdeel uitmaken van het vigerende verkeers- en vervoerbeleid van de provincie Noord-Brabant. 3 Deze subsidieregeling vormt een verbijzondering van de Algemene subsidieverordening Provincie Noord-Brabant op het gebied van verkeer en vervoer. Artikel 1.3 Doelgroep 1 Subsidies voor projecten of initiatieven kunnen worden verstrekt aan publiekrechtelijke rechtspersonen, privaatrechtelijke rechtspersonen of aan natuurlijke personen, met uitzondering van het Rijk. 2 Gedeputeerde Staten weigeren een rechtspersoon of natuurlijke persoon subsidie, indien zijn of haar activiteiten niet zijn gericht op de provincie Noord-Brabant of niet aanwijsbaar ten goede komen aan de ingezetenen van de provincie. 3 Maatschappelijke organisaties kunnen in aanmerking komen voor subsidie voor kleine infrastructurele, niet-infrastructurele en/of innovatieve projecten als onderdeel van een regionaal uitvoeringsprogramma door gemeentelijke tussenkomst. 4 Financiële bijdragen voor projecten van de provincie Noord-Brabant worden beschouwd als een subsidie in de zin van deze subsidieregeling. 5 ubsidies voor kleine infrastructurele, niet-infrastructurele en/of innovatieve projecten kunnen alleen aan de Brabantse gemeenten en aan de provincie Noord-Brabant worden verstrekt, indien deze projecten deel uitmaken van een regionaal uitvoeringsprogramma, dat door de GGA-regio is opgesteld en door Gedeputeerde Staten is vastgesteld, op grond van de door artikel 2.2.1 vierde en vijfde lid gegeven bevoegdheden. Artikel 1.4 Bestedingsplan wet BDU 1 Gedeputeerde Staten stellen jaarlijks vóór 15 september een bestedingsplan vast ten behoeve van de besteding van onder meer de BDU-gelden voor het volgende uitkeringsjaar, conform artikel 6 van de Wet BDU verkeer en vervoer. 2 Het bestedingsplan bevat in ieder geval een overzicht van bestedingen en reserveringen ten behoeve van regionale uitvoeringsprogramma’s, grote infrastructurele projecten, provinciebrede projecten en cofinanciering personenvervoer. 3 Het bestedingsplan wordt vóór 1 februari van het uitkeringsjaar toegezonden aan de minister van Verkeer en Waterstaat Artikel 1.5 Provinciale begroting; regionale budgetten en subsidieplafonds 1 Provinciale Staten stellen jaarlijks een bedrag op de provinciale begroting vast ten behoeve van de financiering van de uitvoeringsprogramma’s van GGA-regio’s en de B5, zoals bedoeld in de hoofdstukken 2 en 2a van deze beleidsregels. 2 Gedeputeerde Staten stellen periodiek, met inachtneming van het beschikbare bedrag op de provinciale begroting, de regionale budgetten vast voor de financiering van de uitvoeringsprogramma’s van de vijf GGA-regio's. 3 Gedeputeerde Staten stellen periodiek, met inachtneming van het beschikbare bedrag op de provinciale begroting, een regionaal budget vast voor de financiering van het regionale uitvoeringsprogramma van het SRE. 4 Gedeputeerde Staten stellen periodiek, met inachtneming van het beschikbare bedrag op de provinciale begroting, budgetten vast voor de financiering van het B5-uitvoeringsprogramma, zoals bedoeld in hoofdstuk 2a en waarbij per budget wordt aangegeven voor welk doel deze gelden geoormerkt zijn. 5 De maxima van de onder lid 2, lid 3 en lid 4 genoemde budgetten gelden als subsidieplafonds en zullen als zodanig worden gepubliceerd in het Provinciaal blad. 6 Restanten van budgetten, die resteren ondanks een overprogrammering met reserveprojecten, worden toegevoegd aan de provinciale voorziening BDU. Gedeputeerde Staten besluiten op welke wijze deze middelen benut zullen worden voor de uitvoering van het PVVP en geven dit tevens aan in het bestedingsplan van het eerstvolgende uitkeringsjaar. Artikel 1.5a Provinciale begroting; regionale budgetten en subsidieplafond haltevoorzieningen openbaar vervoer 1 Provinciale Staten stellen jaarlijks een bedrag op de provinciale begroting vast ten behoeve de bevordering van het openbaar vervoer. 2 Gedeputeerde Staten stellen periodiek, met inachtneming van het beschikbare bedrag op de provinciale begroting, regionale budgetten vast ter verbetering van de toegankelijkheid van haltevoorzieningen voor het openbaar vervoer. 3 De maxima van de onder lid 2 genoemde regionale budgetten gelden als subsidieplafonds en zullen als zodanig worden gepubliceerd in het Provinciaal Blad. 4 Indien het regionale budget van een regio niet toereikend blijkt, terwijl er bij een andere regio sprake is van onderuitputting, kunnen Gedeputeerde Staten besluiten de gelden die resteren door onderuitputting over te hevelen naar de eerstgenoemde regio. Artikel 1.6 BTW Verrekenbare BTW op grond van de Wet op de Omzetbelasting 1968 vormt geen kostenpost en compensabele BTW op grond van de Wet op het BTW-compensatiefonds 2003 vormt geen budgettaire last, en zijn derhalve niet subsidiabel. HOOFDSTUK 2. REGIONALE UITVOERINGSPROGRAMMA’S Paragraaf 1 Algemene uitgangspunten van cofinanciering Artikel 2.1.1 Subsidiabele kosten kleine infrastructurele projecten 1 Bij de bepaling van de hoogte van het bedrag aan cofinanciering ten behoeve van infrastructurele projecten, als bedoeld in deze subsidieregeling, komen in aanmerking de kosten van: werkzaamheden van aanleg, bouw, wijziging of inrichting van de betrokken infrastructuur; verwerving van een onroerende zaak voor zover door Gedeputeerde Staten aanvaardbaar en noodzakelijk geacht; vergunningen en leges voor zover door Gedeputeerde Staten aanvaardbaar en noodzakelijk geacht; materialen; bijkomende voorzieningen nodig om de betrokken infrastructuur na voltooiing zijn functie te kunnen laten vervullen, zoals verlichting, bebording, markeringen en bewegwijzering; met het project samenhangende en door Gedeputeerde Staten redelijk geachte schadevergoedingen aan derden, zulks met uitzondering van de vervanging van kabels en leidingen; voorlichting over de uitvoering van het project als begeleiding gedurende de bouw voor zover door Gedeputeerde Staten aanvaardbaar geacht. 2 Bij de bepaling van de hoogte van het bedrag aan cofinanciering als bedoeld in het eerste lid, blijven buiten beschouwing de onder a tot en met g bedoelde kosten, voor zover die betrekking hebben op: algemene bestuurslasten zoals ambtenarensalarissen en kantoorinventaris; voorbereidings-, administratie- en toezichtskosten; het uitvoeren van reguliere werkzaamheden. 3 Voor voorbereiding-, administratie- en toezichtkosten wordt een vast opslagpercentage van 15% over de totale subsidiabele projectkosten berekend. Artikel 2.1.2 Subsidiabele kosten niet-infrastructurele en innovatieve projecten 1 Bij de bepaling van de hoogte van een subsidie ten behoeve van innovatieve projecten komen in aanmerking, uitsluitend die kosten, die direct betrekking hebben op het betrokken project en voor zover die door Gedeputeerde Staten aanvaardbaar en noodzakelijk worden geacht. 2 Niet subsidiabel zijn: beheer- en onderhoudskosten; algemene bestuurslasten zoals ambtenarensalarissen en kantoorinventaris; voorbereidings- en toezichtskosten. Artikel 2.1.2a Subsidiabele kosten voor verbetering toegankelijkheid haltevoorzieningen 1 Ten aanzien van de subsidiabele kosten voor de aanschaf en het plaatsen van haltemeubilair is artikel 2.1.1 van overeenkomstige toepassing. 2 Ten aanzien van de subsidiabele kosten voor het opstellen en coördineren van de uitvoering van een regionaal halteplan is artikel 2.1.2 van overeenkomstige toepassing. Artikel 2.1.3 Op bijdrage in mindering te brengen kosten 1 Bij de bepaling van de hoogte van het bedrag aan cofinanciering worden de kosten, welke redelijkerwijs ten laste van andere kostendragers kunnen worden gebracht, in mindering gebracht op de vastgestelde subsidiabele kosten. 2 Onverminderd het eerste lid worden op de hoogte van het bedrag aan cofinanciering in mindering gebracht de kosten van de uitvoering van onderhoud die de subsidie-ontvanger bespaart vanwege het niet uitvoeren van onderhoudswerkzaamheden. Artikel 2.1.4 Verplichting tot instandhouden voorziening 1 De met behulp van provinciale cofinanciering gerealiseerde voorzieningen of investeringen dienen minimaal vijf jaar in stand te worden gehouden en/of hun oorspronkelijk beoogde functie te behouden. 2 Indien de voorzieningen of investeringen binnen een periode van vijf jaar worden verwijderd, tenietgedaan of hun oorspronkelijke functie verliezen, kunnen Gedeputeerde Staten het verleende en/of vastgestelde subsidiebedrag aan cofinanciering geheel of gedeeltelijk terugvorderen. Paragraaf 2 Procedure van besluitvorming en subsidieverlening Artikel 2.2.1 Regionale en provinciale besluitvorming 1 De GGA-regio’s stellen jaarlijks een regionaal ontwerp-uitvoeringsprogramma vast met daarin opgenomen kleine infrastructurele, niet-infrastructurele en innovatieve projecten. 2 De GGA-regio’s stellen jaarlijks tevens een regionaal ontwerp-uitvoeringsprogramma voor projecten ter verbetering van de toegankelijkheid vast met daarin opgenomen projecten ter verbetering van de fysieke toegankelijkheid van de niet-geprioriteerde haltes, projecten inhoudende de aanschaf en plaatsing van haltemeubilair bij zowel geprioriteerde als niet-geprioriteerde haltes alsmede het opstellen en coördineren van de uitvoering van een regionaal halteplan; 3 De ontwerp-uitvoeringsprogramma’s worden vastgesteld in een bestuurlijk GGA-overleg, waaraan de participerende gemeenten en de Provincie Noord-Brabant als gelijkgerechtigden deelnemen. 4 De GGA-regio’s dienen de door hen vastgestelde regionale ontwerp-uitvoeringsprogramma’s in bij Gedeputeerde Staten, uiterlijk 1 december van het jaar voorafgaand aan het uitkeringsjaar. 5 Indien de deelnemende partijen in GGA-regionaal verband, zoals bedoeld in het derde lid, de regionale ontwerp-uitvoeringsprogramma’s unaniem vaststellen, zullen Gedeputeerde Staten de door de GGA-regio vastgestelde programma’s ongewijzigd overnemen en definitief vaststellen. 6 Indien de deelnemende partijen in GGA-regionaal verband, zoals bedoeld in het derde lid, niet unaniem tot een besluit komen, zullen Gedeputeerde Staten de regionale programma’s naar eigen inzicht definitief vaststellen. 7 Gedeputeerde Staten stellen de regionale uitvoeringsprogramma’s vast, uiterlijk 16 maart van het jaar waarop de uitkering betrekking heeft. Artikel 2.2.2 Aanvraag, subsidieverlening en start werkzaamheden 1 Een krachtens artikel 2.2.1 vierde lid bij Gedeputeerde Staten ingediend regionaal ontwerp-uitvoeringsprogramma, wordt tevens beschouwd als een bundel subsidieaanvragen voor de daarin opgenomen projecten. 2 Na vaststelling van een regionaal uitvoeringsprogramma door Gedeputeerde Staten verlenen Gedeputeerde Staten subsidie per project overeenkomstig het door hen vastgestelde regionale uitvoeringsprogramma. 3 Projecten die op het moment van de aanvraag reeds zijn aanbesteed én gegund, en/of in uitvoering zijn genomen, komen niet voor een subsidie in aanmerking, tenzij hier voor schriftelijke toestemming is gevraagd en verkregen bij Gedeputeerde Staten. 4 Indien een aanvrager, voorafgaand aan de vaststelling van een regionaal uitvoeringsprogramma door Gedeputeerde Staten, van start gaat met de activiteiten waarvoor subsidie is gevraagd, dan geschiedt dat geheel voor eigen risico. 5 De opdrachtverlening van een project vindt plaats in het jaar dat de beschikking wordt afgegeven. Vindt opdrachtverlening van het project niet plaats in het jaar waarin de beschikking is afgegeven, dan wordt de toegekende financiële bijdrage ambtshalve ingetrokken. Artikel 2.2.3 Declaratie en betaling 1 Indien het bedrag van subsidieverlening meer dan € 50.000 bedraagt, kunnen Gedeputeerde Staten op verzoek van de subsidieontvanger op basis van een tussentijdse declaratie overgaan tot uitbetaling van de in de subsidieverlening toegekende bedragen. 2 Een tussentijdse declaratie en overeenkomstige bevoorschotting van maximaal 50% van de bij subsidieverlening toegekende bijdrage, kan plaatsvinden nadat de ontvanger minimaal 50% van de, in de verleningsbeschikking aangegeven totale subsidiabele kosten heeft gerealiseerd. 3 Een einddeclaratie en bevoorschotting van maximaal 100% van de bij subsidieverlening toegekende bijdrage, kan plaatsvinden nadat het project of werk is afgerond. Deze declaratie wordt uiterlijk 1 december van het eerstvolgende jaar na het jaar waarin de subsidieverlening heeft plaatsgevonden ingediend. 4 Een declaratie met betrekking tot projecten ter verbetering van de toegankelijkheid van haltevoorzieningen van niet-geprioriteerde haltes zoals bedoeld in artikel 2.2.1 tweede lid, gaat vergezeld van een overzicht van de data van alle wijzigingen die op de halte(
