← Nederland

Subsidieverordening inrichting landelijk gebied (Drenthe)

Subsidieverordening inrichting landelijk gebiedInhoud ALGEMENE BEPALINGEN Artikel 1, Begripsomschrijvingen In deze verordening wordt verstaan onder: a. wet: de Wet inrichting landelijk gebied (Staatsblad 2006, nummer 666); b. meerjarenprogramma: Provinciaal meerjarenprogramma voor het gebiedsgerichte beleid als bedoeld in artikel 4 van de wet; c. plattelandsontwikkelingsprogramma: het Nederlands programma voor plattelandsontwikkeling 2007 tot en met 2013 als bedoeld in artikel 15 van Verordening (EG) 1698/2005 (Pb L 277); d. aanbestedende dienst: een publiekrechtelijke rechtspersoon of publiekrechtelijke instelling als bedoeld in artikel 1, negende lid, van Richtlijn 2004/18/EG van het Europees Parlement en de Raad d.d. 31 maart 2004, betreffende de coördinatie van de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor werken, leveringen en diensten (PB L 134/114); e. steunmodule: een regeling voor de verstrekking van een subsidie die als steunmaatregel als bedoeld in artikel 11 van de wet wordt beschouwd. Artikel 2, Relatie met Algemene subsidieverordening Drenthe 2004 Op beslissingen omtrent subsidies op grond van deze verordening is de Algemene subsidieverordening Drenthe 2004 niet van toepassing. Artikel 3, Subsidieverstrekking 1. Gedeputeerde staten (GS) kunnen subsidie verstrekken voor activiteiten als bedoeld in het meerjarenprogramma met inbegrip van de in het meerjarenprogramma genoemde maatregelen uit het plattelandsontwikkelingsprogramma. 2. Voor zover de in het eerste lid genoemde subsidie een steunmaatregel als bedoeld in artikel 11 van de wet is en niet bij of krachtens het EG-Verdrag is vrijgesteld van de verplichting tot aanmelding, kan alleen subsidie worden verstrekt overeenkomstig de voorwaarden, neergelegd in een steunmodule. 3. Subsidie wordt slechts verstrekt: a. voor kosten die rechtstreeks zijn toe te rekenen aan de totstandkoming van een activiteit; b. als de begroting sluitend is. 4. GS kunnen ter uitvoering van deze regeling nadere regels stellen. 5. GS kunnen steunmodules vaststellen. 6. GS stellen jaarlijks een subsidieplafond vast. Artikel 4, Niet-subsidiabele kosten Er wordt geen subsidie verstrekt voor: a. kosten die uit anderen hoofde zijn of worden gesubsidieerd; b. kosten die zijn gemaakt voorafgaand aan de ontvangstbevestiging van de aanvraag, tenzij het betreft kosten van voorbereiding, planvorming, onderzoek of voorlichting; c. verrekenbare of compensabele belastingen, heffingen of lasten; d. kosten van bodemsanering voor zover verhaal op de vervuiler of een beroep op fondsen mogelijk is; e. kosten van rente, bankdiensten, financieringen, gerechtelijke procedures, boetes of sancties; f. kosten van activiteiten die redelijkerwijs kunnen worden gedekt uit de inkomsten die met deze activiteiten verband houden; g. kosten om te voldoen aan wettelijke verplichtingen of aan gangbare minimumkwaliteitseisen; h. kosten van reguliere werkzaamheden van de aanvrager, onderhoud of herstelwerkzaamheden; i. exploitatiekosten die niet verband houden met de aanloopfase van een activiteit. AANVRAAG EN SUBSIDIEVERLENING Artikel 5, Aanvraag 1. GS stellen de tijdstippen voor het indienen van een aanvraag vast, al dan niet voor afzonderlijke categorieën van subsidie. 2. Een aanvraag om subsidie wordt ingediend bij GS op een daartoe vastgesteld formulier. Artikel 6, Gegevens bij de aanvraag 1. De aanvraag gaat vergezeld van: a. een aanduiding van te leveren prestaties; b. documenten waaruit blijkt dat de bekostiging door medefinanciers zeker is; c. de financiële planning in perioden van 4 maanden, voor zover gevraagd wordt om financiering uit het plattelandsontwikkelingsprogramma; d. een overzicht van alle andere subsidies die een onderneming in de 3 jaar die aan de aanvraag voorafgaan heeft verkregen of aangevraagd. 2. Als subsidie ten behoeve van een samenwerkingsverband wordt aangevraagd, verstrekt de aanvrager de informatie of de verklaring als bedoeld in het eerste lid, onder d, voor iedere deelnemer in het samenwerkingsverband en tevens een exemplaar van de samenwerkingsovereenkomst. VOORSCHOTTEN Artikel 7, Bevoorschotting 1. Na subsidieverlening kunnen GS op aanvraag een voorschot verstrekken. 2. Het voorschot wordt berekend naar rato van gemaakte en betaalde kosten, voor zover deze nog niet eerder bij een verstrekking van een voorschot in aanmerking zijn genomen. 3. In totaal is het bedrag aan voorschotten niet groter dan 80% van het maximaal te verlenen subsidiebedrag. 4. GS kunnen beslissen dat een verzoek om een voorschot vergezeld gaat van een voortgangsrapportage als bedoeld in artikel 11. 5. Een verzoek om een voorschot wordt ingediend bij GS op een daartoe door hen vastgesteld formulier. 6. GS kunnen, in afwijking van het tweede lid, voordat kosten zijn gemaakt en betaald een voorschot verstrekken aan een natuurlijke of privaatrechtelijke rechtspersoon als deze naar genoegen van GS de financieringsbehoefte heeft aangetoond. VERPLICHTINGEN VAN DE SUBSIDIEONTVANGER Artikel 8, Uitvoering activiteiten 1. De activiteiten starten uiterlijk binnen 2 maanden na subsidieverlening, tenzij in de beschikking tot subsidieverlening een andere termijn is bepaald. 2. De activiteiten worden afgerond binnen 2 jaar na de subsidieverlening, tenzij in de beschikking tot subsidieverlening anders is bepaald. Artikel 9, Opdrachten aan derden 1. Indien de subsidieontvanger een aanbestedende dienst is, geldt de volgende verplichting. a. Als de aanbestedende dienst een publiekrechtelijke rechtspersoon is, dient deze voor de uitvoering van de activiteiten het eigen beleid voor het verstrekken van opdrachten aan derden toe te passen of, bij afwezigheid daarvan, het provinciale beleid voor het verstrekken van opdrachten aan derden. b. Als de aanbestedende dienst geen publiekrechtelijke rechtspersoon is, dient deze het provinciale beleid voor het verstrekken van opdrachten aan derden toe te passen. Hiervan kan door GS ontheffing worden verleend, indien de aanbestedende dienst aantoont dat zijn eigen beleid voor het verstrekken van opdrachten aan derden naar Europese normen voldoende transparant, objectief en niet discriminatoir is. 2. Indien de activiteiten voor meer dan 50% door een aanbestedende dienst worden gesubsidieerd, dient de subsidieontvanger het provinciale beleid voor het verstrekken van opdrachten aan derden toe te passen. Hiervan kan door GS ontheffing worden verleend indien op het project het beleid voor het verstrekken van opdrachten aan derden van een andere overheid van toepassing is. Artikel 10, Boekhouding 1. De subsidieontvanger is verplicht een administratie te voeren die te allen tijde de informatie bevat die nodig is voor een juist inzicht in de realisatie van de te subsidiëren activiteiten en voor een juiste subsidieverstrekking, hetgeen inhoudt dat: a. alle ontvangsten en uitgaven in de administratie zijn vastgelegd met onderliggende bewijsstukken; b. bewijsstukken, als onderdeel van de administratie, aanwezig zijn ten name van de gesubsidieerde en dat daaruit de aard van de geleverde goederen en diensten duidelijk blijkt. 2. De administratie wordt bewaard tot 31 december 2020, tenzij in de beschikking tot subsidieverlening anders is bepaald. 3. De subsidieontvanger is verplicht aan GS te allen tijde inzage te verlenen in de administratie en alle inlichtingen te verstrekken. Artikel 11, Voortgang uitvoering De subsidieontvanger brengt, zo vaak als in de beschikking is bepaald, schriftelijk verslag uit aan GS over de inhoudelijke en financiële voortgang van de activiteiten en overlegt daarbij een overzicht van boekingsbescheiden en een overzicht van betaalde facturen van die periode. Artikel 12, Publiciteit De subsidieontvanger vermeldt in iedere externe communicatie dat de activiteit geheel of gedeeltelijk is gerealiseerd met financiële steun van de provincie en, indien van toepassing, van het Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling. Artikel 13, Informatieverstrekking De subsidieontvanger doet onmiddellijk mededeling aan GS over alle feiten en omstandigheden, waaronder verzoeken tot zijn faillissement of tot surséance van betaling, waarvan hij weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat zij invloed kunnen hebben op de aanspraak op subsidie. VASTSTELLING Artikel 14, Aanvraag subsidievaststelling 1. De subsidieontvanger dient de aanvraag tot vaststelling van subsidie in binnen 13 weken na afloop van de activiteiten, tenzij in de beschikking tot subsidieverlening anders is bepaald. 2. De subsidieontvanger verstrekt bij de aanvraag om vaststelling van: a. een subsidiebedrag van meer dan € 50.000,-- een overzicht van de werke-lijke inkomsten en uitgaven, voorzien van een verklaring van getrouwheid van een accountant waaruit blijkt dat de subsidie is aangewend voor het doel waarvoor zij is verstrekt en dat de subsidieontvanger de activiteit rechtmatig heeft uitgevoerd en de subsidievoorschriften heeft nageleefd; b. een subsidiebedrag van minder dan € 50.000,-- een overzicht van werkelijke inkomsten en uitgaven, die door de subsidieontvanger is gewaarmerkt. 3. De subsidieontvanger verstrekt bij de aanvraag een inhoudelijke eindrapportage. 4. De aanvraag wordt ingediend bij GS op een daartoe vastgesteld formulier. VERPLICHTINGEN SUBSIDIEONTVANGER NA SUBSIDIEVASTSTELLING Artikel 15, Instandhouding 1. De subsidieontvanger houdt minstens 5 jaar na subsidievaststelling, of zolang als in de beschikking vermeld, de activiteiten of de resultaten van de activiteiten in stand. 2. GS kunnen op verzoek ontheffing verlenen van het bij of krachtens het eerste lid bepaalde. Artikel 16, Terugbetaling vergoeding 1. In de gevallen als bedoeld in artikel 4:41, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht is de subsidieontvanger een vergoeding verschuldigd die door GS wordt vastgesteld. 2. De vergoeding bedraagt maximaal het bedrag waarmee de subsidie heeft bijgedragen aan de vermogensvorming in verhouding tot de andere middelen die daaraan hebben bijgedragen. 3. Bij de bepaling van de hoogte van de vergoeding wordt uitgegaan van de economische waarde van eigendommen en andere vermogensbestanddelen op het moment waarop de vergoeding verschuldigd wordt. 4. In afwijking van het eerste lid kunnen GS op verzoek beslissen dat een vergoeding niet verschuldigd is, als aan elk van de volgende voorwaarden is voldaan: a. de activiteiten worden door een ander overgenomen; b. de realisatie van de doelstelling komt niet in gevaar; c. de activa en passiva worden tegen boekwaarde overgenomen. BIJZONDERE EN SLOTBEPALINGEN Artikel 17, Intrekking en terugvordering 1. De subsidieverlening of subsidievaststelling kan worden gewijzigd of worden ingetrokken voor zover subsidieverstrekking in strijd is met ingevolge een verdrag voor de provincie geldende verplichtingen. 2. Bij de vaststelling, intrekking of wijziging kan worden bepaald dat over onverschuldigd betaalde subsidiebedragen een rentevergoeding verschuldigd is. 3. De wijziging of intrekking werkt terug tot en met het tijdstip waarop de subsidie is verstrekt, tenzij bij de wijziging of intrekking anders is bepaald. Artikel 18, Afwijkingsbevoegdheid 1. GS kunnen de bepalingen gesteld bij of krachtens deze verordening buiten toepassing laten of daarvan afwijken voorzover toepassing, gelet op het belang van een doelgerichte of evenwichtige subsidieverstrekking, leidt tot onbillijkheid van overwegende aard. 2. Het eerste lid is niet van toepassing op de artikelen 3, eerste en tweede lid, en 4, onderdelen a, c en g. Artikel 19, Toezicht GS kunnen ambtenaren aanwijzen die zijn belast met het toezicht op de naleving van hetgeen bij of krachtens deze verordening is bepaald. Artikel 20, Overgangsbepaling in verband met intrekking bestaande subsidieregels 1. Aan GS wordt de bevoegdheid verleend tot het intrekken van de volgende verordeningen: - Regeling subsidiecriteria en -voorwaarden natuurgebiedaankopen c.a. (Provinciaal blad 42 van 1997); - Subsidieregeling nationale parken (Provinciaal blad 38 van 1998); - Subsidieverordening onderhoud landschapselementen Drenthe (Provinciaal blad 54 van 2001); - Subsidieregeling reserve stimulering vitaal platteland Drenthe (Provinciaal blad 53 van 2005). 2. De bepalingen van die verordening blijven van kracht voor subsidies die zijn aangevraagd vóór de inwerkingtreding van deze verordening. Artikel 21, Inwerkingtreding Deze verordening treedt in werking op een tijdstip dat nader door GS wordt bepaald. Artikel 22, Citeertitel Deze verordening wordt aangehaald als Subsidieverordening inrichting landelijk gebied. Toelichting TOELICHTING OP DE SUBSIDIEVERORDENING INRICHTING LANDELIJK GEBIED ALGEMEEN Het gebiedsgericht werken en subsidie De afgelopen jaren hebben Rijk en provincie voortdurend verbetering gezocht van het gebiedsgerichte werken aan de ontwikkeling van het platteland. De provincies hebben in dit verband de planningen steeds verbeterd in nauwe samenwerking met alle betrokkenen in het gebied, zoals waterschappen, gemeenten, bedrijven en belangenorganisaties. De aldus ontstane samenwerking tussen de verschillende bestuurslagen heeft vorm gekregen in de Wet inrichting landelijk gebied (WILG). Deze wet beoogt enerzijds het wettelijk landinrichtingsinstrumentarium te vereenvoudigen, anderzijds worden een decentralisatie van taken van het Rijk naar de provincies en een deregulering beoogd. Belangrijke begrippen in de WILG zijn het Rijksmeerjarenprogramma, waarin het Rijk aangeeft welke doelen voor het gebiedsgerichte beleid het wil realiseren, het provinciaal meerjarenprogramma, waarin elke provincie voor zich aangeeft welke bijdrage die provincie kan leveren het bereiken van de doelen van het Rijk, en de bestuursovereenkomst, waarin het Rijk en de provincie op basis van het provinciaal meerjarenprogramma afspraken maken met betrekking tot door het Rijk ter beschikking te stellen middelen in de vorm van een investeringsbudget en personele capaciteit van de Dienst Landelijk Gebied (DLG) van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV). Het betreft hier een investeringsbudget voor een periode van 7 jaar. Dit budget dient te worden aangewend om een bijdrage te leveren aan het bereiken van de doelen van het gebiedsgerichte beleid van het Rijk, hetgeen onder meer kan geschieden door het verstrekken van subsidies. Daarnaast worden uit dit budget bijdragen verstrekt in de kosten voor uitvoering van opdrachten van de provincie voor gebiedsinrichting en grondverwerving. Deze verordening geeft de juridische basis voor het verstrekken van subsidies. Zij regelt in die zin alle subsidies die de provincie verleent voor de inrichting van het landelijk gebied als bedoeld in pMJP en POP. Systeem: verwijzing naar provinciaal Meerjarenprogramma (pMJP) en Plattelandsontwikkelingsprogramma (POP) De verordening bevat de juridische grondslag voor subsidieverstrekking en daarnaast in hoofdzaak procedurele aspecten (in ruime zin), evenals subsidiabele