GEDEPUTEERDE STATEN VAN GELDERLAND, DE COMMISSARIS VAN DE KONING IN DE PROVINCIE GELDERLAND EN DE BEHEERSAUTORITEIT OOST-NEDERLAND, IEDER VOOR WAT BETREFT DE EIGEN BEVOEGDHEDEN; Gelet op het bepaalde in artikel 10:3 Algemene wet bestuursrecht en artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht; BESLUITEN Het Algemeen reglement mandaat Gelderland 2009 als volgt te wijzigen: Hoofdstuk I Algemene bepalingen Artikel 1. Definities In dit reglement wordt verstaan onder: mandaat: zowel mandaat, volmacht als machtiging, tenzij anders wordt aangegeven; ondermandaat: mandaat, volmacht of machtiging verleend door een mandataris of een ondermandataris, tenzij anders wordt aangegeven; eerste ondermandaat: ondermandaat, verleend door een mandataris; tweede ondermandaat: ondermandaat, verleend door een ondermandataris; directeur: lid van de directie; afdelingsmanager: zowel manager van een afdeling als programmamanager van een prioritair programma. Hoofdstuk II Instructies Artikel 2. Mandataris 1 Mandaat kan worden verleend aan: een collegelid, voor zover het geen bevoegdheid van de Commissaris van de Koning betreft; de algemeen directeur; een persoon die niet werkzaam is onder de verantwoordelijkheid van Gedeputeerde Staten of de Commissaris van de Koning; 2 Mandaat aan een collegelid wordt verleend aan de eerste portefeuillehouder. 3 Het bepaalde in dit reglement is niet van toepassing op mandaatverlening als bedoeld in artikel 10:4 van de Algemene wet bestuursrecht. Artikel 3. Ondermandaat 1 Tenzij bij de mandaatverlening anders is bepaald, kan de algemeen directeur een eerste ondermandaat verlenen aan een directeur, een afdelingsmanager of een externe die onder zijn verantwoordelijkheid werkzaam is binnen de provinciale organisatie. Hij kan aan het eerste ondermandaat aanvullende voorwaarden verbinden. 2 Het is een ondermandataris toegestaan om een tweede ondermandaat te verlenen. 3 Indien een tweede ondermandaat wordt verleend aan een ambtenaar, is dit de hoogste ambtenaar die een inhoudelijke bijdrage levert aan de krachtens het tweede ondermandaat te nemen beslissingen. Artikel 4. Functie mandataris 1 Een mandaat is gebonden aan de functie van de mandataris, tenzij bij de beslissing tot verlening van mandaat anders is bepaald. 2 Indien de mandataris in zijn functie wordt opgevolgd door een ander, wordt het mandaat geacht te zijn verleend aan die ander. Artikel 5. Vervangingsregeling 1 Een (onder)mandataris wordt bij de uitoefening van het mandaat als volgt vervangen. De algemeen directeur wordt vervangen door een directeur. Een directeur wordt vervangen door de algemeen directeur of door een van de andere directeuren. Een afdelingsmanager wordt vervangen door de teammanagers die werkzaam zijn op die afdeling. Een teammanager wordt vervangen door zijn afdelingsmanager en de overige teammanagers die werkzaam zijn op die afdeling. 2 De afdelingsmanager kan andere personen, werkzaam op zijn afdeling, belasten met de vervanging van de binnen die afdeling werkzame ondermandatarissen. 3 De algemeen directeur kan andere personen dan die bedoeld in de voorgaande leden, belasten met de vervanging van een (onder)mandataris. Artikel 6. Mandaatregister 1 Er is een openbaar mandaatregister, waarin de verleende algemene mandaten en de eerste en tweede ondermandaten systematisch worden opgenomen. 2 De (onder)mandaatgever draagt zorg voor bekendmaking van een beslissing tot verlening van algemeen mandaat in het Provinciaal Blad. Hij draagt tegelijk zorg voor opname van de beslissing in het mandaatregister. Artikel 7. Bewijs mondelinge mandaatverlening 1 Onverminderd de verantwoordelijkheid van degene die mondeling mandaat heeft verleend, draagt de mandataris zorg dat onverwijld een schriftelijk bewijsstuk wordt opgemaakt van de beslissing tot verlening van mandaat. 