Verordening peuterspeelzalen Neerijnen De raad van de gemeente Neerijnen, gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van Neerijnen d.d. 15 maart 2011, inzake de Verordening kwaliteitsregels peuterspeelzalen Neerijnen 2011; gelet op artikel 149 van de Gemeentewet; overwegende dat het wenselijk is regels te stellen ten aanzien van de kwaliteit van peuterspeelzalen; besluit vast te stellen de volgende verordening: Verordening kwaliteitsregels peuterspeelzalen Neerijnen 2011 Hoofdstuk1ALGEMENE BEPALINGEN Artikel1Begripsomschrijvingen In deze verordening wordt verstaan onder: a. college: burgemeester en wethouders van Neerijnen; b. peuterspeelzaalwerk: de verzorging, opvoeding en het bijdragen aan de ontwikkeling van kinderen uitsluitend bestemd voor kinderen vanaf de leeftijd van twee jaar tot het tijdstip waarop die kinderen kunnen deelnemen aan het basisonderwijs; c. peuterspeelzaal: een voorziening waar peuterspeelzaalwerk plaatsvindt; d. houder: degene die een peuterspeelzaal exploiteert; e. beroepskracht: degene die in een peuterspeelzaal werkzaamheden verricht die zijn opgenomen in de voor het peuterspeelzaalwerk geldende CAO; f. begeleider: degene die anders dan als beroepskracht is belast met de begeleiding van kinderen bij een peuterspeelzaal; g. toezichthouder: de GGD Rivierenland, die namens het college toezicht houdt op naleving van de bepalingen van deze verordening door de peuterspeelzaal; h. ouder/verzorger: degene die het ouderlijk gezag heeft over het kind dat gebruik maakt van het peuterspeelzaalwerk; i. vve-subsidie: Rijksbijdrage die door de gemeente kan worden verstrekt aan houders van een voorschoolse voorziening mits voor- en/of vroegschoolse educatie conform de wet OKE wordt aangeboden. Hoofdstuk2Meldingsplicht Artikel2Melding in exploitatie nemen van een peuterspeelzaal Degene die voornemens is een peuterspeelzaal in exploitatie te nemen binnen de gemeente doet daarvan melding aan het college. De melding vindt plaats met behulp van een door het college vastgesteld formulier. De melding dient volledig te zijn en correcte gegevens te bevatten. De exploitatie van de peuterspeelzaal mag niet van start gaan voor het meldingsonderzoek is afgerond. Artikel3Ambitieniveau van het peuterspeelzaalwerk De houder geeft in de melding aan voor welk ambitieniveau van het peuterspeelzaalwerk hij kiest, waarbij de volgende ambitieniveaus worden onderscheiden: ambitieniveau 1: ‘spelen, ontmoeten, ontwikkelen en signaleren’ ambitieniveau 2: ‘spelen, ontmoeten, ontwikkelen, signaleren en ondersteunen’. Om in aanmerking te komen voor vve-subsidie dient de houder van een peuterspeelzaal ambitieniveau 2 te kiezen. Artikel4Termijn van in exploitatie nemen van een peuterspeelzaal Een peuterspeelzaal zal binnen tien weken door de GGD Rivierenland gekeurd worden. Hierna beslist het college of de melding wordt geaccepteerd en of mag worden overgegaan tot exploitatie Indien eerder uit het onderzoek van de GGD Rivierenland blijkt dat de exploitatie redelijkerwijs zal plaatsvinden in overeenstemming met de bepalingen in hoofdstuk 3 van deze verordening, dan kan de exploitatie vanaf dat moment plaatsvinden. Artikel5Verbod op het in exploitatie nemen van een peuterspeelzaal Het is verboden een peuterspeelzaal in exploitatie te nemen indien blijkt dat niet aan de eisen van de verordening wordt voldaan. Artikel6Register Het college houdt een register bij van gemelde peuterspeelzalen. In dit register worden na een melding onmiddellijk de gegevens opgenomen die ingevolge artikel 2, tweede lid, en artikel 3 zijn verstrekt. Het college deelt de houder schriftelijk mee dat opneming van de peuterspeelzaal in het register heeft plaatsgevonden. Het register ligt op het gemeentehuis kosteloos voor een ieder ter inzage en is in te zien op www.neerijnen.nl. Artikel7Wijzigingen van gegevens De houder doet van wijzigingen in de gegevens die bij de melding zijn verstrekt, onmiddellijk mededeling aan het college. Het