kosten, algemene subsidievoorwaarden, rapportageplicht, evaluatie en toezicht. In de programma¿s pMJP en POP is vastgelegd voor welke activiteiten en doelen welke subsidies kunnen worden verstrekt en onder welke voorwaarden. Tevens is daarin opgenomen hoe in voorkomende gevallen subsidie kan worden verstrekt met inachtneming van de Europese vrijstellingsverordeningen of overeenkomstig door de Europese Commissie goedgekeurde steunmodules. Dit biedt niet alleen flexibiliteit in de uitvoering, maar ook transparantie en werkbaarheid van de verordening. De Dienst Landelijk Gebied (DLG) van het Ministerie van LNV zal voor POP optreden als betaalorgaan. Via nadere afspraken met DLG volgt een nadere invulling. Staatssteun en steunmodules Hoewel een groot deel van de subsidies geen staatssteun zal betreffen, bijvoorbeeld die aan overheden, moet het anderzijds van tevoren toch wél voldoende duidelijk zijn hoe aan belangrijke vereisten, zoals die van de EU voor staatssteun, wordt voldaan. Dat gebeurt in artikel 2, tweede lid. Op grond van de de minimisverordeningen (EG) 69/2001 en (EG) 1860/2004 voor het midden- en kleinbedrijf, respectievelijk de landbouw, mag in een periode van 3 jaar niet meer dan € 100.000,-- respectievelijk € 3.000,-- per onderneming steun worden verleend. Het gaat hier om steun in welke vorm dan ook, dus bijvoorbeeld ook belastingvoordelen tellen mee, van welke overheid dan ook. Deze de minimissteun is vrijgesteld van de goedkeuringsprocedure zoals bedoeld in artikel 88 van het EG-Verdrag. Vervolgens zijn er EG-vrijstellingsverordeningen, onder meer voor het midden- en kleinbedrijf en voor de landbouw. Als subsidie wordt verstrekt met toepassing van deze verordeningen, kan worden volstaan met een kennisgeving aan de Europese Commissie. De provincie zal gebruik gaan maken van de vrijstellingsverordeningen, door de toepassing ervan op te nemen in het pMJP. Ten derde kan op basis van het POP-programma subsidie worden verstrekt voor de daar geregelde maatregelen, die immers door de Europese Commissie zijn goedgekeurd. Ten slotte kan subsidie worden verstrekt overeenkomstig de daarvoor geldende steunmodule, die eveneens door de Europese Commissie is goedgekeurd. Bestuurlijk is het commitment uitgesproken om deze steunmodules niet per provincie te ontwikkelen, maar ze in samenwerking tussen alle provincies, dan wel de provincies die het aangaat, en het Rijk te ontwikkelen. Versterking van de voortgang in de uitvoering Een aantal bepalingen is gericht op een versterking van de voortgang in de uitvoering. De provincie wil hier, met als uitgangspunt dat projecten uitvoeringsgereed zijn en na de subsidieverlening onmiddellijk kunnen starten, bevorderen dat de projecten ook professioneel en snel worden uitgevoerd en afgerekend. Dit blijkt bijvoorbeeld uit de bevoorschotting (artikel 7), de uitvoering (artikel 8) en uit de manier waarop de voortgangsrapportages worden geregeld (artikel 11). De frequentie van voortgangsrapportages is eveneens afgestemd op de frequentie waarmee over voortgang van het plattelandsontwikkelingsprogramma door het Rijk aan de EU moet worden gerapporteerd. ARTIKELSGEWIJS Artikel 3 Dit artikel geeft de rechtsbasis voor het verstrekken van subsidie. De functie van het tweede lid, waar de beleidsmatige aspecten en inhoudelijke regels voor subsidieverstrekking worden genoemd, is in het algemene deel toegelicht. Het POP is een landelijk programma. Omdat niet alle activiteiten of maatregelen van het landelijke programma voor elke provincie nuttig zijn, kunnen de provincies ervoor kiezen om slechts enkele activiteiten of maatregelen van het POP te cofinancieren. Daarom geeft de provincie in het eerste lid van dit artikel aan voor welke onderdelen van het POP subsidie wordt verstrekt. Het derde lid vereist dat de begroting van een project, met inbegrip van de gevraagde subsidie, sluitend is. In het vierde lid is geregeld dat GS voor een goede uitvoering van deze verordening nadere regels kunnen stellen. Het betreft dus onderwerpen die op de uitvoering betrekking hebben, zoals bijvoorbeeld bij de aanvraag te verstrekken gegevens, precisering van subsidiabele kosten, de bekendmaking van resultaten van activiteiten of het geven van informatie over gesubsidieerde activiteiten door de subsidieontvanger, of andere nadere technische uitwerkingen. Op grond van het zesde lid kunnen GS een algemeen jaarlijks subsidieplafond instellen dan wel voor afzonderlijke categorieën subsidies of in verband met uit te schrijven tenders. Artikel 4 In dit artikel worden beperkingen gesteld aan de subsidiabele kosten. Subsidie kan voor dezelfde activiteit slechts 1 keer worden verleend. Daarnaast zijn bijvoorbeeld investeringen in milieumaatregelen, waarmee slechts wordt voldaan aan bestaande wettelijke eisen, nooit subsidiabel. Artikel 6 De bepalingen in het eerste lid, onder d, en het tweede lid zijn opgenomen om te kunnen beoordelen of er sprake is van steun die de de minimisgrens niet te boven gaat. De verantwoordelijkheid voor de gevolgen van verkeerde informatie ligt bij de aanvrager. Artikel 8 Dit artikel is, net als bijvoorbeeld artikel 11, gericht op een voortvarende uitvoering van de gesubsidieerde activiteiten. In de subsidiepraktijk van veel overheden komt het regelmatig voor dat een voorschot wordt verstrekt, voordat de subsidieontvanger een begin heeft gemaakt met de uitvoering van de activiteiten. Met deze praktijk wordt in het onderhavige artikel gebroken. Voorschotten worden slechts verstrekt op basis van gemaakte en betaalde kosten, dus op basis van declaraties die worden ingediend samen met de voortgangsrapportage. De achterliggende gedachte hierbij is enerzijds zoals al vermeld, het bespoedigen van de voortgang van de uitvoering, anderzijds wordt hiermee voorkomen dat het lucratief kan zijn om helemaal niet met de uitvoering van de activiteiten te beginnen, omdat men rente kan trekken van de voorgeschoten bedragen. De subsidieregeling heeft immers betrekking op zeer uiteenlopende activiteiten, ook wat betreft financiële omvang. In het zesde lid wordt op deze regel een uitzondering gemaakt, voor het geval private subsidieontvangers zonder het voorschot geen begin kunnen maken met de uitvoering van de activiteiten. Het gaat in die gevallen om bijvoorbeeld kleine stichtingen of natuurlijke personen die de projectkosten niet zelf kunnen voorschieten en ook niet in de financiering kunnen voorzien door een lening bij een bank. Als zij naar genoegen van GS hun financieringsbehoefte hebben aangetoond, komen zij voor een voorschot vooruitlopend op gemaakte kosten in aanmerking. Artikel 9 Boven de Europese drempels moet worden voldaan aan de Europese aanbestedingsregels. Met artikel 9 wordt verzekerd dat ook onder die drempels zal worden voldaan aan de Europese eisen van transparantie, objectiviteit en non-discriminatie. De onderdelen a en b betreffen aanbestedende diensten, overheidsorganen en publiekrechtelijke instellingen, als bedoeld in artikel 1, negende lid, van Richtlijn 2004/18/EG van het Europees Parlement en de Raad, d.d. 31 maart 2004, betreffende de coördinatie van de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor werken, leveringen en diensten (Pb L 134/114). In onderdeel a wordt bepaald dat andere overheden het eigen beleid kunnen toepassen. Het uitgangspunt is dat dat aan de te stellen eisen zal voldoen. Voor publiekrechte-lijke instellingen is in onderdeel b bepaald dat zij, indien beschikbaar, het eigen beleid mogen toepassen, maar dat ze dan eerst moeten aantonen dat dat aan alle eisen voldoet. Het tweede lid bepaalt dat niet-aanbestedende diensten, dat zijn andere subsidieontvangers dan die genoemd onder a en b die meer dan 50% subsidie ontvangen, ook aan de Europese eisen moeten voldoen. Dit is de situatie als bedoeld in artikel 8 van de richtlijn. Dit artikel beperkt zich tot werken en wat daarmee in verband staat. Deze beperking is niet overgenomen, zodat alle aanbestedingen moeten voldoen aan de gestelde eisen. Artikel 10 De administratie moet zolang bewaard worden dat zij beschikbaar blijft voor de eindafrekening van het ILG-budget tussen minister en de provincie en in verband met de eindafrekening over het POP. Artikel 16 De provincie zal een vergoeding eisen bij overname van de activiteiten door een ander, tenzij aan alle 3 de genoemde vereisten wordt voldaan. Artikel 17 Op grond van artikel 14 van Verordening (EG) nummer 659/1999 (Pb 1999 L83), kan de Europese Commissie beschikken dat de betrokken lidstaat alle nodige maatregelen moet nemen om onrechtmatige steun van de begunstigde terug te vorderen en geeft daarbij aan welk wettelijk rentepercentage passend is. Wettelijke rente is verschuldigd vanaf de datum waarop de onrechtmatige steun voor de begunstigde beschikbaar was tot aan de daadwerkelijke terugbetaling. Het tweede lid biedt de publiekrechtelijke grondslag die ingevolge jurisprudentie (bijvoorbeeld Afdeling bestuursrechtspraak, 11 januari 2006, zaaknummer 200503463/1) voor de terugvordering van wettelijke rente vereist is. Zo wordt in afwachting van de nieuwe Afdeling 4.4 van de Algemene wet bestuursrecht over bestuursrechtelijke geldschulden voorkomen dat ingevolge de genoemde jurisprudentie óók een civielrechtelijke procedure zou moeten worden gevoerd. Bijlage, Provinciaal meerjarenprogramma Landelijk gebied, deel 3, subsidiegids 2007 pMJP DRENTHE 2007-2013, DEEL 3, SUBSIDIEGIDS 2011 Deze subsidiegids is het derde deel van het pMJP van Drenthe voor de periode 2007-2013. De subsidiegids wordt los uitgegeven en jaarlijks bijgewerkt. De gids is daarmee zowel een document dat initiatiefnemers inzicht geeft in actuele budgetten en subsidiecriteria, als een managementinstrument voor de gebiedspartners, die hiermee een goed overzicht houden op de voortgang van de uitvoering van het pMJP. INHOUD 1. SUBSIDIES ALGEMEEN 1.1. Subsidiekader 1.2. Algemene criteria 1.3. Europa 2. SUBSIDIES VOOR NATUUR 2.1. Realisatie natuur 2.2. Leefgebiedenbenadering (soortenbescherming) 2.3. Behoud, beheer en ontwikkeling van nationale parken 2.4. Milieukwaliteit EHS, VHR en Natuurbeschermingsgebieden 2.5. Natuurbeheer buiten de EHS (Programma Beheer) 3. SUBSIDIES VOOR LANDBOUW 3.1. Grondgebonden landbouw 3.2. Glastuinbouw (vervallen als 3.2, maar samengevoegd met 3.3 Innovatie en samenwerking land- en glastuinbouw) 3.3. Duurzaam ondernemen 4. SUBSIDIES VOOR RECREATIE 4.1. Landelijke routenetwerken 4.2. Provinciale routenetwerken [vervallen als 4.2, maar samengevoegd met 4.3] 4.3. Versterken toeristische voorzieningen 5. SUBSIDIES VOOR LANDSCHAP 5.1. Lopende verplichtingen bos/landschap ruimtelijke structuren algemeen 5.2. Stichting Landschapsbeheer Drenthe 5.3. Nationaal Landschap 5.4. Landschapsbehoud en -ontwikkeling buiten het kader van het Uitvoeringsprogramma Nationaal Landschap 6. SUBSIDIES VOOR BODEM 6.1. Duurzaam bodemgebruik 6.2. Bodemsanering [vervallen] 6.3. Waterbodemsanering [vervallen] 7. SUBSIDIES VOOR WATER 7.1. Water bergen en vasthouden 7.2. Synergieprojecten (KRW en WB21) 7.3. Grondwater 8. SUBSIDIES VOOR SOCIAALECONOMISCHE VITALISERING 8.1. Stimulering en verbreding van de plattelandseconomie 8.2. Verbetering van de leefbaarheid in plattelandsgebieden 8.3. Impuls sociaaleconomische vitalisering 1, SUBSIDIES ALGEMEEN 1.1, Subsidiekader Het subsidiekader van het pMJP wordt gevormd door: - de Subsidieverordening inrichting landelijk gebied; dit is het juridische kader op grond waarvan de subsidie kan worden verleend; - voorliggend deel 3 van het pMJP, waarin per thema staat aangeven: -- welke maatregelen en activiteiten subsidiabel zijn om de in deel 1 aangegeven doelen te realiseren; -- wie de eindbegunstigde is; -- welke specifieke subsidievoorwaarden van toepassing zijn; -- welk subsidiebedrag of subsidiepercentage maximaal kan worden verleend. In de subsidieverordening is geregeld dat Gedeputeerde Staten voor ieder uitvoeringsjaar een jaarprogramma vaststellen. Onderdeel daarvan zijn de subsidieplafonds. Als algemene beleidslijn hiervoor geldt een evenredige verdeling van de subsidies per thema over de 7 uitvoeringsjaren. Gedeputeerde Staten kunnen gemotiveerd van deze beleidslijn afwijken. Voor middelen gelabeld aan nader aan te duiden specifieke projecten (bijvoorbeeld het kanaal Erica-Ter Apel) of gebieden (bijvoorbeeld het Nationaal Landschap) geldt deze evenredige verdeling niet. 1.2, Algemene criteria In dit deel van het pMJP worden de thema's vermeld waarvoor subsidie kan worden verleend. Een aanvraag past binnen het pMJP als de activiteit qua aard en doel aansluit bij de in het pMJP benoemde maatregelen, activiteiten en prioriteiten en bijdraagt aan het realiseren van de pMJP doelen in Drenthe. Een aanvraag past binnen de subsidieverordening als tevens wordt voldaan aan de technische eisen die aan de aanvraag worden gesteld, zoals een tijdige indiening. Aanvragen worden altijd afzonderlijk beoordeeld en soms ook in verhouding tot andere (mogelijke) aanvragen. Een onderdeel daarvan is de kwalitatieve beoordeling, waarbij wordt gekeken naar de mate waarin de te subsidiëren activiteit bijdraagt aan de realisatie van de pMJP-doelstellingen. Voorrang wordt gegeven aan aanvragen die sterker scoren op de volgende criteria. - Doelgerichtheid: de omvang van de verwachte effecten van het project in relatie tot de Bestuursovereenkomst 2007 2013 tussen het Rijk en de provincie Drenthe (18 december 2006). - Gerichtheid op integraal werken: de mate waarin het project verband houdt met andere activiteiten waaraan vanuit het pMJP wordt bijgedragen. De gedachte hierachter is dat het koppelen van maatregelen tot integrale projecten mogelijkheden biedt om voor bepaalde sectoren of gebieden méér te doen dan wat bij afzonderlijke activiteiten haalbaar is (zie ook deel 1). - Kosteneffectiviteit: de mate waarin sprake is van een gunstige verhouding tussen kosten en effecten. - Samenwerking en marktgerichtheid: de mate waarin activiteiten daadwerkelijk van start tot afsluiting van het project gezamenlijk door (bijvoorbeeld) overheden, instellingen en bedrijven worden uitgevoerd, en de mate waarin het project aansluit bij potentiële ontwikkelingen in de markt (wat onder meer tot uiting kan komen in uitgelokte particuliere investeringen). - Behoefte: de noodzaak van het project zoals deze door de aanvragers wordt onderbouwd. - Haalbaarheid: de technische en financiële haalbaarheid van het project. - Vernieuwing: de meerwaarde van het project ten opzichte van bestaande projecten. - Omvang eigen bijdrage: de mate waarin belanghebbenden door eigen financiële bijdragen laten blijken dat ze zelf gewicht hechten aan het project. Verdelingsmaatstaf Gedeputeerde Staten kunnen op grond van de Subsidieregeling ILG aangeven hoe de verdeling van de subsidies zal plaatsvinden. Daarbij is gekozen voor een "wie het eerst komt, het eerst maalt" principe. Indien activiteiten mede worden gefinancierd met subsidies van de Europese Commissie (vanuit het POP2), gelden met betrekking tot de indiening de regels van het POP2. Subsidiepercentages Hierna zijn voor de verschillende onderdelen, waarvoor subsidie kan worden verleend, maximum subsidiepercentages aangegeven. De middelen voor de subsidie kunnen afkomstig zijn van Europa, Rijk en/of provincie. Gedeputeerde Staten kunnen, indien daartoe aanleiding bestaat, van de maxima afwijken, bijvoorbeeld als aan meer projecten een bijdrage kan worden verleend. Wanneer (een deel van) de subsidie afkomstig is uit het Europese plattelandsontwikkelingsprogramma (POP2) zijn de percentages die het POP2 daarvoor aangeeft leidend. Cofinanciering (bijvoorbeeld door gebiedspartners of particulieren) is niet in de hier vermelde subsidiepercentages opgenomen. In de beschikking waarmee de subsidie wordt verleend, wordt zoveel mogelijk zichtbaar gemaakt welke financiële stromen ten grondslag liggen aan de subsidieverlening en welke specifieke verplichtingen en voorwaarden op grond daarvan op de subsidieverlening van toepassing zijn. Subsidieplafonds Gedeputeerde Staten stellen jaarlijks subsidieplafonds vast en maken deze bekend. Daarmee wordt aangegeven welk bedrag gedurende een jaar beschikbaar is voor de verstrekking van subsidies op grond van onder meer deze subsidiegids. Als door verstrekking van de subsidie het plafond zou worden overschreden, is dat een reden om de subsidie te weigeren. Bij de bekendmaking van het subsidieplafond wordt de wijze van verdeling van de subsidies vermeld. 