2 Is de mandataris een collegelid dan draagt de algemeen directeur zorg voor het opmaken van een schriftelijk bewijsstuk als bedoeld in het eerste lid. Artikel 8. Instemming tweede portefeuillehouder Een collegelid neemt geen beslissing krachtens mandaat dan na instemming van de tweede portefeuillehouder. Artikel 9. Informeren mandaatgever 1 De mandataris legt een door hem te nemen beslissing voor aan de mandaatgever indien: advies nodig is van anderen en het advies niet aansluit op het eigen standpunt dan wel niet tot dezelfde uitkomsten leidt; de maatschappelijke, beleidsmatige, politieke, juridische of financiële omstandigheden daartoe aanleiding geven. 2 Het niet voldoen aan de in het vorige lid bedoelde verplichting doet niet af aan de rechtsgeldigheid van de krachtens mandaat genomen beslissing. 3 De mandataris informeert de mandaatgever onverwijld over een door hem genomen beslissing indien het van belang is dat deze daar kennis van neemt. Artikel 10. Ondertekening 1 Indien mandaat een bevoegdheid van Gedeputeerde Staten betreft, worden uitgaande stukken ondertekend met: "Namens Gedeputeerde Staten van Gelderland," gevolgd door de handtekening, naam en functieaanduiding van de mandataris. 2 Indien mandaat een bevoegdheid van de Commissaris van de Koning betreft, worden uitgaande stukken ondertekend met: "Namens de Commissaris van de Koning van Gelderland", gevolgd door de handtekening, naam en functieaanduiding van de mandataris. 3 Indien volmacht is verleend om namens de Commissaris van de Koning de provincie in en buiten rechte te vertegenwoordigen, wordt ondertekend met: "De provincie Gelderland, namens de Commissaris van de Koning van Gelderland," gevolgd door de handtekening, naam en functieaanduiding van de gevolmachtigde. 4 Het bepaalde in het eerste en tweede lid is niet van toepassing voor zover het betreft de bekendmaking en mededeling van in mandaat genomen ontwerpbeslissingen of beslissingen van Gedeputeerde Staten of de Commissaris van de Koning in een dag-, nieuws- of huis-aan-huisblad. In dat geval luidt de ondertekening “Gedeputeerde Staten van Gelderland" respectievelijk "Commissaris van de Koning van Gelderland". 5 De algemeen directeur kan ter bescherming van de persoonlijke levenssfeer van personen die werkzaam zijn onder de verantwoordelijkheid van Gedeputeerde Staten, de Commissaris van de Koning of de Beheersautoriteit Oost-Nederland vrijstelling verlenen van het bepaalde in het eerste, tweede en derde lid. Indien een vrijstelling als bedoeld in de vorige volzin is verleend wordt bij de ondertekening de handtekening en de naam van de (onder)mandataris niet vermeldt. Artikel 11. Minuutformulier 1 Een mandataris neemt beslissingen krachtens mandaat door plaatsing van zijn eindparaaf op het minuutformulier, tenzij de aard van de beslissing zich daartegen verzet. 2 De algemeen directeur kan bepalen dat in afwijking van het eerste lid, bepaalde eenvoudige beslissingen of bepaalde categorieen van eenvoudige beslissingen kunnen worden genomen zonder gebruikmaking van een minuutformulier. Artikel 12. Begrenzing 1 Een ieder die een mandaat, eerste ondermandaat, dan wel tweede ondermandaat heeft, kan van zijn bevoegdheid slechts gebruik maken voorzover dat past binnen zijn taak en verantwoordelijkheid en hij binnen het aan hem toegekende budget blijft. 2 Een mandataris oefent zijn bevoegdheid niet uit indien hij bij de te nemen beslissing een persoonlijk belang heeft als bedoeld in artikel 2:4, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Artikel 13. Financiële verplichtingen 1 Indien het eerste of tweede ondermandaat tot het aangaan van financiële verplichtingen is verleend aan een ander dan de houder van het budget ten laste waarvan de verplichtingen worden gebracht, behoeft de ondermandataris voor het nemen van een beslissing krachtens een dergelijk ondermandaat de instemming van de budgethouder. 2 Indien de budgethouder de schrijver is van de minuut op basis waarvan een besluit als bedoeld in het eerste lid wordt genomen, behoeft de minuut de medeparaaf van diens leidinggevende. Artikel 14. Eerste en tweede ondermandaat Het bepaalde in de artikelen 4, 5, 7 lid 1, 9 tot en met 12 is van toepassing op de eerste en tweede ondermandataris en het eerste en tweede ondermandaat. Hoofdstuk III Mandaat algemene bevoegdheden Paragraaf I Voorbereiding, bekendmaking, uitvoering en goedkeuring Artikel 15. Voorbereiding- en uitvoeringsbesluiten. 