.1 tweede lid Integratie van water en ruimtelijke ordening is alleen mogelijk wanneer de ruimtelijke gevolgen van de wateropgaven worden uitgewerkt in ruimtelijke plannen. De Waterwet brengt daarom een koppeling aan tussen de wateropgaven en de uitwerking daarvan door het regionaal waterplan tegelijkertijd de status te geven van structuurvisie in de zin van de Wet ruimtelijke ordening. Artikel 4.2 Voorbereiding Verplicht overleg Het eerste artikellid verplicht Gedeputeerde Staten tot het voeren van overleg met ten minste het dagelijks bestuur van de waterbeheerders. Het staat Gedeputeerde Staten vrij, behalve met de genoemde partijen, ook te overleggen met de colleges van burgemeester en wethouders van de binnen het plangebied liggende gemeenten en bedrijven en instanties. Verplicht raadplegen De in het tweede artikellid neergelegde verplichting tot raadplegen heeft een wat lichter karakter. Dit artikellid bepaalt namelijk dat Gedeputeerde Staten, in plaats van te overleggen, gehouden zijn om ten minste te raadplegen de Minister van Verkeer en Waterstaat, Gedeputeerde Staten van de aangrenzende provincies en de beheerder van de grensoverschrijdende dan wel grensvormende watersystemen. Deze opsomming is niet limitatief. Het staat Gedeputeerde Staten vrij bijvoorbeeld andere overheden, bedrijven en instanties te raadplegen. Daarbij kan worden gedacht aan Rijkswaterstaat, waterleidingbedrijven en belangenorganisaties, zoals LTO, natuur- en milieuorganisaties, VNO-NCW en de Kamer van Koophandel. Artikel 4.3 UitwerkingDit artikel biedt Provinciale Staten de grondslag om Gedeputeerde Staten de bevoegdheid te verlenen dan wel te verplichten tot het, onder nader beschreven voorwaarden, uitwerken van bepaalde onderdelen van het regionaal waterplan. De planuitwerking verkrijgt vervolgens dezelfde status als het regionaal waterplan. De bevoegdheid is beperkt tot het uitwerken van het eerder vastgestelde kader. Deze mag zich dan ook niet richten op het niveau van daadwerkelijke uitvoering van maatregelen. Die bevoegdheid is immers voorbehouden aan de waterschappen. Artikel 4.4 InhoudHet beheerplan bevat, op de schaal van het waterschap, een uitwerking van de strategische doelen, die de provincie in haar regionaal waterplan heeft geformuleerd. De uitwerking bevat ten minste concrete maatregelen, de bijbehorende planning en de kosten die nodig zijn om deze maatregelen te realiseren. Het beheerplan gaat ook in op de vaststelling van het Gewenste Grondwater- en Oppervlaktewater-Regime (GGOR). Dat betekent dat het beheerplan de normering uitwerkt, dat het ingaat op de belangrijkste knelpunten in functies, een beleidskader biedt voor wateraanvoer en voor gebieden met een geringe drooglegging. Artikel 4.5 VoorbereidingAfdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht is van toepassing op de voorbereiding van besluiten, waaronder de voorbereiding en vaststelling van het beheerplan. De voorbereidingsprocedure voor het beheerplan is overigens identiek aan de in artikel 4.2 neergelegde procedure voor de totstandkoming van het regionaal waterplan. Voor de verdere toelichting verwijzen wij dan ook naar de toelichting bij artikel 4.2. Artikel 4.6 UitwerkingDit artikel biedt het algemeen bestuur de grondslag om het dagelijks bestuur de bevoegdheid te verlenen dan wel te verplichten tot het, onder nader beschreven voorwaarden, uitwerken van bepaalde onderdelen van het beheerplan. De planuitwerking verkrijgt vervolgens dezelfde status als het beheerplan. Artikel 4.7 GoedkeuringHet waterschap stuurt, als bijlage, mee het goed te keuren beheerplan en de in het artikel genoemde bijlagen. Deze zijn geen onderdeel van het beheerplan. Gedeputeerde Staten gebruiken de bijlagen bij de beoordeling van het plan en bij het beantwoorden van de vraag of het beheerplan is voorbereid en vastgesteld volgens de daarvoor geldende procedure. Hoofdstuk 5 Aanleg en beheer van waterstaatswerkenParagraaf 1 Legger Algemeen In artikel 5.1 van de Waterwet is bepaald dat de beheerder zorg draagt voor de vaststelling van een legger, waarin is omschreven waaraan waterstaatswerken