1.3, Europa Steunmaatregelen volgens het Europese Gemeenschap(EG)-verdrag Bij het verlenen van subsidies door (decentrale) overheden moeten de aanvrager en de subsidiegever rekening houden met de voorschriften die de Europese Commissie verbindt aan het verlenen van financiële steun. Dit betekent dat steeds moet worden nagegaan of er sprake is van een steunmaatregel en zo ja, of die steunmaatregel aan de Europese Commissie moet worden gemeld. Bepaalde maatregelen waarmee staatssteun verleend wordt, mogen zonder melding aan of toestemming van de Europese Commissie worden uitgevoerd, onder andere op basis van de Minimisregeling (voor het MKB en voor de landbouw geldt per periode van 3 jaar een maximale steun van € 200.000,--, respectievelijk € 3.000,-- per onderneming) en de Vrijstellingsverordeningen voor het MKB. De subsidiegever en de subsidieontvanger moeten dan wel bijhouden of het totaal aan verleende steun over een bepaalde periode niet boven een bepaald bedrag uitkomt. Het begrip Staatssteun dient breed te worden opgevat. Van staatssteun is niet alleen sprake bij het verstrekken van directe overheidssubsidies aan ondernemingen; een steunmaatregel kan ook indirect zijn. Zo kunnen onder meer als staatssteun worden aangemerkt: garanties of middelen die tegen niet-marktconforme voorwaarden worden verstrekt, verkoop van grond of gebouwen voor lagere prijzen dan de marktprijs, verlichting van financiële lasten voor specifieke bedrijven en door decentrale overheden uitgevoerde werkzaamheden (bijvoorbeeld de aanleg van infrastructurele voorzieningen) waarvan het directe openbare belang discutabel is en die een voordeel opleveren voor bepaalde bedrijven. De vorm, de reden en het doel van de toegekende steun zijn niet van belang; alleen de uitwerking ervan op de concurrentie telt mee. Overeenkomstig artikel 87, eerste lid, van het EG-verdrag is er sprake van staatssteun als er aan de volgende criteria is voldaan. - De steun wordt door de overheid verleend of met de overheidsmiddelen bekostigd. - De steun verschaft een economisch voordeel aan onderneming(

  1. en)die zij niet langs de normale commerciële weg zouden hebben verkregen. - Dit voordeel is selectief, wat inhoudt dat het ten goede komt van bepaalde onderneming(en). Het voordeel moet de mededinging vervalsen of dreigen te vervalsen en een (potentiële) invloed op de tussenstaatse handel hebben. Het begrip Onderneming wordt door het Europese Hof van Justitie uitgelegd als "elke eenheid die een economische activiteit uitoefent ongeacht haar rechtsvorm en de wijze waarop zij wordt gefinancierd". Dit betekent dat ook stichtingen en verenigingen als onderneming kunnen worden gezien als hun activiteiten ook op een markt (kunnen) worden aangeboden. Concurrentievervalsing en beïnvloeding van het handelsverkeer zijn moeilijk vast te stellen. De Europese Commissie oordeelt vaak al snel dat hiervan sprake is. Bij het voldoen aan de eerste drie criteria moet er daarom in principe al overgegaan worden tot melding, tenzij er evident sprake is van een activiteit met slechts een lokaal bereik. Bij subsidies in het kader van het ILG kan sprake zijn van staatssteun. Dit wil nog niet zeggen dat geen subsidie kan worden verleend. Als de aanvraag past binnen een van de zogenaamde vrijstellingsverordeningen van de Europese Commissie kunnen Gedeputeerde Staten positief beslissen over een aanvraag. Los van de vrijstellingsverordeningen kan de Europese Commissie goedkeuring verlenen voor steunmaatregelen die "verenigbaar zijn met de gemeenschappelijke markt" (artikel 97, derde lid, van het EG-verdrag). Door de provincies is samen met LNV goedkeuring gevraagd voor subsidiemogelijkheden in een zogeheten Catalogus Groene Diensten. Deze heeft dezelfde werking als een vrijstellingsverordening: de steun is toelaatbaar mits de aanvullende criteria en voorschriften in acht worden genomen. Mogelijk worden in de toekomst nog andere steunmodules gezamenlijk ontwikkeld. Europese middelen Bij subsidies waarbij Europese middelen zijn betrokken, gelden aanvullende Europese voorwaarden. Binnen het pMJP gaat het om middelen uit het bij verordening (EG), nummer 1290/2005, opgerichte ELFPO, de opvolger van het landbouwfonds Europees oriëntatie- en garantiefonds voor de landbouw. Gedeputeerden zijn aangewezen als beheersautoriteit voor deze "POP2-subsidies". Betaalautoriteit is de DLG. Indien voor een activiteit cofinanciering mogelijk is met POP2-geld, staat meteen vast dat de subsidie voldoet aan de eisen van staatssteun. POP2 Het POP2 is een zevenjarig subsidieprogramma. Het is de nationale invulling van de nieuwe Europese Plattelandsverordening van de Europese Commissie. Een project kan alleen subsidie uit het Europese fonds krijgen als het past binnen de POP2-doelstellingen die in de Europese Plattelandsverordening worden vermeld. Deze doelstellingen zijn uitgewerkt in 3 "assen", namelijk landbouw (as 1), natuur & landschap (as 2) en plattelandsontwikkeling (as 3). Een vierde as, gebaseerd op de LEADER-ervaringen, zal in combinatie met de doelen uit de 3 inhoudelijke assen mogelijkheden bieden voor innovatieve vormen van beleidsvorming en -uitvoering, gebaseerd op een bottom up-benadering van plattelandsontwikkeling. Het POP2 beslaat de periode 2007 2013. Deze periode valt samen met het ILG, zodat het makkelijker is om de financiering van POP2 te koppelen aan het pMJP. Het Rijk stelt het POP2 samen met de provincies op. Er staat in beschreven met welke maatregelen de Europese doelen worden gerealiseerd. Ook is de verdeling van de gelden - van de Europese Commissie en cofinanciering van het Rijk, de provincies en overige organisaties - over deze doelen en (indicatief) over onderliggende maatregelen aangegeven. In het POP2 worden de maatregelen vertaald naar "fiches" waarin is aangegeven wat voor soort projecten voor financiële ondersteuning in aanmerking komen. Bij het beschikbare EU-geld is minimaal 50% nationale (of regionale) cofinanciering vereist. 2, SUBSIDIES VOOR NATUUR 2.1, Realisatie natuur 2.1.a, Verwerving EHS (onderdeel particuliere terreinbeherende natuurbeschermingsorganisaties) Beleidsmatige criteria Realisatie EHS. Begripsbepalingen a. Terreinen: gronden, daaronder begrepen natuurterreinen, wateren, landgoederen, bossen en andere houtopstanden, alsmede de op die gronden gelegen objecten, die van belang of van potentieel belang zijn om hun natuurwetenschappelijke, landschappelijke of cultuurhistorische betekenis of vanwege bosbouwkundige waarden. b. Invloedssfeer: gedeelte van een provincie, aangegeven op een door de minister en Gedeputeerde Staten vastgestelde kaart, waarbinnen een instelling eerst aangewezene is om terreinen te verwerven of in beheer te verkrijgen. Subsidiabele activiteiten Gedeputeerde Staten kunnen met betrekking tot terreinen op aanvraag subsidies verlenen voor: a. de kosten van verwerving, en b. de vergoeding van de kosten voor beëindiging van pachtovereenkomsten. Beoordelingscriteria terreinen Een subsidie voor de kosten van verwerving van een terrein of pachtbeëindiging wordt verleend voor terreinen: a. die gelegen zijn binnen de invloedssfeer van de instelling die een aanvraag tot subsidieverlening heeft ingediend; b. die door de provincie zijn begrensd als natuurgebied, deel uitmakend van de EHS; c. die worden ingezet als ruilgrond voor realisatie EHS; waarbij Gedeputeerde Staten nadere bepalingen kunnen opnemen in de beschikking over de termijn waarop de gronden moeten zijn ingezet voor realisatie van de EHS; d. die zijn gelegen in een gebied met hoge actuele natuurwetenschappelijke, landschappelijke, cultuurhistorische of bosbouwkundige waarden; Of voor verwerving: e. van bos- en landschapselementen als bedoeld in artikel 74, tweede lid, onderdeel b, van de Landinrichtingswet, die zijn aangelegd in het kader van landinrichtingsprojecten. Subsidiabele kosten Een subsidie voor de kosten van verwerving van grond wordt verleend: a. indien het aankoopbedrag niet meer bedraagt dan de reële marktwaarde, en/of b. als de verwerving valt onder een door Gedeputeerde Staten vastgesteld Aankoopstrategieplan. Als subsidiabele kosten worden aangemerkt de volgende kosten: - het aankoopbedrag; - het kadastraal recht en het registratierecht; - veiling- en notariskosten; - overdrachtsbelasting voor zover geen kwijtschelding of vermindering wordt verleend; - schenkingsrecht voor zover geen kwijtschelding of vermindering wordt verleend; - het afkoopbedrag van de landinrichtingsrente voor zover die rust op het verworven terrein; - kosten verbonden aan het verlies bij verkoop of sloop van gebouwen; - hervestigingskosten, voor zover deze kosten bij verkoop van gronden door het bureau aan de betrokken instelling in het aankoopbedrag van een terrein worden doorberekend. Gedeputeerde Staten kunnen bij de beschikking tot subsidieverlening besluiten dat tot een door hen vast te stellen maximumbedrag als subsidiabele kosten tevens worden aangemerkt: - kosten van het wegwerken van het ten tijde van de verwerving aanwezige achterstallig onderhoud om de gronden te kunnen beheren; - taxatie- en bemiddelingskosten. Een subsidie voor de kosten van vergoeding ter beëindiging van een op een terrein gevestigde pachtovereenkomst wordt slechts verleend, voor zover een instelling eigenaar of erfpachter is van een terrein waarop reeds vóór het tijdstip dat het terrein door die instelling is verworven, pachtrechten zijn gevestigd, en waarvoor naar het oordeel van Gedeputeerde Staten beëindiging van de op het terrein gevestigde pachtovereenkomst gewenst is vanuit het oogpunt van natuur- of landschapsbescherming, bescherming van cultuurhistorische of bosbouwkundige waarden, of natuurontwikkeling, alsmede de hoogte van de vergoeding niet meer bedraagt dan de gebruikelijk betaalde vergoedingen ter compensatie van het nadeel bij vroegtijdige beëindiging van pachtovereenkomsten. Aanvraag Een aanvraag tot subsidieverlening voor de kosten van verwerving van een subsidiabel terrein wordt uiterlijk ingediend op de dag vóór het passeren van de koopakte. Een aanvraag tot subsidieverlening voor de kosten van vergoeding ter beëindiging van een pachtovereenkomst als bedoeld onder a tot en met e wordt uiterlijk ingediend op de dag vóór de beëindiging van de pachtovereenkomst. Een aanvraag tot subsidieverlening gaat in ieder geval vergezeld van: a. een kadastrale omschrijving van het terrein ten behoeve waarvan de subsidie wordt aangevraagd; b. een begroting en taxatierapport van de met de verwerving, respectievelijk de beëindiging van de pachtovereenkomst, gemoeide kosten; c. in voorkomend geval, een overzicht van de subsidies of andere bijdragen die uit anderen hoofde met hetzelfde oogmerk worden verstrekt, respectievelijk van de eigen middelen van de instelling die met hetzelfde oogmerk worden aangewend, d. indien van toepassing een verwijzing naar een vastgesteld Aankoopstrategieplan; e. een motivering op grond waarvan de aanvraag voor subsidiëring in aanmerking komt, zoals bijvoorbeeld een zeldzaam milieutype, cultuurhistorie, schakelfunctie of afronding van bestaande natuur. Bevoorschotting Gedeputeerde Staten kunnen op aanvraag een voorschot verlenen tot ten hoogste 100% van het bedrag vermeld in de beschikking tot subsidieverlening onderscheidenlijk van het bedrag waarop de subsidie overeenkomstig de beschikking tot subsidieverlening ten hoogste kan worden vastgesteld. Vaststelling De aanvraag tot subsidievaststelling gaat vergezeld van: a. een afschrift van de notariële akte van de aankoop van de betrokken gronden; b. een overzicht van de subsidiabele kosten; c. een overzicht van de subsidies of andere bijdragen die uit anderen hoofde met hetzelfde oogmerk zijn verstrekt, respectievelijk van de eigen middelen van de instelling die met hetzelfde oogmerk zijn aangewend. De aanvraag tot subsidievaststelling gaat vergezeld van: a. een afschrift van een schriftelijke overeenkomst tot beëindiging van de pachtovereenkomst dan wel een afschrift van de uitspraak van de rechter tot ontbinding van de pachtovereenkomst, bedoeld in artikel 377, eerste lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek; b. een overzicht van de kosten verbonden aan de beëindiging van de pachtovereenkomst, en c. in voorkomend geval, een overzicht van de subsidies of andere bijdragen die uit anderen hoofde met hetzelfde oogmerk zijn verstrekt, respectievelijk van de eigen middelen van de instelling die met hetzelfde oogmerk zijn aangewend. Overige verplichtingen De subsidieontvanger is verplicht om de daadwerkelijke verwerving van het terrein en/of de beëindiging van de pachtovereenkomsten te laten plaatsvinden binnen een tijdvak van 12 weken na de subsidieverlening. Gronden die met een subsidie zijn verworven, of een gedeelte daarvan, worden niet vervreemd of in erfpacht uitgegeven, ook worden er geen zakelijke rechten gevestigd, noch wordt het kenmerkend karakter van het terrein of delen ervan in strijd met de beheersvisie gewijzigd, dan wel aan derden toestemming daartoe verleend. Bij beëindiging van de instelling behoeft de bestemming van een batig liquidatiesaldo de goedkeuring van Gedeputeerde Staten. De begunstigde beschikt over statuten, die aan Gedeputeerde Staten ter kennisneming worden overgelegd. De instelling stelt Gedeputeerde Staten onverwijld in kennis van wijziging van de statuten. Gedeputeerde Staten kunnen op verzoek of indien zij daar aanleiding toe zien van het bepaalde in deze regeling afwijken. Begunstigden a. Vereniging Natuurmonumenten b. Stichting "Het Drentse Landschap" Maximale subsidiebijdrage De subsidie bedraagt ten hoogste honderd procent van de subsidiabele kosten. Aanvragen indienen vóór Niet van toepassing (regeling is het hele jaar opengesteld). EU-bepaling De subsidie die wordt verstrekt in het kader van deze maatregel is geen staatssteun. Het betreft hier geen (begunstiging van) ondernemingen of producties als bedoeld in artikel 87 en verder van het EG-verdrag. 