wordt door het college een afweging gemaakt, waarbij gekeken wordt of de ondersteuning of de voorziening, gelet op de mogelijkheden en capaciteiten van de cliënt, het meest doelmatig is met het oog op inschakeling in de arbeid. 3.Bij de keuze van de mogelijkheden van ondersteuning en het aanbieden van
kan het college prioriteiten stellen in verband met de financiële mogelijkheden en maatschappelijke, economische en conjuncturele ontwikkelingen. 4.Het college bevordert de beschikbaarheid van
voor de opvang van kinderen jonger dan 12 jaar voor cliënten, voor zover die opvang nodig is voor het volgen van een traject waarbij gebruikgemaakt wordt van een voorziening Artikel3.Beleidsplan 1.De gemeenteraad stelt ter nadere uitvoering van deze verordening jaarlijks een beleidsplan vast, waarin beleidsprioriteiten worden aangegeven, alsmede de hoogte en wijze van financiering. 2.Dit plan omvat in elk geval De financiële positie op het vlak van reïntegratie; Een verdeling van de beschikbare middelen over de verschillende
; Stand van het aantal cliënten verdeeld over doelgroepen zoals beschreven in de beleidsnotitie Reïntegratie; Veranderingen in beleid ten opzichte van de beleidsnotitie Reïntegratie; Inkoopbeleid en de wijze waarop de aanbesteding wordt vormgegeven. 3.Het college zendt eenmaal per jaar aan de gemeenteraad een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van het beleid. Dit verslag wordt vormgegeven conform het verslag als bedoeld in artikel 77 van de wet. Artikel4.Sluitende aanpak 1.Elke jongere krijgt binnen 12 maanden na inschrijving bij de Centrale organisatie werk en inkomen een aanbod voor een voorziening gericht op inschakeling in algemeen geaccepteerde arbeid. 2.Het eerste lid is niet van toepassing indien het college heeft bepaald dat voor deze persoon een volledige ontheffing van de arbeidsverplichting geldt. 3.Het college kan in individuele gevallen afwijken van het gestelde in het eerste lid. Artikel5.Budget- en subsidieplafonds Het college kan bij uitvoeringsbesluit een of meer subsidie- of budgetplafonds vaststellen voor de verschillende
. Een door het college ingesteld subsidie- of budgetplafond vormt een weigeringsgrond bij de aanspraak op een specifieke voorziening Hoofdstuk3.Ondersteuning Artikel6.Doel van de ondersteuning Het college biedt aan een cliënt ondersteuning bij het vinden van algemeen geaccepteerde arbeid zodat de cliënt via de kortste weg een regulier baan vindt. Artikel7.Aanspraak op ondersteuning 1.Uitkeringsgerechtigden, ANW-ers, Nuggers alsmede personen als bedoeld in artikel 10, tweede lid van de wet, hebben aanspraak op ondersteuning bij arbeidsinschakeling en op de naar het oordeel van het college noodzakelijk geachte voorziening gericht op arbeidsinschakeling. 2.Het college doet een aanbod dat past binnen de criteria die gesteld zijn in deze verordening, de beleidsnotitie Reïntegratie en het in artikel 3 genoemde beleidsplan. Artikel8.Vorm van ondersteuning 1.Ondersteuning kan geboden worden door het aanbieden van een traject, waarbij
worden ingezet, praktische hulp of advies wordt geboden of waarbij doorverwezen wordt naar andere instanties. 2.Bij de inzet van
wordt gekozen voor de voorziening die beschikbaar is en adequaat en toereikend is voor het bereiken van het doel. 3.