naar richting, vorm, afmeting en constructie moeten voldoen. In artikel 1.1 van de Waterwet is bepaald welke beheersobjecten onder waterstaatswerken zijn begrepen. De Waterwet vermeldt de basisgegevens die van de legger deel uitmaken. De ligging van de waterstaatswerken en daaraan grenzende beschermingszones wordt aangegeven op overzichtskaarten. Onder beschermingszone verstaat artikel 1.1 van de Waterwet: aan een waterstaatwerk grenzende zone, waarin ter bescherming van dat werk voorschriften krachtens deze wet van toepassing kunnen zijn. In de Waterwet is bepaald dat bij provinciale verordening ten aanzien van inhoud, vorm en periodieke herziening van de legger voor daarbij te onderscheiden categorieën van waterstaatswerken nadere voorschriften kunnen worden gegeven. In deze titel wordt dit onderwerp nader uitgewerkt. De beheerder draagt er zorg voor dat de gegevens in de legger actueel blijven. De legger voor de oppervlaktewaterlichamen, bergingsgebieden, primaire- en regionale waterkeringen of ondersteunende kunstwerken kunnen door de beheerder desgewenst bij een of meer afzonderlijke besluiten, in afzonderlijke documenten worden vastgesteld dan wel worden gecombineerd. Belang legger Waterwet De legger is van belang voor de toetsing van de waterstaatswerken aan de gestelde normen. Deze toetsing wordt mogelijk door de gegevens in de legger, waaruit ‘de normatieve’ (oftewel vereiste) toestand van de waterstaatswerken in geografisch, morfologisch en hydrologisch opzicht kenbaar is’ (MvT, Kamerstuk 30818, nr. 3, p. 38) te vergelijken met de feitelijke toestand van de waterstaatswerken. Daarnaast kan de legger van belang zijn voor de reikwijdte van de verbods- en beheerbepalingen van een waterschapskeur, indien deze de werkingssfeer van een vergunning- of ontheffingsvereiste verbindt aan de hoedanigheid van leggerwateren. De legger op grond van de Waterwet moet worden onderscheiden van de onderhoudslegger als bedoeld in artikel 78 van de Waterschapswet. Desgewenst kunnen beide leggers in één document worden gecombineerd. De Waterschapswet bevat enkele procedurele bepalingen met betrekking tot de voorbereiding en vaststelling van de laatstgenoemde legger (toepassing inspraakverordening).
In het derde lid van artikel 5.1 van de wet is bepaald dat bij of krachtens provinciale verordening vrijstelling kan worden verleend van de verplichting om op de legger van vorm, afmeting, constructie en de ligging van waterstaatswerken te omschrijven met betrekking tot bepaalde waterstaatswerken die zich naar hun aard of functie niet lenen voor het omschrijven van die elementen, dan wel van geringe afmetingen zijn. Van deze mogelijkheid is in artikel 5.2 van deze verordening gebruik gemaakt, gelet op de aard en functie van de in dat artikel genoemde waterstaatswerken. Op de hierboven reeds aangehaalde (onderhouds-)legger van de waterschappen op grond van de Waterschapswet, worden in principe de regionale wateren van overwegend belang opgenomen. De Brabantse waterschappen kennen elk hun eigen criteria voor opname op de legger, maar Brabantbreed geldt als belangrijkste criterium het gegeven of de ‘maatgevende afvoer’ 30 liter per seconde is, of meer. Deze norm is afkomstig uit de landinrichtingspraktijk. De maatgevende afvoer is volgens de definitie uit het Cultuur Technisch Vademecum een afvoer die 1 à 2 dagen per jaar wordt bereikt of overschreden. De vrijstelling van de leggerplicht voor de Waterwet sluit zoveel mogelijk aan bij de bestaande praktijk van de onderhoudslegger omdat deze waterlopen ook van overwegend belang zullen zijn voor de bergings- en afvoercapaciteit van het watersysteem. Het vermelden van de ligging van de vrijgestelde waterlopen blijft wel verplicht in verband met het feit dat ook regionale wateren die niet van overwegend belang zijn binnen het watersysteem, een zekere bergings- en afvoercapaciteit vertegenwoordigen en als zodanig toch in beeld behoren te blijven, als zijnde de haarvaten van het watersysteem waarin water kan worden vastgehouden. Voor waterlopen van geringe betekenis tenslotte, is in het vijfde lid