In het kort
Napoleontische wet van 21 april 1810 die de indeling en het eigendom van bodemschatten regelt en bepaalt dat mijnen alleen met een concessie mogen worden geëxploiteerd.
Wat het regelt
- Deelt minerale en fossiele stoffen in drie categorieën in: mijnen, mijngroeven (minières) en steengroeven (carrières) (art. 1-4).
- Bepaalt dat mijnen alleen op grond van een concessieakte mogen worden ontgonnen (art. 5).
- Regelt de eigendomsverhoudingen: mijnen zijn onroerend goed, ontgonnen materialen zijn roerend goed (art. 8-9).
- Regelt het onderzoeken (boren, sonderen) en de voorrang bij het aanvragen van concessies (art. 10-13).
Voor wie
- Exploitanten en aanvragers van mijnconcessies, waaronder elke Fransman of vreemdeling (art. 13).
- Eigenaren van de bovengrond waaronder mijnen liggen.
Belangrijkste punten
- Zonder concessie mag een mijn niet worden geëxploiteerd (art. 5).
- Onderzoek op andermans grond mag alleen met toestemming van de eigenaar of met machtiging van de regering, tegen voorafgaande schadeloosstelling (art. 10).
- Binnen 100 meter van ommuurde erven, woningen of afsluitingen mag zonder toestemming van de eigenaar niet worden geboord of gegraven (art. 11).
- De concessieakte zuivert ten gunste van de concessiehouder alle rechten van de eigenaren van de bovengrond en de ontdekkers (art. 17); een verleende mijn wordt een nieuwe, afzonderlijke eigendom (art. 19).
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.