In het kort
Wet van 23 april 1879 die de heffing regelt van rechten (leges) voor de verrichtingen van de ambtenaar van de burgerlijke stand.
Wat het regelt
- Verbiedt het heffen van gelden voor akten of verrichtingen van de ambtenaar van de burgerlijke stand, behalve in de gevallen die de wet voorziet (art. 1).
- Bepaalt voor welke afschriften, uittreksels en verklaringen een recht is verschuldigd en welke vrijstellingen gelden (art. 2).
- Bepaalt dat de geheven rechten ten bate van de gemeentekas komen (art. 3).
- Waarborgt de mogelijkheid van kosteloze huwelijksvoltrekking (art. 4-5).
Voor wie
- Burgers die akten of verrichtingen van de burgerlijke stand nodig hebben, en de gemeenten en ambtenaren van de burgerlijke stand.
Belangrijkste punten
- Er mogen geen gelden worden geheven behalve in de bij of krachtens de wet voorziene gevallen (art. 1).
- Voor afschriften, uittreksels, verklaringen van huwelijksbevoegdheid en attestaties de vita is een recht verschuldigd; stukken ten behoeve van een kerkelijk huwelijk worden kosteloos afgegeven (art. 2).
- Onvermogenden (met een getuigschrift van de burgemeester) en openbare ambtenaren in het openbaar belang zijn vrijgesteld (art. 2, lid 2).
- Er wordt wekelijks (in grote gemeenten tweemaal) gelegenheid gegeven tot kosteloze huwelijksvoltrekking (art. 4).
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.