In het kort
Wet van 15 mei 1829 met de algemene bepalingen van de wetgeving van het Koninkrijk; een aantal artikelen is inmiddels vervallen, maar de kernbeginselen gelden nog.
Wat het regelt
- Legt vast dat een wet alleen voor de toekomst verbindt en geen terugwerkende kracht heeft (art. 4).
- Bepaalt dat een wet haar kracht alleen door een latere wet kan verliezen (art. 5).
- Regelt de gelding van straf- en politiewetten en de gelijke behandeling van vreemdelingen in het burgerlijk recht (art. 8-9).
- Stelt grondregels voor de taak van de rechter (art. 11-13a).
Voor wie
- Wetgever, rechters en alle personen op het grondgebied van het Koninkrijk.
Belangrijkste punten
- De wet verbindt alleen voor de toekomst en heeft geen terugwerkende kracht (art. 4).
- Strafwetten en politieverordeningen zijn verbindend voor allen die zich op het grondgebied bevinden (art. 8).
- De rechter moet volgens de wet rechtspreken en mag de innerlijke waarde of billijkheid van de wet niet beoordelen (art. 11); wie weigert recht te spreken wegens het stilzwijgen of de onvolledigheid van de wet, kan wegens rechtsweigering worden vervolgd (art. 13).
- De rechtsmacht van de rechter wordt beperkt door de in het volkenrecht erkende uitzonderingen (art. 13a).
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.