← Nederland

Monumentenverordening 1991 Gemeente Haren (Haren)

gezien het voorstel van college van burgemeester en wethouders van 6 april 2004, nr. 2724; gelet op artikel 149 van de Gemeentewet en de artikelen 12, 14 en 15 van de Monumentenwet 1988; b e s l u i t : vast te stellen de: Monumentenverordening gemeente Haren Artikel1Begripsbepalingen Deze verordening verstaat onder monument:

  1. zaak die van algemeen belang is wegens zijn schoonheid, betekenis voor de wetenschap of cultuurhistorische waarde;
  2. terrein dat van algemeen belang is wegens een daar aanwezige zaak als bedoeld onder 1; gemeentelijk archeologisch monument: monument bedoeld in onderdeel A, onder 2; gemeentelijk monument: onroerend monument, dat overeenkomstig de bepalingen van deze verordening als beschermd gemeentelijk monument is aangewezen; gemeentelijke monumentenlijst: de lijst waarop zijn geregistreerd de overeenkomstig deze verordening als gemeentelijk monument aangewezen zaken; beschermd rijksmonument: onroerend monument dat is ingeschreven in de ingevolge de Monumentenwet 1988 vastgestelde registers; kerkelijk monument: onroerend monument, dat eigendom is van een kerkgenootschap, kerkelijke gemeente of parochie of van een kerkelijke instelling en dat uitsluitend of voor een overwegend deel wordt gebruikt voor de uitoefening van de eredienst; monumentencommissie: de door het college ingestelde commissie met als taak het college op verzoek of uit eigen beweging te adviseren over de toepassing van de Monumentenwet 1988, de verordening en het monumentenbeleid; bouwhistorisch onderzoek: in schriftelijke rapportage vastgelegd onderzoek naar de bouwgeschiedenis en de bouwhistorische kwaliteit van een monument. Artikel2Het gebruik van het monument Bij de toepassing van deze verordening wordt rekening gehouden met het gebruik van het monument. Artikel3De aanwijzing tot gemeentelijk monument 1Het college kan, al dan niet op aanvraag van een belanghebbende, een monument aanwijzen als gemeentelijk monument. 2Voordat het college over de aanwijzing een besluit neemt, vraagt hij advies aan de monumentencommissie. In spoedeisende gevallen kan het vragen van dit advies achterwege blijven. 3Het college kan ten behoeve van de aanwijzing van een gemeentelijk monument bepalen dat bouwhistorisch onderzoek wordt verricht. 4Voordat het college een kerkelijk monument als gemeentelijk monument aanwijst, voert hij overleg met de eigenaar. 5De aanwijzing kan geen monument betreffen dat is aangewezen op grond van artikel 3 van de Monumentenwet 1988 of dat is aangewezen op grond van een Monumentenverordening van de provincie Groningen. Artikel4Termijnen van advies en aanwijzingsbesluit 1De monumentencommissie adviseert schriftelijk binnen acht weken na ontvangst van het verzoek van het college. 2Het college beslist binnen twaalf weken na ontvangst van het advies van de monumentencommissie, maar in ieder geval binnen 20 weken na de adviesaanvraag. Artikel5Mededeling aanwijzingsbesluit De aanwijzing als bedoeld in artikel 3, eerste lid wordt medegedeeld aan degenen die als zakelijk gerechtigden in de kadastrale legger bekend staan en aan de ingeschreven hypothecaire schuldeisers. Artikel6Registratie op de gemeentelijke monumentenlijst 1Het college registreert het gemeentelijke monument op de gemeentelijke monumentenlijst. 2De gemeentelijke monumentenlijst bevat de plaatselijke aanduiding, de datum van de aanwijzing, de kadastrale aanduiding, de tenaamstelling en een beschrijving van het gemeentelijke monument. Artikel7Wijzigen van de aanvraag 1Het college kan de aanwijzing ambtshalve of op aanvraag van een belanghebbende wijzigen. 2Artikel 3, tweede tot en met vierde lid, alsmede artikel 4 zijn van overeenkomstige toepassing op het wijzigingsbesluit. 3Indien de wijziging naar het oordeel van het college van ondergeschikte betekenis is, blijft overeenkomstige toepassing van artikel 3, tweede tot en met vierde lid, alsmede artikel 4, eerste lid achterwege. 4De inhoud en de datum van de wijziging worden op de gemeentelijke monumentenlijst aangetekend. Artikel8Intrekken van de aanwijzing 1Indien het college de aanwijzing intrekt, zijn artikel 3, tweede lid en artikel 4 van overeenkomstige toepassing. 2Van het voornemen tot intrekking van de aanwijzing, zal de gemeenteraad in kennis worden gesteld. 3De aanwijzing wordt geacht ingetrokken te zijn, indien toepassing wordt gegeven aan artikel 3 van de Monumentenwet 1988 of aan een Monumentenverordening van de provincie Groningen. 4De intrekking wordt op de gemeentelijke monumentenlijst aangetekend. Artikel9Verbodsbepaling Het is verboden een gemeentelijk monument te beschadigen of te vernielen. Artikel10Vergunning Het is verboden zonder vergunning van het college of in strijd met bij zodanige vergunning gestelde vergunning gestelde voorschriften: een gemeentelijk monument af te breken, te verstoren, te verplaatsen, of in enig opzicht te wijzigen; een gemeentelijk monument te herstellen, te gebruiken of te laten gebruiken op een dusdanige wijze, dat het wordt ontsierd of in gevaar gebracht. Artikel11Termijnen advies en vergunningverlening 1Het college vraagt advies aan de monumentencommissie voordat zij beslist op de aanvraag op grond van artikel
