In het kort
Wet van 25 juli 1871 die de bevoegdheid van consulaire ambtenaren tot het opmaken van burgerlijke akten en de consulaire rechtsmacht regelt.
Wat het regelt
- Kent aangewezen consulaire ambtenaren de bevoegdheid toe tot het opmaken van akten van de burgerlijke stand en andere burgerlijke akten en tot bepaalde handelingen van vrijwillige rechtspraak (art. 1).
- Omschrijft wie als consulaire ambtenaar geldt en hoe vervanging plaatsvindt (art. 2-3).
- Regelt de benoeming en beëdiging van een tolk (art. 4-5).
- Regelt de uitvoerbaarheid en de taal van consulaire akten en uitspraken (art. 7-8).
Voor wie
- Consulaire (en diplomatieke) ambtenaren en de Nederlanders binnen hun ressort.
Belangrijkste punten
- Aangewezen consulaire ambtenaren kunnen akten van de burgerlijke stand en andere burgerlijke akten opmaken en bepaalde handelingen van vrijwillige rechtspraak verrichten (art. 1).
- De bevoegdheid wordt uitgeoefend binnen het door de Minister van Buitenlandse Zaken vastgestelde ressort en slechts ten behoeve van daar aanwezige Nederlanders; de ambtenaar mag scheidsman zijn (art. 1).
- Grossen van consulaire akten voeren aan het hoofd de woorden 'In naam des Konings' en zijn in het Koninkrijk uitvoerbaar, mits in behoorlijke vorm opgemaakt (art. 7).
- Voor consulaire akten en uitspraken is elke levende taal toegestaan, mits verstaan door de partijen of vertolkt door een beëdigde tolk (art. 8).
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.