2.1.b, Verplaatsingsregeling grondgebonden agrarische bedrijven Beleidsmatige criteria Het verplaatsen van agrarische grondgebonden bedrijven ter verbetering van de ruimtelijke of agrarische structuur, natuur, landschap, water of milieu. Subsidiabele activiteiten Gedeputeerde Staten verstrekken op aanvraag van een belanghebbende subsidie voor de verplaatsing van een grondgebonden agrarisch bedrijf waarvan de cultuurgrond: a. voor ten minste 50% is gelegen in de EHS, of b. voor ten minste 50% is gelegen in een landinrichtingsgebied, dan wel een gebied ten behoeve van planmatige kavelruil, of c. gelegen is in een gebied, anders dan een gebied zoals bedoeld onder a en b, dat is opgenomen in een Aankoopstrategieplan en waarvoor in dat Aankoopstrategieplan is bepaald dat deze subsidieregeling ook op dat gebied van toepassing is. Voor de begrenzing op detailniveau is de informatie in het desbetreffende Aankoopstrategieplan bepalend, of d. gelegen is in de provincie Drenthe en de belanghebbende een positief beoordeelde kandidaat is voor het project "Inplaatsing melkveehouderij in de Veenkoloniën". Beoordelingscriteria/voorwaarden 1. De subsidieregeling is uitsluitend van toepassing voor kleine en middelgrote landbouwbedrijven die actief zijn in de primaire productie van landbouwproducten. Een en ander zoals bedoeld in verordening 1857/2006 (EG). De subsidieregeling is niet van toepassing op steun voor uitgaven met betrekking tot de verwerking of de afzet van landbouwproducten. 2. De subsidie wordt verstrekt als aan de volgende voorwaarden is voldaan. a. Het grondgebonden agrarisch bedrijf wordt zodanig verplaatst dat de nieuwe bedrijfskavel en cultuurgrond niet gelegen zijn in de EHS, een natuurgebied, een landinrichtingsgebied of een gebied ten behoeve van planmatige kavelruil; tenzij Gedeputeerde Staten toestemming geven om hier op een uitzondering te maken. Voor het verplaatste grondgebonden agrarisch bedrijf geldt een ondergrens van 50 NGE, te bepalen aan de hand van de meitelling zoals die wordt uitgevoerd door het Landbouw-Economisch Instituut. b. De aanvrager dient alle tot het bedrijf behorende en te verlaten cultuurgrond en de te verlaten bedrijfskavel met de zich daarop bevindende bedrijfswoning, bedrijfsgebouwen en installaties in eigendom, vrij van enig zekerheids-, gebruiks- of ander beperkend of bezwarend recht, aan BBL of in incidentele gevallen aan een door Gedeputeerde Staten aan te wijzen instantie over te dragen op grond van een overeenkomst van koop, verkoop en eigendomsoverdracht tussen BBL dan wel de door Gedeputeerde Staten aan te wijzen instanties en de aanvrager. De overdracht zal plaatsvinden tegen vergoeding van de waarde in het economisch verkeer bij voortgezet agrarisch gebruik van de cultuurgrond en de bedrijfskavel met de zich daarop bevindende gebouwen en installaties, welke waarde wordt vastgesteld op basis van een door Gedeputeerde Staten goedgekeurde zakelijke taxatie. 3. De hierboven onder 2b genoemde voorwaarde geldt niet voor die cultuurgrond waarvoor de aanvrager een overeenkomst ingevolge de SN Drenthe heeft afgesloten. 4. Gedeputeerde Staten kunnen in afwijking van het bepaalde onder 2b bepalen dat de bedrijfskavel met de zich daarop bevindende bedrijfswoning, bedrijfsgebouwen en installaties en circa 1 ha cultuurgrond (hiervoor zijn de topografische grenzen bepalend) niet in eigendom hoeven te worden overdragen aan BBL of een door Gedeputeerde Staten aan te wijzen instanties mits: a. de bedrijfskavel niet is gelegen in de EHS en handhaving van de eventuele bedrijfswoning passend is in de doelstellingen, zoals verwoord in het gebiedsplan dat op het desbetreffende gebied van toepassing is, en b. de bedrijfskavel een naar het oordeel van Gedeputeerde Staten passende niet-agrarische bestemming krijgt, en c. de zich op de bedrijfskavel bevindende bedrijfsgebouwen en installaties worden gesloopt; d. de onder 4c genoemde voorwaarde geldt niet voor de bedrijfswoning, bedrijfsgebouwen en installaties waarvan het gemeentebestuur heeft verklaard dat sloop daarvan niet zal worden toegestaan. 5. In het geval de cultuurgrond is gelegen in een landinrichtingsgebied kunnen Gedeputeerde Staten, in afwijking van het gestelde onder 1b, bepalen dat de cultuurgrond en de bedrijfskavel met de zich daarop bevindende bedrijfswoning, bedrijfsgebouwen en installaties niet in eigendom hoeven te worden overgedragen aan BBL of een door Gedeputeerde Staten aan te wijzen instantie, als met de inbreng en toedeling van de cultuurgrond en de bedrijfskavel natuurdoel(en), dan wel de provinciale beleidsdoelen worden gerealiseerd. 6. In afwijking van het bepaalde onder 4c kunnen gedeputeerde staten toestaan dat bedrijfsgebouwen tot een oppervlakte van circa 200 m2, passend binnen de geldende bebouwingsomvang en landschappelijke omgeving worden behouden, mits er een bedrijfswoning aanwezig is op of bij de betrokken bedrijfskavel en de afstand van de te handhaven bedrijfsgebouwen tot deze woning niet meer dan 25 m bedraagt. Voorts kunnen Gedeputeerde Staten in afwijking van het bepaalde onder 4c, het behoud van (voormalige) bedrijfsgebouwen toestaan die onlosmakelijk zijn verbonden met de bedrijfswoning en daarmee architectonisch een geheel vormen. 7. In bijzondere gevallen kunnen Gedeputeerde Staten afwijken van de in onderdeel 2b omschreven verplichting dat alle bij het bedrijf van aanvrager behorende grond of een overeenkomstige oppervlakte, aan BBL dient te worden overgedragen. 8. De subsidieontvanger zorgt ervoor dat uiterlijk binnen 24 maanden na de verlening van de subsidie wordt voldaan aan de verplichtingen wordt voldaan. Gedeputeerde Staten kunnen deze termijn eenmalig verlengen indien aanvrager de verplaatsing niet binnen die termijn kan afronden als gevolg van het niet tijdig kunnen beschikken over de voor verplaatsing benodigde vergunningen, vrijstellingen, ontheffingen en andere publiekrechtelijke instemmingen en zulks niet is te wijten aan aanvrager. 9. Geen subsidie wordt verstrekt indien: a. de cultuurgrond en de bedrijfskavel met de zich daarop bevindende bedrijfswoning, bedrijfsgebouwen en installaties op de datum waarop de aanvraag tot subsidieverlening is ingediend in eigendom is overgedragen aan een BBL dan wel een door Gedeputeerde Staten aan te wijzen instantie; b. op de bedrijfskavel of (delen van) de cultuurgrond woningbouw is toegestaan volgens een geldend bestemmingsplan als bedoeld in de wetgeving Ruimtelijke Ordening. c. het grondgebonden agrarisch bedrijf is ingebracht bij een verzoek om provinciale planologische medewerking aan: i. de realisatie van een of meer ruimte voor ruimte-woningen, ii. de ontwikkeling van een nieuw landgoed of een nieuwe buitenplaats. Als in het kader van de verplaatsing van het grondgebonden agrarisch bedrijf een vergoeding wordt verstrekt door een of meer andere overheidslichamen, wordt op grond van deze regeling slechts een zodanig bedrag aan subsidie verleend dat de som van de door het andere overheidslichaam of overheidslichamen verstrekte of te verstrekken vergoeding(
  2. en)en de op grond van deze regeling te verstrekken subsidie niet meer bedraagt dan de maximale subsidiebijdrage voortvloeiende uit deze regeling. Begunstigden De eigenaar(
  3. s)dan wel de eigenaar(
  4. s)en de gebruiksgerechtigde(
  5. n)gezamenlijk van een grondgebonden agrarisch bedrijf en de cultuurgrond, die schriftelijk te kennen hebben gegeven in aanmerking te willen komen voor subsidie uit de onderhavige subsidieregeling. Maximale subsidiebijdrage Binnen het kader zoals verwoord in Artikel 6 verordening (EG) nummer 1857/2006 voor grondgebonden agrarische bedrijven van de commissie wordt steun verleend in de vorm van: a. 100% van de daadwerkelijke gemaakte verplaatsingskosten als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de verordening (EG) nummer 1857/2006 met een maximum van € 100.000,--; b. maximaal 40% van de waardestijging van de betrokken installaties zoals bedoeld in artikel 6, derde lid, van verordening 1857/2006 EG, met een maximum van € 300.000,--, wanneer de verplaatsing de aanvrager modernere installaties oplevert, met de voorwaarde dat de eigen bijdrage van de landbouwer overeenkomt met ten minste 60% van de waardestijging; c. maximaal 40% van de uitgaven die gepaard gaan met verhoging van de productiecapaciteit, zoals bedoeld in artikel 6, lid 3, van verordening 1857/2006 EG, met een maximum van € 300.000,--, indien de verplaatsing leidt tot een verhoging van de productiecapaciteit, met de voorwaarde dat de eigen bijdrage van de landbouwer overeenkomt met ten minste 60% van de waardestijging. De compensatie onder b en c wordt berekend aan de hand van de representatieve marktwaarde. De steun bedraagt 40% van het eventuele positieve verschillen tussen enerzijds de representatieve marktwaarde van de te verlaten bedrijfslocatie en -gebouwen en anderzijds het totaal van de volgende kosten: - de representatieve marktwaarde van een vervangende bedrijfslocatie en -gebouwen; - de eventuele investeringen in oprichting, modernisering, vervanging en/of uitbreiding van de vervangende bedrijfsgebouwen. Als verplaatsingskosten (onder
  6. a)worden aangemerkt: - de advieskosten in verband met verplaatsing (zoals bijvoorbeeld kosten van makelaar en accountant); - feitelijke verplaatsingskosten (zoals kosten van verhuizen van bedrijfsmiddelen en dieren naar de hervestigingslocatie); - notaris- en kadasterkosten; - overdrachtsbelasting die in verband met hervestiging is verschuldigd; - fiscale afrekening in verband met bedrijfsverplaatsing. Zie Bijlage 1 voor een toelichting van de Wet inkomstenbelasting. Investeringskosten op de hervestigingslocatie (onder
  7. b)betreffen: - investeringskosten van bedrijfsgebouwen en installaties op de hervestigingslocatie; - algemene (advies)kosten, zoals kosten voor architecten, ingenieurs en adviseurs, haalbaarheidsstudies die verband houden met de hervestiging op de nieuwe locatie. De kosten voor leges (van vergunningen, wijziging bestemmingsplan, artikel 19-procedure, schone grondverklaringen, en dergelijke) vallen hier niet onder. De waarde van gebouwen en installaties op de te verlaten locatie betreft de waarde in het economisch verkeer bij voortgezet agrarisch gebruik van de cultuurgrond en het bouwblok met de daarop bevindende gebouwen en installaties. - Kosten van het saneren van de bodem en fiscale claims worden niet tot de subsidiabele kosten gerekend. - De subsidie en het aankoopbedrag van het te verplaatsen bedrijf gezamenlijk bedraagt niet meer dan de hoogte van een volledige schadeloosstelling. - De waarde in het economisch verkeer bij voortgezet agrarisch gebruik van de te verlaten bedrijfskavel met de zich daarop bevindende gebouwen en installaties wordt vastgesteld op basis van een door Gedeputeerde Staten goedgekeurde zakelijke taxatie. - De subsidie bedraagt nooit meer dan 25% van het bedrag van de koopsom die BBL of een door Gedeputeerde Staten aan te wijzen instantie op grond van de overeenkomst als bedoeld onder 1b is verschuldigd aan de aanvrager, eventueel vermeerderd met de waarde in het economisch verkeer bij voortgezet agrarisch gebruik van de cultuurgrond en bedrijfskavel met de zich daarop bevindende bedrijfswoning, bedrijfsgebouwen en installaties die bij toepassing van het bepaalde onder 2, 3 of 4 aan BBL respectievelijk een door Gedeputeerde Staten aan te wijzen instantie in eigendom zijn overgedragen. Het bepaalde onder 2 is van overeenkomstige toepassing op de vaststelling van de waarde in het economisch verkeer bij voortgezet agrarisch gebruik van de desbetreffende cultuurgrond en bedrijfskavel met de zich daarop bevindende bedrijfswoning, bedrijfsgebouwen en installaties. Aanvragen indien vóór Niet van toepassing (regeling is het hele jaar opengesteld). EU-bepalingen/communautair toetsingskader In aanvulling op vorenstaande voorwaarden is het volgende in het kader van deze maatregel van toepassing. 1. Indien aan MKB-ondernemingen in de primaire productie van landbouwproducten subsidie wordt verstrekt voor de verplaatsing van landbouwbedrijfsgebouwen in het algemeen belang geschiedt dit met inachtneming van artikel 6 van de verordening (EG), nummer 1857/2006, betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het EG-verdrag op staatssteun voor kleine en middelgrote ondernemingen die landbouwproducten produceren, waarbij de werkelijk gemaakte kosten kunnen worden vergoed tot 100%. 2. Indien subsidie wordt verstekt aan ondernemers niet zijnde MKB-ondernemingen in de primaire productie van landbouwproducten geschiedt dit met inachtneming van de verordening (EG), nummer 1998/2006, betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het EG-verdrag op de minimissteun. Voor subsidiëring vanuit het pMJP kan voor dit onderdeel gebruik worden gemaakt van de middelen uit het Europees Plattelandsontwikkelingsprogramma 2007-2013 (POP2), mits ten minste aan de in maatregel 125, infrastructuur voor de ontwikkeling/aanpassing van land- en bosbouw, vermelde voorwaarden voor subsidieverstrekking voldaan is. Voor zover de in dit onderdeel opgenomen criteria afwijken van de voorwaarden, zoals opgenomen in maatregel 125, worden de vorenstaande criteria bij de toekenning van steun in het kader van maatregel 125 alleen meegenomen, voor zover deze criteria strikter zijn dan of aanvullend zijn op de voorwaarden in maatregel 125. Bijlage 1, Wet inkomstenbelasting 2001 Wet van 11 mei 2000 tot vaststelling van de Wet inkomstenbelasting 2001 (Belastingherziening 2001). Artikel 3.54, Herinvesteringsreserve 1. Indien bij vervreemding van een bedrijfsmiddel de opbrengst de boekwaarde van het bedrijfsmiddel overtreft, kan bij het bepalen van de in het kalenderjaar genoten winst het verschil gereserveerd worden en blijven tot vermindering van de in aanmerking te nemen aanschaffings- of voortbrengingskosten van bedrijfsmiddelen die in het jaar van vervreemding of in de daarop volgende 3 jaar worden aangeschaft of voortgebracht, indien en zolang het voornemen tot herinvestering van de opbrengst bestaat (herinvesteringsreserve). 2. Afboeking van de herinvesteringsreserve op de aanschaffings- of voortbrengingskosten van het bedrijfsmiddel of de bedrijfsmiddelen waarin wordt geherinvesteerd, vindt plaats voor zover het gezamenlijke bedrag van de boekwaarden van die bedrijfsmiddelen door die afboeking niet daalt beneden het bedrag van de boekwaarde onmiddellijk voorafgaande aan de vervreemding van het bedrijfsmiddel ter zake waarvan de herinvesteringsreserve is gevormd. 