die gericht zijn op arbeidsinschakeling worden alleen ingezet als zonder die inzet het vinden van algemeen geaccepteerde arbeid niet mogelijk is. Artikel9.Onderzoek 1.Het college kan, voordat besloten wordt tot een traject en/of tot de inzet van
, een onderzoek (laten) doen naar de mogelijkheden van de cliënt en naar de geschiktheid van de
of andere vormen van begeleiding in zijn of haar individuele situatie. Artikel10.Verplichtingen van de cliënt 1.Een persoon die door het college een voorziening wordt aangeboden is verplicht hiervan gebruik te maken. 2.De persoon die deelneemt aan een voorziening is gehouden aan de volgende verplichtingen: Inschrijven bij het CWI, dan wel de inschrijving tijdig verlengen; Het verstrekken van inlichtingen aan het college volgens artikel 17 van de wet, die nodig zijn voor het bepalen van een geschikt traject en/of een geschikte voorziening; Het meewerken aan een onderzoek naar de mogelijkheden van arbeidsinschakeling, ook volgens artikel 55 van de wet; Het voldoen aan een oproep om in verband met de arbeidsinschakeling op een aangegeven plaats en tijd te verschijnen; Het ondertekenen van een trajectplan of plan van aanpak dat gericht is op het vergroten van de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling; Het naar vermogen uitvoering geven aan de verschillende onderdelen van het traject; Het naar vermogen trachten arbeid in dienstbetrekking te bemachtigen; Het aanvaarden van algemeen geaccepteerde arbeid 3.Indien een uitkeringsgerechtigde die deelneemt aan een voorziening, niet voldoet aan het gestelde in het tweede lid, dan kan het college de uitkering verlagen conform hetgeen hierover is bepaald in de maatregelenverordening. 4.Indien de persoon, niet zijnde een uitkeringsgerechtigde, die gebruik maakt van een voorziening, niet voldoet aan het gestelde in het tweede lid, kan het college de kosten van de voorziening dan wel de subsidie geheel of gedeeltelijk terugvorderen. Hoofdstuk4.
.Algemene bepalingen over
1.In de beleidsnotitie Reïntegratie en in het beleidsplan als bedoeld in artikel 3 is vastgelegd welke
het college in ieder geval aanbiedt alsmede de voorwaarden die daarbij gelden voor zover daarover in deze verordening geen nadere bepalingen zijn opgenomen. 2.Het college kan een voorziening beëindigen: indien de persoon die aan de voorziening deelneemt zijn verplichting als bedoeld in de artikel 9 van de wet niet nakomt; indien de persoon die deelneemt niet meer behoort tot de doelgroep van de wet, bijvoorbeeld omdat de persoon algemeen geaccepteerde arbeid aanvaardt, waardoor geen gebruik meer wordt gemaakt van deze voorziening; indien naar het oordeel van het college de voorziening onvoldoende bijdraagt aan een snelle arbeidsinschakeling. 4.Bij uitvoeringsbesluit kan het college ten aanzien van de
, bedoeld in de artikelen 16 tot en met 20, met inachtneming van hetgeen daarover in de beleidsnotitie Reïntegratie en het beleidsplan is bepaald, nadere regels stellen. Deze regels kunnen betrekking hebben op: De voorwaarden waaronder een voorziening wordt aangeboden; De weigeringsgronden bij het aanbieden van
; de intrekking of wijziging van de subsidieverlening of -vaststelling; de aanvraag van en de besluitvorming over subsidies en premies; de betaling van subsidies en het verlenen van voorschotten; het vragen van een eigen bijdrage overige criteria voor het aanbieden van
en het verstrekken van subsidies. Afdeling1.Trajecten gericht op arbeidsinschakeling Artikel12.Vormen 1.Het college kan aan de cliënt de volgende trajecten als vorm van ondersteuning, als bedoeld onder artikel 8, eerste lid, van deze verordening aanbieden: Arbeidstrajecten; Trajecten gericht op sociale activering als voorloper van een arbeidstraject. Artikel13.Arbeidstraject 1.Het doel van dit traject is zo snel mogelijk de afstand te overbruggen die de belanghebbende naar algemeen geaccepteerde arbeid heeft. 2.Het arbeidstraject heeft een tijdelijk karakter met de duur van maximaal twee jaar. 3.De cliënt behoudt gedurende het arbeidstraject zijn uitkering op grond van de wet, tenzij in deze verordening anders is aangegeven. Artikel14.Traject gericht op sociale activering Artikel14.Traject gericht op sociale activering 1.Het college kan aan uitkeringsgerechtigden als onderdeel van een reïntegratietraject activiteiten aanbieden in het kader van sociale activering. 2.Onder sociale activering wordt verstaan het verrichten van maatschappelijk nuttige activiteiten ter voorbereiding op een traject gericht op arbeidsinschakeling of gericht op het voorkomen van sociaal isolement. 3.Het doel van dit traject is een eerste stap op weg naar regulier werk te zetten of, als dat doel niet bereikbaar is, een eerste stap naar zelfstandige maatschappelijke participatie. 4.Dit traject wordt ingezet indien een cliënt een grote afstand tot de arbeidsmarkt heeft. 5.Het traject gericht op sociale activering heeft een tijdelijk karakter met de duur van maximaal een jaar. 6.De cliënt behoudt gedurende het traject gericht op sociale activering zijn uitkering op grond van de wet, tenzij in deze verordening anders is aangegeven. Afdeling2.