ook vrijstelling verleend van de verplichting de ligging te vermelden op de overzichtskaart. De beheerder kan voor de vrijgestelde waterlopen een standaardprofiel, minimale maatgevende afvoer (op object, of gebiedsniveau) of andere gegevens opnemen in de legger, aan de hand waarvan de bergings- en afvoercapaciteit kan worden bepaald. Met name de vrij meanderende waterlopen als bedoeld in het tweede lid, met een maatgevende afvoer van 30 liter per seconde of meer, zijn waterlopen van overwegend belang die een belangrijke afvoer en bergingscapaciteit vertegenwoordigen. Deze zal relevant zal zijn in het licht van de beoordeling die op grond van artikel 2.4, vierde lid van de beheerder wordt gevraagd. Artikel 5.3 tijdelijke vrijstelling voor regionale waterkeringenArtikel 2.14 van de Invoeringswet behorende bij de Waterwet biedt de mogelijkheid om bij of krachtens de Verordening water te bepalen dat de leggerplicht voor een daarbij te bepalen termijn niet van toepassing is op daarbij aan te wijzen regionale waterkeringen. In dit artikel is bepaald dat Gedeputeerde Staten na overleg met het waterschapsbestuur deze termijn vaststellen. Dit tijdstip zal direct samenhangen met het tijdstip genoemd in artikel 2.2, zesde en zevende lid, waarop de regionale waterkering aan de gestelde norm dient te voldoen. Voor compartimenteringskeringen hoeven in eerste instantie 'slechts' de bestaande afmetingen in kaart te worden gebracht. De termijn voor opname van deze gegevens in de legger is in artikel 2.3 in verband met de normstelling bepaald op 2 jaar na de inwerkingtreding van deze verordening. Voor de overige gegevens is artikel 5.3 van toepassing. Paragraaf 2 PeilbesluitenAlgemeen Op grond van artikel 5.2 van de Waterwet moeten bij of krachtens provinciale verordening de oppervlaktewaterlichamen en/of grondwaterlichamen worden aangewezen waarvoor de beheerder peilbesluiten dient vast te stellen. In deze titel is daarin voorzien. In het peilbesluit worden op een voor de beheerder bindende wijze waterstanden opgenomen of bandbreedten waarbinnen de waterstanden onder reguliere omstandigheden kunnen variëren. Een peilbesluit geeft aan de ingezetenen van het waterschap die verschillende belangen hebben (zoals droge voeten, natuur, landbouw, voorkomen zetting, droge kruipruimte) aan welk peil gehandhaafd zal worden. Een belanghebbende weet dan waar hij of zij het gebruik op kan instellen. De verplichting tot het vaststellen van een peilbesluit is in deze verordening alleen opgelegd voor die gebieden waar het waterschap onder normale omstandigheden de wateraanvoer en waterafvoer kan beheersen. De desbetreffende gebieden zijn aangegeven op de als bijlage IV bij deze verordening behorende kaart. Voor de gebieden waar geen peilbesluiten zijn voorgeschreven, kan het waterschap streefpeilen hanteren. Bijlage IV kent een globale begrenzing. De exacte begrenzing zal door het waterschap bij de vaststelling van het peilbesluit worden bepaald. Artikelsgewijs Artikel 5.5 Inhoud peilbesluitIn artikel 5.5 wordt aangegeven welke informatie het peilbesluit tenminste bevat. In verband met de wisselvalligheid van weersomstandigheden (nat of droog) hebben waterschappen behoefte aan een flexibel peilbeheer. Het tweede lid van artikel 5.2 van de wet voorziet er daarom in dat peilbesluiten door de toepassing van bandbreedten flexibel kunnen zijn. In het peilbesluit kan zo nodig worden aangegeven welke peilen of bandbreedten in bepaalde delen van het jaar worden aangehouden. Het waterschap heeft de inspanningsverplichting om de in het peilbesluit aangegeven waterstanden te handhaven. De toelichting bij het peilbesluit dient op grond van onderdeel a van het tweede lid inzicht te gegeven in de verhouding tussen de gekozen oppervlaktewaterstanden ten opzichte van het optimale grond- en oppervlaktewaterregime. Artikel 5.7 HerzieningHet eerste lid geeft aan dat een peilbesluit ten minste eenmaal in de tien jaar moet worden herzien. De termijn van tien jaar waarbinnen de herziening moet plaatsvinden, vangt aan op de datum waarop het vastgestelde peilbesluit overeenkomstig het