1 Een (eerste of tweede onder)mandataris is bevoegd tot het verrichten van alle handelingen, benodigd voor de voorbereiding, bekendmaking en uitvoering van een beslissing krachtens (eerste of tweede onder)mandaat, tenzij bij de beslissing tot verlening van (eerste of tweede onder)mandaat anders is bepaald. 2 De algemeen directeur is bevoegd tot het verrichten van alle handelingen, benodigd voor de voorbereiding, de bekendmaking en uitvoering van: een door een portefeuillehouder te nemen beslissing krachtens mandaat, tenzij bij de verlening van het mandaat anders is bepaald; door Provinciale Staten vast te stellen beleidsplannen, verordeningen en het provinciale milieuprogramma, alsmede het doen van mededelingen over de vaststelling of wijziging van deze besluiten; een besluit van Provinciale Staten in verband met subsidieverstrekking als bedoeld in artikel 1.3, tweede lid, van de Algemene subsidieverordening Gelderland 1998; 3 De algemeen directeur is bevoegd in het kader van de door het provinciebestuur uitgeoefende bevoegdheden: de noodzakelijke inlichtingen te vragen; natuurlijke of rechtspersonen in de gelegenheid stellen tot het indienen van zienswijzen; het horen van de aanvrager en andere belanghebbenden voorafgaand aan het nemen van de beslissing op de aanvraag; adviezen te verstrekken aan natuurlijke en rechtspersonen; aanbevelingen te doen; het buiten behandeling laten van een aanvraag; zienswijzen of bedenkingen naar voren te brengen of door te zenden; een aanvraagformulier vast te stellen. 4 De algemeen directeur is bevoegd tot bekendmaking en mededeling van ontwerpbeslissingen en beslissingen van een bestuursorgaan die niet krachtens mandaat zijn genomen. Artikel 16. Goedkeuring 1 De algemeen directeur is bevoegd tot het nemen van de navolgende beslissingen in het kader van goedkeuring: voorbereidingshandelingen; besluiten tot verdaging van het besluit tot goedkeuring; bieden van gelegenheid tot overleg met betrokken bestuursorganen. 2 De algemeen directeur is bevoegd, ter voldoening aan een wettelijke verplichting, tot het toezenden van een beslissing aan een ander bestuursorgaan dan wel het verzoeken om goedkeuring van een beslissing. Paragraaf II Subsidie, vergunning, milieueffectrapportage Artikel 17. Subsidie 1 De algemeen directeur is bevoegd tot het nemen van besluiten omtrent verlening van subsidie tot en met € 125.000,-- . 2 De algemeen directeur is bevoegd tot het vaststellen van subsidie zonder voorafgaande beschikking tot subsidieverlening tot en met € 125.000,--. 3 De algemeen directeur is bevoegd tot het nemen van subsidiebeschikkingen met eenbedrag hoger dan € 125.000,-- ter uitvoering van beslissingen van Gedeputeerde Staten omtrent verlening van subsidie, waarbij de ontvanger, het bedrag en de omschrijving van de activiteiten waarvoor subsidie wordt verleend door Gedeputeerde Staten zijn bepaald. 4 De algemeen directeur is bevoegd tot het intrekken of wijzigen van een subsidie, niet inhoudende een verhoging van het verleende bedrag, en tot het vaststellen van een subsidie overeenkomstig of lager dan de subsidieverlening. 5 De algemeen directeur is bevoegd tot het verlenen van een voorschot als bedoeld in artikel 4:95 van de Algemene wet bestuursrecht. 6 De algemeen directeur is bevoegd tot het terugvorderen of verrekenen van onverschuldigd betaalde subsidiebedragen en voorschotten. 7 De algemeen directeur is bevoegd tot het afwijzen van subsidieverzoeken als bedoeld in artikel 1.3, vierde lid, van de Algemene subsidieverordening Gelderland 1998, tot het afwijzen van verzoeken waarop artikel 4:25, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing is en tot het verlenen van toestemming als bedoeld in artikel 8.5, eerste lid, van de Algemene subsidieverordening Gelderland 1998. 