In het kort
Wet van 27 april 1904 (Mijnwet 1903) met nadere bepalingen over de mijnontginning, ter wijziging van de mijnwet van 21 april 1810.
Wat het regelt
- Definieert de begrippen concessie, vergunning en de bevoegde minister (art. 1).
- Regelt de beslissing op een concessieaanvraag en de weigeringsgronden (art. 2-3).
- Bepaalt wat in een concessie wordt vastgelegd: delfstof, gebied en tijdvak (art. 4).
- Regelt de eigendom van de mijn en het verbod van dubbele concessies (art. 5-6).
Voor wie
- Aanvragers en houders van mijnconcessies en de minister van Economische Zaken.
Belangrijkste punten
- Op de aanvraag om een concessie beslist de minister; een concessie kan slechts op bepaalde gronden worden geweigerd (art. 2-3).
- In een concessie wordt bepaald voor welke delfstof, voor welk gebied en voor welk tijdvak zij geldt (art. 4).
- De houder van een concessie is voor het tijdvak waarvoor deze is verleend eigenaar van de mijn (art. 5).
- Voor een gebied waarvoor al een vergunning of concessie voor die delfstof geldt, wordt geen nieuwe concessie verleend (art. 6).
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.