bepaalde in afdeling 3.6 van de Algemene wet bestuursrecht is bekendgemaakt. Op verzoek van het algemeen bestuur kunnen Gedeputeerde Staten de geldigheidsduur van een peilbesluit eenmalig voor ten hoogste vijf jaren verlengen. Paragraaf 3 Projectprocedure voor waterstaatswerkenDe wet geeft voor de aanleg, verlegging en versterking van primaire waterkeringen een specifieke coördinatieregeling, de projectprocedure voor waterstaatswerken genoemd. Daarmee worden de besluitvormingsprocedures bespoedigd en vereenvoudigd. De wet beperkt deze coördinatieregeling niet tot primaire waterkeringen maar geeft de provincies de mogelijkheid deze regeling bij of krachtens de Verordening water ook open te stellen voor andere projecten. In deze paragraaf is aangegeven voor welke projecten de projectprocedure eveneens van toepassing kan worden verklaard. Inzet van de projectenprocedure brengt belangrijke gevolgen met zich mee. Projectplannen worden onder de goedkeuring van Gedeputeerde Staten gebracht, en bij het vaststellen van de bijbehorende uitvoeringsbesluiten kunnen Gedeputeerde Staten, indien nodig, in de plaats treden van mede overheden. Voor derden belanghebbenden is van belang te weten dat de inspraak en de rechtsbescherming wordt gebundeld. Gelet op deze gevolgen is het vanuit het oogpunt van rechtszekerheid wenselijk dat vooraf duidelijk is voor welke projecten de projectenprocedure wordt ingezet. De wetgever heeft de inzet van de procedure op basis van de Verordening water ‘geclausuleerd’. De procedure is bedoeld voor projecten van bovenlokale betekenis, die met spoed en op gecoördineerde wijze tot stand moeten worden gebracht. Uit de parlementaire geschiedenis blijkt dat voor wat betreft de spoedeisendheid met name gedacht moet worden aan projectplannen die gericht zijn op het bereiken van de Kaderrichtlijn Water (KRW)-doelstellingen in 2015. De projectplannen die opgenomen zijn in artikel 5.8 lid 1 a. tot en met c. van deze verordening dragen bij aan het vergroten van de veiligheid en het voorkomen van wateroverlast als bedoeld in het Nationaal Bestuursakkoord Water, en het door de KRW vereiste ecologisch herstel van het watersysteem (beekherstel en verdrogingsbestrijding). Deze projecten van bovenlokale betekenis zijn in de praktijk overigens vaak integraal van opzet; het projectplan kan in meerdere categorieën vallen. Toepasselijkheid van de projectprocedure kan op twee manieren ontstaan. Ten eerste kan het dagelijks bestuur van het waterschap het college van Gedeputeerde Staten op enig moment verzoeken om de projectprocedure toe te passen op een concreet project. Dit biedt de mogelijkheid om de nieuwe projectprocedure naar behoefte, en op maat in te zetten. Het verzoek van het waterschap bevat de motivering voor de inzet van de projectprocedure. Te denken valt bijvoorbeeld aan projecten, waarbij voor de uitvoering de toestemming van drie of meer bestuursorganen dan wel krachtens drie of meer wettelijke regelingen moet worden verkregen, naast de eventueel benodigde besluiten van het waterschapsbestuur zelf. Door coördinatie en bundeling van de rechtsbescherming kan met de gecoördineerde projectprocedure in dat geval de nodige winst worden geboekt. Daarnaast is in lid 3 Gedeputeerde Staten tevens de bevoegdheid toegekend om bij nadere regeling de projectprocedure op voorhand van toepassing te verklaren op (een lijst van) nader genoemde projecten of voor bepaalde categorieën van projecten die vanuit provinciaal oogpunt van groot belang zijn voor het waterbeheer en dreigen niet tijdig gerealiseerd te worden. Deze regeling wordt na overleg met het dagelijks bestuur van de waterschappen vastgesteld en vervolgens bekendgemaakt. Tot slot wordt opgemerkt dat in sommige gevallen het begrip spoedeisendheid ook in verband kan worden gebracht met financiële haalbaarheid en maatschappelijke kosten. Europese (bijvoorbeeld POP) subsidies en ILG-middelen die voor de genoemde projecten worden ingezet kennen doorgaans een termijn waarop de gesubsidieerde prestatie geleverd moet zijn; zo niet wordt er minder, of géén subsidie uitgekeerd. Paragraaf 