In het kort
Koninklijk besluit van 4 maart 1824 dat verduidelijkt welke rechten voortvloeien uit een mijnconcessie: alleen de in de akte genoemde delfstoffen mogen worden ontgonnen.
Wat het regelt
- Bepaalt dat een mijnconcessie alleen recht geeft op de ontginning van de delfstoffen die in de concessieakte worden genoemd (art. 1).
- Vereist voor andere delfstoffen een afzonderlijke concessie, ook al liggen die onder reeds geconcedeerde gronden (art. 2).
- Schrijft voor dat nieuwe concessies worden aangevraagd volgens de vormen van de mijnwet van 21 april 1810 (art. 3).
- Beschermt de rechten van de houder van de eerste concessie (art. 4-5).
Voor wie
- Houders en aanvragers van mijnconcessies.
- De administratie die concessies verleent.
Belangrijkste punten
- Een concessie geeft uitsluitend recht op de in de akte vermelde delfstoffen (art. 1).
- Voor een andere delfstof is een bijzondere concessie nodig, zelfs onder reeds geconcedeerde grond (art. 2).
- Wordt een nieuwe concessie niet aan de eerste houder verleend, dan worden diens rechten uitdrukkelijk erkend en mag de bestaande ontginning nooit door de nieuwe worden beschadigd (art. 4).
- De houder van de eerste concessie wordt door de administratie gehoord voordat over de nieuwe aanvraag wordt beslist (art. 5).
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.