8 De algemeen directeur is bevoegd tot het nemen van beschikkingen op subsidieaanvragen ter uitvoering van besluiten van Provinciale Staten waarbij de bevoegdheid tot subsidieverstrekking aan Gedeputeerde Staten is gedelegeerd. Artikel 18. Vergunning en ontheffing 1 De algemeen directeur is bevoegd tot het nemen van de navolgende beslissingen in verband met vergunningverlening: besluiten in verband met toetsing van de ontvankelijkheid van een aanvraag om vergunning; besluiten op aanvragen om vergunning; besluiten ambtshalve of op verzoek tot wijziging of intrekking van een vergunning; besluiten naar aanleiding van een melding; besluiten omtrent nadere eisen die krachtens de vergunning gesteld kunnen worden; vervallen per 1 april 2013; vervallen per 1 april 2013; beslissingen omtrent het voeren van correspondentie over financiële zekerheidsstelling en over handhaving van vergunningvoorschriften met betrekking tot financiële zekerheid, met uitzondering van beslissingen inhoudende het opleggen van bestuursrechtelijke maatregelen; 2 De algemeen directeur is bevoegd tot het nemen van de navolgende beslissingen in verband met ontheffingverlening: beslissingen op aanvragen tot ontheffing; het wijzigen en het intrekken van een ontheffing; 3 Het eerste en tweede lid zijn van toepassing op vergunningbeslissingen en ontheffingen gebaseerd op wetten en regelingen die zijn opgenomen in bijlage I van dit reglement. Artikel 18a. Verklaring van geen bedenkingen De algemeen directeur is bevoegd tot het nemen van beslissingen tot het afgeven van een verklaring van geen bedenkingen als bedoeld in de artikelen 46b en 47b van de Natuurbeschermingswet 1998. Artikel 19. Milieueffectrapportage 1 De algemeen directeur is bevoegd tot het verrichten van procedurele handelingen benodigd voor de voorbereiding, uitvoering en bekendmaking van beslissingen in het kader van milieueffectrapportage voor plannen en besluiten. 2 De algemeen directeur is bevoegd tot het geven van adviezen in het kader van milieueffectrapportage voor plannen en besluiten. 3 De algemeen directeur is bevoegd een m.e.r-beoordelingsbesluit te nemen, indien het nemen van dit besluit gekoppeld is aan een besluit waarvan de bevoegdheid tot het nemen daarvan gemandateerd is. Paragraaf III Handhaving Artikel 20. Handhaving door collegelid Een collegelid is bevoegd tot het nemen van de navolgende beslissingen in verband met handhaving: het verlenen, weigeren of intrekken van een gedoogbeschikking die afwijkt van de vigerende gedoogbeleidsregels; de intrekking van een vergunning of ontheffing als sanctie; een beschikking tot het opleggen van een last onder bestuursdwang, die op een inrichting als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht of op een deel van een dergelijke inrichting betrekking heeft en die een stillegging van het primaire productieproces tot gevolg heeft; Een beschikking tot het opleggen van een last onder dwangsom, die op een inrichting als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht of op een deel van een dergelijke inrichting betrekking heeft en die een stillegging van het primaire productieproces tot gevolg heeft. Artikel 21. Handhaving door algemeen directeur 1 De algemeen directeur is bevoegd tot het nemen van de navolgende beslissingen in verband met handhaving: het beslissen op een verzoek tot handhaving; het verlenen, weigeren, intrekken van een beschikking tot het opleggen van een last onder bestuursdwang of last onder dwangsom; het verlenen, weigeren of intrekken van een gedoogbeschikking die past binnen de vigerende gedoogbeleidsregels; het verlengen van de termijn van een gedoogbeschikking; het verminderen, opschorten of opheffen van de werking van een last onder dwangsom en het innen van een verbeurde dwangsom; vervallen per 1 april 2013; vervallen per 1 april 2013; vervallen per 1 april 2013; het instellen van onderzoek naar veiligheid op grond van de Wet hygiëne veiligheid badinrichtingen en zwemgelegenheden; het met betrekking tot een badinrichting of een andere plaats die wordt gebruikt voor het zwemmen, geven van een last tot sluiten, het instellen van een zwemverbod of het uitbrengen van een negatief zwemadvies, alsmede het intrekken van een last tot sluiten, ingesteld zwemverbod of negatief zwemadvies; het treffen van maatregelen die noodzakelijk zijn om het natuurschoon of de natuurwetenschappelijke betekenis van het beschermd natuurmonument te herstellen of te behouden en van het voornemen daartoe schriftelijk mededeling doen aan eigenaar en gebruiker. 