3. Afboeking van een herinvesteringsreserve die is ontstaan als gevolg van de vervreemding van een bedrijfsmiddel waarop niet pleegt te worden afgeschreven of waarop in meer dan 10 jaar pleegt te worden afgeschreven, behoeft slechts plaats te vinden op de aanschaffings- of voortbrengingskosten van bedrijfsmiddelen met eenzelfde economische functie als de vervreemde bedrijfsmiddelen. 4. Met betrekking tot bedrijfsmiddelen waarop niet pleegt te worden afgeschreven en bedrijfsmiddelen waarop in meer dan 10 jaar pleegt te worden afgeschreven, vindt afboeking van een herinvesteringsreserve slechts plaats voor zover de herinvesteringsreserve is gevormd ter zake van de vervreemding van bedrijfsmiddelen met eenzelfde economische functie in de onderneming als de aangeschafte of voortgebrachte bedrijfsmiddelen. 5. Een herinvesteringsreserve wordt uiterlijk in het derde jaar na het jaar waarin de reserve is ontstaan, in de winst opgenomen, behalve voor zover: a. in verband met de aard van de aan te schaffen of voort te brengen bedrijfsmiddelen een langer tijdvak is vereist, of b. de aanschaffing of voortbrenging, mits daaraan een begin van uitvoering is gegeven, door bijzondere omstandigheden is vertraagd. 6. Voor de toepassing van dit artikel wordt met vervreemding gelijkgesteld verlies of beschadiging van een bedrijfsmiddel. De vergoeding wegens verlies of beschadiging wordt daarbij aangemerkt als opbrengst. 7. Voor de toepassing van dit artikel behoren niet tot de bedrijfsmiddelen: a. vermogensrechten die ter belegging worden gehouden, en b. voorwerpen van geringe waarde als bedoeld in artikel 3.30, vierde lid. 8. Indien op het vervreemde bedrijfsmiddel willekeurig is afgeschreven, wordt voor de toepassing van het eerste lid als boekwaarde van dat bedrijfsmiddel in aanmerking genomen, de boekwaarde die zonder willekeurige afschrijving zou hebben gegolden. 9. Met betrekking tot bedrijfsmiddelen waarop in meer dan 10 jaar pleegt te worden afgeschreven, is de beperking van het vierde lid niet van toepassing voor zover de herinvesteringsreserve is gevormd ter zake van de vervreemding van bedrijfsmiddelen die een gevolg is van overheidsingrijpen. 10. Met betrekking tot bedrijfsmiddelen waarop niet pleegt te worden afgeschreven, is de beperking van het vierde lid niet van toepassing voor zover de herinvesteringsreserve is gevormd ter zake van de vervreemding van zodanige bedrijfsmiddelen die een gevolg is van overheidsingrijpen. 11. Met betrekking tot bedrijfsmiddelen waarop niet pleegt te worden afgeschreven en bedrijfsmiddelen waarop in meer dan 10 jaar pleegt te worden afgeschreven, zijn de vorige leden van overeenkomstige toepassing indien aan het voornemen tot herinvestering in een dergelijk bedrijfsmiddel reeds vóór de vervreemding gevolg is gegeven. 12. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder overheidsingrijpen verstaan: a. onteigening, daaronder begrepen minnelijke onteigening en verkoop ter voorkoming van onteigening; b. een besluit, daaronder begrepen een regeling, op het gebied van ruimtelijke ordening, natuur of milieu van een publiekrechtelijke rechtspersoon dat de mogelijkheden om de onderneming of een gedeelte daarvan op de huidige locatie in de huidige vorm voort te zetten of uit te breiden in belangrijke mate beperkt; c. bij algemene maatregel van bestuur aangewezen communautaire of nationale regelgeving die leidt tot herstructurering van een bedrijfstak. 13. Indien een besluit of regeling als bedoeld in het twaalfde lid, onderdeel b, de mogelijkheden om de onderneming of een gedeelte daarvan op de huidige locatie in de huidige vorm voort te zetten of uit te breiden in belangrijke mate beperkt, wordt voor de toepassing van het negende en tiende lid een vervreemding van bedrijfsmiddelen van de onderneming respectievelijk het gedeelte daarvan die plaatsvindt binnen 3 jaar nadat een dergelijk besluit of een dergelijke regeling in werking is getreden, geacht een gevolg te zijn van overheidsingrijpen, met dien verstande dat een latere vervreemding ook nog geacht wordt een gevolg te zijn van overheidsingrijpen indien deze vervreemding door bijzondere omstandigheden is vertraagd en daaraan binnen de hiervoor bedoelde periode van 3 jaar reeds een begin van uitvoering is gegeven. 2.1.c, Verplaatsingsregeling Drentse bedrijven Beleidsmatige criteria Het stimuleren van het verplaatsen van bedrijven die een belangrijke bijdrage leveren in de totstandkoming van de EHS, de landbouwstructuur en andere provinciale doelen. Subsidiabele activiteiten De benodigde rente tot maximaal 3% van de historische grondprijs. Beoordelingscriteria/voorwaarden Bedrijven (zowel agrarische als niet-agrarische bedrijven) die door hun verplaatsing een belangrijke bijdrage leveren aan de totstandkoming van de EHS, de landbouwstructuur en andere provinciale doelen, kunnen in aanmerking komen voor een achtergestelde lening. De verplaatser kan een overeenkomst met BBL aangaan voor het gebruik van de kavel van maximaal 10 ha en voor een termijn van maximaal 10 jaar. In deze overeenkomst worden de volgende zaken contractueel vastgelegd. - De desbetreffende kavel blijft gedurende de looptijd eigendom van BBL en wordt in pacht uitgegeven aan de verplaatser. - De verplaatser verplicht zich na afloop van de termijn de grond over te nemen voor de historische grondprijs. Indien de actuele grondprijs meer gestegen is gedurende de looptijd zodat de waardevermeerdering meer dan 40% is, dan betaalt de verplaatser de historische grondprijs vermeerderd met de waarde die overeenkomt met de stijging van de historische grondprijs boven de 40% (ter voorkoming van staatssteun op grond van verordening (EG) nummer 1857/2006 artikel 4, lid 2B). - De verplaatser betaalt pacht, zijnde 2% van de historische grondprijs. Indien het rentepercentage van de door het Nationaal Groenfonds in dit kader te verstrekken leningen hoger is dan 5%, wordt de pacht verhoogd met een percentage dat overeenkomt met de stijging boven de 5%. De aankoop van de grond wordt gefinancierd vanuit een lening bij het Nationaal Groenfonds. De bijdragen in de rentekosten komen ten laste van de rekening Op Drentse Maat bij het Nationaal Groenfonds en POP2-maatregel 125. Gedeputeerde Staten kunnen in bijzondere omstandigheden besluiten af te wijken van het vorenstaande. De bestuurscommissie of bedrijfverplaatser moet kunnen aantonen dat de bedrijfsverplaatsing een belangrijke bijdrage levert aan de realisatie van de EHS, de landbouwstructuur en andere provinciale doelen. De aanvraag dient vergezeld te gaan van een verklaring van een boekhouder, accountant of bancaire instelling dat de verplaatser zonder deze achtergestelde lening zijn bedrijfsverplaatsing niet bancair kan financieren en dat verwacht mag worden dat hij, na een periode van 10 jaar gebruikgemaakt te hebben van deze faciliteit, wel in staat is deze grond aan te kunnen kopen. Ook dient de aanvraag vergezeld te gaan van een advies van BBL. Indien de actuele grondprijs meer gestegen is gedurende de looptijd, zodat de waardevermeerdering meer dan 40% is, dient de waardevermeerdering boven de 40% ten goede te komen aan het Fonds Op Drentse Maat, dat ondergebracht is bij het Nationaal Groenfonds. De subsidieaanvraag dient vergezeld te gaan van een offerte van Het Nationaal Groenfonds over welk bedrag en tegen welke rentevergoeding een lening aangegaan kan worden op grond van Op Drentse Maat. Begunstigden Bestuurscommissies, op grond van de WILG, waarvoor Gedeputeerde Staten deze regeling van toepassing hebben verklaard door het publiceren van een subsidieplafond en de eigenaren van verplaatste bedrijven. Maximale subsidiebijdrage De benodigde rente tot maximaal 3% van de historische grondprijs. Aanvragen indienen vóór Niet van toepassing (regeling is het hele jaar opengesteld). EU-bepalingen/communautair toetsingscriteria Voor subsidiëring van agrarische bedrijven vanuit het pMJP kan voor dit onderdeel gebruik worden gemaakt van de middelen uit het Europees Plattelandsontwikkelingsprogramma 2007 2013 (POP2), mits ten minste aan de in maatregel 125, infrastructuur voor de ontwikkeling/aanpassing van land- en bosbouw, vermelde voorwaarden voor subsidieverstrekking voldaan is. Voor zover de in dit onderdeel opgenomen criteria afwijken van de voorwaarden, zoals opgenomen in maatregel 125, worden de bovenstaande criteria bij de toekenning van steun in het kader van maatregel 125 alleen meegenomen, voor zover deze criteria strikter zijn dan of aanvullend zijn op de voorwaarden in maatregel 125. 2.1.d, Kwaliteitsimpuls natuur en landschap (tot 1 januari 2010 Programma Beheer, PS(A)N inrichting en functieverandering) Zie voor de subsidieregeling Hoofdstuk 9.1 van deel 3 van het pMJP. 2.1.e, Aanleg faunapassages Beleidsmatige criteria Realisatie EHS. Subsidiabele activiteiten Gedeputeerde Staten kunnen subsidie verlenen voor de aanleg van faunapassages die de functionaliteit van de EHS en eventueel de verkeersveiligheid vergroten. Subsidiabel is De aanleg van faunapassages en de voorbereiding daarvan. Beoordelingscriteria/voorwaarden - Subsidie dient te worden aangevraagd op basis van een reële kostenraming. - Subsidieaanvragen dienen obstakelvrij te zijn. - Subsidieaanvragen leiden tot het oplossen van knelpunten in de EHS en eventueel grotere verkeersveiligheid. - Projecten die uitgevoerd kunnen worden in samenhang met andere werken verdienen de voorkeur (werk met werk maken). Begunstigden Gemeenten, waterschappen, TBO's en provincie. Maximale subsidiebijdrage 100%, met een maximum van € 60.000,-- per passage. Aanvragen indienen vóór Niet van toepassing (regeling is het hele jaar opengesteld). EU-bepalingen/communautair toetsingskader De subsidie die wordt verstrekt in het kader van deze maatregel is geen staatssteun. Het betreft hier geen (begunstiging van) ondernemingen of producties als bedoeld in artikel 87 en verder van het EG-verdrag. 2.1.f, Ontsnippering van robuuste verbindingen bij rijksinfrastructuur Beleidsmatige criteria De knelpunten moeten als zodanig zijn aangegeven in het Meerjarenprogramma Ontsnippering (Ministeries van VW, LNV en VROM, 2004). Subsidiabele activiteiten a. Het inrichten van voorzieningen op plaatsen waar de rijksinfrastructuur (rijkswegen en spoorwegen) gerealiseerde of geplande robuuste verbindingen kruist, teneinde het aantal belemmeringen zoveel mogelijk te beperken. b. Het verrichten van (gebiedsgerichte) studies naar de meest effectieve oplossingen. Beoordelingscriteria/voorwaarden De voorzieningen/maatregelen betreffen bestaande knelpunten bij bestaande infrastructuur. (Belemmeringen die ontstaan door de aanleg van nieuwe infrastructuur dienen voor de aanvang van de werken ingeschat te worden en binnen de uit te voeren projecten bekostigd te worden.) Begunstigden Uitvoerders (zoals Rijkswaterstaat, ProRail). De provincie kan ook zelf, door middel van opdrachtverlening, inhoud geven aan deze maatregel. Maximale subsidiebijdrage 100%. Aanvragen indienen vóór Niet van toepassing (regeling is het hele jaar opengesteld). EU-bepalingen/communautair toetsingskader De subsidie die wordt verstrekt in het kader van deze maatregel is geen staatssteun. Het betreft hier geen (begunstiging van) ondernemingen of producties als bedoeld in artikel 87 en verder van het EG-verdrag. 2.2, Leefgebiedenbenadering (soortenbescherming) Beleidsmatige criteria De maatregelen moeten bijdragen aan het behoud van dier- en plantensoorten die voorkomen in leefgebieden waarvoor Drenthe van landelijke en internationale betekenis is en voor soorten die staan aangegeven in de Actielijst Soorten Leefgebiedenbenadering. In Drenthe gaat het vooral om de leefgebieden heide en hoogveen en in mindere mate beekdalen. Subsidiabele activiteiten Actieve maatregelen die van belang zijn voor het behoud van bedreigde dier- en plantensoorten. Beoordelingscriteria/voorwaarden Met name concrete beheersmaatregelen (inrichtingswerkzaamheden, kappen, plaggen, graven van poelen etc), komen voor subsidie in aanmerking. Zaken als onderzoek en voorlichtingsactiviteiten hebben een lagere prioriteit. Begunstigden Particulieren, particuliere organisaties, terreinbeherende organisaties, gemeenten, waterschappen. Maximale subsidiebijdrage 100%. Hierbij geldt een maximum van € 40.000,-- per jaar, per soort of soortgroep. Uitzonderingen zijn mogelijk. EU-bepalingen/communautair toetsingskader In aanvulling op vorenstaande voorwaarden is het volgende in het kader van deze maatregel van toepassing. 1. Kosten van niet-productieve investeringen kunnen tot de maximale subsidiebijdrage, zoals hiervoor is aangegeven, worden vergoed. 2. Indien aan landbouwers subsidie wordt verstrekt voor de instandhouding van traditionele landschappen geschiedt dit met inachtneming van de artikelen 4, 5 en 15 van de verordening (EG), nummer 1857/2006, betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het EG-verdrag op staatssteun voor kleine en middelgrote ondernemingen die landbouwproducten produceren, waarbij 100% van de werkelijk gemaakte kosten kunnen worden vergoed. 3. Indien subsidie wordt verstrekt aan landbouwers die niet valt onder de hiervoor onder 1 en 2 genoemde categorieën wordt de subsidie verstrekt met inachtneming van de verordening (EG), nummer 1860/2004, betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het EG-verdrag op de minimissteun in de landbouwsector en de visserijsector. 4. Indien subsidie wordt verstekt aan ondernemers niet zijnde landbouwers geschiedt dit met inachtneming van de artikelen 4 en 5 van de verordening (EG), nummer 70/2001, betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het EG-verdrag op staatssteun voor kleine en middelgrote bedrijven. 5. Indien subsidie wordt verstekt aan ondernemers niet zijnde landbouwers en de subsidie valt niet onder de hiervoor genoemde categorieën 1 of 4 geschiedt dit met inachtneming van de verordening (EG), nummer 1998/2006, betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het EG-verdrag op de minimissteun. Aanvragen indienen vóór Niet van toepassing (regeling is het hele jaar opengesteld). 