4 Waterakkoord Het systeem van aanwijzing van verplichte gevallen waarin een waterakkoord moet worden vastgesteld is in de wet vervangen door de verplichting om “voor zover dat nodig is met het oog op een samenhangend en doelmatig waterbeheer” waterakkoorden te sluiten. Hiermee wordt aangesloten bij de systematiek waarvoor ook in artikel 3.8 van de wet inzake de samenwerking tussen waterschappen en gemeenten is gekozen. Bij provinciale verordening kunnen alleen nog nadere regels met betrekking tot waterakkoorden worden gesteld. Met artikel 5.10 is hieraan invulling gegeven. Deze nadere regel heeft alleen betrekking op de voorbereiding van de waterakkoorden. In geval er andere overheden zijn die waterstaatkundige taken vervullen, zoals een gemeente of provincie die met het vaarwegbeheer is belast, is het van belang dat de dagelijkse besturen van die overheden bij de voorbereiding geraadpleegd worden, ook als er geen aanleiding is hen uit te nodigen om deel te nemen aan het waterakkoord als bedoeld in artikel 3.7, tweede lid van de wet. Hoofdstuk 6 Handelingen in het watersysteemParagraaf 1 Grondwateronttrekkingen Algemeen In lijn met het uitgangspunt “decentraal wat kan, centraal wat moet” zijn in de Waterwet de eigen verordenende bevoegdheden van provincie en waterschap niet verder ingeperkt dan nodig. Dit blijkt onder andere uit hoofdstuk 6 van de wet, waar ruimte wordt geboden aan provincie en waterschap om zelf in de benodigde regelgeving te voorzien. Alleen waar dat nodig is met het oog op internationale verplichtingen of bovenregionale belangen, zullen door het Rijk regels worden gesteld. Dit betekent dat, waar van rijkswege gestelde regels ontbreken, provincies bevoegd zijn om daarin zelf bij verordening te voorzien. De waterschappen zijn als watersysteembeheerder verantwoordelijk voor de regulering van de handelingen in het regionale watersysteem. De Waterwet maakt hierop een uitzondering voor een drietal specifieke categorieën van grondwateronttrekkingen. Deze categorieën zijn opgenomen in artikel 6.4 van de wet. Het betreft onttrekkingen ten behoeve van de openbare drinkwatervoorziening, bodemenergiesystemen en onttrekkingen van meer dan 150.000 m3 per jaar ten behoeve van industriële toepassingen. Het infiltreren van water ten behoeve van voornoemde toepassingen valt ook onder het bevoegd gezag van Gedeputeerde Staten. Voor deze categorieën van onttrekkingen kunnen door de provincie bij of krachtens verordening regels worden gesteld. Onttrekkingen voor andere doeleinden kunnen worden gereguleerd door de waterschappen. De Waterwet laat de waterschappen de mogelijkheid voor de overige onttrekkingen een verbodsstelsel te introduceren met de mogelijkheid van vergunningen, algemene regels en vrijstellingen. De provincie heeft de mogelijkheid de regulering van de overige onttrekkingen te sturen via instructieregels bedoeld in artikel 3.11 van de wet. Teneinde een doelmatige overdracht van de operationele grondwatertaken van provincie naar de waterschappen te bevorderen, hebben Gedeputeerde Staten en de Noord-Brabantse waterschappen bestuurlijk afgesproken het operationeel grondwaterbeheer één op één over te laten gaan, waarna de waterschappen, binnen de beleidsmatige randvoorwaarden die in het provinciaal waterplan zijn geformuleerd, eigen beleid kunnen gaan ontwikkelen.
Het grondwaterregister is nodig vanwege een doelmatig grondwaterbeheer en heeft primair tot doel inzicht te verschaffen in de mate waarin grondwater wordt onttrokken en water wordt geïnfiltreerd. Dat inzicht is nodig in verband met het opstellen van het provinciaal waterplan. Een tweede oogmerk voor het bijhouden van een register is de controle op naleving van de vergunning. Tot slot is er een relatie met de registratie voor de grondwaterheffing. De inrichting van het grondwaterregister is niet expliciet geregeld in de Waterwet, maar er wordt naar verwezen in artikel 7.7, eerste lid, onder c van de Waterwet. Dit houdt in dat de provincie bevoegd is daarin zelf bij of krachtens verordening te voorzien. Artikel 6.2 Melden, meten en registrerenEerste lid De