2 Het eerste lid, aanhef en onder b, is voor de beschikking tot het opleggen van een last onder bestuursdwang of tot het opleggen van een last onder dwangsom van toepassing op een beschikking die een gehele dan wel een deel van de inrichting als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht betreft en die niet een stillegging van het primaire productieproces tot gevolg heeft. 3 De voorgaande leden zijn van toepassing op handhavingbeslissingen gebaseerd op wetten en regelingen die zijn opgenomen in bijlage II van dit reglement. Paragraaf IV Bepalingen over bezwaar, beroep, mediation en klachten Artikel 22. Bezwaar De algemeen directeur is bevoegd tot het nemen van de navolgende beslissingen en het verrichten van de navolgende handelingen in verband met het behandelen van bezwaarschriften: het verlenen van verder uitstel voor de beslissing op het bezwaarschrift indien: verder uitstel is nodig in verband met de naleving van wettelijke voorschriften; of de indiener instemt; en andere belanghebbenden niet in hun belangen worden geschaad of zij daarmee instemmen; het indienen van een verweerschrift en andere processtukken; de vertegenwoordiging tijdens de hoorzitting. Artikel 23. Beroepschriften De algemeen directeur is bevoegd tot het nemen van de navolgende beslissingen en het verrichten van de navolgende handelingen in verband met het behandelen van bij Gedeputeerde Staten ingediende beroepschriften: schriftelijk bevestigen van de ontvangst van een beroepschrift. Artikel 24. Rechtsgedingen 1 De algemeen directeur is bevoegd tot het nemen van beslissingen en het verrichten van handelingen in verband met het voeren van rechtsgedingen, arbitrage, het maken van bezwaar en het instellen van administratief beroep en (hoger) beroep bij een administratieve en burgerlijke rechter namens de provincie of het provinciebestuur, voorzover het betreft: het indienen van een verweerschrift, repliek, dupliek en andere processtukken; de vertegenwoordiging ter zitting; het doen van verzet; het indienen van een pro forma bezwaarschrift, beroepschrift en verzoekschrift bij een bestuursorgaan of een rechter in gevallen waarbij een besluit van Gedeputeerde Staten niet kan worden afgewacht. 2 Het besluit als bedoeld in eerste lid onder d wordt zo spoedig mogelijk door Gedeputeerde Staten bekrachtigd. Artikel 25. Mediation 1 De algemeen directeur is bevoegd tot het nemen van de navolgende beslissingen en het verrichten van de navolgende handelingen in verband met mediation: het beslissen over deelname aan mediation alsmede het ondertekenen van de mediationovereenkomst; het vertegenwoordigen van het provinciebestuur in geval van deelname aan mediation; het beslissen over het aangaan van een vaststellingsovereenkomst alsmede het ondertekenen ervan. 2 Met uitzondering van de bevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, onder b, kan ten aanzien van de in het eerste lid genoemde bevoegdheden geen tweede ondermandaat worden verleend. 3 De algemeen directeur wint over de uitoefening van de bevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, onder a, tevoren advies in van de ambtelijke eenheid belast met mediation indien de mediation betrekking heeft op een kwestie, dat aanhangig is gemaakt door indiening van een bezwaarschrift, beroepschrift of klaagschrift. 4 De algemeen directeur wint over de uitoefening van de bevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, onder a, tevoren advies in van de ambtelijke eenheid belast met mediation indien de mediation betrekking heeft op een kwestie met een ambtenaar van de provincie, waarover geen bezwaarschrift of klaagschrift is ingediend. Artikel 26. Klachten De algemeen directeur is bevoegd tot het nemen van de navolgende beslissingen en het verrichten van de navolgende handelingen in verband met het behandelen van klaagschriften: het schriftelijk bevestigen van de ontvangst van het klaagschrift; het niet in behandeling