2.3, Behoud, beheer en ontwikkeling van nationale parken Beleidsmatige criteria Door Gedeputeerde Staten goedgekeurde meerjarenprogramma's en bestedingsplannen van de nationale parken. Subsidiabele activiteiten Een incidentele prestatiesubsidie kan worden verleend ten behoeve van projecten gericht op beheer, inrichting, educatie, voorlichting en onderzoek van nationale parken. Beoordelingscriteria/voorwaarden - Voor subsidieverlening komen slechts in aanmerking projecten die zijn opgenomen in de door Gedeputeerde Staten goedgekeurde meerjarenprogramma's en bestedingsplannen van de nationale parken. (Meerjarenprogramma: door het overlegorgaan van een nationaal park jaarlijks opgesteld voortschrijdend begrotingsoverzicht over een periode van ten minste 3 jaar van de activiteiten met betrekking tot het park, gericht op beheer, inrichting, educatie, voorlichting en onderzoek. Bestedingsplan: door het overlegorgaan van een nationaal park jaarlijks op basis van het meerjarenprogramma opgesteld overzicht van bestedingen in het eerstvolgende kalenderjaar). - Indien er meer aanvragen zijn dan dat er middelen beschikbaar zijn, worden de aanvragen overeenkomstig de in de meerjarenprogramma's aangegeven prioriteitstelling gehonoreerd. Daarbij wordt getoetst op (in volgorde van belangrijkheid): -- de doelmatigheid van het project; -- zekerheid over bestendigheid van het project; -- uitvoeringsgerichtheid van het project, projecten die gericht zijn op uitvoering genieten de voorkeur boven projecten die gericht zijn op planvorming; -- de hoogte van de eigen bijdrage. - Voor opneming in een meerjarenprogramma komen slechts in aanmerking de projecten die een ondersteuning zijn van de doelstellingen van het nationale park, zoals beschreven in het BIP en gericht op beheer, inrichting, educatie, voorlichting en onderzoek (BIP: door het overlegorgaan van een nationaal park opgesteld plan met een looptijd van ten minste 5 jaar en ten hoogste 10 jaar, waarin de uitgangspunten worden neergelegd met betrekking tot beheer, inrichting, educatie, voorlichting en onderzoek van een nationaal park). - Voor subsidie komen in aanmerking de kosten die specifiek zijn toe te rekenen aan het project. - Gedeputeerde Staten kunnen op voorstel van de overlegorganen nadere regels vaststellen voor de bepaling van de maximale hoogte van de subsidie van een project. - Gedeputeerde Staten stellen vast welke bescheiden en gegevens bij een aanvraag om subsidie door de aanvrager moeten worden overlegd. - Gedeputeerde Staten leggen de ingediende aanvraag na de ontvangst ervan voor aan het overlegorgaan van het nationale park waarop het project betrekking heeft, tenzij de aanvraag niet voldoet aan de vereisten voor het in behandeling nemen ervan. - Het overlegorgaan beoordeelt de aanvraag aan de hand van de in deze regeling opgenomen criteria en overige toepasselijke regels. - Het overlegorgaan stelt op basis van de ingediende aanvragen een meerjarenprogramma en een bestedingenplan op. - Het overlegorgaan zendt het meerjarenprogramma en het bestedingenplan na opstelling, doch vóór 1 december, ter goedkeuring aan Gedeputeerde Staten. Begunstigden Een ieder die een bijdrage levert aan de doelstellingen van de nationale parken conform de door Gedeputeerde Staten goedgekeurde meerjarenprogramma's. Maximale subsidiebijdrage 100%. Aanvragen indienen vóór 1 september. EU-bepalingen/communautair toetsingskader In aanvulling op vorenstaande voorwaarden is het volgende in het kader van deze maatregel van toepassing. 1. Kosten van niet productieve investeringen kunnen tot de maximale subsidiebijdrage, zoals hiervoor is aangegeven, worden vergoed. 2. Indien aan landbouwers subsidie wordt verstrekt voor de instandhouding van traditionele landschappen geschiedt dit met inachtneming van de artikelen 4, 5 en 15 van de verordening (EG), nummer 1857/2006, betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het EG-verdrag op staatssteun voor kleine en middelgrote ondernemingen die landbouwproducten produceren, waarbij 100% van de werkelijk gemaakte kosten kunnen worden vergoed. 3. Indien subsidie wordt verstrekt aan landbouwers die niet valt onder de hiervoor onder 1 en 2 genoemde categorieën wordt de subsidie verstrekt met inachtneming van de verordening (EG), nummer 1860/2004, betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het EG-verdrag op de minimissteun in de landbouwsector en de visserijsector. 4. Indien subsidie wordt verstekt aan ondernemers niet zijnde landbouwers geschiedt dit met inachtneming van de artikelen 4 en 5 van de verordening (EG), nummer 70/2001, betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het EG-verdrag op staatssteun voor kleine en middelgrote bedrijven. 5. Indien subsidie wordt verstekt aan ondernemers niet zijnde landbouwers en de subsidie valt niet onder de hiervoor genoemde categorieën 1 of 4 geschiedt dit met inachtneming van de verordening (EG), nummer 1998/2006, betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het EG-verdrag op de minimissteun. 2.4, Milieukwaliteit EHS, VHR en NB-gebieden Het doel van dit onderdeel is om activiteiten en projecten te realiseren die zijn gericht op het herstellen of verbeteren van de milieukwaliteit van de EHS gebieden binnen de provincie Drenthe, waaronder de Natura 2000 (= Vogel- en Habitatrichtlijn) gebieden en de Natuurbeschermingswetgebieden. Alleen activiteiten en projecten die niet in het generieke (milieu)-beleid zijn voorzien of aanvullend zijn op dit beleid komen voor subsidie in aanmerking. 2.4.a, Verbetering van de waterkwaliteit in watergangen Beleidsmatige criteria De Natura 2000-gebieden hebben binnen de EHS een hoge prioriteit. Subsidiabele activiteiten Subsidie kan worden verstrekt voor: a. het aanleggen van natuurlijke oevers en natte verbindingszones; b. het bestrijden van eutrofiëring in natuurgebieden door de aanleg van dammen en stuwen, het scheiden van waterstromen of het aanleggen van helofytenvijvers op plaatsen waar de problemen zijn ontstaan door diffuse verontreiniging; c. het uitvoeren van werken die gericht zijn op het laten meanderen van beken en/of het ontdiepen en verbreden van de watergangen; d. het toepassen van ecologisch bermbeheer, waarbij: - de activiteit wordt uitgevoerd in het agrarische gebied; - een integraal plan wordt opgesteld; - uitsluitend eenmalige kosten voor de opstart van en de investering in ecologisch bermbeheer subsidiabel zijn. Beoordelingscriteria/voorwaarden a. Projecten kunnen alleen in of ten behoeve van de (milieu)kwaliteit van de EHS worden uitgevoerd of zoals opgenomen onder synergieprojecten in de tweede aanpassing van de Bestuursovereenkomst 9 september 2008). b. Niet subsidiabel zijn: - exploitatiekosten, waaronder begrepen de kosten van regulier beheer en onderhoud; - kosten, verbonden aan het verwerven van grond of gebouwen, tenzij de kosten noodzakelijk zijn voor het aanbrengen van voorzieningen ten behoeve van de uitvoering van de activiteit en de kosten redelijkerwijs niet ten laste kunnen worden gebracht van individuele ondernemers; - kosten, verbonden aan het compenseren van waardeverlies van grond of gebouwen en andere kosten als gevolg van kapitaalsverliezen of inkomensverliezen, tenzij de kosten zijn verbonden aan de realisatie van niet-agrarische doeleinden en deze kosten redelijkerwijs niet ten laste kunnen worden gebracht van individuele ondernemers; - kosten van werkzaamheden die tot de reguliere taken van andere overheden of van andere rechtspersonen behoren, gemaakt ter uitvoering van activiteiten. Begunstigden Gemeenten, waterschappen, drinkwaterleidingbedrijven, terreinbeherende instanties, agrariërs en particulieren. De provincie kan ook zelf door middel van opdrachtverlening inhoud geven aan deze maatregel. Maximale subsidiebijdrage 60% of zoals opgenomen onder synergieprojecten in de tweede aanpassing van de Bestuursovereenkomst (september 2008). Aanvragen indienen vóór Niet van toepassing (regeling is het hele jaar opengesteld). EU-bepalingen/communautair toetsingskader In aanvulling op vorenstaande voorwaarden is het volgende in het kader van deze maatregel van toepassing. 1. Kosten van niet productieve investeringen kunnen tot de maximale subsidiebijdrage zoals hiervoor is aangegeven worden vergoed. 2. Indien aan landbouwers subsidie wordt verstrekt voor de instandhouding van traditionele landschappen geschiedt dit met inachtneming van de artikelen 4, 5, en 14 van de verordening (EG), nummer 1857/2006, betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het EG-verdrag op staatssteun voor kleine en middelgrote ondernemingen die landbouwproducten produceren. 3. Indien subsidie wordt verstrekt aan landbouwers die niet valt onder de hiervoor onder 1 en 2 genoemde categorieën wordt de subsidie verstrekt met inachtneming van de verordening (EG), nummer 1860/2004, betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het EG-verdrag op de minimissteun in de landbouwsector en de visserijsector. 4. Indien subsidie wordt verstekt aan ondernemers niet zijnde landbouwers geschiedt dit met inachtneming van de artikelen 4 en 5 van de verordening (EG), nummer 70/2001, betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het EG-verdrag op staatssteun voor kleine en middelgrote bedrijven. 5. Indien subsidie wordt verstekt aan ondernemers niet zijnde landbouwers en de subsidie valt niet onder de hiervoor genoemde categorieën 1 of 4 geschiedt dit met inachtneming van de verordening (EG), nummer 1998/2006, betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het EG-verdrag op de minimissteun. 2.4.b, Herstel en behoud van bodemkwaliteit met betrekking tot verzuring en vermesting Beleidsmatige criteria De Natura 2000-gebieden hebben binnen de EHS een hoge prioriteit. Subsidiabele activiteiten Subsidie kan worden verstrekt voor activiteiten die de vermindering van de milieubelasting tot doel hebben, zodat de gewenste milieukwaliteit (vertaald in natuurdoeltypen) in de EHS wordt bereikt. De volgende activiteiten zijn subsidiabel. a. Het afgraven van de fosfaatverzadigde laag. b. Investeringen in emissiearme bemestingstechnieken. c. Het uitvoeren van demonstratieprojecten gericht op het verminderen van ammoniakemissies en ammoniakdeposities. d. Advisering, voorlichting, kennisuitwisseling, ontwikkeling van plannen en het toepassen van bedrijfsinterne milieuzorg gericht op de omschakeling van landbouwbedrijven naar duurzame productiesystemen. e. Het uitvoeren van demonstratieprojecten van bodembewerkings- en bemestingsmethoden en technieken gericht op de verbetering van de kwaliteit en de vergroting van de variatie van het bodemleven. Beoordelingscriteria/voorwaarden a. Projecten kunnen alleen in, of ten behoeve van de (milieu)kwaliteit van, de EHS worden uitgevoerd. b. Niet subsidiabel zijn: - exploitatiekosten, waaronder begrepen de kosten van regulier beheer en onderhoud; - kosten, verbonden aan het verwerven van grond of gebouwen, tenzij de kosten noodzakelijk zijn voor het aanbrengen van voorzieningen ten behoeve van de uitvoering van de activiteit en de kosten redelijkerwijs niet ten laste kunnen worden gebracht van individuele ondernemers; - kosten, verbonden aan het compenseren van waardeverlies van grond of gebouwen en andere kosten als gevolg van kapitaalsverliezen of inkomensverliezen, tenzij de kosten zijn verbonden aan de realisatie van niet-agrarische doeleinden en deze kosten redelijkerwijs niet ten laste kunnen worden gebracht van individuele ondernemers; - kosten van werkzaamheden die tot de reguliere taken van andere overheden of van andere rechtspersonen behoren, gemaakt ter uitvoering van activiteiten. c. Bij het afgraven van fosfaatverzadigde bovengrond geldt bovendien: - de activiteit betreft het eenmalig afgraven van bovenste bodemlaag van gronden in agrarisch gebruik die worden omgevormd tot natuurgebied; - de betrokken gronden zijn op het moment van afgraven niet meer in gebruik als landbouwgrond en niet meer in bezit van een agrariër; - de kosten van het afgraven zijn niet te verhalen op de veroorzaker, omdat de desbetreffende agrariër voldaan heeft aan de geldende regelgeving; - het hergebruik van de afgegraven grond dient plaats te vinden binnen de bestaande wettelijke kaders. Begunstigden Gemeenten, waterschappen, drinkwaterleidingbedrijven, terreinbeherende instanties, agrariërs en particulieren. De provincie kan ook zelf door middel van opdrachtverlening inhoud geven aan deze maatregel. Maximale subsidiebijdrage 60%. Aanvragen indienen vóór Niet van toepassing (regeling is het hele jaar opengesteld). EU-bepalingen/communautair toetsingskader In aanvulling op vorenstaande voorwaarden is het volgende in het kader van deze maatregel van toepassing. 1. Kosten van niet-productieve investeringen kunnen tot de maximale subsidiebijdrage zoals hiervoor is aangegeven worden vergoed. 2. Indien aan landbouwers subsidie wordt verstrekt voor de instandhouding van traditionele landschappen geschiedt dit met inachtneming van de artikelen 4, 5 en 15 van de verordening (EG), nummer 1857/2006, betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het EG-verdrag op staatssteun voor kleine en middelgrote ondernemingen die landbouwproducten produceren, waarbij 100% van de werkelijk gemaakte kosten kunnen worden vergoed. 3. Indien subsidie wordt verstrekt aan landbouwers die niet valt onder de hiervoor onder 1 en 2 genoemde categorieën wordt de subsidie verstrekt met inachtneming van de verordening (EG), nummer 1860/2004, betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het EG-verdrag op de minimissteun in de landbouwsector en de visserijsector. 4. Indien subsidie wordt verstekt aan ondernemers niet zijnde landbouwers geschiedt dit met inachtneming van de artikelen 4 en 5 van de verordening (EG), nummer 70/2001, betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het EG-verdrag op staatssteun voor kleine en middelgrote bedrijven. 5. Indien subsidie wordt verstekt aan ondernemers niet zijnde landbouwers en de subsidie valt niet onder de hiervoor genoemde categorieën 1 of 4 geschiedt dit met inachtneming van de verordening (EG), nummer 1998/2006, betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het EG-verdrag op de minimissteun. Voor dit onderdeel kan ook gebruik worden gemaakt van middelen uit het POP2. Voor dit onderdeel is maatregel 111, Beroepsopleiding en voorlichting en de daarin vermelde voorwaarden voor subsidieverstrekking van toepassing. De in dit maatregelfiche opgenomen subsidiabele activiteiten, beoordelingscriteria, begunstigden, maximale subsidiebijdragen en overige voorwaarden voor subsidieverstrekking zijn dan ook van toepassing op deze maatregel. 2.4.c, Herstel verdroogd gebied Beleidsmatige criteria Toplijst verdroogde gebieden. Subsidiabele activiteiten Subsidie kan worden verstrekt voor activiteiten die tot doel hebben om hydrologische systemen te herstellen met het oog op behoud, herstel of ontwikkeling van natuur. Subsidiabele activiteiten a. Inrichtingsactiviteiten ter bestrijding van verdroging. b. Compenserende maatregelen in de vorm van bijdragen aan functieverandering en betaling van natschade. c. Vasthouden van gebiedseigen water door het plaatsen van stuwen of cascades, of door het uitvoeren van werken die gericht zijn op het laten meanderen van beken en/of het ontdiepen en verbreden van de watergangen. Beoordelingscriteria/voorwaarden Activiteiten kunnen in beginsel alleen in gebieden worden uitgevoerd die onderdeel zijn van de toplijst verdroogde gebieden, te weten Fochteloërveen, Drentsche Aa en Elperstroom, Drents-Friese Wold, Dwingelderveld, Bargerveen, Peizerdiep en Reest. Gedeputeerde Staten kunnen hierop een uitzondering maken als de projectontwikkeling in genoemde gebieden onvoldoende van de grond komt of zich bijzondere kansen voordoen voor een ander verdroogd gebied. Niet subsidiabel op grond van deze regeling zijn: - exploitatiekosten, waaronder begrepen de kosten van regulier beheer en onderhoud. Begunstigden Gemeenten, bestuurscommissies, waterschappen, natuurbeschermingsorganisaties, waterleidingbedrijven en particuliere terreineigenaren (niet zijnde ondernemers). Ten aanzien van subsidiabele activiteit b: voor deze activiteit kunnen ook agrariërs subsidie aanvragen. Maximale subsidiebijdrage 65%. Aanvragen indienen vóór Niet van toepassing (regeling is het hele jaar opengesteld). EU-bepalingen/communautair toetsingskader De subsidie die wordt verstrekt in het kader van deze maatregel is geen staatssteun. Het betreft hier geen (begunstiging van) ondernemingen of producties als bedoeld in artikel 87 en verder van het EG-verdrag. Voor dit onderdeel kan ook gebruik worden gemaakt van middelen uit het POP2. Voor dit onderdeel is maatregel 216, Niet-productieve investeringen en de daarin vermelde voorwaarden voor subsidieverstrekking van toepassing. De in dit maatregelfiche opgenomen subsidiabele activiteiten, beoordelingscriteria, begunstigden, maximale subsidiebijdragen en overige voorwaarden voor subsidieverstrekking zijn dan ook van toepassing op deze maatregel. 