.Vormen Onder de trajecten als bedoeld in artikel 12 tot en met 14 van deze verordening vallen in ieder geval de volgende
: Sociale activering en zorg; Leerwerkstage; Proefplaatsing; Opstapbaan; Scholing; Nazorg. Artikel16.Leerwerkstages 1.Het college kan cliënten een leerwerkstage aanbieden, gericht op arbeidsinschakeling. 2.Het doel van de werkstage is het opdoen van werkervaring en ontwikkelen van vaardigheden in een bepaald vakgebied. 3.Deze leerwerkstage duurt maximaal 6 maanden, waarbij verlenging tot een jaar mogelijk is. 4.Een leerwerkstage kan gecombineerd worden met scholing of training. 5.Het college plaatst de cliënt alleen indien door zijn plaatsing de concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed en indien door zijn plaatsing geen verdringing plaatsvindt. 6.In een schriftelijke overeenkomst worden tenminste vastgelegd het doel van de leerwerkstage, alsmede de wijze waarop de begeleiding plaatsvindt. Artikel17.Proefplaatsing 1.Het college kan cliënten een proefplaatsing aanbieden, gericht op arbeidsinschakeling. 2.Het doel van de proefplaatsing is het opdoen van werkervaring dan wel het leren functioneren in een arbeidsrelatie. 3.Deze proefplaatsing duurt maximaal 6 maanden. 4.Het college plaatst de cliënt alleen indien door zijn plaatsing de concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed en indien door zijn plaatsing geen verdringing plaatsvindt. 5.In een schriftelijke overeenkomst worden tenminste vastgelegd het doel van de proefplaatsing, alsmede de wijze waarop de begeleiding plaatsvindt. Artikel18.Opstapbaan 1.Het college kan cliënten met een korte afstand tot de arbeidsmarkt een opstapbaan aanbieden, gericht op arbeidsinschakeling. 2.Het doel van de opstapbaan is het opdoen van werkervaring en ontwikkelen van vaardigheden in een bepaald vakgebied. 3.De opstapbaan kan in elke sector worden gerealiseerd. 4.Deze opstapbaan duurt maximaal twee jaar. 5.De bemiddeling en begeleiding zal plaatsvinden door een reïntegratiebedrijf. 6.De opstapbaan wordt vastgelegd in een schriftelijke overeenkomst tussen zowel werkgever en de gemeente als tussen werknemer en de werkgever. 7.De opstapbaan behoudt zijn titel zolang de werkgever een loonkostensubsidie als bedoeld in artikel 19 van deze verordening ontvangt. 8.De werknemer is voor 36 uur per week in dienst, dan wel zo veel uur als nodig is om niet meer afhankelijk te zijn van de uitkering, en ontvangt daarvoor loon, die door de werkgever bepaald is. 9.Zodra de cliënt loon van de werkgever als bedoeld onder lid 6 ontvangt, wordt de uitkering van de cliënt beëindigd. 10.De opstapbaan kan gecombineerd worden met scholing of training. 11.Een werknemer wordt alleen geplaatst indien door zijn plaatsing de concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed en indien door zijn plaatsing geen verdringing plaatsvindt. Artikel18aDetachering als opstapbaan 1.Het college kan cliënten met een korte afstand tot de arbeidsmarkt een detachering als opstapbaan aanbieden, gericht op arbeidsinschakeling. 2.Artikel 18 lid 2 tot en met 11 zijn ook van toepassing op deze vorm van opstapbanen. 3.De werknemer wordt voor het verrichten van arbeid gedetacheerd bij een onderneming. De detachering wordt vastgelegd in een schriftelijke overeenkomst. Artikel19.Loonkostensubsidies gericht op reïntegratie 1.Het college kan subsidie verstrekken aan werkgevers die met een cliënt als bedoeld in artikel 18 en 18a van deze verordening een arbeidsovereenkomst sluiten gericht op arbeidsinschakeling; 2.Bij uitvoeringsbesluit stelt het college regels ten aanzien van de duur van de subsidie, de hoogte, en de verplichtingen die aan de subsidie worden verbonden. 