In het kort
Besluit van 22 februari 1896 dat signalementkaarten invoert om de identiteit van bepaalde veroordeelden en verdachten vast te stellen.
Wat het regelt
- Bepaalt van welke veroordeelden en verdachten signalementkaarten worden opgemaakt (art. 1).
- Regelt waar de kaarten worden opgemaakt en verzonden (art. 2-3).
- Regelt de bewaring en het beheer van de verzamelingen bij de griffies en het Centraal-Depôt (art. 4-5).
- Beperkt de toezending en raadpleging van de kaarten (art. 6-7).
Voor wie
- De justitie, het openbaar ministerie en de gerechten die de identiteit van personen moeten vaststellen.
Belangrijkste punten
- Signalementkaarten worden opgemaakt van onherroepelijk tot ten minste zes maanden gevangenisstraf veroordeelden van 23 jaar of ouder en van bepaalde aangehouden verdachten (art. 1).
- De kaarten worden opgemaakt in gevangenissen, aangewezen huizen van bewaring en de politiebureaus van Amsterdam, Rotterdam en Den Haag (art. 2).
- De verzamelingen worden op een voor het publiek niet toegankelijke plaats bewaard, onder beheer van de griffiers en toezicht van het openbaar ministerie (art. 4).
- Kaarten mogen alleen worden toegezonden aan ambtenaren aan wie ook uittreksels uit de strafregisters kunnen worden afgegeven (art. 7).
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.