In het kort
Koninklijk besluit van 10 april 1838 dat het tijdstip vaststelt waarop de nieuwe Nederlandse wetgeving in werking treedt en de Hoge Raad wordt ingesteld.
Wat het regelt
- Bepaalt dat de nieuwe wetboeken en wetten worden ingevoerd op 1 oktober 1838 (art. 1).
- Stelt de Hoge Raad der Nederlanden in per 1 juni van dat jaar en omschrijft zijn voorbereidende werkzaamheden (art. 2).
- Bepaalt dat de Hoge Raad in het tussenliggende tijdvak geen rechterlijke functies uitoefent (art. 3).
- Verwijst de wijze van installatie en beëdiging naar een afzonderlijk besluit (art. 4).
Voor wie
- De rechterlijke macht, in het bijzonder de Hoge Raad, en alle rechtssubjecten die onder de nieuwe wetgeving zouden vallen.
Belangrijkste punten
- Het Burgerlijk Wetboek, het Wetboek van Koophandel, de wetboeken van burgerlijke rechtsvordering en strafvordering, de Wet algemene bepalingen en de Wet op de rechterlijke organisatie treden in werking op 1 oktober 1838, om middernacht (art. 1).
- De Hoge Raad komt bijeen op 1 juni en houdt zich tot de invoering alleen bezig met het ontwerpen van reglementen, tarieven en enkele wetten (art. 2).
- In dat tussentijdvak neemt de Hoge Raad geen rechterlijke functies waar; de bestaande gerechten blijven volgens de oude wetten werken (art. 3).
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.