In het kort
Koninklijk besluit van 12 februari 1829 dat de besluiten van 26 december 1818 en 2 december 1823 van toepassing verklaart op alle stichtingen van studiebeurzen.
Wat het regelt
- Verklaart de eerdere besluiten over het beheer van studiebeurzen van toepassing op alle stichtingen van beurzen of standgelden voor de studie, reeds gemaakt of nog te maken (art. 1).
- Breidt de toepassing uit tot oude stichtingen in de provincie Friesland, bekend als "Leenen" (art. 2).
- Geeft de Minister de mogelijkheid voorstellen te doen om ook andere oude stichtingen eronder te brengen (art. 3).
Voor wie
- Bestuurders van alle stichtingen van studiebeurzen, ook de oude Friese "Leenen".
- De Minister van Binnenlandse Zaken.
Belangrijkste punten
- De beheersregels van 1818 en 1823 gelden voortaan voor alle bestaande en toekomstige stichtingen van studiebeurzen (art. 1).
- Ook de oude Friese stichtingen ("Leenen") vallen eronder (art. 2).
- De Minister kan de regels bij voorstel uitbreiden tot andere daarvoor vatbare oude stichtingen (art. 3).
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.