Afstemmingsverordening IOAW en IOAZ gemeente Borsele 2010De raad van de gemeente Borsele; gelezen het voorstel van Burgemeester en Wethouders d.d. 15 juni 2010; gelet op artikel 147, eerste lid en artikel 108, tweede lid Gemeentewet, artikel 35, eerste lid, onderdeel b en artikel 20, tweede lid IOAW, alsmede artikel 35, eerste lid, onderdeel b en artikel 20, eerste lid IOAZ; Besluit vast te stellen de navolgende verordening: AFSTEMMINGSVERORDENING IOAW en IOAZ GEMEENTE BORSELE 2010 Hoofdstuk1Algemene Bepalingen Artikel1Begripsomschrijving In deze verordening wordt verstaan onder: IOAW Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers IOAZ Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen; IOAW/IOAZ De IOAW evenals de IOAZ, beiden voor zover zij op belanghebbende van toepassing zijn; Uitkering De uitkering, bedoeld in artikel 5, eerste lid IOAW/IOAZ; Uitkeringsnorm De op belanghebbende van toepassing zijnde netto grondslag, bedoeld in artikel 5, vierde lid IOAW/IOAZ; Maatregel Het verlagen van de uitkeringsnorm op grond van artikel 20, tweede lid IOAW en artikel 20, eerste lid IOAZ evenals het blijvend of tijdelijk (gedeeltelijk) weigeren van een uitkering op grond van artikel 20, eerste lid IOAW en artikel 20, tweede lid IOAZ; Inkomen Inkomen als bedoeld in artikel 8 IOAW/IOAZ; Inlichtingenplicht de verplichting bedoeld in artikel 13 IOAW/IOAZ; Fraude Het verwijtbaar informatie achterhouden, of verwijtbaar onjuiste informatie verstrekken, met het doel een (hogere) uitkering te ontvangen anders als waar men op grond van de juiste en/of volledige informatie recht op zou hebben; Benadelingsbedrag Het bruto bedrag dat als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenverplichting ten onrechte is verleend als IOAW of IOAZ; Grens aangiftebedrag Openbaar Ministerie Het bruto uitkeringsbedrag waarvoor de gemeente is benadeeld door een belanghebbende en waarboven het college aangifte doet bij het Openbaar Ministerie; Het college Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Borsele De raad De gemeenteraad van Borsele; Recidive Het binnen een in deze verordening benoemde termijn opnieuw plegen van een verwijtbare handeling uit dezelfde of hogere categorie Artikel2Het opleggen van een maatregel 1Als de belanghebbende naar het oordeel van het college tekortschietend besef van verantwoordelijkheid betoont voor de voorziening in het bestaan dan wel voor een verplichting als bedoeld in artikel 13 IOAW/IOAZ of een op grond van hoofdstuk III IOAW/IOAZ aan de uitkering verbonden verplichting – anders dan de verplichting, bedoeld in artikel 37, eerste lid, onderdeel c IOAZ -, wordt overeenkomstig deze verordening een maatregel opgelegd; 2Het eerste lid is gelijkelijk van toepassing op de belanghebbende die een uitkering ontvangt op grond van de IOAW, wanneer hij de op basis van artikel 30c, tweede en derde lid van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen op hem rustende verplichtingen schendt; 3Een maatregel wordt afgestemd op de ernst van de gedraging, de mate waarin de belanghebbende de gedraging kan worden verweten en de omstandigheden waarin hij verkeert. Van het opleggen van een maatregel wordt in elk geval afgezien, indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt, of indien het college daarvoor dringende redenen aanwezig acht; Artikel3De berekeningsgrondslag en de ingangsdatum 1De maatregel wordt toegepast op de uitkeringsnorm, zoals bedoeld in artikel 1 sub e van deze verordening; 2De maatregel als bedoeld in het eerste lid wordt bij voorkeur opgelegd met ingang van de eerstvolgende kalendermaand volgend op de datum waarop het besluit tot het opleggen van de maatregel aan de belanghebbende is bekendgemaakt. Daarbij wordt uitgegaan van de voor die maand geldende uitkeringsnorm; 3In afwijking van het tweede lid kan de maatregel met terugwerkende kracht worden opgelegd, voor zover de uitkering nog niet is uitbetaald, dan wel onder toepassing van een herzienings- of terugvorderingsbesluit, vanaf de kalendermaand volgend op de datum van de verwijtbare gedraging; 4Een maatregel wordt voor bepaalde tijd opgelegd. Een maatregel die voor een periode van meer dan drie maanden wordt opgelegd, wordt uiterlijk na drie maanden nadat deze ten uitvoer is gelegd, heroverwogen; 5Indien de maatregel niet (of slechts gedeeltelijk) kan worden toegepast doordat de beëindiging van de bijstand de effectuering van de maatregel geheel of gedeeltelijk in de weg staat, kan toepassing van de (resterende) maatregel plaatsvinden indien het recht op IOAW dan wel IOAZ binnen een half jaar na de beëindigingsdatum weer ontstaat; Artikel4Het besluit tot opleggen van een maatregel In het besluit tot opleggen van een maatregel worden in ieder geval vermeld: de reden van de maatregel, de duur van de maatregel, het percentage waarmee de uitkeringsnorm wordt verlaagd, het bedrag waarmee de