nemen van de klacht en het mededeling daarvan doen aan de klager; de klager in de gelegenheid stellen om zijn klaagschrift aan te vullen; het met de klager in overleg treden om tot een minnelijke oplossing te komen; het verdagen van de afhandeling van het klaagschrift; het indienen van een verweerschrift; de vertegenwoordiging tijdens de hoorzitting. Paragraaf V Overige bevoegdheden Artikel 27. Overige publiekrechtelijke bevoegdheden De algemeen directeur is bevoegd tot: het nemen van besluiten omtrent verzoeken ingevolge de Wet openbaarheid van bestuur; het nemen van beslissingen en het verrichten van handelingen verband houdende met het bieden van gelegenheid tot inspraak op grond van de Inspraakverordening provincie Gelderland 2004, afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht of een andere wettelijke regeling; het in kennis stellen van het statenlid van het feit dat zijn vraag niet binnen de voorgeschreven termijn kan worden beantwoord en het aangeven van de termijn waarbinnen beantwoording zal plaatsvinden; het aanvragen van een subsidie of een bijdrage bij een ander bestuursorgaan of een derde; het aanvragen van ontheffingen of vergunningen bij een ander bestuursorgaan; het nemen van beslissingen naar aanleiding van verzoeken om een dwangsom bij niet tijdig beslissen; het meedelen aan de aanvrager van een dreigende termijnoverschrijding en het verlengen van de beslistermijn; toepassing geven aan het bepaalde in artikel 2:3 van de Algemene wet bestuursrecht; toepassing geven aan het bepaalde in artikel 4:6, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Artikel 28. Privaatrechtelijke rechtshandelingen 1 De algemeen directeur is bevoegd tot privaatrechtelijke rechtshandelingen van de provincie te besluiten en de provincie terzake te vertegenwoordigen. 2 Een tweede ondermandaat voor de bevoegdheid bedoeld in het eerste lid kan uitsluitend worden verleend aan een ambtenaar met een leidinggevende functie dan wel een ambtenaar die is aangesteld als programma- of projectmanager. In afwijking van het bepaalde in de vorige volzin kan een tweede ondermandaat tot het nemen van beslissingen ter voorbereiding en uitvoering van privaatrechtelijke rechtshandelingen ook worden verleend aan een andere ambtenaar dan de daar bedoelde ambtenaren. 3 Bij afwijking van de terzake door Gedeputeerde Staten en Provinciale Staten vastgestelde regels legt de (onder)mandataris een door hem te nemen beslissing voor aan de mandaatgever. Het bepaalde in de vorige volzin vindt geen toepassing indien wordt afgeweken van de Algemene inkoopvoorwaarden Gelderland 2013 of toepassing wordt gegeven aan artikel 3, tweede lid, van de Beleidsregels aanbesteding Gelderland 2013. De mandataris of ondermandataris motiveert in dat laatste geval het genomen besluit. Artikel 29. Feitelijke aangelegenheden 1 Een collegelid is bevoegd tot het beslissen omtrent het voeren van correspondentie over feitelijke aangelegenheden, tenzij daaraan financiële, politieke of beleidsmatige gevolgen verbonden zijn. 2 Indien een beslissing als bedoeld in het eerste lid een persoonlijke aangelegenheid betreft, is artikel 10, eerste lid, niet van toepassing. 3 De algemeen directeur is bevoegd tot het beslissen omtrent het voeren van correspondentie over feitelijke aangelegenheden, tenzij daaraan financiële, politieke of beleidsmatige gevolgen zijn verbonden, voor zover deze bevoegdheid niet aan een collegelid is toegekend. Artikel 29a. Bevoegdheden afdelings- en teammanagers 1 In afwijking van het bepaalde in artikel 2, eerste lid, onder b, zijn afdelingsmanagers en teammanagers bevoegd tot het nemen van besluiten en het uitvoeren van handelingen als bedoeld in de artikelen 15, 16, 19 en 22 tot en met 28 en 29, lid 3. 2 Afdelingsmanagers en teammanagers zijn bevoegd een ondermandaat te verlenen tot het uitoefenen van de bevoegdheden, bedoeld in het eerste lid. Artikel 3, tweede lid, is niet van toepassing. Hoofdstuk IV Slotbepalingen Artikel 30. Slotbepalingen 1 Dit reglement wordt aangehaald als: Algemeen reglement mandaat Gelderland 2009. 2 Dit reglement treedt in werking op 1 januari 2009. 