In het kort
Wet van 17 juli 1911 die de vorm vaststelt waarin eden, beloften en bevestigingen moeten worden afgelegd.
Wat het regelt
- Schrijft de standaardwoorden en het gebaar voor bij het afleggen van een eed, belofte of bevestiging (art. 1).
- Geeft voorrang aan afwijkende, bij bijzonder wettelijk voorschrift vastgestelde woorden (art. 2).
- Regelt de wijze van afleggen voor wie dat door een lichaams- of spraakgebrek niet op de gewone wijze kan (art. 3).
Voor wie
- Iedereen die ter uitvoering van een wettelijk voorschrift een eed, belofte of bevestiging moet afleggen.
Belangrijkste punten
- Bij een eed worden onder het opsteken van de twee voorste vingers van de rechterhand de woorden 'Zoo waarlijk helpe mij God Almachtig' uitgesproken (art. 1).
- Bij een belofte worden de woorden 'Dat beloof ik' en bij een bevestiging 'Dat verklaar ik' uitgesproken, tenzij de godsdienstige gezindheid een andere wijze vereist (art. 1).
- Zijn bij bijzonder wettelijk voorschrift andere woorden vastgesteld, dan treden die in de plaats (art. 2).
- Wie door een lichaams- of spraakgebrek niet op de voorgeschreven wijze kan afleggen, doet dit op een zoveel mogelijk overeenstemmende wijze (art. 3).
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.