college deelt de houder schriftelijk mee dat de wijzigingen in het register zijn aangetekend. Wanneer de toezichthouder bij inspectie constateert dat er wijzigingen niet zijn doorgegeven, dan wordt dit gerapporteerd aan het college. Indien de wijzigingen van ernstige aard zijn en consequenties hebben op situaties in de peuterspeelzaal, dan kan door het college een aanwijzing worden gegeven. Dit kan uiteindelijk uitschrijving uit het meldingsregister betekenen. Hoofdstuk3Kwaliteitseisen Artikel8Algemene kwaliteitseisen De houder van een peuterspeelzaal biedt peuterspeelzaalwerk aan dat bijdraagt aan een goede en gezonde ontwikkeling van het kind in een veilige en gezonde omgeving. De houder organiseert het peuterspeelzaalwerk op zodanige wijze, voorziet de peuterspeelzaal zowel kwalitatief als kwantitatief zodanig van personeel en materieel, draagt zorg voor een zodanige verantwoordelijkheidstoedeling en voert een zodanig pedagogisch beleid, dat een en ander leidt tot verantwoord peuterspeelzaalwerk. Het college is bevoegd nadere regels te stellen waaraan de peuterspeelzaal, de houder en de in de peuterspeelzaal werkzame beroepskrachten en begeleiders moeten voldoen. Artikel9Voorschoolse educatie De houder van een peuterspeelzaal op ambitieniveau 2 draagt zorg voor een aanbod in voorschoolse educatie van ten minste 4 dagdelen of 10 uur voor elk doelgroepkind. Voor de voorschoolse educatie wordt een breed programma gebruikt dat zich richt op taal, rekenen, motoriek en de sociaal-emotionele ontwikkeling. De houder van een peuterspeelzaal waar voorschoolse educatie wordt aangeboden stelt jaarlijks een opleidingsplan op waarin staat beschreven hoe de kennis en vaardigheden in voorschoolse educatie van beroepskrachten worden onderhouden. Artikel10Pedagogisch beleid De houder van een peuterspeelzaal stelt een pedagogisch beleidsplan vast waarin de doelen van het relevante ambitieniveau en de wijze waarop deze bereikt worden en de wijze van toetsing zijn vastgelegd. Ouders/verzorgers worden op de hoogte gesteld van dit beleidsplan en hebben het recht op inzage. Artikel11Eisen ten aanzien van veiligheid en gezondheid De houder voert een beleid dat ertoe leidt dat de veiligheid en de gezondheid van de op te vangen kinderen in elk door hem geëxploiteerde peuterspeelzaal zoveel mogelijk is gewaarborgd. De houder legt, voor zover hierin niet wordt voorzien bij of krachtens andere wet- en regelgeving, in een risico-inventarisatie schriftelijk vast welke risico’s de opvang van kinderen met zich meebrengt. Artikel12Oppervlakte speelruimte Voor ieder kind is minimaal 3,5 m2 bruto-oppervlakte aan binnenspeelruimte beschikbaar. Voor ieder kind is buitenspeelruimte beschikbaar, waarvan de bruto-oppervlakte minimaal 4 m2 per kind bedraagt en die voor kinderen bereikbaar is. Artikel13Groepen en groepsgrootte De opvang van kinderen vindt plaats in vaste groepen in passend ingerichte vaste afzonderlijke ruimtes. In een groep zijn ten hoogste zestien kinderen gelijktijdig aanwezig. Artikel14Aantal beroepskrachten of begeleiders per groep Het aantal beroepskrachten of begeleiders per groep is afhankelijk van het door de houder gekozen ambitieniveau. Indien de houder heeft gekozen voor ambitieniveau 1: ‘spelen, ontmoeten, ontwikkelen en signaleren’ zijn er in elke groep ten minste één beroepskracht en één begeleider aanwezig. Indien de houder heeft gekozen voor ambitieniveau 2: ‘spelen, ontmoeten, ontwikkelen, signaleren en ondersteunen’ zijn er in elke groep ten minste twee beroepskrachten aanwezig. Artikel15Achterwacht Iedere peuterspeelzaal is verplicht om gebruik te maken van een achterwachtregeling. Artikel16Overeenkomst tussen houder en ouder/verzorger Opvang in een peuterspeelzaal geschiedt op basis van een schriftelijke overeenkomst tussen de houder en een ouder/verzorger. Artikel17Informatieplicht aan de ouders/verzorgers De houder van een peuterspeelzaal informeert de ouder/verzorger voorafgaand aan het