  3. 2Binnen acht weken na de adviesaanvraag brengt de monumentencommissie schriftelijk advies uit aan het college. 3Het college beslist binnen acht weken na ontvangst van het advies van de monumentencommissie, maar in ieder geval binnen 16 weken na ontvangst van de aanvraag. 4Het college kan de in het derde lid genoemde termijn van 16 weken met ten hoogste tien weken verlengen, mits zij de aanvrager daarvan kennis geeft binnen de in het derde lid genoemde termijn. 5Indien het college niet voldoet aan het derde of vierde lid, wordt de vergunning geacht te zijn verleend. 6Een vergunning ingevolge deze verordening blijft buiten werking gedurende zes weken na de datum waarop zij is verleend of van rechtswege is verleend. Indien gedurende deze termijn bezwaar wordt gemaakt op grond van de Algemene wet bestuursrecht, blijft de vergunning buiten werking totdat op het bezwaar is beslist. Artikel12Kerkelijk monument Het college verleent met betrekking tot een kerkelijk monument geen vergunning ingevolge de bepalingen van artikel 10 dan in overeenstemming met de eigenaar, indien en voor zover het een vergunning betreft, waarbij wezenlijke belangen van de godsdienstuitoefening in het monument in het geding zijn. Artikel13Intrekking van de vergunning 1De vergunning kan door het college worden ingetrokken indien: blijkt dat de vergunning ten gevolge van een onjuiste of onvolledige opgave is verleend; blijkt dat de vergunninghouder de voorschriften als bedoeld in artikel 10 niet naleeft; de omstandigheden aan de kant van de vergunninghouder zich zodanig hebben gewijzigd, dat het belang van het monument zwaarder dient te wegen; de vergunning voor een bepaalde termijn is verleend, en binnen die termijn geen gebruik van de vergunning wordt gemaakt. 2Het besluit tot intrekking wordt in afschrift gezonden aan de monumentencommissie. Artikel14Vergunning voor beschermd rijksmonument 1Het college zendt onmiddellijk een afschrift van de aanvraag om vergunning voor een beschermd monument met de naar voren gebrachte zienswijzen aan de monumentencommissie na afloop van de termijn van 14 dagen, bedoeld in artikel 12, tweede lid van de Monumentenwet
  4. 2De monumentencommissie adviseert schriftelijk over de aanvraag binnen acht weken na de datum van verzending van het afschrift. 3Bij overschrijding van de in het tweede lid genoemde termijn wordt de monumentencommissie geacht geadviseerd te hebben. Artikel15Schadevergoeding 1Indien er voor zover blijkt dat een belanghebbende ten gevolge van: de weigering van het college een vergunning als bedoeld in artikel 10 te verlenen; voorschriften door het college verbonden aan een vergunning als bedoeld in artikel 10; schade lijdt of zal lijden, die redelijkerwijze niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven, kent het college hem op zijn aanvraag een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding toe. 2Voor de behandeling van de aanvragen zijn de bepalingen van de verordening ter regeling van de procedure bij toepassing van artikel 49 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening van overeenkomstige toepassing. Artikel16Strafbepaling Hij, die handelt in strijd met de artikelen 9 en 10 van deze verordening, wordt gestraft met een geldboete van de tweede categorie. Artikel17Toezichthouders 1Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening zijn belast, de in artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering genoemde opsporingsambtenaren. 2Voorts zijn met het toezicht op de naleving van deze verordening belast de bij besluit van het college, dan wel de burgemeester aan te wijzen personen. Artikel18Inwerkingtreding 1Voor zover deze verordening betrekking heeft op gemeentelijke monumenten treedt zij in werking op de eerste dag na het verstrijken van een termijn van zes weken na bekendmaking. 2De verordening, vastgesteld bij besluit van het college van 24 september 2002, voor zover het betreft bepalingen over gemeentelijke monumenten, vervalt wanneer deze verordening in werking treedt. 3Voor zover deze verordening betrekking heeft op beschermde rijksmonumenten, treedt zij in werking overeenkomstig het bepaalde in artikel 15, tweede lid van de Monumentenwet
  5. 4De Monumentenverordening, vastgesteld bij besluit van de raad van 20 december 1993, voor zover het betreft bepalingen over rijksmonumenten, vervalt op de datum waarop het derde lid toepassing vindt. 5De op grond van de ingevolge het tweede lid vervallen verordening geregistreerde gemeentelijke monumenten worden geacht aangewezen te zijn overeenkomstig de bepalingen van deze verordening. 6De gemeentelijke monumenten, geregistreerd op de monumentenlijst van de ingevolge het tweede lid genoemde vervallen worden geacht geregistreerd te zijn overeenkomstig de bepalingen van deze verordening. 7Aanvragen om vergunning die zijn ingediend vóór de inwerkingtreding van deze verordening worden afgehandeld met inachtneming van de in het tweede lid ingetrokken vergunning. Artikel19Citeertitel Deze verordening kan worden aangehaald als “Monumentenverordening Gemeente Haren”. Haren, 1 juni
  6. De raad voornoemd, ,griffier, ,voorzitter,

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.