verplichting tot het doen van opgave van de jaarlijks onttrokken hoeveelheden grondwater en geïnfiltreerd water is opgenomen in artikel 6.11, vierde lid, van het Waterbesluit. Deze verplichting dient verschillende doeleinden. In de eerste plaats wordt door opgave inzicht verschaft in de mate waarin grondwater wordt onttrokken en water in de bodem wordt geïnfiltreerd. Een tweede oogmerk is de controle op naleving van de vergunning. Ten behoeve van het opgeven van jaarlijks onttrokken hoeveelheden grondwater en geïnfiltreerd water kunnen Gedeputeerde Staten een schriftelijk, dan wel digitaal, formulier vaststellen. Tweede lid Artikel 6.17 van de wet geeft een regeling voor die gevallen waarin sprake is van samenloop van bevoegdheden. In een dergelijk geval kan op een aanvraag om een vergunning voor het onttrekken van grondwater worden beslist door een bestuursorgaan dat niet primair het bevoegd gezag heeft. Artikel 6.2, eerste lid van de Verordening water blijft in dergelijke gevallen van toepassing. Dit houdt in dat ook in gevallen waarin een ander bestuursorgaan op de vergunningaanvraag beslist, gevolg moet worden gegeven aan de door Gedeputeerde Staten vastgestelde nadere voorschriften als bedoeld in het eerste lid. Derde lid Artikel 6.4, tweede lid, van de wet biedt de mogelijkheid om onttrekkingen ten behoeve van bodemenergiesystemen van ten hoogste 10 m3 per uur vrij te stellen van de vergunningplicht. In artikel 6.5 van deze verordening is gebruik gemaakt van deze bevoegdheid. Om onnodige bestuurlijke lasten en de administratieve lastendruk voor burgers en bedrijven te voorkomen, zijn deze systemen tevens vrijgesteld van de verplichting tot melden, meten en registreren. Hierbij is de vrijstelling gekoppeld aan de pompcapaciteit van de inrichting. Het voordeel van het gebruik “pompcapaciteit” is dat deze grootheid reeds voor de aanvang van de onttrekking kan worden vastgesteld. In het geval van niet-meldingsplichtige en derhalve ook niet meet-plichtige inrichtingen, geeft de pompcapaciteit de enige aanwijzing voor de omvang van de onttrekking. Deze vrijstelling betreft een voortzetting van de huidige praktijk waarbij kleine grondwateronttrekkingen ten behoeve van bodemenergiesystemen ook zijn vrijgesteld van de registratieplicht. Vierde lid In het provinciaal waterplan is bepaald dat de jaaropgave voor bodemenergiesystemen komt te vervallen, indien de werking van het systeem tijdens de exploitatiefase overeenkomt met de aanvraag. In navolging hierop is de verplichting tot het doen van jaaropgave niet van toepassing op bodemenergiesystemen. . Artikel 6.3 Ambtshalve inschrijving in grondwaterregisterDe ambtshalve inschrijving in het openbaar register met terugwerkende kracht tot de datum, waarop de onttrekking is aangevangen, is noodzakelijk in verband met het overzicht over de onttrekkingen die onder de provinciale bevoegdheid vallen. Voorts is er een relatie met de registratie voor de grondwaterheffing. Artikel 6.4 Algemene voorschriftenOm de bestaande systematiek van provinciale regelgeving ten aanzien van grondwateronttrekkingen te continueren, zullen eventuele nadere regels betreffende grondwateronttrekkingen uitgewerkt worden in de Algemene voorschriften grondwateronttrekkingen. In afwachting van het door het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer bindend verklaren van het Protocol Mechanisch Boren in het Besluit Bodemkwaliteit, kunnen deze nadere regels mede betrekking hebben op het aanbrengen, beheren en buiten gebruik stellen van putten. Artikel 6.5 Vrijstelling vergunningplichtArtikel 6.4, tweede lid, van de wet biedt de mogelijkheid om onttrekkingen tot 10m3 per uur vrij te stellen van de vergunningplicht. Met dit artikel wordt gebruik gemaakt van deze mogelijkheid. Hiermee worden onnodige bestuurlijke lasten voorkomen en administratieve lastendruk voor bedrijven tegengegaan. Dit is een voortzetting van de huidige praktijk waarbij veel provincies dergelijke kleine onttrekkingen ten behoeve van bodemenergiesystemen al vrijgesteld hebben. Hoofdstuk 7 Schadevergoeding In artikel 7.19, eerste lid, van