- s)zijn uitgevoerd. 5 Declaraties zoals bedoeld in het tweede en derde lid worden ingediend met gebruikmaking van een daartoe door Gedeputeerde Staten vastgesteld declaratieformulier. 6 In afwijking van lid 2 of van lid 3 kunnen in de verleningsbeschikking andere percentages worden opgenomen. 7 In afwijking van lid 2 en lid 3 kunnen Gedeputeerde Staten op verzoek instemmen met een ander kasritme. 8 In afwijking van lid 3, tweede volzin, kunnen Gedeputeerde Staten, indien hierom bij het indienen van de subsidieaanvraag wordt verzocht, instemmen met een ander tijdstip voor het indienen van de declaratie. 9 In de verleningsbeschikking kunnen Gedeputeerde Staten nadere voorwaarden stellen ten aanzien van de declaraties zoals bedoeld onder lid 2 en lid 3 van dit artikel. Artikel 2.2.4 Uitstelverlening Gedeputeerde Staten kunnen op een daartoe door de aanvrager ingediend verzoek eenmalig de termijn van opdrachtverlening, bedoeld in artikel 2.2.2, vijfde lid, tweede volzin, respectievelijk van het tijdstip voor het indienen van de einddeclaratie, bedoeld in artikel 2.2.3, derde lid, met maximaal één jaar verlengen, indien de aanvrager aantoont dat hij zich niet aan de voorgeschreven termijnen kan voldoen vanwege: niet tijdig kunnen verwerven van de benodigde gronden als gevolg van wettelijke of procedurele oorzaken, die niet aan de subsidieaanvrager te wijten zijn, mits op redelijke termijn zicht is op daadwerkelijke grondverwerving; het langer in beslag nemen dan gepland van de bestemmingsplanprocedure als gevolg van wettelijke, juridische of procedurele zaken; vertraging in samenhangende projecten of beïnvloeding van andere projecten waardoor aanvrager gedwongen is de uitvoeringsperiode te verlengen; vertraging in de uitvoering als gevolg van extreme of onverwachte weersomstandigheden; of vertraging in de opdrachtverlening of in de uitvoering als gevolg van andere aan derden toe te schrijven omstandigheden. Artikel 2.2.5 Subsidievaststelling Uiterlijk 13 weken na ontvangst van de vastgestelde gemeentelijke jaarrekening (inclusief de SiSa-bijlage en rapport van bevindingen), die via het Centraal Bureau voor de Statistiek wordt gedistribueerd, stellen Gedeputeerde Staten de subsidie ambtshalve vast. Paragraaf 3 Samenstelling regionaal uitvoeringsprogramma Artikel 2.3.1 Kwaliteitseisen regionaal uitvoeringsprogramma De GGA-regio neemt, bij het opstellen van het regionale uitvoeringsprogramma, de volgende kwaliteitseisen in acht: Het programma is de resultante van een jaarlijkse dialoog tussen de regionale partners over de beoogde kwaliteit van de projecten en van de integrale afweging tussen de projecten; het programma geeft aan op welke wijze deze dialoog is verlopen en hoe regionale besluitvorming is voorbereid; Het programma sluit aan op de regionale beleidsagenda en geeft aan op welke wijze de projecten evenwichtig zijn verdeeld over de thema's van die beleidsagenda; Het programma geeft aan hoe de voorgenomen projecten passen binnen de regionale gebiedsprofielen; Het programma geeft aan hoe de voorgenomen projecten de in de regionale beleidsagenda benoemde problemen aanpakken; Het programma geeft een meerjarig perspectief van de voorgenomen projecten in de regio; Het programma geeft aan hoe de effecten van voorgaande jaren consequenties hebben gekregen voor het regionale pakket of uitvoeringsprogramma; De cofinanciering bedraagt maximaal 50% van de totale subsidiabele kosten, bedoeld in artikel 2.1.1, eerste lid, respectievelijk artikel 2.1.2, eerste lid, voor het gehele programma, verminderd met de in artikel 2.1.1, tweede lid, artikel 2.1.2, tweede lid, en artikel 2.1.3 bedoelde kosten. Voor het samenstellen van het programma wordt gebruik gemaakt van het daartoe door Gedeputeerde Staten vastgestelde E-formulier. Het programma is een resultante van de door de regio ingediende ingediende bundel E-formulieren. Het programma geeft aan hoe projecten en/of projectsuggesties van maatschappelijke organisaties zijn behandeld en eventuele afwijzingsbrieven, waarin de reden van afwijzing nader is omschreven, worden toegevoegd aan het programma als bijlage. Bij de samenstelling van een uitvoeringsprogramma voor meerdere jaren, zoals bedoeld in het vorige lid, mag voor het eerstvolgende en latere jaren niet meer worden geprogrammeerd dan maximaal 50% van het beschikbare jaarbudget van de betreffende jaren. Artikel 2.3.1a Kwaliteitseisen regionaal uitvoeringsprogramma toegankelijkheid haltevoorzieningen en aanschaf haltemeubilair 1 De kwaliteitseisen zoals bedoeld in artikel 2.3.1 zijn van overeenkomstige toepassing met uitzondering van de kwaliteitseisen genoemd in lid 7 t/m lid 9. 2 Projecten ter verbetering van de fysieke toegankelijkheid van niet-geprioriteerde haltes komen voor subsidiëring in aanmerking mits wordt voldaan aan de criteria van bijlage 7 bij deze regeling. 3 De bijdrage voor het verbeteren van de fysieke toegankelijkheid van een niet-geprioriteerde halte bedraagt € 10.000 en voor het verbeteren van de fysieke toegankelijkheid van een buurtbushalte € 7.500. 4 Projecten ter verbetering van de toegankelijkheid van zowel geprioriteerde haltes als van niet-geprioriteerde komen in aanmerking voor cofinanciering voor wat betreft de aanschaf en plaatsing van haltemeubilair mits wordt voldaan aan de criteria van bijlage 9 bij deze regeling. 5 Het opstellen en coördineren van de uitvoering van regionale halteplannen komt in aanmerking voor cofinanciering. 6 Het percentage aan cofinanciering ingevolge leden 4 en 5 wordt bij de vaststelling van het regionaal ontwerp-uitvoeringsprogramma toegankelijkheid in overleg vastgesteld. 7 GGA-regio’s en gemeenten, die beschikken over voldoende middelen uit openbaar vervoer-reserves, welke resteren of voortvloeien uit convenanten inzake Regiotaxi’s, komen niet in aanmerking voor een bijdrage voor de verbetering van toegankelijkheid van haltevoorzieningen. 8 Het uitvoeringsprogramma omvat van alle daarin opgenomen projecten de volledig ingevulde projectformats voor haltevoorzieningen zoals weergegeven in bijlage 10 bij deze subsidieregeling. Artikel 2.3.2 Reserveprojecten en overprogrammering 1 De GGA-regio kan overprogrammeren door reserveprojecten in het regionale uitvoeringsprogramma op te nemen. 2 Indien één of meerdere projecten door onvoorziene omstandigheden niet in uitvoering kunnen worden genomen in het jaar waarin de beschikking is afgegeven, waardoor het regionale budget van het desbetreffende uitkeringsjaar niet volledig dreigt te worden benut, kan de regio besluiten reserveprojecten in uitvoering te nemen. 3 De GGA-regio neemt een besluit, als bedoeld in het vorige lid, en deelt Gedeputeerde Staten uiterlijk 1 september van het uitkeringsjaar mede, welk reserveproject of welke reserveprojecten in uitvoering worden genomen. 4 De in het vorige lid omschreven mededeling aan Gedeputeerde Staten moet worden gezien als een verzoek tot subsidieverlening ten behoeve van het reserveproject en Gedeputeerde Staten verlenen dienovereenkomstig subsidie aan de desbetreffende gemeente(n). 5 Reserveprojecten dienen in het jaar waarin de beschikking wordt afgegeven in uitvoering te worden genomen. Artikel 2.3.3 Niet sparen voor "duurdere" projecten De GGA-regio kan van het jaarlijks regionale budget geen geld apart zetten en reserveren met als doel om te sparen voor de uitvoering van "duurdere" projecten in latere uitkeringsjaren. Artikel 2.3.4 Betrokkenheid maatschappelijke organisaties 1 Maatschappelijke organisaties die in aanmerking willen komen voor cofinanciering voor kleine infrastructurele, niet-infrastructurele en/of innovatieve projecten, dienen hiertoe een verzoek in bij een, bij de desbetreffende GGA-regio aangesloten gemeente. 2 De GGA-regio stelt regels ten aanzien van de wijze waarop projecten en/of projectvoorstellen van maatschappelijke organisaties worden betrokken bij de totstandkoming van het regionale uitvoeringsprogramma. 3 Een GGA-regio die, een krachtens het eerste lid ingediend voorstel, niet opneemt in het regionale uitvoeringsprogramma, omkleedt dit met redenen en doet hiervan schriftelijk mededeling aan de betreffende organisatie. Paragraaf 4 Cofinanciering SRE-projecten Artikel 2.4.1 Regionaal uitvoeringsprogramma SRE-gebied 1 Het dagelijks bestuur van het SRE kan jaarlijks een verzoek indienen tot cofinanciering van een regionaal uitvoeringsprogramma van het SRE. 2 Het beleidskader van het uitvoeringsprogramma, zoals bedoeld in het eerste lid, wordt gevormd door het provinciaal verkeers- en vervoerplan, het regionaal verkeers- en vervoerplan en de financieringsregeling van het SRE. In aanvulling hierop kunnen Gedeputeerde Staten van jaar tot jaar specifieke beleidspeerpunten formuleren. 3 Voor cofinanciering komen in aanmerking: Kleine infrastructurele projecten; Innovatieve projecten. 4 Het regionaal uitvoeringsprogramma is aantoonbaar gebaseerd op een integrale afweging tussen de projecten en omvat een beleidsmatige onderbouwing inzake de kwaliteit van de projecten. 5 De artikelen van de eerste titel van dit hoofdstuk alsmede artikel 2.2.2, artikel 2.2.3, artikel 2.2.4, artikel 2.3.1 lid 7 en artikel 2.3.2 zijn overeenkomstig van toepassing. HOOFDSTUK 2A. COFINANCIERING B5-PROGRAMMA Paragraaf 1 Algemene uitgangspunten van cofinanciering B5-programma Artikel 2a.1.1 Subsidiabele kosten infrastructurele projecten 1. Bij de bepaling van de hoogte van het bedrag aan cofinanciering ten behoeve van infrastructurele projecten, als bedoeld in deze subsidieregeling, komen in aanmerking de kosten van: a. werkzaamheden van aanleg, bouw, wijziging of inrichting van de betrokken infrastructuur; b. verwerving van een onroerende zaak voor zover door Gedeputeerde Staten aanvaardbaar en noodzakelijk geacht; c. vergunningen en leges voor zover door Gedeputeerde Staten aanvaardbaar en noodzakelijk geacht; d. materialen; e. bijkomende voorzieningen nodig om de betrokken infrastructuur na voltooiing zijn functie te kunnen laten vervullen, zoals verlichting, bebording, markeringen en bewegwijzering; f. met het project samenhangende en door Gedeputeerde Staten redelijk geachte schadevergoedingen aan derden, zulks met uitzondering van de vervanging van kabels en leidingen; g. voorlichting over de uitvoering van het project als begeleiding gedurende de bouw voor zover door Gedeputeerde Staten aanvaardbaar geacht. 2. Bij de bepaling van de hoogte van het bedrag aan cofinanciering als bedoeld in het eerste lid, blijven buiten beschouwing de onder a tot en met g bedoelde kosten, voor zover die betrekking hebben op: algemene bestuurslasten zoals ambtenarensalarissen en kantoorinventaris; voorbereidings-, administratie- en toezichtskosten; het uitvoeren van reguliere werkzaamheden. 3. Voor voorbereidings-, administratie- en toezichtskosten wordt een vast opslagpercentage van 15% over de totale subsidiabele projectkosten berekend. Artikel 2a.1.2 Subsidiabele kosten niet-infrastructurele projecten 1. Bij de bepaling van de hoogte van een subsidie ten behoeve van niet-infrastructurele projecten komen in aanmerking, uitsluitend die kosten, die direct betrekking hebben op het betrokken project en voor zover die door Gedeputeerde Staten aanvaardbaar en noodzakelijk worden geacht. 2. Niet subsidiabel zijn: a. beheer- en onderhoudskosten; b. algemene bestuurslasten zoals ambtenarensalarissen en kantoorinventaris; c. voorbereidings- en toezichtskosten. Artikel 2a.1.3 Op bijdrage in mindering te brengen kosten 2 Onverminderd het eerste lid worden op de hoogte van het bedrag aan cofinanciering in mindering gebracht de kosten van de uitvoering van onderhoud die de subsidie-ontvanger bespaart vanwege het niet uitvoeren van onderhoudswerkzaamheden. Artikel 2a.1.4 Verplichting tot instandhouden voorziening 1. De met behulp van provinciale cofinanciering gerealiseerde voorzieningen of investeringen dienen minimaal vijf jaar in stand te worden gehouden en/of hun oorspronkelijk beoogde functie te behouden. 2. Indien de voorzieningen of investeringen binnen een periode van vijf jaar worden verwijderd, tenietgedaan of hun oorspronkelijke functie verliezen, kunnen Gedeputeerde Staten het verleende en/of vastgestelde subsidiebedrag aan cofinanciering geheel of gedeeltelijk terugvorderen. Paragraaf 2 Procedure van besluitvorming en subsidieverlening Artikel 2a.2.1 Regionale en provinciale besluitvorming 1. De B5 stelt samen periodiek een ontwerp-uitvoeringsprogramma vast. 2. In het ontwerp/uitvoeringsprogramma, zoals bedoeld in het vorige lid kunnen de navolgende projecten worden opgenomen: a. Grote infrastructurele projecten, die deel uitmaken van het deelprogramma Stedelijke Bereikbaarheid; b. Grote infrastructurele projecten, kleine infrastructurele projecten en niet-infrastructurele projecten, die deel uitmaken van het deelprogramma OV/netwerk BrabantStad; c. Grote infrastructurele projecten, kleine infrastructurele projecten en niet-infrastructurele projecten, die deel uitmaken van het deelprogramma DVM BrabantStad. 3. Het ontwerp-uitvoeringsprogramma wordt vastgesteld in een bestuurlijk B5-overleg, waaraan de participerende B5-gemeenten en de Provincie Noord-Brabant als gelijkgerechtigden deelnemen. 4. De B5 dienen het door hen vastgestelde ontwerp-uitvoeringsprogramma in bij Gedeputeerde Staten, uiterlijk 1 december van het jaar voorafgaand aan het uitkeringsjaar. 5. Indien de deelnemende partijen in bestuurlijk B5-overleg zoals bedoeld in het derde lid, het ontwerp-uitvoeringsprogramma unaniem vaststellen, zullen Gedeputeerde Staten het door de B5 vastgestelde programma ongewijzigd overnemen en definitief vaststellen. 6. Indien de deelnemende partijen in B5 verband, zoals bedoeld in het derde lid, niet unaniem tot een besluit komen, zullen Gedeputeerde Staten het uitvoeringsprogramma naar eigen inzicht definitief vaststellen. 7. Gedeputeerde Staten stellen het uitvoeringsprogramma vast, uiterlijk 16 maart van het jaar waarop de uitkering betrekking heeft. Artikel 2a.2.2 Aanvraag, subsidieverlening en start werkzaamheden 1. Een krachtens artikel 2a.2.1 vierde lid bij Gedeputeerde Staten ingediend ontwerp-uitvoeringsprogramma, wordt tevens beschouwd als een bundel subsidieaanvragen voor de daarin opgenomen projecten. 2. Na vaststelling van een uitvoeringsprogramma door Gedeputeerde Staten verlenen Gedeputeerde Staten subsidie per project overeenkomstig het door hen vastgestelde uitvoeringsprogramma. 3. Projecten die op het moment van de aanvraag reeds zijn aanbesteed én gegund, en/of in uitvoering zijn genomen, komen niet voor een subsidie in aanmerking, tenzij hier voor schriftelijke toestemming is gevraagd en verkregen bij Gedeputeerde Staten. 4. Indien een aanvrager, voorafgaand aan de vaststelling van een uitvoeringsprogramma door Gedeputeerde Staten, van start gaat met de activiteiten waarvoor subsidie is gevraagd, dan geschiedt dat geheel voor eigen risico. 5. De opdrachtverlening van een project vindt plaats uiterlijk in het jaar na het jaar waarin de beschikking wordt afgegeven of op een nader overeengekomen tijdstip. Vindt opdrachtverlening van het project niet plaats binnen de in de vorige volzin bedoelde termijnen, dan wordt de toegekende financiële bijdrage ambtshalve ingetrokken. Artikel 2a.2.3 Declaratie en betaling 1. Indien het bedrag van subsidieverlening meer dan € 50.000 bedraagt, kunnen Gedeputeerde Staten op verzoek van de subsidieontvanger op basis van een tussentijdse declaratie overgaan tot uitbetaling van de in de subsidieverlening toegekende bedragen. 