3 Het Algemeen reglement mandaat Gelderland 2006 wordt ingetrokken met ingang van het in het tweede lid bedoelde tijdstip. Gedeputeerde Staten van Gelderland Toelichting Algemeen Het Algemeen reglement mandaat Gelderland 2009 is een regeling voor de gehele provinciale organisatie ten aanzien van het opdragen van bevoegdheden tot het verrichten van publiekrechtelijke en privaatrechtelijke rechtshandelingen en feitelijke handelingen. Een regeling derhalve, die alle vormen van vertegenwoordiging betreft: mandaat, volmacht en machtiging. Hiermee wordt een transparant kader voor al deze vormen van vertegenwoordiging van Gedeputeerde Staten en de Commissaris van de Koning beoogd. Transparant in die zin dat duidelijk is wie namens deze bestuursorganen waarover mag beslissen en dat voor derden herkenbaar is wie een beslissing feitelijk heeft genomen. Naast een aantal algemene beginselen die van toepassing zijn op alle besluiten tot het verlenen van mandaat, volmacht en machtiging, bevat het reglement een aantal algemene bevoegdheden. Mandaat is de (publieke) vertegenwoordigingsvorm die centraal staat in de Algemene wet bestuursrecht. De Algemene wet bestuursrecht (artikel 10.1) verstaat onder mandaat: de bevoegdheid om in naam van een bestuursorgaan besluiten te nemen. Onder een besluit verstaat de Algemene wet bestuursrecht (artikel 1.3, eerste lid): een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling. Het bestuursorgaan dat mandaat verleent, blijft volledig verantwoordelijk. Daarom kan het bestuursorgaan degene aan wie mandaat is verleend instructies en beleidsregels geven of de bevoegdheid zelf uitoefenen, zonder dat het daarvoor het gegeven mandaat behoeft in te trekken. Mandaat is in beginsel toegestaan, tenzij het bij wettelijk voorschrift is verboden of de aard van de bevoegdheid zich er tegen verzet. De mandaatgever kan toestaan dat eerste en tweede ondermandaat wordt verleend: in dat geval verleent degene die het (onder) mandaat heeft ontvangen op zijn beurt (onder)mandaat aan een ander. Het verlenen van (eerste/tweede onder)mandaat, doorkruist de hiërarchische verhoudingen binnen de provinciale organisatie niet. In onderstaand schema is weergegeven hoe (onder)mandatering in de provinciale organisatie is belegd: (zie voor het schema Provinciaal Blad 2008/14). Een uitzondering op dit schema vormen de bevoegdheden die zijn genoemd in artikel 29a van het reglement, omdat deze rechtstreeks door Gedeputeerde Staten aan de afdelings- en teammanagers zijn verleend. Artikelsgewijs Artikel 1. Bestuursorganen verrichten naast publiekrechtelijke rechtshandelingen ook privaatrechtelijke rechtshandelingen en feitelijke handelingen. In die gevallen wordt bij vertegenwoordiging niet van mandaat gesproken, maar van volmacht respectievelijk machtiging. Om te voorkomen dat voor de verschillende vormen van vertegenwoordiging verschillende regimes zouden gelden, verklaart de Algemene wet bestuursrecht (artikel 10:12) dat alle bepalingen die betrekking hebben op mandaat van overeenkomstige toepassing zijn indien een bestuursorgaan volmacht of machtiging verleent aan een ander werkzaam onder zijn verantwoordelijkheid. Van deze benadering is ook bij dit reglement uitgegaan: het gaat over mandaat, maar is ook van toepassing op volmacht en machtiging. Artikel 2. Het reglement staat drie vormen van mandaat toe: mandaat aan een collegelid, i.c. de eerste portefeuillehouder, de algemeen directeur of een persoon die niet werkzaam is onder de verantwoordelijkheid van Gedeputeerde Staten of de Commissaris van de Koning. De portefeuillehouder is belast met een door Gedeputeerde Staten vastgestelde portefeuille van tot het bestuur behorende zaken. Ondermandaten aan ambtenaren worden in beginsel via een mandaat aan de algemeen directeur verleend, zulks in verband met diens verantwoordelijkheid voor het functioneren van de provinciale organisatie in het algemeen. Om het aantal uitvoeringshandelingen met betrekking tot het mandaatstelsel te beperken is een uitzondering op dit beginsel opgenomen in artikel 29a op grond waarvan bevoegdheden