2.5, Natuurbeheer buiten de EHS (Programma Beheer) Beheersovereenkomsten SAN Met ingang van 1 januari 2010 wordt het agrarisch natuur- en landschapsbeheer geregeld via de Subsidieverordening natuur- en landschapsbeheer. Voornoemde subsidieverordening is geen onderdeel van het pMJP. 2.6, Instandhouding schaapskuddes Beleidsmatige criteria Instandhouding schaapskuddes. Subsidiabele activiteiten Subsidie kan worden verstrekt voor projecten die een bijdrage leveren aan een doelmatig beheer door middel van gehoede schaapskuddes in natuurterreinen. Beoordelingscriteria/voorwaarden 1. Voor subsidieverlening komen uitsluitend in aanmerking projecten die een bijdrage aan een doelmatig beheer leveren en die voldoen aan de volgende voorwaarden. a. de kuddes welke reeds in 2006 subsidie ontvingen uit de regeling Besluit natuurbeheer schaapskuddes, zoals deze door het Ministerie van LNV is ingesteld; b. de kudde wordt ten minste gedurende de periode van 15 april tot 15 september gehoed door een herder, met gebruik van een of meer honden, gedurende ten minste 5 uur per dag, met uitzondering van perioden met extreme omstandigheden; c. de kudde bestaat uit ten minste 100 ooien (ooi: vrouwelijk schaap dat ten minste één keer heeft gelammerd of ten minste 1 jaar oud is); d. de kudde wordt gehoed in natuurterreinen. 2. Een aanvraag tot verlening van subsidie gaat vergezeld van: a. een afschrift van het begrazingsplan, bedoeld wordt het aantal en het soort schapen waarmee, en de perioden waarin, begrazing plaatsvindt; b. bescheiden, waaruit blijkt dat voldaan is aan de voorwaarden, genoemd onder 1, onderdelen a tot en met c; c. een verklaring van de eigenaar of beheerder van het terrein of de terreinen, waaruit blijkt dat hij instemt met de begrazing. Het begrazingsplan, zoals genoemd onder 2.a, omvat ten minste: - een aanduiding van de eigenaar of beheerder van het terrein of de terreinen die begraasd worden; - de doelstellingen ten aanzien van het natuurbeheer; - een topografische kaart met schaal 1 : 10.000 waarop het te begrazen gebied en de daar voorkomende vegetatietypen zijn aangegeven; - het aantal en het soort schapen waarmee en de perioden waarin begrazing plaatsvindt. Begunstigden a. Een stichting die ingevolge haar statutaire doelstelling activiteiten verricht ten behoeve van de instandhouding van schaapskuddes. b. Een eigenaar van overige particuliere kuddes die aan de voorwaarden van 1 en 2 voldoen. Maximale subsidiebijdrage De subsidie bedraagt per schaapskudde per jaar: - voor kuddes tot 250 ooien: € 16.000,--; - voor kuddes vanaf 250 ooien: € 28.000,--. De volgende schaapskuddes komen in aanmerking voor een provinciale waarderingssubsidie toerisme: - Balloërveld (Stichting schaapskooi Balloërveld); - Hijkerveld (Stichting "Het Drentse Landschap"); - Exloo (gemeente Borger-Odoorn); - Holtinge (Stichting Holtinger Schaapskudde); - Orvelte (Stichting schaapskudde Westerbork); - Ruinen (Stichting het Drentse heideschaap). De subsidie hiervoor bedraagt € 6.650,-- per jaar

(2009), dit bedrag wordt jaarlijks geïndexeerd. De herders van de volgende kuddes komen in aanmerking voor een subsidie: - Dwingelderveld (Natuurmonumenten); - Doldersum (Stichting "Het Drentse Landschap"). De subsidie hiervoor bedraagt respectievelijk € 26.530,-- en € 25.000,-- per jaar, dit bedrag wordt jaarlijks geïndexeerd. Aanvragen indienen vóór Niet van toepassing (regeling is het hele jaar opengesteld). 3, SUBSIDIES VOOR LANDBOUW 3.1, Grondgebonden landbouw 3.1.a, Task force inrichten ruimtelijke structuur Beleidsmatige criteria Daar waar beleidsdoelstellingen zoals realisering EHS, structuurverbetering landbouw, waterberging, infrastructuur, etc. aan de orde zijn, kan het instrument Landinrichting ingezet worden om deze doelstellingen te realiseren. Subsidiabele activiteiten a. De lopende verplichtingen van de onder de Landinrichtingswet en Herinrichtingswet Oost-Groningen en Gronings-Drentse Veenkoloniën vastgestelde klassieke land- en herinrichtingsplannen; b. de tot en met 31 december 2006 door Gedeputeerde Staten vastgestelde en door het Rijk verplichte vierjarige modules van de overige landinrichtingsprojecten; c. kavelverbetering in het project Emmen-Zuid; Beoordelingscriteria/voorwaarden Conform de Landinrichtingswet, de Regeling subsidiering landinrichting en de overige bijbehorende regelingen. Begunstigden Landinrichtingscommissies. De provincie kan zelf, door middel van opdrachtverlening, inhoud geven aan deze maatregel. Maximale subsidiebijdrage 100%. Aanvragen indienen vóór Niet van toepassing (regeling is het hele jaar opengesteld). EU-bepalingen/communautair toetsingskader De subsidie die wordt verstrekt in het kader van deze maatregel is geen staatssteun. Het betreft hier geen (begunstiging van) ondernemingen of producties als bedoeld in artikel 87 en verder van het EG-verdrag. 3.1.b, Landinrichtingsafspraken LNV Beleidsmatige criteria Daar waar beleidsdoelstellingen zoals, realisering EHS, structuurverbetering landbouw, waterberging, infrastructuur, etc. aan de orde zijn, kan het instrument landinrichting ingezet worden om deze doelstellingen te realiseren. Subsidiabele activiteiten a. Wettelijke herverkaveling b. Planmatige (vrijwillige) kavelruil Beoordelingscriteria/voorwaarden Conform de criteria zoals genoemd in de WILG, artikel 85, en waar mogelijk conform de maatregelen genoemd in POP-fiche
  1. Begunstigden Door gedeputeerde staten op basis van de WILG ingestelde bestuurs- en adviescommissies, alsmede het Provinciaal Kavelruilbureau. De provincie kan ook zelf, door middel van opdrachtverlening, inhoud geven aan deze maatregel. Maximale subsidiebijdrage 100%. EU-bepaling Voor subsidiëring vanuit het pMJP kan voor dit onderdeel gebruik worden gemaakt van de middelen uit het Europees Plattelandsontwikkelingsprogramma 2007 2013 (POP2), mits ten minste aan de in maatregel 125, infrastructuur voor de ontwikkeling/aanpassing van land- en bosbouw, vermelde voorwaarden voor subsidieverstrekking voldaan is. Voor zover de in dit onderdeel opgenomen criteria afwijken van de voorwaarden, zoals opgenomen in maatregel 125, worden de bovenstaande criteria bij de toekenning van steun in het kader van maatregel 125 alleen meegenomen, voor zover deze criteria strikter zijn dan of aanvullend zijn op de voorwaarden in maatregel
  2. Indien geen gebruik wordt gemaakt van maatregelfiche 125 is, in aanvulling op vorenstaande voorwaarden, het volgende in het kader van deze maatregel van toepassing.
  3. Kosten van niet-productieve investeringen kunnen tot de maximale subsidiebijdrage, zoals hiervoor is aangegeven, worden vergoed.
  4. Indien aan landbouwers subsidie wordt verstrekt geschiedt dit met inachtneming van artikel 13 van de verordening (EG), nummer 1857/2006, betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het EG-verdrag op staatssteun voor kleine en middelgrote ondernemingen die landbouwproducten produceren, waarbij 100% van de werkelijk gemaakte kosten kunnen worden vergoed.
  5. Indien subsidie wordt verstrekt aan landbouwers die niet valt onder de hiervoor onder 1 en 2 genoemde categorieën wordt de subsidie verstrekt met inachtneming van de verordening (EG), nummer 1998/2006, betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het EG-verdrag op de minimissteun in de landbouwsector en de visserijsector. Aanvragen indienen vóór Niet van toepassing (regeling is het hele jaar opengesteld). 3.1.c, Kavelruilfaciliteiten Beleidsmatige criteria Het stimuleren en faciliteren van kavelruilen en andere vormen van gebiedsontwikkeling ten behoeve van de landbouwstructuur, realisatie EHS en/of andere provinciale doelen. Bij realisatie EHS kan ook gedacht worden aan het toedelen van particuliere eigenaren naar kavels binnen de EHS die zich verplichten tot het realiseren van een doelstelling van de Subsidieverordening natuur- en landschapsbeheer (voorheen SAN) of een PSN-doelstelling. Kavelruilen kunnen beter uitgevoerd worden wanneer het mogelijk is om een strategische grondpot te vormen. Deze strategische grondpot kan gebruikt worden om kavelruilen soepeler te laten verlopen en/of provinciale doelen eerder te bereiken. Subsidiabele activiteiten De provincie zal vanuit Op Drentse Maat het verschil tussen de verschuldigde rente en de pacht voor haar rekening nemen en het risico van waardevermeerdering of vermindering, zolang de kavel op naam staat van BBL. Beoordelingscriteria/voorwaarden Bij kavelruilen is het van groot belang om te kunnen beschikken over een strategische grondpot. BBL kan in een specifiek gebied een beperkte hoeveelheid grond aankopen om strategische grondposities in te kunnen nemen die bij kunnen dragen aan het kavelruilproces. De aankoop wordt gefinancierd vanuit het Nationaal Groenfonds. De provincie zal vanuit het pMJP het verschil tussen de verschuldigde rente en de pacht voor haar rekening nemen en het risico van waardevermeerdering of vermindering, zolang de kavel op naam staat van BBL. De bijdragen in de rentekosten komen voor het provinciale deel ten laste van de rekening Op Drentse Maat bij het Nationaal Groenfonds en de POP2-maatregel
  6. De waardevermeerdering of -vermindering van grondprijs van kavels zal ten goede of ten laste komen aan het Fonds Op Drentse Maat dat ondergebracht is bij het Nationaal Groenfonds. In het algemeen kan gesteld worden dat een grondpot maximaal 5 jaar gevuld is en dat per kavelruil een grondpot gevormd kan worden. De individuele kavels mogen maximaal 2 jaar in bezit gehouden worden. Gedeputeerde Staten zullen per jaar een subsidieplafond publiceren voor welke doelen, gebieden of commissies deze regeling van toepassing is. Het is ook mogelijk dat Gedeputeerde Staten een zelfstandig bestuursorgaan op grond van de WILG mandateren de subsidie voor kavelruilfaciliteiten uit te voeren. Gedeputeerde Staten kunnen in bijzondere omstandigheden besluiten af te wijken van het vorenstaande. De bestuurscommissie moet kunnen aantonen dat de aan te kopen kavels een belangrijke bijdrage kunnen leveren aan een kavelruil en/of realisatie EHS. BBL dient aan te geven dat zij dit initiatief ondersteunen. BBL dient de aan- en verkopen marktconform uit te voeren. De aanvrager dient aan te geven op welke wijze de subsidie bij gaat dragen aan de realisatie van de EHS, landbouwdoelen en/of andere provinciale doelen. De subsidieaanvraag dient vergezeld te gaan van een offerte van Het Nationaal Groenfonds over welk bedrag en tegen welke rentevergoeding een lening aangegaan kan worden op grond van Op Drentse Maat. De aanvraag dient mede te voldoen aan de criteria genoemd in POP-fiche
  7. Begunstigden Bestuurscommissies, op grond van de WILG, waarvoor gedeputeerde staten deze regeling van toepassing heeft verklaard door het publiceren van een subsidieplafond. Maximale subsidiebijdrage De maximale subsidietoezegging is het verschil tussen de verschuldigde rente en de pacht. De waardevermeerdering of -vermindering van de kavel op naam van BBL, wordt opgevangen vanuit het fonds Op Drentse Maat Aanvragen indienen vóór Niet van toepassing (regeling is het hele jaar opengesteld). EU-bepalingen/communautair toetsingscriteria Voor subsidiëring vanuit het pMJP kan voor dit onderdeel gebruik worden gemaakt van de middelen uit het Europees Plattelandsontwikkelingsprogramma 2007 2013 (POP2), mits ten minste aan de in maatregel 125, infrastructuur voor de ontwikkeling/aanpassing van land- en bosbouw, vermelde voorwaarden voor subsidieverstrekking is voldaan. Voor zover de in dit onderdeel opgenomen criteria afwijken van de voorwaarden, zoals opgenomen in maatregel 125, worden de vorenstaande criteria bij de toekenning van steun in het kader van maatregel 125 alleen meegenomen, voor zover deze criteria strikter zijn dan of aanvullend zijn op de voorwaarden in maatregel
  8. De subsidie die wordt verstrekt in het kader van deze maatregel is geen staatssteun. Het betreft hier geen (begunstiging van) ondernemingen of producties als bedoeld in artikel 87 en verder van het EG-verdrag. 3.2, Glastuinbouw Samengevoegd met 3.3, Innovatie en samenwerking land- en glastuinbouw. 3.3, Duurzaam ondernemen 3.3.a, Projecten agrobiodiversiteit Beleidsmatige criteria Het gaat om projecten die voortvloeien uit de ILG Bestuursovereenkomst 2007 2013 met het Rijk. Het gaat hierbij met name om de Veenkoloniale gebieden. Subsidiabele activiteiten Voor een bijdrage komen in aanmerking maatregelen en activiteiten die de gewenste biodiversiteit vergroten en die verbonden zijn aan agrarisch gebruik van de omgeving. Meer specifiek gaat het om maatregelen gericht op: a. het in stand houden en stimuleren van het bodemleven, bestuivers en ondersteunende organismen ter voorkoming van ziekten en plagen; b. het in stand houden en bevorderen van wilde flora en fauna van landbouwgebieden, inclusief processen tussen de diverse soorten en de abiotische elementen; c. het in stand houden van genetische hulpbronnen van cultuurgewassen en landbouwhuisdieren. Beoordelingscriteria/voorwaarden Prioriteit krijgen pilots die door de provincie aan het Ministerie van LNV zijn voorgedragen en gehonoreerd. Pilots worden door het Rijk in elk geval beoordeeld op de volgende criteria. - De projectvoorstellen bevatten een heldere omschrijving van de te behalen milieukwaliteit, waarbij wordt aangegeven op welke wijze agrobiodiversiteitsmaatregelen hierbij worden ingezet. - De pilots moeten vernieuwend zijn ten opzichte van voorgaande pilots en zijn bottom-up opgezet. - Er vindt monitoring plaats van de te realiseren milieukwaliteit, waarbij tevens inzicht wordt gegeven in de maatschappelijke kosten en baten. Rijk en provincie overleggen over de uitvoering van de pilots Agrobiodiversiteit. Begunstigden (Samenwerkingsverbanden van) natuurlijke en rechtspersonen. Maximale subsidiebijdrage 70%. Aanvragen indienen vóór Niet van toepassing (regeling is het hele jaar opengesteld). EU-bepalingen/communautair toetsingskader In aanvulling op vorenstaande voorwaarden is het volgende in het kader van deze maatregel van toepassing.
