Officiële bronnenwetten.overheid.nl · EUR-Lex
Europaius

Wet ministeriële verantwoordelijkheid en ambtsdelicten leden Staten-Generaal, ministers en staatssecretarissen

Waar gaat deze regeling over?

Wet van 22 april 1855 die de verantwoordelijkheid van ministers regelt en de vervolging van ambtsdelicten van Kamerleden, ministers en staatssecretarissen voor de Hoge Raad.

Voor wie: Leden van de Staten-Generaal, ministers en staatssecretarissen; De regering, de Tweede Kamer en de Hoge Raad met zijn procureur-generaal.

In één oogopslag

Land
Nederland
Rechtsgebied
Staatsrecht en mensenrechten
Artikelen
40
Bron
wetten.overheid.nl
Tekst opgehaald op
Uitleg bijgewerkt op

Wat regelt deze regeling?

  • Legt vast dat ministers zorgen voor de uitvoering van de Grondwet en de wetten en daarvoor verantwoordelijk en vervolgbaar zijn (art. 1).
  • Bepaalt dat de medeondertekening van wetten en koninklijke besluiten de verantwoordelijke bewindspersoon aanwijst (art. 2).
  • Regelt de vervolging van ambtsdelicten voor de Hoge Raad (art. 4).
  • Regelt twee wegen tot vervolging: bij koninklijk besluit of door de Tweede Kamer (art. 5-13).

Voor wie geldt deze regeling?

  • Leden van de Staten-Generaal, ministers en staatssecretarissen.
  • De regering, de Tweede Kamer en de Hoge Raad met zijn procureur-generaal.

Wat zijn de kernpunten?

  • Ministers zijn verantwoordelijk voor de uitvoering van de Grondwet en de wetten en zijn daarvoor in rechte vervolgbaar (art. 1).
  • Kamerleden, ministers en staatssecretarissen staan, ook na hun aftreden, wegens ambtsdelicten terecht voor de Hoge Raad (art. 4).
  • De opdracht tot vervolging wordt gegeven bij koninklijk besluit of bij besluit van de Tweede Kamer; de procureur-generaal moet daaraan onmiddellijk gevolg geven (art. 4).
  • Een aanklacht door de Tweede Kamer vereist ten minste vijf leden; de betrokkene wordt vooraf in de gelegenheid gesteld een zienswijze te geven (art. 7-8).

Staatsrecht en mensenrechten

2

Staatsrecht en mensenrechten

Wettekst

Wettekst
Inhoudsopgave (40)
  1. Artikel 1 1
  2. Artikel 2
  3. § 1 Algemene bepalingen
  4. Artikel 3 1
  5. Artikel 4 1
  6. § 2 Opdracht tot vervolging door de regering
  7. Artikel 5 1
  8. Artikel 6
  9. § 3 Opdracht tot vervolging door de Tweede Kamer
  10. Artikel 7
  11. Artikel 8
  12. Artikel 9
  13. Artikel 10
  14. Artikel 11 1
  15. Artikel 12
  16. Artikel 13
  17. Artikel 14 1
  18. Artikel 15 1
  19. Artikel 16 1
  20. Artikel 17
  21. Artikel 18 1
  22. Artikel 19
  23. Artikel 20 Vervallen
  24. Artikel 21 Vervallen
  25. Artikel 22 Vervallen
  26. Artikel 23 Vervallen
  27. Artikel 24 Vervallen
  28. Artikel 25 Vervallen
  29. Artikel 26 Vervallen
  30. Artikel 27 Vervallen
  31. Artikel 28 Vervallen
  32. Artikel 29 Vervallen
  33. Artikel 30 Vervallen
  34. Artikel 31 Vervallen
  35. Artikel 32 Vervallen
  36. Artikel 33 Vervallen
  37. Artikel 34 Vervallen
  38. Artikel 35 Vervallen
  39. Artikel 36
  40. Artikel 37

Wet van 22 april 1855, houdende regeling der verantwoordelijkheid van de Hoofden der Ministeriële Departementen Wet ministeriële verantwoordelijkheid en ambtsdelicten leden Staten-Generaal, ministers en staatssecretarissen Wij WILLEM III, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, Groot-Hertog van Luxemburg, enz., enz., enz., Allen, die deze zullen zien of hooren lezen, salut! doen te weten:

Alzoo Wij in overweging genomen hebben, dat, ter voldoening aan art. 73, in verband met art. 53 der Grondwet, de strafregtelijke verantwoordelijkheid van de Hoofden der Ministeriële Departementen moet worden geregeld door de wet en die regeling behoort plaats te hebben met inachtneming van art. 159 der Grondwet;

Zoo is het, dat Wij, den Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

Hoofdstuk 1

De verantwoordelijkheid van ministers en staatssecretarissen

Artikel 11

Onze Ministers dragen zorg voor de uitvoering van de Grondwet en de andere wetten, voor zover die van de regering afhangt.