2. Een tussentijdse declaratie en overeenkomstige bevoorschotting van maximaal 50% van de bij subsidieverlening toegekende bijdrage, kan plaatsvinden nad de ontvanger minimaal 50% van de, in de verleningsbeschikking aangegeven totale subsidiabele kosten heeft gerealiseerd. 3. De einddeclaratie en bevoorschotting van maximaal 100% van de bij subsidieverlening toegekende bijdrage, kan plaatsvinden nadat het project of werk is afgerond. Deze declaratie wordt uiterlijk 1 december van het tweede jaar na het jaar waarin subsidieverlening heeft plaatsgevonden ingediend. 4. Declaraties zoals hiervoor bedoeld in lid 2 en lid 3 worden ingediend met gebruikmaking van een daartoe door Gedeputeerde Staten vastgesteld declaratieformulier. 5. In afwijking van lid 2 en van lid 3 kunnen in de verleningsbeschikking andere percentages worden opgenomen. 6. In afwijking van lid 2 en van lid 3 kan een ander kasritme worden afgesproken. 7.In afwijking van lid 3, tweede volzin, kunnen Gedeputeerde Staten, indien hierom bij het indienen van de subsidieaanvraag wordt verzocht, instemmen met een ander tijdstip voor het indienen van de declaratie. 8. In de verleningsbeschikking kunnen Gedeputeerde Staten nadere voorwaarden stellen ten aanzien van de declaraties zoals bedoeld onder lid 2 en 3 van dit artikel. Artikel 2a.2.4 Uitstelverlening Gedeputeerde Staten kunnen op een daartoe door de aanvrager ingediend verzoek eenmalig de termijn van opdrachtverlening, bedoeld in artikel 2a.2.2, vijfde lid, tweede volzin, respectievelijk van het tijdstip voor het indienen van de einddeclaratie, bedoeld in artikel 2a.2.3, derde lid, met maximaal één jaar verlengen, indien de aanvrager aantoont dat hij zich niet aan de voorgeschreven termijnen kan voldoen vanwege: niet tijdig kunnen verwerven van de benodigde gronden als gevolg van wettelijke of procedurele oorzaken, die niet aan de subsidieaanvrager te wijten zijn, mits op redelijke termijn zicht is op daadwerkelijke grondverwerving; het langer in beslag nemen dan gepland van de bestemmingsplanprocedure als gevolg van wettelijke, juridische of procedurele zaken; vertraging in samenhangende projecten of beïnvloeding van andere projecten waardoor aanvrager gedwongen is de uitvoeringsperiode te verlengen; vertraging in de uitvoering als gevolg van extreme of onverwachte weersomstandigheden; of vertraging in de opdrachtverlening of in de uitvoering als gevolg van andere aan derden toe te schrijven omstandigheden. Artikel 2a.2.5 Subsidievaststelling Uiterlijk 13 weken na ontvangst van de vastgestelde gemeentelijke jaarrekening (inclusief de SiSa-bijlage en rapport van bevindingen), die via het Centraal Bureau voor de Statistiek wordt gedistribueerd, stellen Gedeputeerde Staten de subsidie ambtshalve vast. Paragraaf 3 Samenstelling B5 - uitvoeringsprogramma Artikel 2a.3.1 Kwaliteitseisen B5-uitvoeringsprogramma De B5 neemt, bij het opstellen van het uitvoeringsprogramma, de volgende kwaliteitseisen in acht: 1. Het programma is de resultante van een periodieke dialoog tussen de regionale partners binnen het Netwerkprogramma BrabantStad Bereikbaar over de beoogde kwaliteit van de projecten en van de integrale afweging tussen de projecten; 2. Het programma geeft aan hoe de voorgenomen projecten de in de Netwerkanalyse BrabantStad en/of in de Gebiedagenda Brabant benoemde opgaven aanpakken; 3. Het programma geeft een meerjarig perspectief van de voorgenomen projecten; 4. De cofinanciering bedraagt maximaal 50% van de totale subsidiabele kosten, bedoeld in artikel 2a.1.1, eerste lid, respectievelijk artikel 2a.1.2, eerste lid, voor het gehele programma, verminderd met de in artikel 2a.1.1, tweede lid, artikel 2a.1.2, tweede lid en artikel 2a.1.3 bedoelde kosten; 5. Voor het samenstellen van het programma wordt gebruik gemaakt van het daartoe door Gedeputeerde Staten vastgestelde E-formulier. Het programma is een resultante van de door de B5 ingediende bundel E-formulieren. 6. Bij het samenstellen van het uitvoeringsprogramma wordt rekening gehouden met de herkomst en het oormerk van de te verdelen financiële middelen. 7. Indien en voor zover Provinciale Staten voor meerdere jaren budget beschikbaar stellen, kan de B5 een daarmee samenhangend meerjarenprogramma indienen. 8. Bij de samenstelling van een uitvoeringsprogramma voor meerdere jaren, zoals bedoeld in het vorige lid, mag voor het eerstvolgende en latere jaren niet meer worden geprogrammeerd dan maximaal 50% van het dan beschikbare jaarbudget van de betreffende jaren. Artikel 2a.3.2 Reserveprojecten en overprogrammering 1. De B5 kan overprogrammeren door reserveprojecten in het uitvoeringsprogramma op te nemen. 2. Indien één of meerdere projecten door onvoorziene omstandigheden niet in uitvoering kunnen worden genomen in het jaar waarin de beschikking is afgegeven, waardoor het budget van het desbetreffende uitkeringsjaar niet volledig dreigt te worden benut, kan de B5 besluiten reserveprojecten in uitvoering te nemen. 3. De B5 neemt een besluit, als bedoeld in het vorige lid, en deelt Gedeputeerde Staten uiterlijk 1 september van het uitkeringsjaar mede, welk reserveproject of welke reserveprojecten in uitvoering worden genomen. 4. De in het vorige lid omschreven mededeling aan Gedeputeerde Staten moet worden gezien als een verzoek tot subsidieverlening ten behoeve van het reserveproject en Gedeputeerde Staten verlenen dienovereenkomstig subsidie aan de desbetreffende gemeente(n). 5. Reserveprojecten dienen in het jaar waarin de beschikking wordt afgegeven in uitvoering te worden genomen. Artikel 2a.3.3 Niet sparen voor "duurdere" projecten De B5 kan van het jaarlijks regionale budget geen geld apart zetten en reserveren met als doel om te sparen voor de uitvoering van "duurdere" projecten in latere uitkeringsjaren. HOOFDSTUK 3. PROVINCIEBREDE PROJECTEN Artikel 3.1 Subsidiëring provinciebrede projecten 1 Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verlenen voor provinciebrede projecten. 2 Gedeputeerde Staten stellen jaarlijks een subsidieplafond vast ten behoeve van provinciebrede projecten. HOOFDSTUK 4. COFINANCIERING PERSONENVERVOER Paragraaf 1 Algemene uitgangspunten van cofinanciering Artikel 4.1.1 Reizigersoverleg Brabant 1 Gedeputeerde Staten kunnen per kalenderjaar een bedrag of een percentage van de brede doeluitkering te reserveren ten behoeve van het Reizigersoverleg Brabant. Dit gereserveerde bedrag kan worden aangewend ten behoeve van de kosten die door het Reizigersoverleg Brabant gemaakt worden om hun taak ten aanzien van het openbaar vervoer in voldoende vrijheid uit te kunnen oefenen. 2 Gedeputeerde Staten zijn bevoegd terzake van besluiten betreffende de verlening en/of vaststelling van middelen uit dit gereserveerde bedrag, alsmede tot wijziging of intrekking daarvan. 3 Indien in een bepaald kalenderjaar het gereserveerde bedrag niet geheel wordt aangewend, wordt op het gereserveerde bedrag dat in het daaropvolgende kalenderjaar wordt afgezonderd het restant in mindering gebracht. Artikel 4.1.2 Beslissingstermijn Gedeputeerde Staten Gedeputeerde Staten beslissen op een aanvraag tot verlening van subsidie voor een van de in dit hoofdstuk opgenomen subsidiemogelijkheden binnen 3 maanden na ontvangst van de aanvraag tot subsidieverlening, met uitzondering van die gevallen waarin ambtshalve subsidie wordt verleend. Artikel 4.1.3 Subsidieplafonds Gedeputeerde Staten stellen ten behoeve van de hierna te onderscheiden subsidies per kalenderjaar een subsidieplafond vast voor: de subsidies voor de exploitatie van het collectief vraagafhankelijk vervoer, de subsidies ten behoeve van de verbetering van de toegankelijkheid van het openbaar vervoer, de subsidies ten behoeve van de verbetering van de sociale veiligheid van het openbaar vervoer en de subsidies ten behoeve van de stimulering van het bedrijfsvervoer. Paragraaf 2 Subsidies voor het verrichten van openbaar vervoer Artikel 4.2.1 Gedeputeerde Staten kunnen aan de vervoerders aan wie concessie is verleend voor de duur van de concessie subsidie verlenen voor het verrichten van openbaar vervoer. Artikel 4.2.2 Subsidieverlening als bedoeld in artikel 4.2.1 vindt ambtshalve plaats en geschiedt overeenkomstig de bepalingen die hierover zijn opgenomen in de Programma’s van Eisen die ten behoeve van de concessieverlening zijn opgesteld. Artikel 4.2.2a Subsidieverlening als bedoeld in artikel 4.2.1 kan ook op verzoek plaatsvinden in gevallen die buiten de bepalingen vallen die hierover zijn opgenomen in de Programma’s van Eisen die ten behoeve van de concessieverlening zijn opgesteld. Artikel 4.2.3 Gedeputeerde Staten stellen binnen 3 maanden nadat de subsidieontvanger de voor vaststelling noodzakelijke gegevens heeft ingediend, ambtshalve de definitieve subsidie vast. Vaststelling van de subsidie geschiedt overeenkomstig de bepalingen die hierover zijn opgenomen in de Programma’s van Eisen die ten behoeve van de concessieverlening zijn opgesteld. Paragraaf 3 Subsidies voor het verrichten van collectief vraagafhankelijk vervoer. Artikel 4.3.1 1 Gedeputeerde Staten stellen per collectief vraagafhankelijk vervoer project een subsidieplafond vast, dat gelijk is aan het bedrag dat op basis van de bekostigingssystematiek aan het project kan worden toegerekend. 2 Gedeputeerde Staten kunnen uit het in lid 1 bedoelde bedrag subsidie verlenen voor de exploitatie van collectief vraagafhankelijk vervoer en voor investeringen in collectief vraagafhankelijk vervoer en andere onderdelen van het openbaar vervoer. Zij doen dit voor de exploitatie op basis van de per project gesloten overeenkomst met een vervoerder of vervoerscoördinator en voor de investeringen op basis van een bestuursovereenkomst welke terzake van het collectief vraagafhankelijk vervoer met een of meerdere gemeenten, al dan niet met andere partners, is gesloten. Zij kunnen besluiten hun beheerskosten voor het project te dekken uit het subsidiebedrag als bedoeld in lid 1 van dit artikel. 3 Gedeputeerde Staten verlenen subsidie voor de exploitatie van CVV op basis van de door een reiziger gemaakte rit. 4 De subsidie wordt verleend aan rechtspersonen met volledige rechtsbevoegdheid. Artikel 4.3.2 Subsidieverlening als bedoeld in artikel 4.3.1 vindt ambtshalve plaats en geschiedt ofwel overeenkomstig een bestuursovereenkomst die ten behoeve van het verrichten van collectief vraagafhankelijk vervoer (cvv) tussen de samenwerkende partijen is afgesloten ofwel middels een contract dat met een beroepsvervoerder is afgesloten. Artikel 4.3.3 Gedeputeerde Staten stellen jaarlijks binnen 3 maanden nadat de subsidieontvanger aan al zijn verplichtingen voortvloeiende uit de subsidieverlening heeft voldaan, ambtshalve de definitieve subsidie vast. Artikel 4.3.4 Het subsidiebedrag wordt overeenkomstig de in de subsidievaststelling opgenomen termijn betaald, onder verrekening van de betaalde voorschotten. Paragraaf 4 Subsidies ten behoeve van de verbetering van de toegankelijkheid en ten behoeve van de verbetering van de sociale veiligheid van het collectief vervoer. Artikel 4.4.1.1 Cofinanciering toegankelijkheid haltevoorzieningen 1 Gedeputeerde Staten kunnen voor iedere halte die in de periode van 1 januari 2008 tot en met 31 maart 2009 toegankelijk wordt gemaakt een vast bedrag van € 15.000 en voor iedere halte waarvan de werkzaamheden van het toegankelijk maken uiterlijk op 31 december 2011 zijn gegund of aanbesteed en die uiterlijk op 31 december 2012 toegankelijk is gemaakt een vast bedrag van € 12.500 aan subsidie verlenen, mits: het toegankelijk maken van de halte geschiedt overeenkomstig de in bijlage 7 opgenomen criteria en de halte behoort tot de categorieën 2 tot en met 4 van de in bijlage 8 opgenomen geprioriteerde haltes. 2 Gedeputeerde Staten kunnen voor iedere halte waarvan de werkzaamheden van het toegankelijk maken uiterlijk op 31 december 2011 zijn gegund of aanbesteed en die uiterlijk 31 december 2012 toegankelijk is gemaakt een ander bedrag aan subsidie verlenen dan de in lid 1 van dit artikel aangegeven bedragen, mits: het toegankelijk maken van de halte geschiedt overeenkomstig de in bijlage 7 opgenomen criteria en de halte behoort tot categorie 1 van de in bijlage 8 opgenomen geprioriteerde haltes of behoort tot categorie 2 van de in bijlage 8 opgenomen geprioriteerde haltes mits de infrastructuur van de tot categorie 2 behorende halte uit meer dan één insteekhaven bestaat. 3 Ten behoeve van het kunnen vaststellen van het middels lid 2 van dit artikel te verlenen subsidiebedrag wordt bij de subsidieaanvraag een gespecificeerde kostenraming voor het fysiek toegankelijk maken van de betreffende halte overlegd. 4 Gedeputeerde Staten kunnen voor een geprioriteerde halte, die voor 1 januari 2008 gedeeltelijk toegankelijk is gemaakt, op verzoek van de gemeente, waarin deze halte is gelegen, voor het volledig toegankelijk maken van de halte een ander bedrag aan subsidie verlenen dan de in lid 1 van dit artikel aangegeven bedragen. 5 Gedeputeerde Staten kunnen voor iedere bushalte waarvan de werkzaamheden van het toegankelijk maken uiterlijk op 31 december 2012 zijn aanbesteed en gegund en die uiterlijk op 31 december 2013 toegankelijk is gemaakt een bedrag van maximaal € 12.500 aan subsidie verlenen, indien: het toegankelijk maken van de bushalte geschiedt overeenkomstig de in bijlage 7 opgenomen criteria, en de bushalte behoort tot de in bijlage A opgenomen geprioriteerde bushaltes. 