In het kort
Wet van 16 mei 1829 met overgangsbepalingen om onduidelijkheden en geschillen bij de overgang van de oude naar de nieuwe wetgeving te voorkomen.
Wat het regelt
- Bepaalt dat de nieuwe wetboeken geen invloed hebben op onder oudere wetgeving verkregen rechten (art. 1).
- Regelt naar welk recht de vorm van handelingen, overeenkomsten en uiterste wilsbeschikkingen wordt beoordeeld (art. 2-4).
- Regelt de gevolgen voor meerderjarigheid, emancipatie en gerechtelijke assistentie die vóór de invoering waren verkregen (art. 5-11).
- Regelt de overgang van adoptie en officieuze voogdij (art. 12-13).
Voor wie
- Personen met onder de oude wetgeving verkregen rechten en hun rechtsopvolgers.
- Rechters die overgangskwesties moesten beslissen.
Belangrijkste punten
- Onder vroegere wetgeving verkregen rechten blijven onaangetast (art. 1).
- De geldigheid van de vorm van een handeling wordt beoordeeld naar de wet die gold toen de handeling plaatsvond (art. 2); rechten uit overeenkomsten naar de wet toen die werden gesloten (art. 3).
- Wie vóór de invoering meerderjarig was geworden, blijft meerderjarig alsof hij 23 jaar had bereikt (art. 5).
- Jonge dochters die bij de invoering 15 jaar waren, behouden de bevoegdheid een huwelijk aan te gaan (art. 6).
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.