3.De subsidie wordt alleen verstrekt indien hierdoor de concurrentieverhoudingen niet onverantwoord worden beïnvloed en er geen verdringing plaatsvindt. Artikel20.Scholing 1.Het college kan een vorm van scholing aanbieden gericht op arbeidsinschakeling. 2.Het doel van scholing is het ontwikkelen van vaardigheden in een bepaald vakgebied. 3.Deze scholing is beroepsgericht en duurt zo kort mogelijk. 4.Het college stelt bij uitvoeringsbesluit regels ten aanzien van de noodzakelijkheid van de scholing, de duur en de maximale kosten. Artikel21.Nazorg 1.Het college kan nazorg aanbieden. 2.Het doel van nazorg is het voorkomen dat de cliënt terugvalt in de uitkering. 3.Deze nazorg duurt maximaal 6 maanden. Artikel22.Vrijlating van inkomsten 1.Wanneer de uitkeringsgerechtigde arbeid in deeltijd aanvaardt, waarmee een inkomen wordt verworven dat minder bedraagt dan de voor de uitkeringsgerechtigde van toepassing zijnde norm, kan gedurende maximaal 6 maanden vrijlating van inkomsten uit arbeid plaatsvinden zoals bedoeld in artikel 31 tweede lid onder o van de wet. 2.Voor de verlening van de vrijlating kan het college aanvullende voorwaarden stellen. Artikel23.Premie aanvaarding algemeen geaccepteerde arbeid 1.Het college kan aan personen een activeringspremie toekennen. 2.De uitkeringsgerechtigde die minimaal 6 maanden een uitkering ontvangt en die algemeen geaccepteerde arbeid aanvaardt of zelfstandige activiteiten ontplooit waardoor het inkomen meer bedraagt dan de van toepassing zijnde uitkering, heeft recht op een eenmalige premie. 3.De cliënt die vanuit een door de gemeente gesubsidieerde baan algemeen geaccepteerde arbeid aanvaardt of zelfstandige activiteiten ontplooit waardoor het inkomen meer bedraagt dan van toepassing zou zijn bij een uitkering, heeft recht op een eenmalige premie. 4.De premie bedraagt eenmalig € 470 en wordt verstrekt nadat de dienstbetrekking zes maanden aaneengesloten heeft geduurd. 5.De premie moet schriftelijk aangevraagd worden. 6.Geen recht op premie heeft diegene wiens recht op uitkering met terugwerkende kracht is ingetrokken wegens verzwijgen van werkzaamheden. Artikel24.Overige vergoedingen Het college kan een vergoeding verstrekken voor kosten die gemaakt zijn in het kader van de arbeidsinschakeling. Artikel25.Persoonsgebonden reïntegratiebudget 1.Het college kan aan cliënten een subsidie verstrekken in de vorm van een op arbeidsinschakeling gericht persoonsgebonden reïntegratiebudget. 2.Onder een persoonsgebonden reïntegratiebudget wordt verstaan een subsidie ter voldoening van de noodzakelijk te maken kosten van werkzaamheden die zijn gericht op arbeidsinschakeling. 3.Het college stelt bij uitvoeringsbesluit regels met betrekking tot de uitvoering van dit artikel. Hoofdstuk5.Slotbepalingen Artikel26.Hardheidsclausule 1.Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de cliënt afwijken van de bepalingen in deze verordening, indien toepassing van de verordening tot onbillijkheden van overwegende aard leidt. 2.Het college beslist in gevallen waarin de verordening niet voorziet. Artikel27.Citeertitel, inwerkingtreding en intrekking 1.Deze verordening kan worden aangehaald als “Reïntegratieverordening Wet werk en bijstand 2005”. 2.Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2005. 3.De verordening Reïntegratie Arbeidsgehandicapten (nr. 472), vastgesteld op 6 december 1999 wordt met de inwerkingtreding van deze verordening ingetrokken. Toelichting Reïntegratieverordening InleidingDeze verordening regelt de ondersteuning die de gemeente biedt bij de arbeidsinschakeling van cliënten. Die ondersteuning wordt verplicht in artikel 7 van de Wet werk en bijstand (WWB) waarin het college van B&W de opdracht bijstandsgerechtigden, nuggers en Anw-ers en mensen met een gesubsidieerde baan op basis van de Wet inschakeling werkzoekenden of het besluit Instroom/ Doorstroom-banen te ondersteunen. Het voorschrift om deze ondersteuning in een verordening vast te stellen volgt uit artikel 8 en artikel 10. Artikel 8 lid 1 onder a: De gemeenteraad stelt bij verordening regels met betrekking tot het ondersteunen bij arbeidsinschakeling en het aanbieden van