rechtstreeks aan ambtelijke afdelingsen teammanagers worden verleend. Artikel 3. De algemeen directeur kan een eerste ondermandaat verlenen aan een directeur of aan een afdelingsmanager, tenzij Gedeputeerde Staten of de Commissaris van de Koning expliciet hebben aangeven dat zulks niet het geval is. De algemeen directeur kan tot op zekere hoogte een eerste ondermaat verlenen aan een externe, namelijk indien die externe werkzaam is onder zijn verantwoordelijkheid binnen de provinciale organisatie, bijvoorbeeld een interim-functionaris. De algemeen directeur kan dus geen ondermandaat verlenen aan personen die niet onder de verantwoordelijkheid van Gedeputeerde Staten of de Commissaris van de Koning werkzaam zijn. Deze bevoegdheid is voorbehouden aan de bestuursorganen zelf. Het verlenen van mandaat aan deze externen die niet functioneren binnen de provinciale organisatie is relatief uniek en vergt een afzonderlijke bestuurlijke afweging. Dit geldt a fortiori voor het verlenen van volmacht of machtiging aan externen, aangezien hier de regels van de Algemene wet bestuursrecht niet op van toepassing zijn. De ondermandataris kan een tweede ondermandaat verlenen aan de hoogste in de hiërarchie van de provinciale organisatie die nog een feitelijke toegevoegde waarde heeft. Ondermandaat hoger in de hiërarchie is niet wenselijk omdat dat slechts een rituele en geen materiële betekenis zou hebben. Uit dit artikel blijkt tevens dat een collegelid, anders dan de algemeen directeur, niet de bevoegdheid heeft ondermandaat te verlenen. De reden is dat indien dit wel de regel zou zijn, de hiërarchische lijn binnen de ambtelijke organisatie doorbroken zou worden, met een onduidelijke en minder overzichtelijke verantwoordelijkheidsrelatie als gevolg. Indien het toch gewenst is bevoegdheden door de ambtelijke organisatie te laten uitoefenen, zal dit via het verlenen van mandaat aan de algemeen directeur gestalte kunnen krijgen. Voor deze bevoegdheden is een voorziening getroffen in artikel 15, tweede en derde lid. Artikel 4. Algemeen mandaat, een eerste en tweede ondermandaat wordt in principe verleend aan een functionaris en niet aan een persoon, omdat daarmee wordt voorkomen dat personele wisselingen noodzaken tot aanpassing van mandaatbesluiten. Er kunnen evenwel nader te motiveren omstandigheden zijn die ertoe leiden dat het verlenen van mandaat, eerste/tweede ondermandaat aan een persoon de voorkeur verdient. Artikel 5. Het eerste lid van dit artikel bevat de hoofdregels van de vervanging van mandatarissen en ondermandatarissen. Directeuren vervangen elkaar en binnen een afdeling vervangen de managers elkaar. Indien er behoefte is aan meer vervangers binnen een afdeling dan kan de afdelingsmanager, gezien zijn integrale verantwoordelijkheid voor de gang van zaken binnen zijn afdeling, daartoe besluiten. In het derde lid is een vangnetbepaling opgenomen voor situaties die niet worden gedekt door de twee voorgaande leden. In deze situaties kan de algemeen directeur een vervanger aanwijzen. Artikel 6. Beslissingen tot verlening van mandaat, eerste/tweede ondermandaat treden pas in werking als deze op de juiste wijze zijn bekendgemaakt. Beslissingen tot verlening van mandaat, eerste/tweede ondermandaat behoren volgens de terminologie van afdeling 3.6 van de Algemene wet bestuursrecht tot de categorie die niet tot een of meer belanghebbenden zijn gericht, maar een algemeen karakter hebben. Deze mandaten worden, net als de mandaten aan een externe, schriftelijk verleend. Hiervoor is een algemene bekendmaking van toepassing. Deze algemene bekendmaking heeft de vorm van een integrale publicatie van de beslissing tot verlening van mandaat, eerste/tweede ondermandaat in het Provinciaal Blad. Tevens wordt iedere beslissing tot verlening van mandaat, eerste/tweede ondermandaat opgenomen in het mandaatregister in de bibliotheek van de provincie. Artikel 7. Dit artikel is opgenomen omdat artikel 10:5 van de Algemene wet bestuursrecht alleen regelt dat schriftelijk mandaat moet worden verleend bij:
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.