6 Gedeputeerde Staten kunnen voor ieder busstation waarvan de werkzaamheden van het toegankelijk maken uiterlijk op 31 december 2012 zijn aanbesteed en gegund en die uiterlijk 31 december 2013 toegankelijk is gemaakt afwijken van het bedrag genoemd in het vorige lid, indien: het toegankelijk maken van het busstation geschiedt overeenkomstig de in bijlage 7 opgenomen criteria, en het busstation behoort tot de in bijlage B opgenomen geprioriteerde busstations. Artikel 4.4.1.2 Reikwijdte regeling 1 Voor het aanschaffen en plaatsen van haltemeubilair wordt geen subsidie verleend, tenzij het aanschaffen en plaatsen van het haltemeubilair betrekking heeft op een geprioriteerde halte langs een weg, die bij de provincie Noord-Brabant in beheer en onderhoud is. 2 Bij toepassing van het vorige lid kunnen gemeenten, wanneer de aanschaf en plaatsing van haltemeubilair geheel geschiedt overeenkomstig de in bijlage 9 opgenomen criteria, verzoeken om de kosten volledig voor cofinanciering in aanmerking te laten komen. 3 Haltes die op het moment van de aanvraag reeds ten behoeve van het toegankelijk maken zijn aanbesteed én gegund, of die reeds in uitvoering zijn genomen, komen niet voor een subsidie op grond van voorgaand artikel in aanmerking. 4 Indien een aanvrager, voorafgaand aan de verlening van cofinanciering door Gedeputeerde Staten, van start gaat met de activiteiten waarvoor subsidie is gevraagd, dan geschiedt dat geheel voor eigen risico. 5 Een gemeente kan een subsidieaanvraag indienen voor haltes die binnen de gemeentegrenzen van de betreffende gemeente zijn gelegen. In de aanvraag kan zowel voor individuele haltes als voor clusters van haltes om cofinanciering verzocht worden. Artikel 4.4.1.3 Aanvraag cofinanciering 1 Een aanvraag voor cofinanciering voor het toegankelijk maken van haltevoorzieningen wordt ingediend met gebruikmaking van het formulier, zoals in bijlage 10 is weergegeven. 2 Over iedere aanvraag om cofinanciering wordt door Gedeputeerde Staten advies gevraagd aan een onafhankelijke deskundige. 3 Deze deskundige heeft tot taak om Gedeputeerde Staten van advies te dienen of bij iedere aanvraag om cofinanciering aan de in de bijlagen opgenomen criteria voor toegankelijkheid is voldaan. 4 Gedeputeerde Staten beslissen over de subsidieaanvraag binnen uiterlijk 13 weken na ontvangst van het volledig ingevulde aanvraagformulier. Zij kunnen de termijn waarbinnen zij moeten beslissen slechts eenmaal met ten hoogste 13 weken verdagen. Artikel 4.4.1.4 Bijdragen uit ander bron De kosten, welke redelijkerwijs ten laste van andere kostendragers kunnen worden gebracht, worden in mindering gebracht op de in artikel 4.4.1.1 aangegeven cofinancieringsbedragen. Artikel 4.4.1.5 Verplichting tot instandhouden voorziening 1 De met behulp van provinciale cofinanciering gerealiseerde voorzieningen of investeringen dienen minimaal vijf jaar in stand te worden gehouden en hun oorspronkelijk beoogde functie te behouden. 2 Gedeputeerde Staten kunnen het vastgestelde bedrag aan cofinanciering geheel of gedeeltelijk terugvorderen indien de voorzieningen of investeringen binnen een periode van vijf jaar worden verwijderd, tenietgedaan of hun oorspronkelijke functie verliezen. Artikel 4.4.1.6 Declaratie en uitbetaling 1 Na afronding van het project of van de activiteiten waarvoor subsidie is verleend, kunnen Gedeputeerde Staten op verzoek van de subsidieontvanger op basis van een ingevuld en ingediend eindtoetsformulier, zoals in bijlage 11 is weergegeven, overgaan tot uitbetaling van het krachtens de subsidieverlening toegekende bedrag. 2 Indien de subsidieverlening meer dan € 50.000 bedraagt, kunnen Gedeputeerde Staten op verzoek van de subsidieontvanger op basis van een tussentijdse declaratie overgaan tot uitbetaling van de bij subsidieverlening toegekende bedragen. 3 Een tussentijdse declaratie en overeenkomstige bevoorschotting van maximaal 50% van de bij verlening toegekende bijdrage, kan plaatsvinden nadat de ontvanger minimaal 50% van de, in de verleningsbeschikking aangegeven totale subsidiabele kosten heeft gerealiseerd. 4 Een einddeclaratie en bevoorschotting van maximaal 100% van de bij de subsidieverlening toegekende bijdrage, kan plaatsvinden nadat het project is afgerond. 5 Declaraties worden ingediend met gebruikmaking van een daartoe door Gedeputeerde Staten vastgesteld declaratieformulier en gaan vergezeld van een overzicht van de data van alle wijzigingen die op de halte(
- s)zijn uitgevoerd. 6 In afwijking van lid 3 en van lid 4 kunnen in de verleningsbeschikking andere percentages worden opgenomen. 7 In de verleningsbeschikking kunnen Gedeputeerde Staten nadere voorwaarden stellen ten aanzien van de declaraties zoals bedoeld onder lid 3 en lid 4 van dit artikel. Artikel 4.4.1.7 Subsidievaststelling Uiterlijk 13 weken na ontvangst van de vastgestelde gemeentelijke jaarrekening (inclusief de SiSa-bijlage en rapport van bevindingen), die via het Centraal Bureau voor de Statistiek wordt gedistribueerd, stellen Gedeputeerde Staten de subsidie ambtshalve vast. Artikel 4.4.2.1 Verbetering sociale veiligheid openbaar vervoer Gedeputeerde Staten kunnen aan de vervoerders, aan wie concessie voor het verrichten van openbaar vervoer is verleend, subsidie verlenen ter bekostiging van projecten welke bijdragen aan de verbetering van de sociale veiligheid van het openbaar vervoer. Artikel 4.4.2.2 Reikwijdte De subsidies als bedoeld in artikel 4.4.2.1 worden uitsluitend verleend voor projecten die worden uitgevoerd in de gebieden en/of voor die lijnen waar de provincie Noord-Brabant verantwoordelijk is voor het (laten) exploiteren van het openbaar vervoer als bedoeld in de Wp 2000 en het Besluit personenvervoer 2000. Artikel 4.4.2.3 Een aanvraag van een subsidie als bedoeld in artikel 4.4.2.1 van deze beleidsregels dient te worden ingediend tenminste 3 maanden voordat met de uitvoering van het project een begin wordt gemaakt. Artikel 4.4.2.4 De subsidieontvanger dient binnen 3 maanden na afloop van het project waarvoor subsidie is verleend een aanvraag tot vaststelling van de subsidie in. Artikel 4.4.2.5 Gedeputeerde Staten beslissen binnen 3 maanden na de datum van ontvangst op de aanvraag ingevolge artikel 4.4.2.4 van deze beleidsregels. Deze beslissing kan eenmaal voor ten hoogste drie maanden worden verdaagd. Artikel 4.4.2.6 De betaling van het ingevolge artikel 4.4.2.5 vastgestelde subsidiebedrag vindt plaats binnen 3 maanden na het besluit tot subsidievaststelling. Paragraaf 5 Subsidies voor het stimuleren van bedrijfsvervoer. Artikel 4.5.1 Gedeputeerde Staten kunnen per kalenderjaar een bedrag of een percentage van de brede doeluitkering reserveren ten behoeve van het stimuleren van bedrijfsvervoer. Artikel 4.5.2 1 Gedeputeerde Staten kunnen aan een werkgever of aan een organisatie, die eventueel als gemachtigde namens meerdere werkgevers op een werkplek optreedt, subsidie verlenen voor de kosten van het verrichten van bedrijfsvervoer dat ter uitvoering van een bedrijfsvervoerplan plaatsvindt. 2 Subsidie wordt slechts verleend, onder voorwaarde, dat het jaarlijks door Gedeputeerde Staten vastgestelde subsidieplafond voor de stimulering van bedrijfsvervoer niet wordt overschreden. Artikel 4.5.3 1 Een aanvraag voor subsidie wordt tenminste 3 maanden voor de aanvang van het kalenderjaar waarvoor subsidie wordt aangevraagd, ingediend bij Gedeputeerde Staten. 2 Gedeputeerde Staten kunnen formulieren voor de aanvraag van subsidie voor bedrijfsvervoer en voor de vaststelling van subsidie voor bedrijfsvervoer vaststellen. Artikel 4.5.4 De subsidieaanvraag omvat: een bedrijfsvervoerplan met de naam en het adres van de betrokken werkgever(-s), de te rijden route(s), een overzicht van de halteplaatsen, het aantal reizigers, het aantal geraamde dagen waarop de werknemers aan het bedrijfsvervoer deelnemen, schema van reismogelijkheden en een overzicht van de in te zetten motorvoertuigen. een vermelding van het kalenderjaar waarvoor subsidie voor bedrijfsvervoer wordt aangevraagd; een machtiging ingeval de aanvrager optreedt namens één of meerdere werkgevers; een afschrift van eventueel gesloten overeenkomsten met een beroepsvervoerder voor het verrichten van bedrijfsvervoer; een afschrift van een uittreksel uit het Handelsregister van de aanvrager, en voor zover de aanvrager gemachtigd is door één of meerdere werkgevers, afschriften van de uittreksels uit het Handelsregister van de bedrijven die hij/zij vertegenwoordigt; een verklaring betreffende de vorm van zeggenschap van de werkgever(
- s)over de locatie waar de deelnemers aan het bedrijfsvervoer hun werkzaamheden uitvoeren; bescheiden die aantonen dat de aanvrager geen reiskostenvergoeding betaalt aan werknemers die gebruik maken van het bedrijfsvervoer; een verklaring van de aanvrager dat ten behoeve van het bedrijfsvervoer geen gebruik wordt gemaakt van andere subsidie mogelijkheden; een raming van het aantal dagen in het bedrijfsvervoerplan, gecorrigeerd met 5 procent voor ziekteverzuim en voor het gemiddelde aantal verlofdagen en adv dagen waarop de betrokken werknemers jaarlijks recht hebben. Artikel 4.5.5 De subsidieaanvraag wordt getoetst aan de volgende criteria: De werkplek is gelegen in de provincie Noord-Brabant. Alleen bedrijven met werkplekken, gelegen in het gebied waarvoor de provincie het bevoegde gezag is voor het openbaar vervoer, komen voor subsidie in aanmerking. Het bedrijfsvervoer wordt verricht met motorvoertuigen ingericht voor het vervoer van minimaal acht personen, de bestuurder daaronder niet begrepen. Het bedrijfsvervoer wordt gedurende het hele kalenderjaar waarvoor subsidie is aangevraagd, uitgevoerd. Artikel 4.5.6 Subsidie voor bedrijfsvervoer wordt niet verleend: Indien ten behoeve van het bedrijfsvervoer andere bijdragen van overheidswege worden verstrekt. Indien de werkgever geen op het privaatrecht gebaseerde zeggenschap of recht van gebruik op de werkplek heeft. Artikel 4.5.7 1 De subsidie wordt verleend voor de periode van één kalenderjaar. 2 De subsidie bedraagt het door Gedeputeerde Staten hiervoor per deelnemende werknemer per dag vastgestelde bedrag. De maximale subsidie aan een aanvrager wordt bepaald door het in het bedrijfsvervoerplan geraamde aantal dagen, dat de werknemers aan het bedrijfsvervoer deelnemen, te vermenigvuldigen met het daartoe door Gedeputeerde Staten per deelnemende werknemer per dag vastgestelde bedrag. 3 De subsidie wordt in het volgende kalenderjaar vastgesteld op basis van nacalculatie conform artikel 4.5.11 van deze subsidieregeling. 4 De subsidie bedraagt € 1,45 per werknemer per dag en wordt met ingang van 1 januari 2011 verhoogd naar €1,70 per werknemer per dag. Artikel 4.5.8 1 De aanvrager draagt zorg voor verrichting van het bedrijfsvervoer in overeenstemming met het bedrijfsvervoerplan. 2 De aanvrager houdt een lijst bij van werknemers die gebruik maken van het bedrijfsvervoer (tellijsten). 3 De aanvrager informeert Gedeputeerde Staten onverwijld over wijzigingen in en afwijkingen van het bedrijfsvervoerplan, die leiden tot wijziging van het aantal deelnemende werknemers. 4 De aanvrager verschaft op verzoek van Gedeputeerde Staten alle bescheiden en inlichtingen die nodig zijn om te beoordelen of de aanvrager voldoet aan zijn subsidieverplichtingen. Artikel 4.5.9 Indien een aanvrager in het jaar voorafgaande aan het jaar waarvoor een subsidie wordt gevraagd reeds subsidie heeft ontvangen op grond van de Cofinancieringsregeling Verkeer en Vervoer Noord-Brabant, kan een hernieuwde aanvraag voor het nieuwe kalenderjaar beperkt blijven tot: een verwijzing naar de eerder ingediende aanvraag; vermelding van wijzigingen ten opzichte van die aanvraag; een overzicht van het totaal aantal gerealiseerde dagen waarop de werknemers aan het bedrijfsvervoerplan hebben deelgenomen in het afgelopen jaar. Artikel 4.5.10 1 Gedeputeerde Staten verlenen met voorrang subsidie aan aanvragers als bedoeld in artikel 4.5.9 van deze beleidsregels. 2 Hierna wordt met voorrang subsidie verleend aan aanvragers, waarvan de aanvraag door Gedeputeerde Staten is afgewezen op grond van het feit, dat bij het honoreren van de betreffende aanvraag het maximaal door Gedeputeerde Staten vastgestelde bedrag voor bedrijfsvervoer zou worden overschreden. 3 Gedeputeerde Staten verlenen voorts aan aanvragers subsidie op basis van de volgorde van binnenkomst van de aanvrage. Artikel 4.5.11 1 De aanvrager dient binnen 3 maanden na afloop van het kalenderjaar waarop de subsidie betrekking heeft, of na beëindiging van het bedrijfsvervoer, bij Gedeputeerde Staten een verzoek tot vaststelling van de subsidie voor bedrijfsvervoer in. 2 De aanvraag tot vaststelling gaat vergezeld van een overzicht van het in het betreffende kalenderjaar gerealiseerde aantal dagen waarop de werknemers aan het bedrijfsvervoerplan hebben deelgenomen en een daarop betrekking hebbende accountantsverklaring of bestuursverklaring. 