In het kort
Wet van 12 juni 1909 die uitvoering geeft aan het Haagse verdrag van 1905 betreffende de burgerlijke rechtsvordering, met name de mededeling van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken.
Wat het regelt
- Wijst de officier van justitie aan als autoriteit die zorgt voor de mededeling van uit verdragsstaten afkomstige stukken (art. 1).
- Regelt de doorzending naar de minister van Justitie bij toepassing van artikel 4 van het verdrag (art. 2).
- Regelt de vrijstelling van zegel en registratie van ontvangbewijzen en exploiten (art. 3).
- Regelt de wijze waarop een stuk in een verdragsstaat wordt medegedeeld, met vertaling (art. 4).
Voor wie
- Procespartijen bij grensoverschrijdende zaken, deurwaarders en het openbaar ministerie.
Belangrijkste punten
- De officier van justitie bij de rechtbank van het rechtsgebied waar de mededeling wordt verlangd, is de bevoegde autoriteit (art. 1).
- Ontvangbewijzen, verklaringen en exploiten in verband met deze mededeling zijn vrij van zegel en worden kosteloos geregistreerd (art. 3).
- Om een stuk in een verdragsstaat te doen mededelen, wordt het exploit gedaan volgens het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, met vermelding van de gewenste vorm van mededeling (art. 4).
- Bij mededeling in een bijzondere vorm is een door een beëdigd vertaler voor overeenstemmend verklaarde vertaling vereist (art. 4).
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.