uitkeringsnorm wordt verlaagd en, indien van toepassing, de reden om af te wijken van een standaardmaatregel Artikel5Horen van belanghebbende 1Voordat een maatregel wordt opgelegd, wordt de belanghebbende in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen; 2Het horen van belanghebbende kan achterwege worden gelaten indien: de vereiste spoed zich daartegen verzet; de belanghebbende reeds eerder in de gelegenheid is gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen en zich sindsdien geen nieuwe feiten of omstandigheden hebben voorgedaan; de belanghebbende niet heeft voldaan aan een verzoek van het college of van eenderde aan wie het college werkzaamheden heeft uitbesteed, om binnen een gesteldetermijn inlichtingen te verstrekken als bedoeld in artikel 13 van de IOAW/IOAZ; het college het horen niet nodig acht voor het vaststellen van de ernst van de gedraging of de mate van verwijtbaarheid; de belanghebbende aangeeft hiervan geen gebruik te willen maken. Artikel6Verjaring Er wordt afgezien van het opleggen van een maatregel indien de gedraging meer dan één jaar voor de constatering van die gedraging heeft plaatsgevonden, tenzij de gedraging een schending van de inlichtingenplicht inhoudt en als gevolg van die gedraging ten onrechte bijstand is verleend. Een maatregel wegens schending van de inlichtingenplicht wordt niet opgelegd na verloop van vijf jaren nadat de betreffende gedraging heeft plaatsgevonden. Artikel7Samenloop van gedragingen 1Indien een belanghebbende zich tegelijkertijd schuldig maakt aan verschillende gedragingen die het niet nakomen van een verplichting als genoemd in artikel 2, eerste lid, inhouden, vindt cumulatie plaats van de maatregelen; 2Indien de maatregelen niet in één kalendermaand kunnen worden geëffectueerd, worden in afwijking van artikel 3, tweede lid, de maatregelen na het besluit tot opleggen van de maatregel achtereenvolgend opgelegd. Hoofdstuk2Geen of onvoldoende medewerking verlenen aan het verkrijgen of behouden van algemeen geaccepteerde arbeid Artikel8Gedragingen Gedragingen van belanghebbende waardoor de verplichting op grond van artikel 37 van de IOAW / IOAZ niet of niet voldoende is nagekomen, worden onderscheiden in de volgende categorieën: 1 Eerste categorie: het zich niet tijdig laten registreren als werkzoekende bij UWV WERKbedrijf of het niet tijdig laten verlengen van de registratie; 2 Tweede categorie: a. het niet naar vermogen trachten algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen of te aanvaarden in de periode voorafgaande aan de aanvraag tot bijstandsverlening dan wel na de datum van aanvraag; b. het niet dan wel niet tijdig voldoen aan een oproep om op een aangegeven plaats en tijd te verschijnen in verband met de inschakeling in de arbeid; c. het niet of in onvoldoende mate meewerken aan een onderzoek naar de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling, waaronder begrepen arbeidsactivering, een diagnosegesprek of een medisch onderzoek; 3 Derde categorie: a. het niet of onvoldoende nakomen van de verplichting tot gebruik maken van een aangeboden voorziening, waaronder begrepen sociale activering gericht op arbeidsinschakeling, voor zover dit niet heeft geleid tot het geen doorgang vinden of tot voortijdige beëindiging van de voorziening; b. gedragingen die overigens de inschakeling in de arbeid belemmeren; c. het niet of onvoldoende nakomen van een verplichting als bedoeld in artikel 55 van de IOAW / IOAZ die strekt tot arbeidsinschakeling. 4 Vierde categorie: a. het niet of onvoldoende nakomen van de verplichting tot gebruik maken van een aangeboden voorziening, waaronder begrepen sociale activering gericht op arbeidsinschakeling, als dit heeft geleid tot het geen doorgang vinden of tot voortijdige beëindiging van de voorziening; b. het niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde arbeid; c. het door eigen toedoen niet behouden van arbeid in dienstbetrekking. Artikel9Hoogte en duur van de maatregel 1De maatregel behorend bij de in artikel 8 vermelde categorieën wordt vastgesteld op: tien procent van de bijstandsnorm gedurende een maand bij gedragingen van de eerste categorie; twintig procent van de bijstandsnorm gedurende een maand bij gedragingen van de tweede categorie; veertig procent van de bijstandsnorm gedurende een maand bij gedragingen van de derde categorie; honderd procent van de bijstandsnorm gedurende een maand bij gedragingen van de vierde categorie. 