aangaan van deze overeenkomst in ieder geval over: a. de plaatsingsprocedure en leveringsvoorwaarden; b. het gekozen ambitieniveau als bedoeld in artikel 3; c. het te voeren beleid, waaronder: - het beleid inzake voorschoolse educatie (indien van toepassing) - het beleid inzake veiligheid en gezondheid - het pedagogisch beleid waarin vanuit de visie op de ontwikkeling van kinderen de visie op de omgang met kinderen is beschreven - het vrijwilligersbeleid waarin de taakomschrijving is opgenomen en een beschrijving wordt gegeven van de niet-vrijblijvende afspraken die de aanbieder met vrijwilligers maakt; d. de wijze en frequentie van informatie-uitwisseling na plaatsing van het kind bij de peuterspeelzaal; e. de wijze waarop klachten behandeld worden; f. de wijze waarop inspraak geregeld is. Artikel18Informatieplicht aan het college De houder van een peuterspeelzaal informeert het college over: a. de plaatsingsprocedure en leveringsvoorwaarden; b. het gekozen ambitieniveau als bedoeld in artikel 3; c. het te voeren beleid, waaronder: - het beleid inzake voorschoolse educatie (indien van toepassing) - het beleid inzake veiligheid en gezondheid - het pedagogisch beleid waarin vanuit de visie op de ontwikkeling van kinderen de visie op de omgang met kinderen is beschreven - het vrijwilligersbeleid waarin de taakomschrijving is opgenomen en een beschrijving wordt gegeven van de niet-vrijblijvende afspraken die de aanbieder met vrijwilligers maakt; d. de wijze waarop klachten behandeld worden; e. de wijze waarop inspraak geregeld is. De houder van de peuterspeelzaal beschikt over een adequate inrichting van de administratie, om op een juiste en volledige wijze het college te kunnen informeren. Om de genoemde informatie aan te kunnen leveren stelt de houder van de peuterspeelzaal per aangemeld kind een plaatsingscontract op. De houder van de peuterspeelzaal informeert het college iedere 6 maanden over deze gegevens. In het plaatsingscontract wordt minimaal opgenomen: a. toestemming van de ouders om onderstaande gegevens uit het plaatsingscontract te verstrekken aan het college; b. de volgende persoonsgegevens: geslachtsnaam (achternaam) + voorletters + geboortedatum c. welke kinderen deelgenomen hebben aan aanvullende programma’s binnen het peuterspeelzaalwerk (VVE/Opvoedingsprogramma’s of andere programma’s). d. het aantal dagdelen die de kinderen aan peuterspeelzaalwerk dan wel een aanvullend programma hebben deelgenomen. e. De wijze en frequentie van informatie-uitwisseling na plaatsing van het kind bij de peuterspeelzaal. De houder van een peuterspeelzaal informeert het college jaarlijks over: a. welke aanvullende programma’s zij hebben aangeboden en het aantal deelnemers aan deze programma’s. Artikel19Verklaring omtrent het gedrag Personen die als beroepskracht of begeleider werkzaam zijn bij een peuterspeelzaal zijn in het bezit van een verklaring omtrent het gedrag, afgegeven volgens de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens. Deze verklaring wordt aan de houder overlegt voordat een persoon zijn werkzaamheden aanvangt. De verklaring is op het moment dat zij wordt overgelegd niet ouder dan twee maanden. Indien de houder of de toezichthouder redelijkerwijs vermoedt dat een persoon niet langer voldoet aan de eisen voor het afgeven van een verklaring omtrent het gedrag, verlangt de houder dat die persoon opnieuw een verklaring omtrent het gedrag overlegt die niet ouder is dan twee maanden. De desbetreffende persoon overlegt de verklaring binnen een door de houder vast te stellen termijn. Artikel20Aansprakelijkheids- en ongevallenverzekering De houder van een peuterspeelzaal is verplicht ten behoeve van in de peuterspeelzaal aanwezige beroepskrachten, begeleiders en kinderen een passende aansprakelijkheids- en ongevallenverzekering af te sluiten. Artikel21Ontheffing Het college kan ontheffing verlenen van het bepaalde in hoofdstuk
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.