In het kort
Koninklijk besluit van 18 september 1818 dat de uitvoering regelt van de mijnwet van 21 april 1810 en de bevoegdheden aanpast aan het bestuur van het Koninkrijk der Nederlanden.
Wat het regelt
- Draagt de functies van de wet op aan de Minister van Waterstaat en Publieke Werken (art. 1).
- Brengt de taken van de vroegere prefecten en secretarissen over op Gedeputeerde Staten en de Griffiers der Staten (art. 2).
- Regelt de behandeling van opposities tegen aangevraagde vergunningen en de bekendmaking ervan (art. 4-9).
- Stelt overgangstermijnen vast voor bestaande ontginningen (art. 10-12).
Voor wie
- Exploitanten van mijnen en aanvragers van mijnvergunningen.
- De betrokken bestuursorganen (Minister, Gedeputeerde Staten, ingenieurs van de waterstaat).
Belangrijkste punten
- Ontginningen die vóór 1 januari 1814 in werking waren, mochten tot 1 januari 1819 worden voortgezet onder speciaal toezicht (art. 10).
- Ontginningen waarvoor niet vóór 1 januari 1819 vergunning was verkregen of verzocht, werden vanaf dat tijdstip verboden (art. 11).
- Ontginningen zonder vergunning die op 1 januari 1814 niet openlijk in werking waren, waren onmiddellijk verboden en moesten worden gestaakt (art. 12).
- Aanvragen worden gedurende één maand bekendgemaakt in de Staatscourant en het voornaamste dagblad van de provincie (art. 9).
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.