In het kort
Wet van 9 juli 1900 die de dienst en het gebruik regelt van spoorwegen waarop uitsluitend met beperkte snelheid wordt vervoerd: locaalspoorwegen, stadsspoorwegen en tramwegen.
Wat het regelt
- Bepaalt dat de minister vaststelt welke spoorwegen als locaalspoorweg, stadsspoorweg of tramweg gelden (art. 1).
- Vereist een concessie voor de aanleg en de exploitatie van deze wegen (art. 2-3).
- Maakt bij algemene maatregel van bestuur afwijkingen van de Spoorwegwet 1875 mogelijk (art. 4).
- Bepaalt welke artikelen van de Spoorwegwet op tramwegen van toepassing zijn (art. 5).
Voor wie
- Ondernemers van locaalspoorwegen, stadsspoorwegen en tramwegen, en de minister van Verkeer en Waterstaat.
Belangrijkste punten
- De minister bepaalt welke spoorwegen als locaalspoorweg, stadsspoorweg of tramweg worden beschouwd (art. 1).
- Voor aanleg en exploitatie is een door of met machtiging van de Kroon verleende concessie vereist, na het horen van Gedeputeerde Staten (art. 2).
- Zonder geldige concessie is de uitoefening van de dienst verboden (art. 3).
- Bij algemene maatregel van bestuur kan van bepaalde artikelen van de Spoorwegwet worden afgeweken (art. 4-5).
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.