3 Op basis van het aantal dagen waarop de werknemers daadwerkelijk aan het bedrijfsvervoer hebben deelgenomen wordt de definitieve subsidie vastgesteld, waarbij als maximum geldt het ingevolge artikel 4.5.7 lid 2 van deze subsidieregeling bepaalde bedrag van de subsidie. Paragraaf 6 Collectief vervoer ontwikkelingsprojecten Artikel 4.6.1 Collectief Vervoer Ontwikkelproject Gedeputeerde Staten zijn bevoegd subsidies te verlenen voor de bekostiging van activiteiten welke passen in de ontwikkeling van het beleid met betrekking tot het collectief vervoer van personen. HOOFDSTUK 5. SLOTBEPALINGEN Artikel 5.1 Hardheidsclausule Gedeputeerde Staten kunnen in individuele gevallen bepalingen in deze regeling buiten toepassing laten of daarvan afwijken, voor zover toepassing gelet op het belang van stimulering van het verkeer en vervoer zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard. Artikel 5.2 Intrekking 1 De regeling Extra investeringsimpuls infrastructuur in het stads- en streekvervoer 1996-2000 wordt ingetrokken; 2 De Beleidsregels Cofinanciering Verkeer en Vervoer, gepubliceerd in het Provinciaal Blad, 2006, 04, worden ingetrokken; 3 De Beleidsregels Cofinanciering Verkeer en Vervoer, gepubliceerd in het Provinciaal Blad, 2008, 57, worden ingetrokken. Artikel 5.3 Inwerkingtreding Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Provinciaal Blad waarin zij wordt geplaatst. Artikel 5.4 Citeertitel Deze regeling wordt aangehaald als: Subsidieregeling verkeer en vervoer Noord-Brabant. ’s-Hertogenbosch, 16 maart 2010 Gedeputeerde Staten voornoemd, de voorzitter prof. dr. W.B.H.J van de Donk de secretaris drs. W.G.H.M. Rutten DEEL 1. ALGEMENE TOELICHTING Inleiding Vanaf 1 januari 2006 werkt de provincie Noord-Brabant met een algemene subsidieverordening (ASV). Onder deze ASV worden per werkveld aparte subsidieregelingen geformuleerd. De (co)financiering van de uitvoering van het provinciaal verkeers- en vervoerplan (PVVP) wordt geregeld via de “Subsidieregeling verkeer en vervoer Noord-Brabant”. Voorheen kende het werkveld verkeer en vervoer verschillende subsidie- en bijdrageregelingen voor onder meer infrastructurele projecten, voor verkeersveiligheid en voor openbaar vervoer. In de Subsidieregeling verkeer en vervoer Noord-Brabant zijn al deze aspecten ondergebracht in één regeling. Hieronder in Deel 1 van de Toelichting wordt ingegaan op het beleidsmatige kader van de regeling. Voor de volledigheid zij opgemerkt dat deze beleidsregels in 2008 en 2010 deels zijn gewijzigd. Deze wijzigingen worden hierna toegelicht. In Deel 2 van deze Toelichting worden de bepalingen artikelsgewijs toegelicht. Voor de goede orde wordt opgemerkt dat de toelichting en de bijlagen integraal onderdeel uitmaken van de regeling. Aanleiding De belangrijkste beweegredenen voor deze regeling zijn: sturingsfilosofie en uitvoeringstrategie van het nieuwe PVVP (2006-2020); de verdere decentralisatie; de deregulering. PVVPDe Subsidieregeling verkeer en vervoer Noord-Brabant is een van de instrumenten die de provincie inzet om invulling te geven aan de uitvoeringsstrategie van het PVVP. De uitvoeringsstrategie van het PVVP is wezenlijk anders dan voorheen. De gemeenten en provincie maken samen op basis van de dynamische beleidsagenda en de regionale beleidsagenda een meerjarig maatregelenpakket en een jaarlijks regionaal uitvoeringsprogramma met een meerjarige doorkijk. Die uitvoeringsstrategie beoogt mobiliteitsknelpunten op het juiste schaalniveau integraal aan te pakken en de uitvoeringskracht te vergroten. Het regionale schaalniveau is bij uitstek geëigend om te komen tot integrale afwegingen voor een groot aantal beleidsthema's, waaronder openbaar vervoer, auto, verkeersveiligheid, bereikbaarheid per fiets en de leefbaarheid van woongebieden. Een wezenlijk onderdeel van de uitvoeringsstrategie is de keuze om de inhoudelijke sturing en de kwaliteitsborging van de uitvoering van het PVVP in de GGA-regio’s en B5 niet te laten plaatsvinden op individueel projectniveau, maar op het niveau van een samenhangend regionaal pakket van maatregelen. Daarmee beogen we een meer integrale en daardoor effectievere aanpak van de mobiliteitsproblematiek. De voorliggende Subsidieregeling verkeer en vervoer Noord-Brabant gaat uit van subsidie op basis van integrale regionale maatregelenpakketten of uitvoeringsprogramma’s en niet meer op basis van individuele projecten. We noemen dit “cofinanciering” om de gelijkwaardige financiële samenwerking tussen de regionale partners tot uitdrukking te brengen. Dit vergt een andere vorm van sturing door de provincie. Het beoordelen van een pakket is iets wezenlijk anders dan het beoordelen van een project. Maar het borgen en bewaken van kwaliteit blijft onverminderd belangrijk. De Subsidieregeling verkeer en vervoer Noord-Brabant zoekt die kwaliteitsborging niet in gedetailleerde uitvoeringsvoorschriften voor individuele projecten, maar in helderheid over te bereiken doelen (de provinciale kaders op hoofdlijnen), en het stellen van kwaliteitseisen aan het proces in de regio’s en aan de B5. Dat proces kenmerkt zich onder andere door feedback, kwaliteitsontwikkeling en publieke competitie; zaken die onder één noemer worden gebracht in het begrip `horizontalisering'. De provincie heeft daarbij een belangrijke rol als regisseur en procesfacilitator, waarbij instrumenten als deze regeling en een integrale prioriteringsmethode worden gebruikt om het proces te structureren. In dit proces heeft de provincie, doordat ze zich minder heeft vastgelegd op gedetailleerde uitvoeringsvoorschriften op projectniveau, meer politieke ruimte om te sturen op de samenstelling van het totaalpakket. Decentralisatie Verkeers- en vervoerproblemen kunnen het best aangepakt worden op het schaalniveau waar ze zich voor doen. Veel verkeers- en vervoerproblemen zijn het meest effectief aan te pakken op het regionale niveau. De provincies en kaderwetgebieden zijn het meest aangewezen niveau om het geïntegreerde beleid ten aanzien van de investeringen in regionale infrastructuur vorm te geven. De samenhang tussen regionale ruimtelijke planning en de aard van de regionale verkeers- en vervoerproblemen is een belangrijke overweging bij de keuze voor de financiële decentralisatie naar de provincies en kaderwetgebieden. In 1996 is het Rijk gestart met het decentraliseren van de middelen voor regionale en lokale infrastructurele projecten. Ten aanzien van de planvorming geldt sinds 1998 de Planwet verkeer en vervoer. Hierin is geregeld dat op rijksniveau een NVVP wordt gemaakt, dat tevens kader vormt voor de op regionaal niveau op te stellen PVVP’s en RVVP’s. Door het Rijk belangrijk geachte beleidsprioriteiten kunnen daarbij via de zogenaamde essentiële onderdelen verplichtend worden voorgeschreven. Per 1 januari 2005 is de Wet Brede Doeluitkering (BDU) verkeer en vervoer in werking getreden. Via deze wet worden diverse geldstromen die vanuit het Rijk voor de uitvoering van specifieke onderdelen van het verkeers- en vervoerbeleid naar decentrale overheden gingen, gebundeld en ontschot. Dat houdt in dat deze geldstromen vanuit het Rijk niet langer aan diverse deelonderwerpen zijn gekoppeld, maar dat de decentrale overheden (provincies, gemeenten) de ruimte wordt geboden om zelf binnen de brede doeluitkering prioriteiten (in tijd en uitgavencategoriën) te stellen. Enige randvoorwaarde is dat de uitkering moet worden besteed aan de voorbereiding en uitvoering van het verkeers- en vervoerbeleid. Hiermee krijgen de decentrale overheden beter dan voorheen de mogelijkheid om te kiezen voor maatwerkoplossingen. Tevens wordt bereikt dat beslissen en betalen in één hand komt te liggen. Hiermee is het decentralisatie-proces voor het werkveld verkeer en vervoer vooralsnog afgerond. Deregulering Een van de speerpunten uit het provinciaal beleid is de deregulering. De belangrijkste doelen van de deregulering zijn: transparant proces van subsidieverlening/cofinanciering voor met name de partner; het terugdringen van het aantal verordeningen/beleidsregels; uniformiteit in processen; deregulering door het zoveel mogelijk beperken van de regels; flexibiliteit Het doel Beleidsmatig De Subsidieregeling verkeer en vervoer Noord-Brabant draagt bij aan de uitvoering van de Essentiële Onderdelen van het PVVP zowel provinciebreed als regionaal, en faciliteert en stimuleert op regionaal niveau de samenwerking. De tactische doelen van het PVVP zijn: vervoerssystemen inzetten op hun sterkste kant; aanbieden van alternatieven voor problematisch gebruik vervoerswijzen; een vlotte afwikkeling van de verkeersstromen met het minimaliseren van de daarmee gepaard gaande overlast; (binnen regionale context) optimaal situeren van relevante maatschappelijke activiteiten (woon- en werklocaties) De effectdoelen, effectindicatoren, prestatiedoelen en prestatie-indicatoren zijn terug te vinden in het doelenschema van het PVVP. De regeling is in nauw overleg met onze belangrijkste partners, de gemeenten, opgesteld. Vooraf is afgesproken dat het eindresultaat aan de volgende eisen of voorwaarden dient te voldoen, te weten: het dient te passen binnen de in het kader van de deregulering geformuleerde doelstellingen en ontwikkelde formatten; het moet aansluiten bij de sturingsfilosofie van het PVVP (integrale regionale samenwerking); transparant; het is flexibel (voldoende dynamisch) en bestand tegen de tijdgeest; en het dient te passen binnen Europese regelgeving. Opzet Subsidieregeling verkeer en vervoer Noord-Brabant De Subsidieregeling verkeer en vervoer Noord-Brabant is in hoofdlijnen als volgt: Algemene bepalingen Regionale uitvoeringsprogramma’s (projecten regionaal uitvoeringsprogramma GGA-regio's regionaal uitvoeringsprogramma SRE De regionale uitvoeringsprogramma’s, zoals uitgewerkt in Hoofdstuk 2 van deze regeling, hebben betrekking op drie soorten projecten, te weten: Kleine infrastructurele projecten, Niet-infrastructurele projecten en Innovatieve projecten. Kortom, het gaat om projecten, waarvan de totale subsidiabele projectkosten lager zijn dan € 10.000.000,--. Het B5-programma, zoals uitgewerkt in Hoofdstuk 2A, heeft daarnaast ook betrekking op Grote infrastructurele projecten. Dat wil zeggen: projecten, waarvan de totale kosten variëren van € 10.000.000,- tot maximaal € 40.000.000,-. Deze projecten worden gedefinieerd in Artikel 1 van de Algemene bepalingen. De regionale en B5-programma’s komen tot stand aan de regionale tafel, waar de gemeenten én de provincie én Rijkswaterstaat besluiten welke projecten worden opgenomen in het B5-programma. Hierdoor heeft de provincie meer mogelijkheden om de samenstelling van de maatregelenpakketten te beïnvloeden. Op termijn zal er gewerkt worden op basis van regionale meerjaren maatregelenpakketten. Deze zijn gebaseerd zijn op de regionale beleidsagenda’s . Regionaal is/wordt voor deze aandachtsgebieden het beleid verder uitgewerkt en mede op basis van die uitwerkingen zal een integrale afweging worden gemaakt welke projecten in aanmerking komen voor cofinanciering. De provincie praat dus in een vroeg stadium mee over de projectkeuzes. Een belangrijk uitgangspunt in de regeling is uitvoeringskracht. Alleen projecten, die aantoonbaar uitvoeringsgereed zijn, komen in aanmerking voor cofinanciering. Indien een project niet in het jaar waarin de beschikking wordt afgegeven in uitvoering wordt genomen, vervalt het bedrag aan cofinanciering. Ingevolge de Wet personenvervoer 2000 is het college van gedeputeerde staten onverdeeld opdrachtgever voor het verrichten van openbaar vervoer binnen het gebied van haar provincie. Dit uitgangspunt zorgt er voor dat er aan het woord “cofinanciering” bij personenvervoer een enigszins andere betekenis moet worden toegekend dan aan het woord “cofinanciering” bij regionale uitvoeringsprogramma’s en/of provinciebrede initiatieven. Immers bij de cofinanciering van de regionale uitvoeringprogramma’s en/of provinciebrede initiatieven is er in het algemeen sprake van een gemeenschappelijke financiering van een project door de provincie en een of meerdere gemeenten terwijl aan de financiering van het personenvervoer over het algemeen door de gemeenten niet wordt deelgenomen en het alleen de provincie is die projecten van de vervoerder subsidieert. Voor de cofinanciering van het personenvervoer betekent dit dat de bijdragen zowel voor het openbaar vervoer als voor het collectief vraagafhankelijk vervoer en/of treintaxi als regel worden verstrekt op basis van meerjarige contractuele verplichtingen die middels aanbestedingen tot stand zijn gekomen (incidenteel kunnen overbruggingscontracten gesloten worden) en die vervolgens afhankelijk van de jaarlijkse dienstverlening worden ingevuld. De provincie kan overigens bij het aanbesteden en/of bij het afsluiten van de meerjarige contracten samenwerken met een of meerdere gemeenten als (mede-)opdrachtgever. Wijzigingen regeling januari 2008 De Cofinancieringsregeling Verkeer en Vervoer is in januari 2008 op een aantal punten aangepast. De aanleiding hiervoor was drieledig. In de eerste plaats is in 2006 wetgeving van kracht geworden met betrekking tot de implementatie van single-information, single-audit (SISA). Dit houdt in dat de bepalingen met betrekking tot verantwoording en accountantscontrole terzake van BDU zijn vervallen en vervangen door de bepalingen van SISA. Kort gezegd betekent dit dat de aparte jaarlijkse verantwoording BDU door de BDU-ontvanger (provincie) wordt vervangen door een verantwoording en accountantsverklaring over de jaarrekening van het betreffende kalenderjaar. De provincie wil met ingang van 2008 de gemeenten in de gelegenheid stellen op eenzelfde wijze verantwoording af te leggen over de besteding van de op basis van deze regeling toegekende subsidies. Met deze wijze van verantwoorden wil de provincie vooruitlopend op een landelijke regeling de administratieve lasten voor de gemeenten terugdringen en toewerken naar een meer bij deze tijd passende systematiek. In de tweede plaats zijn er bestuurlijke afspraken met de Minister van Verkeer en Waterstaat gemaakt over het verbeteren van de fysieke toegankelijkheid van bushaltes. Vooruitlopend op deze afspraken hebben Provinciale Staten op 22 juni 2006 de provinciale Openbaar Vervoer-visie "OV in Brabant: Snel-Schoon-Sociaal, visie openbaar vervoer 2006-2020” vastgesteld. In deze vastgestelde OV-visie is toegankelijkheid als één van de tien kernthema's voor een sterk openbaar vervoer aangemerkt. Toegankelijkheid betekent in dit geval dat er voor de reiziger, of hij nu jong of oud is, of hij nu met of zonder bagage, kinderwagen of hulpmiddel reist en of hij nu wel of niet een functiebeperking heeft, geen fysieke en mentale belemmeringen mogen zijn om van het openbaar vervoer gebruik te maken. Concreet is in deze visie vastgelegd dat het lijngebonden OV uiterlijk in 2015 zodanig toegankelijk zal zijn dat de OV-voorzieningen voor 90% van alle reizigers beschikbaar zijn. In 2010 zal dit voor 65% van de reizigers reeds gelden. Ter bevordering van het bereiken