In het kort
Wet van 22 april 1855 die de verantwoordelijkheid van ministers regelt en de vervolging van ambtsdelicten van Kamerleden, ministers en staatssecretarissen voor de Hoge Raad.
Wat het regelt
- Legt vast dat ministers zorgen voor de uitvoering van de Grondwet en de wetten en daarvoor verantwoordelijk en vervolgbaar zijn (art. 1).
- Bepaalt dat de medeondertekening van wetten en koninklijke besluiten de verantwoordelijke bewindspersoon aanwijst (art. 2).
- Regelt de vervolging van ambtsdelicten voor de Hoge Raad (art. 4).
- Regelt twee wegen tot vervolging: bij koninklijk besluit of door de Tweede Kamer (art. 5-13).
Voor wie
- Leden van de Staten-Generaal, ministers en staatssecretarissen.
- De regering, de Tweede Kamer en de Hoge Raad met zijn procureur-generaal.
Belangrijkste punten
- Ministers zijn verantwoordelijk voor de uitvoering van de Grondwet en de wetten en zijn daarvoor in rechte vervolgbaar (art. 1).
- Kamerleden, ministers en staatssecretarissen staan, ook na hun aftreden, wegens ambtsdelicten terecht voor de Hoge Raad (art. 4).
- De opdracht tot vervolging wordt gegeven bij koninklijk besluit of bij besluit van de Tweede Kamer; de procureur-generaal moet daaraan onmiddellijk gevolg geven (art. 4).
- Een aanklacht door de Tweede Kamer vereist ten minste vijf leden; de betrokkene wordt vooraf in de gelegenheid gesteld een zienswijze te geven (art. 7-8).
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.