2 Zij zijn wegens het niet naleven van deze verplichting verantwoordelijk en in rechte vervolgbaar overeenkomstig de bepalingen in hoofdstuk 2.

Artikel 2

De medeondertekening van wetten en koninklijke besluiten door een of meer ministers of staatssecretarissen wijst de voor die wetten en koninklijke besluiten verantwoordelijke ministers of staatssecretarissen aan.

Hoofdstuk 2

Ambtsdelicten begaan door leden van de Staten-Generaal, ministers en staatssecretarissen

§ 1Algemene bepalingen

Artikel 31

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: a. ambtsdelicten: ambtsmisdrijven of ambtsovertredingen, begaan door een lid van de Staten-Generaal, een minister of een staatssecretaris in die betrekking; b. vervolging: vervolging wegens een ambtsdelict.

2 Onder ambtsdelicten worden mede verstaan strafbare feiten begaan onder een der verzwarende omstandigheden, omschreven in artikel 44 van het Wetboek van Strafrecht.

Artikel 41

De leden van de Staten-Generaal, Onze ministers en de staatssecretarissen staan, ook na hun aftreden, wegens ambtsdelicten terecht voor de Hoge Raad.

2 De opdracht tot vervolging wordt gegeven bij koninklijk besluit of bij een besluit van de Tweede Kamer.

3 De procureur-generaal bij de Hoge Raad is verplicht aan de ontvangen opdracht tot vervolging onmiddellijk gevolg te geven.

§ 2Opdracht tot vervolging door de regering

Artikel 51

Het koninklijk besluit waarbij de opdracht wordt gegeven tot vervolging bevat een nauwkeurige aanduiding van het ten laste gelegde feit en de opdracht aan de procureur-generaal bij de Hoge Raad om de vervolging in te stellen.

2 Afschrift van dit besluit wordt aan de beide Kamers der Staten-Generaal toegezonden.

Artikel 6

Indien bij koninklijk besluit opdracht is gegeven tot vervolging, neemt de Tweede Kamer geen aanklacht tegen dezelfde persoon wegens dezelfde feiten in overweging.

§ 3Opdracht tot vervolging door de Tweede Kamer

Artikel 7

Indien ten minste vijf leden van de Tweede Kamer een schriftelijke en met redenen omklede aanklacht indienen wegens een vermoedelijk ambtsdelict, beslist de Tweede Kamer of zij die aanklacht in overweging neemt.

Artikel 8

Alvorens de Tweede Kamer beslist of zij de aanklacht in overweging neemt, stelt de voorzitter van de Tweede Kamer degene tegen wie de aanklacht is gericht in de gelegenheid naar diens keuze schriftelijk of mondeling een zienswijze naar voren te brengen.

Artikel 9

Indien de Tweede Kamer besluit tot het in overweging nemen van de aanklacht, stelt zij een commissie van onderzoek in.

Artikel 10

De Tweede Kamer benoemt de leden van de commissie van onderzoek uit haar midden. Leden die de aanklacht hebben ingediend, kunnen geen lid zijn van de commissie. Wel kunnen zij door de commissie ten behoeve van het geven van nadere inlichtingen worden gehoord.

Artikel 111

De commissie van onderzoek is belast met het opsporen en verzamelen van alle bescheiden, inlichtingen en bewijzen, die tot opheldering van de feiten, in de aanklacht vermeld, kunnen leiden.

2 De hoofdstukken 3, 4, 5 en 7 van de Wet op de parlementaire enquête 2008 zijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat: a. degene tegen wie de aanklacht is gericht niet verplicht is de commissie van onderzoek medewerking te verlenen; b. artikel 217 van het Wetboek van Strafvordering van overeenkomstige toepassing is.

Artikel 12

In iedere stand van het onderzoek is de commissie van onderzoek verplicht om degene tegen wie de aanklacht is gericht, indien deze dit wenst, te horen.

