In het kort
Koninklijk besluit van 26 december 1818 over het beheer van de goederen, bossen en renten die toebehoren aan stichtingen van studiebeurzen en collegien.
Wat het regelt
- Beëindigt per 1 januari 1819 het recht van de Domeinen, de Bureaux van Weldadigheid en de Commissies der Gasthuizen op de inkomsten van deze stichtingsgoederen (art. I).
- Draagt het beheer op aan de Minister voor het Publieke Onderwijs en verplicht de besturen tot het inzenden van tabellen en bewijsstukken (art. II-III).
- Geeft het bestuur van de goederen terug aan de bij de stichtingsakte benoemde personen (art. V).
- Regelt de jaarlijkse verantwoording en het toezicht door Gedeputeerde Staten (art. VII-VIII).
Voor wie
- Bestuurders van stichtingen van studiebeurzen en collegien.
- De betrokken overheden (Minister van Publiek Onderwijs, Gedeputeerde Staten).
Belangrijkste punten
- Vanaf 1 januari 1819 vervalt het recht van de genoemde besturen op de inkomsten van de stichtingsgoederen (art. I).
- De beschikkingen van de stichtingsakten moeten zo nauwkeurig mogelijk in acht worden genomen; kan de wil van de stichter niet meer worden gevolgd, dan draagt de Minister middelen voor die met het oogmerk van de stichters overeenkomen (art. V-VI).
- Elke bestuurder legt jaarlijks rekening af (art. VII).
- Geschillen over de goederen of het beheer worden naar de rechtbanken verwezen (art. XI).
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.