de Waterwet is bepaald dat degene die bij een vergunninghouder een vordering kan indienen tot vergoeding van schade die is veroorzaakt door een onttrekking van grondwater of infiltratie krachtens een watervergunning, eerst Gedeputeerde Staten kan verzoeken een onderzoek in te stellen. Deze voorziening houdt verband met de in artikel 5.27 van de Waterwet opgenomen gedoogplicht. Deze houdt in dat rechthebbenden ten aanzien van onroerende zaken waarin het grondwater invloed ondergaat door een onttrekking of infiltratie krachtens een watervergunning, verplicht zijn die onttrekking of infiltratie te gedogen. Deze bepalingen zijn overgenomen uit de Grondwaterwet (artikel 37, eerste lid, respectievelijk artikel 33). Het faciliteren van de burger die overweegt een schadeclaim in te dienen bij de vergunninghouder werd door de wetgever wenselijk geacht vanwege het complexe karakter van schadevragen die samenhangen met grondwateronttrekkingen, de voor het beoordelen daarvan benodigde specifieke kennis en de hoge kosten van het inhuren van dergelijke kennis voor de burger. De wetgever achtte het tevens wenselijk dat de vraag of er schade is en zo ja wat de omvang van die schade is door een onpartijdige partij werd vastgesteld. In verband daarmee was in de Grondwaterwet de bepaling opgenomen (artikel 37, lid 2) dat Gedeputeerde Staten een verzoek tot het instellen van een onderzoek in handen stellen van een commissie van deskundigen die daarover advies uitbrengt aan de verzoeker. Ter uitvoering daarvan hebben Gedeputeerde Staten van de provincies in 1996 gezamenlijk één commissie ingesteld, de Commissie van Deskundigen Grondwaterwet. In de Waterwet ontbreekt de verplichting tot het instellen van een commissie van deskundigen. Het is aan de provincies overgelaten om te bepalen op welke wijze zij verzoeken als bedoeld in artikel 7.19, eerste lid, van de Waterwet behandelen. In IPO-verband is uitgesproken dat het wenselijk is vast te houden aan één landelijke, onafhankelijk opererende commissie vanwege het beperkte aantal verzoeken op jaarbasis, de complexiteit van de schadevragen, de wenselijkheid van bundeling van expertise voor het beoordelen van die schadevragen en voorts vanwege de voordelen van een landelijk toegepaste uniforme werkwijze bij de behandeling van verzoeken. In verband hiermee zijn in dit hoofdstuk de bepalingen uit de Grondwaterwet omtrent de verplichting tot het instellen van een commissie van deskundigen en de werkwijze van die commissie overgenomen. Wel is de procedure qua termijnen en terminologie op enkele punten in overeenstemming gebracht met de Algemene wet bestuursrecht. Hierbij wordt nog opgemerkt dat artikel 7.19, eerste lid, ook van toepassing kan zijn op verzoeken die betrekking hebben op grondwateronttrekkingen die zijn vergund door een waterschapsbestuur. Dat betekent dat de bepalingen van dit hoofdstuk ook op die verzoeken van toepassing zijn. Om die reden is in artikel 7.3, eerste lid, en in artikel 7.4, zesde lid, bepaald dat in dat geval het desbetreffende waterschapsbestuur wordt geïnformeerd over de adviesaanvraag en dat het advies ook wordt toegezonden aan dat bestuur. Om verdere aansluiting te zoeken bij de huidige praktijk bij het uitvoeren van onderzoek naar schade, zullen verzoeken die betrekking hebben op de ont- of afwatering van gronden in beginsel niet in handen worden gesteld van de commissie van deskundigen. Het ligt in de rede dat de commissie van deskundigen ook wordt ingeschakeld bij een verzoek op grond van artikel 7.19, tweede lid, van de Waterwet. In dat artikellid is bepaald dat Gedeputeerde Staten rechthebbenden ten aanzien van een onroerende zaak een schadevergoeding toekennen in het geval er sprake is van meer dan één grondwateronttrekking en binnen redelijke termijn niet is vast te stellen door welke onttrekking de schade wordt veroorzaakt. Bij een dergelijk verzoek brengt de commissie van deskundigen haar advies uit aan Gedeputeerde Staten. Hoofdstuk 8 HandhavingAanvullende bepalingen inzake handhaving zijn alleen noodzakelijk voor zover de Waterwet hierin niet voorziet. In artikel 