van deze toegankelijkheid van het openbaar vervoer, hebben Gedeputeerde Staten op 25 september 2007 het projectplan toegankelijke haltes vastgesteld alsmede de uitgangspunten voor de cofinancieringregeling. Hoewel het toegankelijk maken van de meeste haltes primair de verantwoordelijkheid van de gemeenten is, hebben Gedeputeerde Staten op 25 september 2007 deze uitgangspunten toch vastgesteld. Gedeputeerde Staten wensen de aanpak van geprioriteerde haltes zo optimaal mogelijk te faciliteren. Met het begrip geprioriteerde haltes worden de haltes bedoeld die bij belangrijke voorzieningen zoals ziekenhuizen en vervoersknooppunten zijn gelegen dan wel de heel drukke haltes. Met de subsidieregeling inzake toegankelijkheid haltevoorzieningen zoals neergelegd in de artikelen 4.4.1.1 tot en met 4.4.1.7 van Titel 4 van Hoofdstuk 4 hebben Gedeputeerde Staten in overeenstemming met de door hen zelf vastgestelde uitgangspunten invulling gegeven aan hun wens tot het faciliteren van de gemeenten bij hun aanpak van de infrastructurele toegankelijkheid. Zij hebben hiermee voor de jaren 2008 tot en met 2011 een tijdelijke cofinancieringsmaatregel vastgesteld voor het toegankelijk maken van de geprioriteerde haltes waarbij de gemeenten per gerealiseerde halte een normbedrag aan cofinanciering kunnen ontvangen. Met deze facilitering zal een krachtige impuls aan het daadwerkelijk toegankelijk maken van een groot aantal haltes worden gegeven en wordt de toegankelijkheid van de belangrijkste haltes in een relatief kort tijdsbestek gerealiseerd. Concreet betekent dit dat in heel Noord-Brabant (uitgezonderd het SRE), met een totaal haltebestand van ongeveer 4250 haltes, ruim 1500 geprioriteerde haltes zullen worden verbeterd waarmee naar verwachting ongeveer 46% van het totale aantal haltes in Noord-Brabant uiterlijk in 2015 toegankelijk zal zijn. Met deze aanpak wordt ruim voldaan aan de afspraken die met het ministerie van Verkeer en Waterstaat in een bestuursovereenkomst zijn vastgelegd. In de derde plaats zijn er bestuurlijke afspraken gemaakt in het kader van de financiering van de Regiotaxi. Hierbij is afgesproken dat (een deel van) de Regiotaxi-gelden zullen worden ingezet om de fysieke toegankelijkheid van niet-geprioriteerde haltes te verbeteren. Deze zogenoemde niet-geprioriteerde bushaltes hebben weliswaar - zoals de naam ook al zegt - minder prioriteit, maar de provincie heeft desondanks toch gemeend voor de verbetering van de fysieke toegankelijkheid hiervan financiële middelen ter beschikking te stellen. Subsidiëring van deze haltes vindt plaats via de GGA-regio’s. Het is de bedoeling dat de GGA-regio jaarlijks niet alleen een regionaal uitvoeringsprogramma maakt voor kleine infrastructurele, niet-infrastructurele en innovatieve projecten, maar ook voor projecten ter verbetering van de fysieke toegankelijkheid van (niet-geprioriteerde) bushaltes en voor haltemeubilair. Ten einde dit mogelijk te maken zijn in hoofdstuk 2, titel 2 een aantal bepalingen aangepast. Wijzigingen regeling maart 2010 De Subsidieregeling verkeer en vervoer Noord-Brabant is in januari 2010 op een aantal punten aangepast. De aanleiding hiervoor was drieledig. De belangrijkste wijziging is het toevoegen van een apart hoofdstuk aan de regeling voor de Cofinanciering van het Netwerkprogramma BrabantStad Bereikbaar.(hoofdstuk 2A – Cofinanciering B5-programma)In 2006 is een Netwerkanalyse opgesteld voor het stedelijk netwerk BrabantStad. In de Netwerkanalyse BrabantStad is een analyse gemaakt van de knelpunten en kansen op het gebied van verkeer en vervoer in BrabantStad in 2020. De focus heeft gelegen op de bereikbaarheid van de economische kerngebieden van BrabantStad. Deze analyse is verder op projectniveau uitgewerkt in het Netwerkprogramma BrabantStad Bereikbaar. De afgelopen jaren werden de cofinanciering van met name de grote projecten van de B5-steden op min of meer ad hoc-basis geregeld. Er werden op project niveau al dan niet individueel financieringsafspraken gemaakt. Met de komst van het Netwerkprogramma BrabantStad Bereikbaar is men geleidelijk overgeschakeld van projectfinanciering naar programmafinanciering. Een meer inhoudelijke toelichting treft u aan bij hoofdstuk 2A. De tweede wijziging betreft het opnemen van een vaste vergoeding voor de voorbereiding-, adminstratie- en toezichtkosten in de regeling. Deze kosten waren mede op verzoek van de GGA-regio’s tot 2010 voor projecten Daarnaast is de regeling nog op een aantal kleinere onderdelen aangepast. Deze aanpassingen komen deels voort uit wetswijzigingen en deels uit praktijkervaringen met de oude regeling en het digitaliseren van het subsidieproces bij de provincie. Het tarief voor het cofinancieren van bedrijfsvervoer is ook aangepast. Mede gelet op de Aanwijzing voor Provinciale Regelgeving (APR) is ook de naam van de regeling gewijzigd in: Subsidieregeling verkeer en vervoer Noord-Brabant DEEL 2. ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING HOOFDSTUK 1. ALGEMENE BEPALINGENArtikel 1.1 lid e en lid h De grens van € 10.000.000,-- is mede gebaseerd op de oude regeling en markeert de grens tussen “grote” en “kleine” projecten, als bedoeld in de (oude) wet en besluit op het infrastructuurfonds. De grens van € 40.000.000,-- is in overleg met onze partners bepaald. Projecten boven die grens zijn dermate groot en ook veelal zo complex dat daar separate afspraken over gemaakt zullen worden. Tevens is het ondoenlijk de omvang van de budgetten af te stemmen op dergelijke projecten. Immers we weten niet wat de omvang is en wanneer die projecten precies in uitvoering komen. Artikel 1.1 lid f Krachtens deze bepaling komen ook regionale studieprojecten voor cofinanciering in aanmerking. De definitie voor regionale studies die subsidiabel zijn is voor de regio voor de komende In dit verband wordt onder een regionaal studieproject verstaan: een studieproject waarbij ten minste twee gemeenten betrokken zijn en dat door het bestuurlijk GGA-overleg als zodanig is benoemd. Onder een regionale studie wordt verstaan: • het opstellen van regionale beleidskaders; • regionale gebiedsverkenningen of probleemanalyses voor een of meerdere modaliteiten. Onder een regionale studie wordt niet verstaan de planvoorbereiding in de verkennings-, plan- of realisatiefase op wegvak of kruispuntniveau of de verdere uitwerking op maatregelenniveau van de regionale studies. Startnotitie voor verkenningen vallen onder de verkenningsfase. Artikel 1.3 lid 3 Maatschappelijke organisaties kunnen uitsluitend subsidie vragen voor kleine infrastructurele, niet-infrastructurele en innovatieve projecten, zoals deze zijn gedefinieerd in artikel 1.1 van deze subsidieregeling. Er kunnen voor dit type projecten rechtstreeks geen subsidie worden verstrekt aan maatschappelijke organisaties. De cofinanciering van dergelijke projecten van maatschappelijke organisaties verloopt namelijk via de gemeenten. Een maatschappelijke organisatie, die in aanmerking wil komen voor een financiële bijdrage, moet daartoe een schriftelijk verzoek richten aan één of meer gemeenten binnen die regio. In de praktijk kunnen die contacten met gemeenten (ook) verlopen via de provinciale GGA-relatiebeheerders en/of via de regionale gebiedscoördinatoren. Namen, adressen en telefoonnummers van deze personen worden hierna in een aparte bijlage bij deze beleidsregels vermeld. Nadat een verzoek is binnengekomen zorgt de gemeente voor het inbrengen van dergelijke projecten in het regionaal uitvoeringsprogramma van de betreffende GGA-regio. De mensgerichte maatregelen worden per gemeente gebundeld tot één pakket. De betreffende gemeente is verantwoordelijk voor de financiële afhandeling, zowel richting de maatschappelijke organisatie voor het specifieke project, als richting de provincie voor het gehele pakket. Maatschappelijke organisaties kunnen wel rechtstreeks subsidie vragen voor provinciebrede projecten of initiatieven. Dit is geregeld in hoofdstuk 3 van deze beleidsregels. Artikel 1.3 lid 4 Vaste deelnemers aan de GGA-regio zijn de inliggende gemeenten, de provincie Noord-Brabant en Rijkswaterstaat, directie Noord-Brabant. In sommige regio’s maken ook maatschappelijke organisaties deel uit van de GGA-regio. De financiële middelen, afkomstig vanuit de Brede Doeluitkering (BDU) en vanuit de provincie, moeten worden verdeeld over kleine infrastructurele, niet-infrastructurele en innovatieve projecten van de gemeenten en van de provincie. Rijkswaterstaat discussieert weliswaar mee over de regionale uitvoeringsprogramma’s vanuit haar rol als wegbeheerder, maar komt zelf niet in aanmerking voor een financiële bijdrage uit de Cofinancieringsregeling en heeft ook geen stemrecht. De provincie echter, kan wel putten uit dit budget voor haar eigen provinciale projecten. De provincie moet dergelijke projecten aanmelden in de GGA-regio en hiervoor gelden dezelfde regels als voor gemeentelijke projecten. Dit betekent evenwel dat hier sprake is van een geldstroom binnen de provincie zelf. De provincie is namelijk zowel subsidieverstrekker als subsidieontvanger. Krachtens de Algemene wet bestuursrecht is dit geen subsidie in de zin van de wet. Teneinde de provincie toch in aanmerking te laten komen voor een financiële bijdrage uit de cofinanciering, is in artikel 1.3 vierde lid aangegeven, dat een bijdrage voor een provinciaal project moet worden gezien als een "subsidie" in het kader van deze regeling. Artikel 1.5 lid 2 Provinciale Staten stellen jaarlijks een bedrag op de provinciale begroting vast voor de uitvoering van de co-financieringsregeling Verkeer en Vervoer. Gedeputeerde Staten stellen met inachtneming van het bedrag op de provinciale begroting periodiek budgetten vast voor de financiering van de regionale uitvoeringsprogramma’s voor de vijf GGA-regio’s. In dit verband wordt de term “periodiek” gebruikt omdat dit jaarlijks, maar wellicht ook tweejaarlijks of voor meerdere jaren kan geschieden. Indien Gedeputeerde Staten ervoor kiezen om het budget voor de regionale uitvoeringsprogramma’s voor een periode van meerdere jaren vast te stellen, dan maken zij daarbij een begrotingsvoorbehoud ten behoeve van het tweede jaar. Dit is noodzakelijk omdat Provinciale Staten met een termijn van één jaar werken en de begroting voor het tweede jaar nog niet hebben vastgesteld. Gedeputeerde Staten kunnen derhalve voor het tweede jaar geen harde toezeggingen doen en moeten daarvoor een begrotingsvoorbehoud maken. Het budget voor de regionale uitvoerinsgprogramma’s wordt middels een verdeelsleutel verdeeld over de 5 GGA-regio’s. Deze verdeelsleutel is gelijk aan de landelijke verdeelsleutel voor de BDU. Echter met dienverstanden dat de regiofactor voor iedere GGA-regio specifiek is vastgesteld. Artikel 1.5 lid 4 Naast de regionale uitvoeringsprogramma’s van de GGA-regio’s kent de regeling ook een uitvoeringsprogramma speciaal voor de B5-steden Breda, Tilburg, ’s-Hertogenbosch, Eindhoven en Helmond. De regels hieromtrent zijn vastgelegd in hoofdstuk 2A van deze regeling. Artikel 1.5 lid 5 De jaarlijks of periodiek vast te stellen budgetten kunnen functioneren als subsidieplafonds mits deze op ordentelijke wijze worden bekendgemaakt. Dit kan worden gerealiseerd door de publicatie van de door Gedeputeerde Staten vastgestelde budgetten in het Provinciaal Blad. Artikel 1.5 lid 6 Oorzaken van het niet volledig benutten van het beschikbare budget kunnen zijn: - de werkelijke kosten van een project zijn lager dan de geraamde kosten van het project. Het bedrag aan cofinanciering wordt dan evenredig naar beneden bijgesteld; - een project wordt niet in het jaar, dat de beschikking is afgegeven, in uitvoering genomen. Artikel 1.5aVanuit de middelen die Provinciale Staten jaarlijks via de begroting ter beschikking stellen voor openbaar vervoer wordt een deel door Gedeputeerde Staten bestemd voor het verbeteren van de toegankelijkheid van haltevoorzieningen. Deze middelen worden verdeeld over de GGA-regio’s. Elke regio krijgt per jaar een bepaald budget toegewezen dat in principe tevens de functie van subsidieplafond vervult. Het is echter mogelijk dat gedurende het jaar blijkt dat de het budget van de ene regio niet toereikend is, terwijl er bij een andere regio geld over blijft. Is dat het geval dan kunnen Gedeputeerde Staten besluiten middelen die resteren over te hevelen naar andere regio’s, waar men te kort komt. HOOFDSTUK 2. REGIONALE UITVOERINGSPROGRAMMA’SHoofdstuk 2; paragraaf 1Artikel 2.1.1 Subsidiabele kosten Kleine infrastructurele projecten Niet alle kosten komen voor een tegemoetkoming in aanmerking. Niet subsidiabel zijn beheer- en onderhoudskosten en algemene bestuurslasten zoals ambtenarensalarissen, kantoorinventaris en dergelijke. Ook de zogeheten VAT-kosten (voorbereiding, administratie en toezicht) zijn niet subsidiabel. Wel wordt een standaard vergoeding berekend voor de VAT-kosten via een vast opslagpercentage van 15% over de totale subsidiabele projectkosten. Alleen die kostensoorten, die zijn opgesomd in artikel 2.1.1 onder a t/m g, zijn subsidiabel en kunnen voor cofinanciering door de provincie in aanmerking komen. Bij onderdeel a worden alleen die aanlegkosten vergoed die direct verband houden met de realisering van de betrokken infrastructuur. Indien een gemeente subsidie vraagt voor bijvoorbeeld de aanleg van een fietspad en gelijktijdig met de aanleg van dat fietspad tevens de gehele weg opnieuw inricht, komen alleen die aanlegkosten die zijn toe te rekenen aan het fietspad sec, in aanmerking voor cofinanciering. Met "aanlegkosten" worden bedoeld de kosten voor de realisering van de desbetreffende infrastructuur. Kosten voor (toekomstig) beheer en onderhoud van die infrastructuur komen niet voor een tegemoetkoming in aanmerking. Ook het vervangen van bijvoorbeeld ‘oude’ technisch en economisch afgeschreven verkeersregelinstallaties en stallingsvoorzieningen