gericht op arbeidsinschakeling, bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a. Artikel 8 lid 2: De regels, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, hebben in ieder geval betrekking op de evenwichtige aandacht voor de in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, genoemde groepen, alsmede voor de verschillende doelgroepen daarbinnen, en de wijze waarop rekening wordt gehouden met zorgtaken. Artikel 10 lid 1en 2: Personen die algemene bijstand ontvangen, personen met een nabestaanden- of halfwezenuitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet en niet-uitkeringsgerechtigden hebben, overeenkomstig de verordening, bedoeld in artikel 8, eerste lid, onderdeel a, aanspraak op ondersteuning bij arbeidsinschakeling en op de naar het oordeel van het college noodzakelijk geachte voorziening gericht op arbeidsinschakeling. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing op personen die vanwege een voorziening gericht op arbeidsinschakeling niet tot een van de groepen, bedoeld in het eerste lid, behoren. Naast deze wettelijke basis valt uit de memorie van toelichting af te leiden welke zaken in of via de verordening geregeld moeten of kunnen worden: De aanspraak van de doelgroepen op ondersteuning door de gemeente; het beleid ten aanzien van de diverse doelgroepen en subdoelgroepen; het beleid ten aanzien van de combinatie van werk en zorgtaken; De beschikbaarheid van financiële middelen. Artikelsgewijze toelichtingHoofdstuk 1. Algemene bepalingenArtikel 1. BegripsomschrijvingenHierbij wordt zoveel mogelijk aangesloten bij de begripsbepalingen uit de Wet werk en bijstand. Hoofdstuk 2. Beleid en financiënArtikel 2. Opdracht collegeDe WWB geeft aan het college de verantwoordelijkheid voor het bieden van ondersteuning. Hoewel belanghebbenden aanspraak kunnen maken op ondersteuning, is er geen afdwingbaar recht op ondersteuning op de manier zoals de belanghebbende dat het liefst zou zien. Het is aan het college om te zorgen voor een voldoende aanbod van
. Echter, het college heeft daarbij te maken met beperkte middelen, terwijl de vraag naar ondersteuning afhankelijk is van een veelheid aan sociaal-economische factoren. Artikel
. Dit wordt in het beleidsplan aangegeven (zie artikel 3). Het uitgeput zijn van begrotingsposten kan nooit een reden zijn om aanvragen voor
te weigeren. Echter, de gemeente kan wel en subsidie of budgetplafonds instellen. Een subsidieplafond geldt voor
die subsidies inhouden. Een subsidieplafond dient bekendgemaakt te worden vóór de periode waarvoor deze geldt (art. 4:27 lid 1 Awb). Een budgetplafond geldt voor de overige uitgaven die het college doet in het kader van
. De WWB stelt dat het ontbreken van financiële middelen alléén geen reden kan zijn voor de afwijzing van een aanvraag. De gemeente dient dan na te gaan welke andere, goedkopere alternatieven beschikbaar zijn. Dit houdt dus in dat er geen algemeen plafond ingesteld kan worden. Het is wel mogelijk om per voorziening een plafond in te bouwen, waardoor naar een andere voorziening kan worden uitgeweken. Bij dit artikel wordt uitgegaan van de bevoegdheid van het college om plafonds in te stellen. Bij de vaststelling van de plafonds wordt verwezen naar de bedragen die in het beleidsplan en/of in de begroting voor de verschillende