8.3, vierde lid is bepaald dat met het toezicht op hetgeen bepaald is bij of krachtens hoofdstuk 5, 6 of 10 van de wet eveneens belast zijn de ambtenaren die daartoe onder andere worden aangewezen bij besluit van de beheerder of een ander met de uitvoering van deze wet belast orgaan (lees: Gedeputeerde Staten). Bij de Invoeringswet bij de Waterwet wordt de Wet op de economische delicten gewijzigd met het oog op strafbaarstelling van overtreding van voorschriften die bij of krachtens de Waterwet zijn gesteld. Artikel 8.1 Handhaving vaarwegbeheerDe bevoegdheid tot bestuursrechtelijke handhaving van het dagelijks bestuur van Brabantse Delta behoeft geen regeling; deze is neergelegd in artikel 56, tweede lid en artikel 61 van de Waterschapswet. De grondslag om toezichthouders aan te wijzen (5.11 Algemene wet bestuursrecht) wordt niet gedekt door 8.2 Waterwet, want het vaarwegbeheer is te herleiden tot een autonome taak van de provincie. De betreffende keurvoorschriften zijn niet gesteld bij of krachtens de hoofdstukken 5, 6 of artikel 10.1 Waterwet. In dit artikel wordt voorzien in de wettelijke grondslag om toezichthouders aan te wijzen. Hoofdstuk 9 Overgangs- en slotbepalingenOok hier geldt dat overgangsrechts slechts noodzakelijk is voorzover de Waterwet en de bijbehorende Invoeringswet hierin niet voorzien. Hier zijn enige specifieke bepalingen opgenomen ten behoeve van de algemene voorschriften grondwateronttrekkingen die krachtens de Grondwaterwet door Gedeputeerde Staten zijn vastgesteld (Provinciaal Blad 168, 05), alsmede voor het vaarwegbeheer over de provinciale vaarwegen. Besluitenop grond van het mandaat voor de Scheepvaartverkeerswet blijven in stand voor zover zij onderwerpen betreffen die bij of krachtens titel 3.2 worden geregeld. Dit overgangsrecht zal worden vastgelegd in het besluit van Gedeputeerde Staten waarbij zij dit mandaat intrekken, gelet op het nieuw vastgestelde artikel 3.2, derde lid van deze verordening. Artikel 9.4 Aanbrengen doorlopende nummering, aanpassing aanhalingenDoor middel van de Invoeringswet Waterwet is een groot aantal wijzigingen aangebracht in de Waterwet. In verband daarmee zullen de artikelen van de Waterwet hernummerd worden. Ook wat betreft het Waterbesluit en de Waterregeling zal er naar verwachting nog een hernummering van artikelen plaatsvinden. Het is wenselijk dat de in deze verordening voorkomende aanhalingen van artikelen van de Waterwet, het Waterbesluit en de Waterregeling met de nieuwe nummering in overeenstemming worden gebracht. Dit artikel voorziet er in dat Gedeputeerde Staten de desbetreffende aanhalingen aanpassen voor plaatsing van de verordening in het Provinciaal Blad. Omdat gedurende de besluitvormingsprocedure een enkel artikel kan worden ingevoegd dan wel vervallen kan zijn, voorziet dit artikel er op overeenkomstige wijze in dat de in het Provinciaal Blad te plaatsen tekst van de verordening een doorlopende nummering krijgt. Bijlagen Bijlage I Normen regionale keringen Bijlage II Normen wateroverlast Bijlage III Beschermde gebieden WHH Bijlage IV Peilbesluiten [De bijlage zijn niet gepubliceerd in het Provinciaal Blad maar ter inzage gelegd, aangezien plaatsing in het Provinciaal Blad vanwege de omvang bezwaarlijk is. Bijlage 1 bij Provinciaal Blad Nr. 230/09 inzake Verordening water Noord-Brabant. Aanwijzing en normering regionale waterkeringen. (5 Mb) Bijlage 2 bij Provinciaal Blad Nr. 230/09 inzake Verordening water Noord-Brabant. Normen wateroverlast. (12 Mb) Bijlage 3a bij Provinciaal Blad Nr. 230/09 inzake Verordening water Noord-Brabant. Beschermde gebieden waterhuishouding (blz 1 t/m 18) (15 Mb) Bijlage 3b bij Provinciaal Blad Nr. 230/09 inzake Verordening water Noord-Brabant. Beschermde gebieden waterhuishouding (blz 19 t/m 32) (10 Mb) Bijlage 4 bij Provinciaal Blad Nr. 230/09 inzake Verordening water Noord-Brabant. Aanwijzing gebieden voor peilbesluiten. Bijlage III is gewijzigd op grond van de Regeling wijzigen begrenzingen Verordening water Noord-Brabant, in werking getreden op 24 juli 2012]
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.