In het kort
Wet van 18 april 1827 op de samenstelling van de rechterlijke macht en het beleid van de justitie, die de organisatie van de Nederlandse rechtspraak regelt.
Wat het regelt
- Definieert de gerechten en de verschillende rechterlijke ambtenaren (art. 1).
- Bepaalt dat de rechterlijke macht bestaat uit de rechtbanken, de gerechtshoven en de Hoge Raad (art. 2).
- Regelt de openbaarheid van de zittingen en de uitspraken (art. 4-5).
- Regelt de samenstelling van enkelvoudige en meervoudige kamers (art. 6).
Voor wie
- De gerechten en de rechterlijke ambtenaren (rechters, raadsheren, officieren van justitie).
- Rechtzoekenden die bij deze gerechten procederen.
Belangrijkste punten
- De tot de rechterlijke macht behorende gerechten zijn de rechtbanken, de gerechtshoven en de Hoge Raad (art. 2).
- De zittingen zijn op straffe van nietigheid openbaar, tenzij om gewichtige redenen met gesloten deuren wordt gezeteld (art. 4).
- Vonnissen en arresten worden op straffe van nietigheid in het openbaar uitgesproken en bevatten de gronden waarop zij berusten (art. 5).
- Meervoudige kamers bestaan in beginsel uit drie rechterlijke ambtenaren, van wie één als voorzitter optreedt (art. 6).
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.