In het kort
Wet van 12 juli 1821 die de grondslagen vaststelt van het stelsel van rijksbelastingen zoals dat vanaf het jaar 1822 zou gelden.
Wat het regelt
- Bepaalt dat het belastingstelsel vanaf 1822 wordt ingericht zoals in de wet omschreven (art. 1).
- Somt de samenstellende belastingen op, te beginnen met de directe belastingen (art. 2).
- Regelt de grondbelasting op ongebouwde en gebouwde eigendommen (art. 2, I.a).
- Regelt de personele belasting, berekend op zes grondslagen (art. 2, I.b).
Voor wie
- Belastingplichtigen (eigenaren en gebruikers van woningen en gebouwen).
- De rijksbelastingdienst en de provincies waarover de hoofdsom wordt omgeslagen.
Belangrijkste punten
- De grondbelasting wordt geheven tot een hoofdsom van f 16.028.160, verhoogd met twee opcenten (art. 2, I.a).
- De personele belasting rust op grondslagen zoals de huurwaarde, de deuren en vensters en de haardsteden (art. 2, I.b).
- Van de huurwaardebelasting zijn woningen met een jaarlijkse huurwaarde beneden 20 gulden (of beneden 60 cent per week) vrijgesteld (art. 2, I.b, 1°).
- Vrijgesteld zijn onder meer fabrieksgebouwen, schuren en stallen van de landbouw, kerken, scholen en gebouwen voor de openbare dienst (art. 2, I.b).
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.