2De duur van de maatregel als bedoeld in het eerste lid wordt verdubbeld, indien de belanghebbende zich binnen twaalf maanden na de vorige als verwijtbaar aangemerkte gedraging opnieuw schuldig maakt aan een verwijtbare gedraging uit dezelfde of een hogere categorie; 3In afwijking van het eerste lid kan in bijzondere gevallen de maatregel met een langere duur worden opgelegd, als de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de omstandigheden van de belanghebbende daartoe aanleiding geeft. Artikel10Waarschuwing Van het opleggen van de maatregel wegens een gedraging van de eerste categorie als bedoeld in artikel 8, eerste lid, kan worden afgezien en worden volstaan met het geven van een schriftelijke waarschuwing tenzij: de belanghebbende in een re-integratietraject of re-integratieproject zit, ofhet niet nakomen van deze verplichtingen plaatsvindt binnen een periode van twee jaar te rekenen vanaf de datum waarop eerder aan de belanghebbende een schriftelijke waarschuwing kenbaar is gemaakt. Hoofdstuk3Het niet nakomen van de inlichtingen- en medewerkingsplicht Artikel11Schending inlichtingenplicht zonder benadeling gemeente 1Indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenplicht bedoeld in artikel 13 IOAW / IOAZ niet heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van uitkering, wordt volstaan met een waarschuwing. 2Van te laat verstrekken van gegevens is geen sprake indien het niet tijdig verstrekken van de gegevens is veroorzaakt door een vertraagde postbezorging. Dit zal dan aan de hand van het poststempel moeten blijken; 3In afwijking van het eerste lid kan van het geven van een waarschuwing worden afgezien en wordt een maatregel opgelegd van 10 procent bij het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting binnen een periode van een jaar te rekenen vanaf de datum waarop de belanghebbende een schriftelijke waarschuwing is gegeven; 4De duur van de maatregel bedoeld in het derde lid wordt vastgesteld op een maand; 5In afwijking van het derde lid kan de duur van de maatregel worden verdubbeld, indien de belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking van een besluit waarbij een maatregel wordt opgelegd opnieuw schuldig maakt aan dezelfde als verwijtbare aan te merken gedraging. Met een besluit waarmee een maatregel is opgelegd wordt gelijkgesteld het besluit om daarvan af te zien op grond van dringende redenen, bedoeld in artikel 2, vierde lid. Artikel12Schending inlichtingenplicht met benadeling gemeente 1Indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenplicht, bedoeld in artikel 13, eerste lid, IOAW/IOAZ heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag vertrekken van uitkering, wordt de maatregel afgestemd op de hoogte van het benadelingsbedrag; 2De maatregel bedoeld in het eerste lid wordt op de volgende wijze vastgesteld: bij een benadelingsbedrag tot € 1000,-: 10 procent van de uitkeringsnorm; bij een benadelingsbedrag van € 1000,- tot € 2000,-: 20 procent van de uitkeringsnorm; bij een benadelingsbedrag van € 2000,- tot € 4000,-: 40 procent van de uitkeringsnorm; bij een benadelingsbedrag van € 4000,- of meer: 100 procent van de uitkeringsnorm; 3De duur van de maatregel, bedoeld in het eerste lid, wordt vastgesteld op een maand. 4In afwijking van het vierde lid kan de duur van de maatregel worden verdubbeld, indien de belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking van een besluit waarbij een maatregel wordt opgelegd opnieuw schuldig maakt aan dezelfde als verwijtbare aan te merken gedraging. Met een besluit waarmee een maatregel is opgelegd wordt gelijkgesteld het besluit om daarvan af te zien op grond van dringende redenen, bedoeld in artikel 2, vierde lid. Artikel13Maatregel en aangifte Openbaar Ministerie De maatregel als bedoeld in artikel 12, tweede lid, onderdeel b, van respectievelijk 10, 20, 40 en 100%, wordt niet opgelegd zolang de gedraging wordt onderzocht door het openbaar ministerie en blijft definitief achterwege indien ter zake een strafvervolging is ingesteld en het onderzoek ter terechtzitting een aanvang heeft genomen dan wel het recht tot strafvervolging is vervallen ingevolge artikel 74 van het Wetboek van Strafrecht. Hoofdstuk4Zeer ernstige misdragingen Artikel14Zeer ernstige misdragingen 1Indien een belanghebbende zich verbaal zeer ernstig misdraagt tegenover het college of zijn ambtenaren, onder omstandigheden die rechtstreeks verband houden met de uitvoering van de IOAW/ IOAZ, wordt een maatregel opgelegd; 2De maatregel bedraagt: vijftig procent van de bijstandsnorm gedurende een maand indien de gedraging gekwalificeerd kan worden als vernieling; honderd procent van de bijstandsnorm gedurende een maand indien de gedraging gekwalificeerd kan worden als bedreiging, belaging of mishandeling. 3De duur van de maatregel, bedoeld in het tweede lid, wordt vastgesteld op een maand; Hoofdstuk5Slotbepalingen Artikel15Hardheidsclausule 1Het college kan in bijzondere gevallen afwijken de bepalingen in deze verordening, indien onverkorte toepassing zou leiden tot onredelijkheid of onbillijkheid; 2In gevallen waarin deze verordening niet voorziet, beslist het college. Artikel16Citeertitel Deze verordening wordt aangehaald als: Afstemmingsverordening IOAW en IOAZ Borsele
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.