In het kort
Koninklijk besluit van 2 december 1823 dat de bepalingen van het besluit van 26 december 1818 aanvult met een reglement voor het beheer van de goederen van stichtingen van studiebeurzen.
Wat het regelt
- Bepaalt dat iedere stichting wordt beheerd door één of meer bestuurders en dat de Minister benoemt als de akte hen niet aanwijst (art. 1).
- Stelt bij iedere stichting een ontvanger en provisoren aan die toezicht houden (art. 2-3).
- Onderwerpt beslissingen die het eenvoudige beheer te boven gaan aan de goedkeuring van provisoren en Gedeputeerde Staten (art. 4).
- Stelt regels voor verhuur, verkoop en belegging van de goederen (art. 7-9).
Voor wie
- Bestuurders, ontvangers en provisoren van stichtingen van studiebeurzen.
- Gedeputeerde Staten en de Minister van Binnenlandse Zaken als toezichthouders.
Belangrijkste punten
- De goederen mogen zonder speciale autorisatie voor niet langer dan negen achtereenvolgende jaren en alleen openbaar worden verhuurd (art. 7).
- Onroerende goederen mogen alleen worden verkocht of geruild met machtiging van Gedeputeerde Staten na overleg met de provisoren (art. 8).
- Bestuurders leggen jaarlijks verantwoording af aan de provisoren (art. 6).
- Overtollige gelden moeten zonder uitstel worden belegd; verkrijging van onroerend goed vereist speciale autorisatie (art. 9).
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.