wordt gezien als regulier onderhoud en zijn derhalve niet subsidiabel. Bij onderdeel f kan in geval van schadevergoeding aan derden onder andere worden gedacht aan de kosten voor bouwkundige aanpassingen aan eigendommen van derden, die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de infrastructurele werken. Bijvoorbeeld het verplaatsen van een voordeur van een woning van de voorzijde naar de zijgevel indien het gebruik van de deur, door de aanleg van een fietsvoorziening niet langer mogelijk is. Voor wat betreft de kabels en leidingen worden wel de kosten voor de verlegging van de kabels en leidingen vergoed, maar niet de kosten van vervanging. De term “voor zover door Gedeputeerde Staten aanvaardbaar en noodzakelijk geacht” komt meerdere malen voor in dit artikel. Het is geenszins de bedoeling, dat voor alle kostensoorten waarbij deze term is opgenomen, Gedeputeerde Staten iedere keer apart besluiten of zij de kosten aanvaardbaar en/of noodzakelijk achten. De term is bedoeld als vangnet waarvan slechts in uitzonderlijke gevallen gebruik van zal worden gemaakt. Bijvoorbeeld indien de geraamde en/of werkelijke kosten sterk afwijken van de gangbare (markt)prijzen (extreem hoge grondprijzen of legeskosten). Artikel 2.1.2 Subsidiabele kosten niet-infrastructurele en innovatieve projecten Uitsluitend die onderzoekskosten, studiekosten en dergelijke, die direct betrekking hebben op de ontwikkeling, uitwerking en/of realisatie van het desbetreffende niet-infrastructurele of innovatieve project, komen voor een financiële tegemoetkoming in aanmerking. Dit betekent dat indirecte (interne) kosten voor overhead, inzet personeel, die binnen de dienst of het bedrijf verrekend kunnen worden niet subsidiabel zijn. Ook kosten, gemaakt ten behoeve van de begeleiding van innovatieve projecten, kunnen niet worden gesubsidieerd. Hetzelfde geldt voor kosten voor beheer en onderhoud. Bij innovatieve projecten zal het veelal gaan om geheel nieuwe en op dit moment moeilijk te voorspellen initiatieven. Hierdoor kan op dit moment én in het algemeen, niet worden aangegeven welke kosten van deze initiatieven wel of niet in aanmerking zullen komen voor cofinanciering. Een en ander zal per project of per initiatief, in nauw overleg met de provincie moeten worden vastgesteld. Mensgerichte maatregelen: dit zijn maatregelen, die het gedrag van verkeersdeelnemers proberen te beïnvloeden, via communicatie, educatie en handhaving. Het gaat hierbij om educatieprojecten, voorlichtingsprogramma's, communicatiemiddelen en communicatie in combinatie met verkeershandhaving (bijvoorbeeld alcohol, helm, gordel, fietsverlichting). Artikel 2.1.3 Bijdragen uit andere bron Indien een ontvanger voor hetzelfde project uit andere hoofde of uit andere bron een financiële bijdrage ontvangt, dan dient deze bijdrage, bij de bepaling van de hoogte van het bedrag aan cofinanciering, in mindering te worden gebracht. De provincie heeft het oogmerk goede initiatieven of projecten van derden te stimuleren en te honoreren door een tegemoetkoming in de kosten van dat initiatief of project in het vooruitzicht te stellen. Het is echter wel de bedoeling dat de derde er zelf ook substantieel aan bijdraagt. Daarom wordt bij de berekening van de hoogte van het bedrag aan cofinanciering expliciet rekening gehouden met de bestaande mogelijkheden om de kosten van het desbetreffende initiatief of project ten laste van andere kostendragers te brengen. Hierbij kan niet alleen worden gedacht aan financiële bijdragen van andere instellingen, maar ook aan de exploitatieopbrengst bij bestemmingsplannen. Mede tegen deze achtergrond dient een aanvrager expliciet aan te geven of er bij een andere instantie subsidie is aangevraagd, en of het desbetreffende project mogelijk uit andere bron kan worden gefinancierd. Niet als bijdragen uit andere bron worden gezien de financiële bijdragen aan maatschappelijke organisaties bij mensgerichte maatregelen. Maatschappelijke organisaties beschikken doorgaans zelf niet over substantiële financiële middelen. Hierdoor kunnen zij (mensgerichte) projecten niet, geheel of ten dele, financieren uit eigen middelen. Maatschappelijke organisaties zijn, voor de financiering van dergelijke maatregelen of activiteiten, meestal voor 100% afhankelijk van vrijgevigheid of tegemoetkomingen van derden. Wanneer alle opbrengsten uit andere bron in mindering worden gebracht op het subsidiebedrag van de provincie, zoals de hoofdregel van artikel 2.1.3 wil, dan zouden mensgerichte maatregelen van maatschappelijke organisaties in de meeste gevallen niet bekostigd kunnen worden. Om dat te voorkomen zien we dergelijke bijdragen uit andere bron in dit specifieke geval niet als een bijdrage uit andere bron zoals bedoeld in artikel 2.1.3 van deze beleidsregels. Het zelfde doet zich voor bij (infrastructurele) projecten van meerdere wegbeheerders. Het is denkbaar dat een wegbeheerder subsidie vraagt voor een project waarin meerdere wegbeheerders (gemeenten en/of provincie) zijn betrokken. De wegbeheerder die verantwoordelijk (opdrachtgever) is voor de daadwerkelijke uitvoering van het project draagt het project voor bij de regio voor cofinanciering. In dat geval worden de financiële bijdragen van de andere wegbeheerders aan dat project, niet gezien als een bijdrage uit andere bron. De wegvakkentheorie dient als uitgangspunt voor de verdeling van de subsidie over de betrokken wegbeheerders. Hoofdstuk 2; paragraaf 2Artikel 2.2.1 Regionale en provinciale besluitvorming De GGA-regio's stellen jaarlijks één regionaal ontwerp-uitvoeringsprogramma op ten behoeve van de cofinanciering van het eerstvolgende uitkeringsjaar. Aan de regionale tafel wordt door de deelnemende gemeenten, de provincie, Rijkswaterstaat en in sommige regio’s de maatschappelijke organisaties besproken welke projecten worden opgenomen in het regionale ontwerp-uitvoeringsprogramma en het meerjarig regionale projectenpakket. Alleen de gemeenten en provincie zijn stemgerechtigd. Het regionale ontwerpprogramma wordt vastgesteld in een bestuurlijk overleg waaraan de desbetreffende wethouders en gedeputeerde(
- n)deelnemen. In het ambtelijke overleg dat aan deze regionale besluitvorming voorafgaat, zal op basis van netwerkvisies een integrale afweging moeten worden gemaakt welke projecten voor cofinanciering in aanmerking komen en hoe deze moeten worden geprioriteerd. Of Gedeputeerde Staten het door de GGA-regio voorgestelde ontwerp-uitvoeringsprogramma één op één overnemen, is afhankelijk van de mate van overeenstemming in de regio. Indien de bestuurlijke besluitvorming binnen de GGA-regio unaniem tot stand is gekomen, zullen Gedeputeerde Staten het voorstel van de regio ongewijzigd overnemen en tot subsidieverlening overgaan. Indien de GGA-regio niet tot unanimiteit kan besluiten, zullen Gedeputeerde Staten een standpunt innemen ten aanzien van de regionale geschilpunten en het regionale programma dienovereenkomstig definitief vaststellen. Kortom, in deze procedure van artikel 2.2.1 van de beleidsregels hebben we te maken met twee aparte, volgtijdelijke vaststellingsmomenten. Dat is enerzijds de vaststelling van het ontwerp-uitvoeringsprogramma door het bestuurlijke GGA-overleg (unaniem of niet-unaniem), zoals beschreven in het tweede lid. En dat is anderzijds de definitieve vaststelling van het regionale uitvoeringsprogramma door Gedeputeerde Staten, zoals bedoeld in het vierde en vijfde lid. Pas nadat Gedeputeerde Staten het uitvoeringsprogramma hebben vastgesteld, volgt subsidieverlening conform het door hen vastgestelde programma. Het verdient aanbeveling om qua terminologie in het vervolg consequent te spreken van de vaststelling van het regionale ontwerp-uitvoeringsprogramma door de regio en van de definitieve vaststelling van het regionale uitvoeringsprogramma door Gedeputeerde Staten. Op deze wijze is steeds voor eenieder duidelijk over welk vaststellingsbesluit gesproken wordt. Naast een ontwerp-uitvoeringsprogramma voor kleine infrastructurele, niet-infrastructurele en innovatieve projecten, zullen de GGA-regio’s ook een apart ontwerp-uitvoeringsprogramma opstellen met projecten ter verbetering van de fysieke toegankelijkheid van haltevoorzieningen van niet geprioriteerde haltes, met projecten ten behoeve van de aanschaf en plaatsing van haltemeubilair bij zowel geprioriteerde als niet-geprioriteerde haltes alsmede het opstellen en coördineren van een regionaal halteplan. Het is de bedoeling om de werkwijze van het programma voor toegankelijkheid haltevoorzieningen zoveel als mogelijk te laten aansluiten bij de werkwijze die al enige tijd in GGA-verband wordt gepraktiseerd bij kleine infrastructurele, niet-infrastructurele en innovatieve projecten. In hoofdstuk 4, titel 4 is een regeling getroffen voor de subsidiëring van het toegankelijk maken van de zogeheten geprioriteerde haltes. De niet-geprioriteerde haltes, die lager scoren en dus minder belangrijk of urgent worden geacht, kunnen niet in aanmerking komen voor een bijdrage zoals bedoeld in hoofdstuk 4. Echter, in hoofdstuk 2 bestaat de mogelijkheid om ook voor om niet-geprioriteerde haltes een financiële bijdrage te verkrijgen. Hierbij is aansluiting gezocht bij de werkwijze van de GGA-regio’s, waarbij de verdeling van de gelden plaatsheeft via in GGA-overleg samengestelde uitvoeringsprogramma’s. Artikel 2.2.2 Aanvraag, subsidieverlening en start werkzaamheden In het eerste lid is er, vanuit praktisch oogpunt, voor gekozen om het moment van indienen van het door de regio vastgestelde ontwerp-uitvoeringsprogramma te laten samenvallen met de formele subsidieaanvragen voor de in het ontwerpprogramma opgenomen projecten. Indiening van het ontwerpprogramma, dat voldoet aan alle eisen die door deze beleidsregels zijn gesteld, is dus te beschouwen als de formele subsidieaanvraag voor alle, daarin opgenomen projecten afzonderlijk. Dit hoeft dus niet nog eens extra door alle gemeenten apart te gebeuren. Indiening van het ontwerpprogramma en het doen van alle subsidieaanvragen vallen dus samen! In het derde lid is een bepaling opgenomen om een duidelijke begrenzing in de tijd aan te geven. Met andere woorden, het gaat om de vraag tot wanneer projecten in aanmerking kunnen komen voor cofinanciering. Een regeling mag geen open einden bevatten. Dergelijke begrenzingen komen meer voor in de regeling (bijvoorbeeld maximaal gemiddeld subsidiepercentage en subsidieplafonds). Er is bewust gekozen om de aanbesteding en gunning c.q. opdrachtverlening als begrenzing te kiezen. Immers de regeling is primair bedoeld om gemeenten te stimuleren snel bepaalde type projecten in uitvoering te nemen. De provincie streeft naar uitvoeringskracht en maakt in principe alleen maar afspraken over cofinanciering van projecten, die uitvoeringsgereed zijn. Als een gemeente overgaat tot aanbesteding, gunning en opdrachtverlening dient de financiële dekking van het project geregeld te zijn en is het niet meer noodzakelijk de gemeente te prikkelen of te stimuleren om tot uitvoering over te gaan. Daarom komen projecten, die op het moment van de subsidieaanvraag al zijn aanbesteed én gegund of in uitvoering genomen, niet meer in aanmerking voor cofinanciering. Indien een gemeente toch tot aanbesteding of uitvoering van een project wil overgaan, voorafgaand aan de (voorlopige) besluitvorming daarover in de GGA-regio of voorafgaand aan de definitieve besluitvorming door Gedeputeerde Staten, moet die gemeente daarvoor eerst toestemming vragen én verkrijgen bij Gedeputeerde Staten. Gelijktijdig of parallel daaraan moet die gemeente zelf zorgdragen voor aanmelding van het desbetreffende project in het regionale ontwerpprogramma. Zodra die toestemming van de provincie verkregen is, blijft het voor de gemeente onzeker of het desbetreffende project door de GGA-regio en uiteindelijk door Gedeputeerde Staten wordt opgenomen in het regionale ontwerpprogramma, maar de provincie kan zich jegens die gemeente niet meer beroepen artikel 2.2.2 derde lid. Immers er is tijdig melding gemaakt en toestemming gevraagd en verkregen, en pas daarna is de gemeente tot aanbesteding of uitvoering overgegaan. Het vragen om toestemming om eerder te mogen starten, doet echter geen recht op cofinanciering ontstaan. Of een project wordt opgenomen in het regionale ontwerpprogramma en in het definitieve programma is afhankelijk van de besluitvorming in GGA-regio en Gedeputeerde Staten. Een gemeente die aan de slag gaat, voorafgaand aan de finale besluitvorming, doet dit geheel en al op eigen (financieel) risico. Een bijzondere situatie doet zich voor indien een gemeente een reserveproject uit het regionale ontwerp-uitvoeringsprogramma in uitvoering neemt, op een moment dat nog niet bekend is of er dat jaar geld overblijft voor de uitvoering van één of meer reserveprojecten. Reserveprojecten maken deel uit van het regionale ontwerp-uitvoeringsprogramma, dat uiterlijk 1 december van het jaar voorafgaand aan het uitkeringsjaar, bij Gedeputeerde Staten wordt ingediend. Krachtens artikel 2.2.2 eerste lid moet de indiening van het ontwerp-uitvoeringsprogramma tevens worden gezien als het moment van de subsidieaanvraag. Vanaf dat moment kan een gemeente, die een reserveproject in uitvoering neemt, de regel van artikel 2.2.2 derde lid dus niet meer tegengeworpen krijgen. Immers het moment van de formele subsidieaanvraag van dit reserveproject viel samen met de indiening van het regionale ontwerpprogramma. Indien er dat jaar geen of niet voldoende geld overblijft voor de uitvoering van het (inmiddels in uitvoering genomen) reserveproject, dan kan het reserveproject aangemeld worden voor opname in het regionale ontwerp-uitvoeringsprogramma van het eerstvolgende jaar. Een project mag slechts eenmaal als reserveproject worden opgenomen in het regionale ontwerp-uitvoeringsprogramma. Artikel 2.2.3 Declaratie en betaling Met de invoering van de