worden gereserveerd. Hoofdstuk
in de verordening geregeld moet worden. Immers, het is ook al in de WWB zelf geregeld. Toch is er uit oogpunt van kenbaarheid en consistentie voor gekozen een algemene bepaling over de aanspraak op te nemen (eerste lid). In het tweede lid wordt expliciet de koppeling gelegd tussen de algemene aanspraak van de cliënt en de criteria die gehanteerd worden bij het aanbieden van
. Daarbij wordt verwezen naar de documenten waarin die criteria geformuleerd zijn. Artikel 8. Vorm van ondersteuningLid 1 laat zien dat ondersteuning door het aanbieden van een traject een “kan-bepaling” is. Ondersteuning op deze wijze kan, maar moet niet. Ondersteuning kan bestaan uit een door derden uitgevoerde diagnose, gevolgd door een vastgesteld traject met één of meerdere
. Met de term “adequaat” in lid 2 wordt bedoeld dat bij de toepassing van ondersteuning en inzet van een voorziening voorop dient te staan dat een cliënt zo snel mogelijk uit de uitkering stroomt. Met “zo snel mogelijk” wordt niet alleen de tijd bedoeld tussen de inzet van de voorziening en de werkaanvaarding, maar ook de inspanningen die het kost om dat doel te bereiken. De diagnose is hierin leidend. In lid 3 wordt benadrukt dat reïntegratie de kortste weg naar arbeid moet zijn. Dus als de
niet nodig zijn, mogen ze niet aangeboden worden.
worden alleen ingezet als zonder die inzet het vinden van algemeen geaccepteerde arbeid (bijna) niet of niet binnen afzienbare tijd mogelijk is. De uiteindelijke verantwoordelijkheid voor de inhoud van het traject ligt bij het college, dat immers ook verantwoordelijk is voor de effectieve en doelgerichte inzet van schaarse middelen. Binnen de grenzen van die verantwoordelijkheid wordt rekening gehouden met de wensen van de cliënt. Voor het slagen van het traject is uiteraard de motivatie van de cliënt belangrijk. Bovendien wordt, voordat tot het traject wordt besloten, de inhoud van het traject. Besproken met de cliënt, waarna het trajectplan door beide partijen ondertekend wordt. Artikel 9. OnderzoekZoals gezegd is de diagnose leidend. Aan de hand van de diagnose moet worden bepaald hoe de cliënt het snelst richting de arbeidsmarkt kan worden begeleid. In de meeste gevallen wordt een advies van een bedrijf dat gespecialiseerd is in diagnoses gevraagd, voordat tot de inzet van
wordt besloten. Eventueel kan na een zelf verricht onderzoek besloten worden alsnog advies van derden in te winnen. Ook is het denkbaar dat uit het eigen onderzoek al blijkt dat een diagnose door derden en/of de inzet van
niet nodig is. Artikel 10. Verplichtingen van de cliëntIn de WWB is al uitgebreid aangegeven welke verplichtingen gelden bij het recht op een uitkering. Wederom uit oogpunt van kenbaarheid en consistentie zijn in het eerste en tweede lid de verplichtingen conform de wet geformuleerd. Buiten het handhaven van de verplichtingen conform de wet, moet te allen tijde het doel, duurzame regulier arbeid, in het oog worden gehouden. Tijdelijk werk mag zodoende een traject gericht op duurzame uitstroom niet frustreren. Deelname aan reïntegratie is niet vrijblijvend. Bijstandsgerechtigden zijn reeds door het ontvangen van een uitkering aan bepaalde verplichtingen gehouden. Het derde lid biedt de verbinding met artikel 11 van de maatregelenverordening. Deze verordening regelt het opleggen van een maatregel indien de uitkeringsgerechtigde niet aan zijn verplichtingen voldoet. Deze maatregel bestaat uit het verlagen van de uitkering gedurende één maand met