Artikel 13

Zodra de commissie van onderzoek de aanklacht genoegzaam toegelicht acht, brengt zij over de daarbij aangevoerde feiten verslag uit aan de Tweede Kamer.

Artikel 141

Bij de beraadslaging over de aanklacht wordt degene tegen wie de aanklacht is gericht gehoord, indien deze daarom verzoekt. Aan deze persoon wordt in ieder geval het laatst het woord gegeven.

2 Het eerste lid geldt eveneens indien voor of tijdens het onderzoek het kamerlidmaatschap van het betrokken lid van de Staten-Generaal is beëindigd of aan de betrokken minister of staatssecretaris ontslag is verleend.

Artikel 151

Indien de Tweede Kamer een aanklacht als bedoeld in artikel 7 niet in overweging heeft genomen, kan zij deze bij het opkomen van nieuwe bezwaren alsnog in overweging nemen. Eveneens kan in dat geval bij koninklijk besluit de opdracht worden gegeven tot vervolging van dezelfde persoon wegens dezelfde feiten.

2 Indien de Tweede Kamer de aanklacht na gedaan onderzoek en gehouden beraadslaging heeft verworpen, kan ten aanzien van dezelfde persoon wegens dezelfde feiten noch door de regering noch door de Tweede Kamer opnieuw onderzoek worden gedaan noch een opdracht tot vervolging worden gegeven.

Artikel 161

Een aanklacht wordt geacht te zijn verworpen indien de Tweede Kamer binnen drie maanden na de indiening van de aanklacht geen eindbeslissing heeft genomen.

2 De Tweede Kamer kan besluiten de termijn, bedoeld in het eerste lid, te verlengen met ten hoogste twee maanden.

Artikel 17

Indien een aanklacht overeenkomstig artikel 16 wordt geacht te zijn verworpen, blijft de regering bevoegd om bij koninklijk besluit de opdracht te geven tot vervolging van dezelfde persoon wegens dezelfde feiten.

Artikel 181

De Tweede Kamer toetst de aangeklaagde feiten aan het recht, de billijkheid, de zedelijkheid en het staatsbelang.

2 Indien de Tweede Kamer genoegzame gronden tot vervolging aanwezig acht, geeft zij opdracht aan de procureur-generaal bij de Hoge Raad om de vervolging in te stellen. Het daartoe strekkende besluit bevat een nauwkeurige aanduiding van het ten laste gelegde feit. Binnen drie dagen nadat de Tweede Kamer het besluit heeft genomen, wordt dit tezamen met de aanklacht en de verzamelde informatie toegezonden aan de procureur-generaal.

3 Een afschrift van het besluit wordt toegezonden aan de betrokkene, aan Onze Minister van Justitie en Veiligheid en aan de Eerste Kamer.

Artikel 19

Indien de Tweede Kamer opdracht heeft gegeven tot vervolging, kan bij koninklijk besluit geen opdracht worden gegeven tot vervolging van dezelfde persoon wegens dezelfde feiten.

Artikel 20Vervallen

Artikel 21Vervallen

Artikel 22Vervallen

Artikel 23Vervallen

Artikel 24Vervallen

Artikel 25Vervallen

Artikel 26Vervallen

Artikel 27Vervallen

Artikel 28Vervallen

Artikel 29Vervallen

Artikel 30Vervallen

Artikel 31Vervallen

Artikel 32Vervallen

Artikel 33Vervallen

Artikel 34Vervallen

Artikel 35Vervallen

Hoofdstuk 3

Slotbepalingen

Artikel 36

Een vordering tot vergoeding van schade, geleden door een ambtsdelict als bedoeld in hoofdstuk 2, kan slechts berusten op een veroordeling door de Hoge Raad en kan uitsluitend bij de burgerlijke rechter worden ingesteld.

Artikel 37

Deze wet wordt aangehaald als: Wet ministeriële verantwoordelijkheid en ambtsdelicten leden Staten-Generaal, ministers en staatssecretarissen.

Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst, en dat alle Ministeriële Departementen, Autoriteiten, Collegien en Ambtenaren, wien zulks aangaat, aan de naauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Gegeven op het Loo den 22sten April 1855 WILLEM.

De Minister van Justitie, D. DONKER CURTIUS. den dertigsten April 1855.

De Directeur van het Kabinet des Konings, DE KOCK.

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.