verantwoording middels de SiSa-bijlage is de provincie afgestapt van het werken met voorschotten en overgegaan op het declareren op basis van werkelijk gemaakte kosten. Dat betekent dat de subsidieontvanger een eerste (tussentijdse) declaratie kan indienen zodra het werk voor 50 % is uitgevoerd. Deze declaratie moet betrekking hebben op het uitgevoerde werk en de daarmee samenhangende gerealiseerde subsidiabele projectkosten. Deze declaratie, zoals bedoeld in lid 2, is gekoppeld aan het in de verleningsbeschikking genoemde totale bedrag van de (begrote) subsidiabele projectkosten. Zodra hiervan 50% is gerealiseerd mag de ontvanger de desbetreffende gerealiseerde projectkosten declareren. Echter om de administratieve lasten te beperken kan er alleen voor projecten met een subsidiebedrag > € 50.000,-- een verzoek voor een tussentijdse declaratie worden ingediend. De subsidieontvanger kan dit moment zelf vaststellen aan de hand van de verleningsbeschikking omdat hierin zowel het totale bedrag aan (begrote) subsidiabele projectkosten, als het bedrag dat als subsidie wordt toegekend, zal worden vermeld. Het te declareren bedrag is gemaximeerd op 50% van de in de verleningsbeschikking toegekende bijdrage. Zodra het project of werk, waarvoor subsidie is verleend, is afgerond kan de subsidieontvanger conform lid 3 een einddeclaratie indienen. Deze kan nooit meer bedragen dan 100% van de bij subsidieverlening toegekende bijdrage. Aan deze einddeclaratie is een uiterste termijn gebonden, die ook als verplichting zal worden opgenomen in de verleningsbeschikking. Voor de goede orde en om eventuele misverstanden te voorkomen het werken met declaraties op basis van werkelijk gemaakte kosten is een bevoorschotting in de zin van de Algemene wet bestuursrecht. In het vijfde lid wordt verwezen naar een standaardformulier dat de subsidieontvanger dient te gebruiken bij een declaratie zoals bedoeld in het tweede en derde lid. In dit formulier dienen de geraamde kosten en het subsidiepercentage een op een over te worden genomen van het E-formulier (de subsidieaanvraag). Het subsidiepercentage, dat gebruikt is om het verleende subsidiebedrag toe te kennen, zal ook gebruikt worden om de subsidie definitief vast te stellen. Ofwel de berekening van zowel het te verlenen subsidiebedrag als van het vast te stellen subsidiebedrag wordt op dezelfde wijze uitgevoerd. Hierbij moet nog wel worden opgemerkt dat het verleende subsidiebedrag berekend wordt op basis van de geraamde subsidiabel kosten en het vastgestelde subsidiebedrag op basis van de werkelijke kosten. Het vastgestelde subsidiebedrag is gelijk aan het verleende subsidiebedrag als de werkelijke subsidiabele kosten groter of exact gelijk zijn aan de geraamde subsidiabele kosten. Indien de werkelijke subsidiabele kosten lager zijn dan oorspronkelijk geraamd wordt het subsidiebedrag evenredig lager vastgesteld. In het zesde, zevende en achtste lid wordt ruimte gegeven om af te wijken van hetgeen is bepaald in lid 2 en lid 3. Subsidieverlener en subsidieontvanger kunnen andere afspraken maken ten aanzien van de genoemde percentages, ten aanzien het kasritme en ten aanzien het moment waarop de einddeclaratie zal worden ingediend. Artikel 2.2.4 Subsidievaststelling Door de invoering van SISA kan een gemeente als subsidieontvanger pas formeel financieel verantwoording afleggen van de door haar bestede gelden richting provincie nadat de gemeentelijke jaarrekening is vastgesteld. Daarom vindt de vaststelling van de subsidie plaats nadat de gemeentelijke jaarrekening van het jaar waarin de subsidie door de subsidieontvanger is verantwoord, is vastgesteld en via het CBS aangeboden aan de provincie. Heel concreet kan dit betekenen dat de uitbetaling van de declaraties van artikel 2.2.3 lid 2 en 3 in het ene jaar plaatsvinden dat de subsidievaststelling als bedoeld in artikel 2.2.4 in een later jaar plaatsvindt, zodra de desbetreffende (gemeentelijke) jaarrekening beschikbaar en formeel vastgesteld is. In de jaarrekening moet de financiële afwikkeling van projecten of activiteiten waarvoor subsidie is verkregen conform de richtlijnen van het ministerie van Binnenlandse zaken voor de verantwoording middels de SiSa-bijlage voldoende duidelijk zijn gespecificeerd. Hoofdstuk 2; paragraaf 3Artikel 2.3.1 Kwaliteitseisen ontwerp-uitvoeringsprogrammaVoor het regionale ontwerp-uitvoeringsprogramma en de totstandkoming daarvan gelden kwaliteitseisen. Deze kwaliteitseisen zijn de kernregels van de Cofinancieringsregeling. Omdat er geen finale kwaliteitstoets plaatsvindt door de provincie dient de waarborg voor de kwaliteit van de te programmeren projecten in het voorbereidingsproces te zitten. De provincie stuurt op deze kwaliteitseisen gedurende de totstandkoming van het regionale ontwerp-uitvoeringsprogramma. Het ontwerpprogramma is de resultante van een gedegen jaarlijkse dialoog tussen de regionale partners over de kwaliteit van projecten (o.a. als voortvloeisel van regionale (netwerk)visies) en over de integrale afweging tussen de projecten. Dat stelt hoge eisen aan de dialoog die in dat voorbereidingsproces wordt gevoerd. De negen kernregels in artikel 2.3.1 zijn essentiële aandachtspunten bij het beantwoorden van de vraag welke problemen als eerste moeten worden opgepakt, hoe die problemen kunnen worden opgepakt, tot welke maatregelen de regio uiteindelijk besluit en met welke prioriteit die maatregelen daadwerkelijk worden uitgevoerd. Het is de bedoeling dat de regio in het ontwerpprogramma zelf motiveert op welke wijze en met welk resultaat deze negen kernregels zijn toegepast. Het ontwerp-uitvoeringsprogramma geeft een samenvatting van de manier waarop de integrale afweging van geprogrammeerde projecten heeft plaatsgevonden en waarom de keuze uiteindelijk op de geprogrammeerde projecten is gevallen. Het ontwerp-uitvoeringsprogramma geeft ook een meerjarig perspectief van de voorgenomen projecten in de regio, en vormt op die manier een voortschrijdend meerjarig uitvoeringsprogramma. Als instrument en werkvorm om de discussie over de ernst van een probleem en de prioriteit van een maatregel te structureren stelt de provincie een prioriteringsmethodiek voor. Het staat de GGA-regio echter vrij om de door de provincie ontwikkelde prioriteringsmethodiek te gebruiken of om zelf een alternatieve prioritering toe te passen. Extra toelichting behoeft de kwaliteitseis van artikel 2.3.1 sub 7. Het percentage aan cofinanciering van de provincie bedraagt maximaal 50% van het totale uitvoeringsprogramma inclusief de opslag voor voorbereidings-, administratie- en toezichtskosten. Met andere woorden, de provincie draagt maximaal 50% bij aan de subsidiabele kosten van de uitvoering van het regionale uitvoeringsprogramma. Bij het opstellen van het ontwerp-uitvoeringsprogramma echter, staat het de GGA-regio vrij om per project of per projectsoort een ander percentage aan cofinanciering te hanteren. De GGA-regio kan bijvoorbeeld aan het ene project 20% cofinanciering toekennen en aan een ander project 75% cofinanciering. Uitgangspunt is evenwel dat het totale bedrag aan cofinanciering voor het gehele regionaal uitvoeringsprogramma maximaal 50% van de totale subsidiabele projectkosten bedraagt. Op deze wijze kan de regio (gemeenten + provincie) door het toepassen van een hoger percentage (> 50%) bevorderen dat bepaalde projecten gemakkelijker totstandkomen. Gedeputeerde Staten kunnen, in bijzondere gevallen, bij bijvoorbeeld innovatieve projecten besluiten tot toekenning van een hoger bedrag aan cofinanciering dan de 50% van de totale subsidiabele kosten. In 2009 is de provincie gestart met het digitaliseren van het subsidieproces. Allereerst is er voor het opstellen van de regionale uitvoeringsprogramma’s van de 5 GGA-regio’s een E-formulier ontwikkeld. In 2010 is er ook een E-formulier ontwikkeld voor het B5-uitvoeringsprogramma en de SRE-gemeenten. Gelet op de digitale afhandeling van de subsidies door de provincie dient er voor ieder project een E-formulier te worden ingevuld. Nadat het uitvoeringsprogramma in de regio of door de B5 of het Dagelijks Bestuur van het SRE bestuurlijk is vastgesteld kan het E-formulier formeel ingediend worden bij de provincie. Op de brabant-site treft u een link aan waarmee het E-formulier is te benaderen. Artikel 2.3.1a Kwaliteitseisen regionaal uitvoeringsprogramma toegankelijkheid haltevoorzieningen en aanschaf haltemeubilairHet ontwerp-uitvoeringsprogramma voor verbetering toegankelijkheid haltevoorzieningen wordt op dezelfde manier samengesteld als het ontwerp-uitvoeringsprogramma voor kleine infrastructurele, niet-infrastructurele en innovatieve projecten aan de GGA-tafel. Vandaar dat de bepalingen van artikel 2.3.1 ook hier grotendeels van toepassing zijn. De projecten ter verbetering van de toegankelijkheid van haltevoorzieningen kennen echter ook eigen regels en criteria. In artikel 2.3.1a zijn hiervoor specifieke kwaliteitseisen vastgelegd. In bijlage 7 en in bijlage 9 bij deze regeling zijn deze kwaliteitseisen en criteria verder uitgewerkt. De GGA-regio moet deze kwaliteitseisen en criteria in acht nemen bij de samenstelling van het ontwerpprogramma. Het programma heeft vooral ten doel om ook de fysieke toegankelijkheid van niet-geprioriteerde haltes en de aanschaf en plaatsing van haltemeubilair voor alle haltes te kunnen subsidiëren. Niet-geprioriteerde haltes zijn alle haltes die minder hoog scoren en om die reden niet zijn opgenomen in de lijst van geprioriteerde haltes van bijlage 8. In het derde lid wordt een vast bedrag genoemd dat maximaal per halte wordt vergoed. Hierbij is onderscheid gemaakt tussen “gewone” haltes, waar stads- en streekvervoerbussen stoppen, en buurtbushaltes, waar alleen buurtbussen stoppen. De bijdrage voor een stads- en streekvervoerbushalte is een vastbedrag van € 10.000,- en de bijdrage voor een buurtbushalte is een vastbedrag van € 7.500,--. In sommige GGA-regio’s zijn in het verleden openbaar vervoer-reserves opgebouwd op grond van de oude convenanten voor de financiering van regiotaxi’s. In de regio’s zijn afspraken gemaakt dat deze middelen onder meer ingezet zullen worden voor het verbeteren van de toegankelijkheid van de haltes. Een GGA-regio die deze middelen nog niet heeft uitgeput, komt niet in aanmerking voor een bijdrage in de zin van artikel 2.2.1 lid 2. Artikel 2.3.2 Reserveprojecten en overprogrammering Dit vereist wel zorgvuldige procedure afspraken binnen de regio's. Zowel de regio als de betreffende gemeente zal tijdig schriftelijk moeten aangeven welk project niet tijdig in uitvoering kan worden genomen, zodat de provincie de beschikking kan intrekken. Met “uitvoering” wordt in dit verband bedoeld: het aanbesteden, gunnen én opdracht verlenen. Daarnaast zal de regio schriftelijk één of meerdere reserve projecten moeten voordragen voor cofinanciering. Tevens zal per project het gewenste bedrag aan cofinanciering aangegeven moeten worden. Hierbij blijft het criterium van maximaal 50% cofinanciering voor het gehele regionaal uitvoeringsprogramma van toepassing. De gehele procedure zal tijdig in gang gezet moeten worden omdat het project of de projecten nog hetzelfde jaar in uitvoering (aanbesteed en gegund) genomen moeten worden. Dit betekent dat de vaststelling van het regionale uitvoeringsprogramma door de regio en definitieve vaststelling door Gedeputeerde Staten ook geldt voor de daarin genoemde reserveprojecten. Mocht er geld overblijven doordat een ander project onverhoopt niet kan worden uitgevoerd, dan kan de GGA-regio een besluit nemen om een reserveproject te gaan uitvoeren. De GGA-regio neemt dat besluit en deelt vervolgens uiterlijk 1 september aan Gedeputeerde Staten mede welk project niet doorgaat en welk reserveproject in uitvoering moet worden genomen. Deze mededeling aan Gedeputeerde Staten geldt als verzoek tot subsidieverlening ten behoeve van het reserveproject. Aangezien Gedeputeerde Staten bij de definitieve vaststelling van het uitvoeringsprogramma ook de reserveprojecten hebben vastgesteld, kunnen Gedeputeerde Staten na de hier boven genoemde mededeling, overgaan tot subsidieverlening aan de desbetreffende gemeente. Deze mededeling is tevens de basis om de subsidieverlening inzake het vervallen project in te trekken. Opname van projecten op de reservelijst van een regionaal uitvoeringsprogramma geldt gelet op art. 2.3.2. lid 3 als een aanvraag. Een project mag slechts eenmaal als reserveproject worden opgenomen. Een reserveproject uit het regionaal uitvoeringsprogramma van het jaar X mag alleen in het jaar X+1 als project opgenomen worden in het regionaal uitvoeringsprogramma. Dus de aanvraag voor een reserveproject geldt voor het jaar X en het jaar X+1. Artikel 2.3.3 Niet sparen voor "duurdere" projectenHet regionale budget wordt zoveel als mogelijk besteed aan projecten en reserveprojecten in het uitkeringsjaar zelf. Mede gelet op het uitgangspunt uitvoeringskracht is het regio's niet toegestaan te sparen voor ”duurdere” projecten. Als een regio/gemeente een “duurder” project heeft, kan de regio/gemeente dit zelf voorfinancieren en het project gefaseerd meerjarig programmeren in de regionale ontwerp-uitvoeringsprogramma's. Hierover kunnen regionaal afspraken worden gemaakt, zodat betreffende gemeente toch zeker is van cofinanciering voor het gehele project. Zowel het Rijk als Provinciale Staten willen zo min mogelijk onderuitputting van budgetten. Als we meer geld willen om onze ambities waar te maken dan moeten de bestaande budgetten ook zo volledig mogelijk worden benut. Artikel 2.3.4 Betrokkenheid maatschappelijke organisaties Maatschappelijke organisaties kunnen hun subsidieaanvragen, projecten of projectsuggesties aanmelden bij één of meerdere bij de GGA-regio aangesloten gemeenten, met het verzoek deze in te brengen in het overleg over het regionale ontwerp-uitvoeringsprogramma. De desbetreffende geme