  9. Kosten van niet-productieve investeringen kunnen tot de maximale subsidiebijdrage zoals hiervoor is aangegeven worden vergoed.
  10. Indien aan landbouwers subsidie wordt verstrekt voor de instandhouding van traditionele landschappen geschiedt dit met inachtneming van artikelen 4, 5 en 15 van de verordening (EG), nummer 1857/2006, betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het EG-verdrag op staatssteun voor kleine en middelgrote ondernemingen die landbouwproducten produceren, waarbij 100% van de werkelijk gemaakte kosten kunnen worden vergoed.
  11. Indien subsidie wordt verstrekt aan landbouwers die niet valt onder de hiervoor onder 1 en 2 genoemde categorieën wordt de subsidie verstrekt met inachtneming van de verordening (EG), nummer 1860/2004, betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het EG-verdrag op de minimissteun in de landbouwsector en de visserijsector.
  12. Indien subsidie wordt verstekt aan ondernemers niet zijnde landbouwers geschiedt dit met inachtneming van artikelen 4 en 5 van de verordening (EG), nummer 70/2001, betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het EG-verdrag op staatssteun voor kleine en middelgrote bedrijven.
  13. Indien subsidie wordt verstekt aan ondernemers niet zijnde landbouwers en de subsidie valt niet onder de hiervoor genoemde categorieën 1 of 4 geschiedt dit met inachtneming van de verordening (EG), nummer 1998/2006, betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het EG-verdrag op de minimissteun. Voor dit onderdeel kan ook gebruik worden gemaakt van middelen uit het POP
  14. Voor dit onderdeel is maatregel 111, Beroepsopleiding en voorlichting en de daarin vermelde voorwaarden voor subsidieverstrekking van toepassing. De in dit maatregelfiche opgenomen subsidiabele activiteiten, beoordelingscriteria, begunstigden, maximale subsidiebijdragen en overige voorwaarden voor subsidieverstrekking zijn dan ook van toepassing op deze maatregel. 3.3.b, Innovatie en samenwerking land- en glastuinbouw Beleidsmatige criteria POP II en Strategische Agenda voor Noord-Nederland 2007-2013 en Uitvoeringsstrategie Agribusiness Provincie Drenthe: Activiteiten hebben tot doel: - verbetering van de concurrentiepositie van de land- en tuinbouw; - verbreding van de economische basis voor ontwikkeling van inkomsten uit activiteiten naast en in samenhang met agrarische bedrijfsvoering; - bevordering van een maatschappelijk aanvaarde land- en tuinbouw; - herstructurering van de oudere glastuinbouwgebieden in Emmen. Subsidiabele activiteiten Naast fysieke maatregelen om te komen tot landbouwstructuurversterking (zie onder andere grondgebonden landbouw, landinrichting en glastuinbouw) gaat het om activiteiten gericht op: a. het bevorderen van ondernemerschap door kennisontwikkeling, kennisverspreiding en ontwikkeling van ondernemersvaardigheden; b. het bevorderen van innovaties, zoals het toepassen van nieuwe technieken en het ontwikkelen van nieuwe producten en afzetmogelijkheden; c. het stimuleren van samenwerkingsverbanden met andere producenten en in de keten, zoals de regionale ketenontwikkeling voor biologische producten; d. het stimuleren van nieuwe diensten en niet-landbouwkundige producten zoals energiewinning uit biomassa, zorg, recreatieve nevenactiviteiten en het zelf vermarkten van ambachtelijke producten; e. het ontwikkelen en stimuleren van groen/blauwe diensten; f. het stimuleren van activiteiten van agrariërs die gericht zijn op behoud en versterking van landschapswaarden en/of milieukwaliteit; g. het bevorderen van voedselveiligheid en -kwaliteit en dierenwelzijn; h. de herstructurering van de glastuinbouwgebieden in Emmen; i. de verduurzaming van de glastuinbouwsector of de omgeving van de glastuinbouwbedrijven. Beoordelingscriteria/voorwaarden Projecten moeten vernieuwing(en) teweegbrengen die ten nutte komen van de agrosector in Drenthe. Activiteiten moeten een voor Drenthe innovatief karakter hebben en/of een voorbeeldfunctie vervullen en/of overdraagbaar zijn op andere bedrijven. In het geval van projecten ter bevordering van maatschappelijk aanvaarde landbouw moet het gaan om bovenwettelijke maatregelen. Specifiek voor de glastuinbouwketen geldt dat de provincie en de gemeente Emmen nadere afspraken maken over de uit te voeren projecten en de daarbij behorende wijze van uitvoering. Glastuinbouw projecten komen in aanmerking voor een bijdrage, die voorgedragen worden door het college van burgemeester en wethouders van Emmen, dan wel instemming hebben van het voornoemd college. Begunstigden (Samenwerkingsverbanden van) (agrarische) bedrijven, kennisinstellingen, intermediaire organisaties. Specifiek voor de subsidiabele activiteiten onder h en i gelden als begunstigden: gemeente Emmen en Stichting Tuinbouw Emmen (STEMM). Maximale subsidiebijdrage 60%. Aanvragen indienen vóór Niet van toepassing (regeling is het hele jaar opengesteld). EU-bepalingen/communautair toetsingskader In aanvulling op vorenstaande voorwaarden is het volgende in het kader van deze maatregel van toepassing.
  15. Kosten van niet-productieve investeringen kunnen tot de maximale subsidiebijdrage zoals hiervoor is aangegeven worden vergoed.
  16. Indien aan landbouwers subsidie wordt verstrekt voor de instandhouding van traditionele landschappen geschiedt dit met inachtneming van artikelen 4, 5 en 15 van de verordening (EG), nummer 1857/2006, betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het EG-verdrag op staatssteun voor kleine en middelgrote ondernemingen die landbouwproducten produceren, waarbij 100% van de werkelijk gemaakte kosten kunnen worden vergoed.
  17. Indien subsidie wordt verstrekt aan landbouwers die niet valt onder de hiervoor onder 1 en 2 genoemde categorieën wordt de subsidie verstrekt met inachtneming van de verordening (EG), nummer 1860/2004, betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het EG-verdrag op de minimissteun in de landbouwsector en de visserijsector.
  18. Indien subsidie wordt verstekt aan ondernemers niet zijnde landbouwers geschiedt dit met inachtneming van artikelen 4 en 5 van de verordening (EG), nummer 70/2001, betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het EG-verdrag op staatssteun voor kleine en middelgrote bedrijven.
  19. Indien subsidie wordt verstekt aan ondernemers niet zijnde landbouwers en de subsidie valt niet onder de hiervoor genoemde categorieën 1 of 4 geschiedt dit met inachtneming van de verordening (EG), nummer 1998/2006, betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het EG-verdrag op de minimissteun. Voor de subsidiëring van voornoemde activiteiten kan in Zuidoost-Drenthe onder meer gebruik worden gemaakt van POP2-middelen. Voor dit onderdeel is maatregel 411, Verbetering van het concurrentievermogen en de land- en de bosbouwsector, van toepassing. De in dit maatregelfiche opgenomen subsidiabele activiteiten, beoordelingscriteria, begunstigden, maximale subsidiebijdragen en overige voorwaarden voor subsidieverstrekking zijn dan ook van toepassing op deze maatregel. Voor dit onderdeel kan ook gebruik worden gemaakt van middelen uit het POP
  20. Voor dit onderdeel is maatregel 311b en 321b en de daarin vermelde voorwaarden voor subsidieverstrekking van toepassing. De in dit maatregelfiche opgenomen subsidiabele activiteiten, beoordelingscriteria, begunstigden, maximale subsidiebijdragen en overige voorwaarden voor subsidieverstrekking zijn dan ook van toepassing op deze maatregel. Voor dit onderdeel kan ook gebruik worden gemaakt van maatregel 125, Infrastructuur voor de ontwikkeling/aanpassing van land- en bosbouw, met de daarin vermelde voorwaarden. Voor zover de in dit onderdeel opgenomen criteria afwijken van de voorwaarden, zoals opgenomen in maatregel 125, worden de bovenstaande criteria bij de toekenning van steun in het kader van maatregel 125 alleen meegenomen, voor zover deze criteria strikter zijn dan of aanvullend zijn op de voorwaarden in maatregel
  21. Alle in het kader van deze maatregel toegekende steun zal in overeenstemming zijn met de de-minimisregeling zoals vastgesteld bij Verordening (EG) nummer 1998/
  22. 4, SUBSIDIES VOOR RECREATIE 4.1, Landelijke routenetwerken Beleidsmatige criteria Het beleidskader wordt gevormd door het POP II. Subsidiabele activiteiten In aanmerking voor een bijdrage komen activiteiten die de toegankelijkheid van het landelijk gebied voor recreatief gebruik versterken door het realiseren en in stand houden van landelijke aaneengesloten netwerken. Het gaat om het kwalitatief verbeteren van bestaande routenetwerken, het oplossen van knelpunten in de routes en het bekendheid geven aan landelijke routenetwerken. Beoordelingscriteria/voorwaarden Alleen (delen van) de netwerken die zijn opgenomen in het Rijksmeerjarenprogramma komen in aanmerking voor subsidie. Voor wat betreft de routenetwerken voor wandelen en fietsen wordt aangesloten bij de afspraken die in IPO verband gemaakt zijn over de besteding van middelen en bij het Landelijk Meerjarig Routenetwerkprogramma 2007
  23. Voor wat betreft landelijke vaarroutes als Erica-Ter Apel heeft in Gedeputeerde Staten apart besluitvorming plaatsgevonden. Begunstigden Gemeenten, weg- en terreinbeheerders, Stichting LAW en Stichting LAF. Maximale subsidiebijdrage 100%. Aanvragen indienen vóór Niet van toepassing (regeling is het hele jaar opengesteld). EU-bepalingen/communautair toetsingskader De subsidie die wordt verstrekt in het kader van deze maatregel is geen staatssteun. Het betreft hier geen (begunstiging van) ondernemingen of producties als bedoeld in artikel 87 en verder van het EG-verdrag. Provinciale routenetwerken Samengevoegd met 4.
  24. 4.3, Versterken toeristische voorzieningen Beleidsmatige criteria Het beleidskader wordt gevormd door het POP II. Prioriteit hebben activiteiten die in Zuidwest- en Zuidoost-Drenthe worden uitgevoerd. Tevens is onder dit thema een nieuwe Subsidieregeling Toerisme Natuurlijk! Drenthe 2008-2010 (STINAT) voor de toeristische sector ontwikkeld, die vanaf oktober 2008 operationeel is. Daarnaast is er de STIPO regeling (Stimuleringsproject voor Innovatie in Plattelandsondernemingen) voor microbedrijven op het platteland operationeel. Subsidiabele activiteiten Zie onder EU-bepalingen. Beoordelingscriteria/voorwaarden Zie onder EU-bepalingen. Begunstigden Zie onder EU-bepalingen. Maximale subsidiebijdrage 66%. Aanvragen indienen vóór Niet van toepassing (regeling is het hele jaar opengesteld). EU-bepalingen Voor subsidiëring vanuit het pMJP kan voor dit onderdeel gebruik worden gemaakt van de middelen uit het POP2, mits ten minste aan in maatregel 313, Bevordering van toeristische activiteiten, vermelde voorwaarden voor subsidieverstrekking is voldaan. Voor zover de in dit onderdeel opgenomen criteria afwijken van de voorwaarden, zoals opgenomen in maatregel 313, worden de bovenstaande criteria bij de toekenning van steun in het kader van maatregel 313 alleen meegenomen, voor zover deze criteria strikter zijn dan of aanvullend zijn op de voorwaarden in maatregel
  25. In Zuidoost-Drenthe zijn de maatregelen 413, De leefkwaliteit op het platteland en diversificatie van de plattelandseconomie, 421, Uitvoering van samenwerkingsprojecten en 431, Beheer van de plaatselijke groep, verwerving van vakkundigheid en de dynamisering van het gebied, ook van toepassing. Alle staatssteun toegekend in het kader van deze maatregelen aan anderen dan landbouwers, zal in overeenstemming zijn met de de-minimisregeling, zoals vastgesteld bij verordening (EG) nummer 1998/
  26. 5, SUBSIDIES VOOR LANDSCHAP 5.1, Lopende verplichtingen bos/landschap ruimtelijke structuren algemeen Beleidsmatige criteria Het realiseren van de lopende verplichtingen bos/landschap in de landinrichtingsprojecten. Subsidiabele activiteiten a. De lopende verplichtingen van de onder de Landinrichtingswet en Herinrichtingswet Oost-Groningen en Gronings-Drentse Veenkoloniën vastgestelde klassieke land- en herinrichtingsplannen. b. De tot en met 31 december 2006 door Gedeputeerde Staten vastgestelde en door het Rijk verplichte vierjarige modules van de overige landinrichtingsprojecten. c. Kavelverbetering in het project Emmen-Zuid. Beoordelingscriteria/voorwaarden Conform de Landinrichtingswet, de Regeling subsidiering landinrichting en de overige daarbij behorende regelingen. Begunstigden Landinrichtingscommissies. De provincie kan zelf, door middel van opdrachtverlening, inhoud geven aan deze maatregel. Maximale subsidiebijdrage 100%. Aanvragen indienen vóór Niet van toepassing (regeling is het hele jaar opengesteld). EU-bepalingen/communautair toetsingskader De subsidie die wordt verstrekt in het kader van deze maatregel is geen staatssteun. Het betreft hier geen (begunstiging van) ondernemingen of producties als bedoeld in artikel 87 en verder van het EG-verdrag. 5.2, Stichting Landschapsbeheer Drenthe Beleidsmatige criteria Het behoud en beheer en de ontwikkeling van een ecologisch volwaardig en mooi cultuurlandschap met een streekeigen karakter. Aan de Stichting Landschapsbeheer Drenthe wordt jaarlijks een boekjaarsubsidie verleend, waarover jaarlijks afspraken worden gemaakt tussen de provincie, het Rijk en de stichting. Daarnaast kunnen uitvoeringsprojecten, inclusief de voorbereidingskosten, afzonderlijk gesubsidieerd worden. Subsidiabele activiteiten Activiteiten die bijdragen aan het behoud, beheer en ontwikkeling van een ecologisch volwaardig en mooi cultuurlandschap met een streekeigen karakter. Beoordelingscriteria/voorwaarden Notitie Provinciale aandachtspunten Natuur en Milieu 2005
  27. Begunstigden Stichting Landschapsbeheer Drenthe (boekjaarsubsidie en projectsubsidie). Maximale subsidiebijdrage Boekjaarsubsidie: maximaal 100%. Projectsubsidies: maximaal 80%. Aanvragen indienen vóór Niet van toepassing (regeling is het hele jaar opengesteld). EU-be

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.