een bepaald percentage. Echter, voor personen zonder uitkering, ANW-ers en personen in gesubsidieerde arbeid kan de gemeente de uitkering niet verlagen als maatregel. Voor hen moeten voorwaarden aan het reïntegratietraject gekoppeld worden. Het niet nakomen van de verplichtingen geeft de mogelijkheid om een traject af te breken of gevraagde ondersteuning te weigeren, bijvoorbeeld als iemand niet mee wil werken aan een onderzoek. Ook wordt het door het vierde lid mogelijk gemaakt kosten op de cliënt te verhalen, als door verwijtbaar handelen een traject niet tot het gewenste resultaat leidt. Om van die mogelijkheid gebruik te kunnen maken, is het wenselijk om de belangrijkste voorwaarden voor het behalen van succes als verplichting op te nemen. Let erop dat dit artikel niet de grondslag vormt voor een eventuele terugvordering. Terugvordering dient te geschieden op basis van de bepalingen in het burgerlijk wetboek. Natuurlijk heeft de cliënt ook rechten. Deze rechten zijn meestal elders in wet- of regelgeving ondergebracht. Tegen beslissingen op grond van deze verordening staat bezwaar en beroep open op grond van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het recht op inzage in gegevens en zonodig correctie daarvan, is geregeld in de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp). Hoofdstuk 4.
. Algemene bepalingen over
In de lijn van het systeem van deze verordening strekt dit artikel ertoe enkele zaken te regelen die te maken hebben met alle
, ook die
die niet met naam in de verordening zijn opgenomen. Het eerste lid geeft daarom aan dat de verordening geen uitputtende opsomming van
bevat. Het tweede lid geeft aan dat het college een voorziening kan beëindigen en in welke gevallen zij dat kan doen. Onder beëindigen wordt hierbij ook verstaan het stopzetten van de subsidie aan een werkgever. Een bijzonder aandachtspunt is hier het uitbesteden van
aan reïntegratiebedrijven. Immers, bij uitbesteden wordt een deel van de regie uit handen gegeven. In het contract met het reïntegratiebedrijf moet worden verklaard dat deze reïntegratieverordening van toepassing is. Het derde lid geeft het college de algemene bevoegdheid om voor
nadere regels te stellen. Dit heeft met name tot doel om bij subsidieverstrekking de uitvoering zoveel mogelijk aan het college over te laten. Bepaling f over het vragen van een eigen bijdrage heeft betrekking op de doelgroep Nuggers. Immers, van deze groep is het niet vanzelfsprekend dat zij op een laag inkomensniveau zitten. Het vragen van een eigen bijdrage, gerelateerd aan de hoogte van het inkomen, is dan op zijn plaats. Dit is ook met zoveel woorden terug te vinden in de Nota naar aanleiding van het verslag van de WWB. Afdeling
Dit artikel geeft aan welke vormen van
met naam in deze verordening genoemd worden. Er kunnen nog meer vormen van
worden ontwikkeld. Dit moet in het beleidsplan vermeld worden. In artikel 11 is reeds opgenomen dat deze verordening ook op deze extra vormen van
van toepassing is. Artikel
worden ingezet. In verband met de andere begripsbepaling (onder de WWB moet een cliënt algemeen geaccepteerde arbeid aanvaarden) krijgt deze voorziening een andere betekenis. Er hoeft niet meer primair gekeken te worden naar opleiding, werkervaring etc, maar het aanbod op de markt moet bepalend zijn. Omscholing kan dus noodzakelijk zijn als een cliënt is opgeleid voor een beroep waarnaar geen vraag (meer) is. Is de vraag er nog wel, maar ontbeert de cliënt kennis, dan kan scholing worden ingezet om deze brug te slaan. In alle gevallen is de kortste weg naar regulier werk het uitgangspunt. Artikel
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.