Wet vorm van de eed
Waar gaat deze regeling over?
Wet van 17 juli 1911 die de vorm vaststelt waarin eden, beloften en bevestigingen moeten worden afgelegd.
Voor wie: Iedereen die ter uitvoering van een wettelijk voorschrift een eed, belofte of bevestiging moet afleggen.
In één oogopslag
- Land
- Nederland
- Rechtsgebied
- Overige wetgeving
- Artikelen
- 3
- Bron
- wetten.overheid.nl
- Tekst opgehaald op
- Uitleg bijgewerkt op
Wat regelt deze regeling?
- Schrijft de standaardwoorden en het gebaar voor bij het afleggen van een eed, belofte of bevestiging (art. 1).
- Geeft voorrang aan afwijkende, bij bijzonder wettelijk voorschrift vastgestelde woorden (art. 2).
- Regelt de wijze van afleggen voor wie dat door een lichaams- of spraakgebrek niet op de gewone wijze kan (art. 3).
Voor wie geldt deze regeling?
- Iedereen die ter uitvoering van een wettelijk voorschrift een eed, belofte of bevestiging moet afleggen.
Wat zijn de kernpunten?
- Bij een eed worden onder het opsteken van de twee voorste vingers van de rechterhand de woorden 'Zoo waarlijk helpe mij God Almachtig' uitgesproken (art. 1).
- Bij een belofte worden de woorden 'Dat beloof ik' en bij een bevestiging 'Dat verklaar ik' uitgesproken, tenzij de godsdienstige gezindheid een andere wijze vereist (art. 1).
- Zijn bij bijzonder wettelijk voorschrift andere woorden vastgesteld, dan treden die in de plaats (art. 2).
- Wie door een lichaams- of spraakgebrek niet op de voorgeschreven wijze kan afleggen, doet dit op een zoveel mogelijk overeenstemmende wijze (art. 3).
Overige wetgeving
Wettekst
Wettekst
Wet van 17 juli 1911, houdende voorziening in de bestaande onzekerheid ten aanzien van den vorm, waarin eeden, beloften en bevestigingen moeten worden afgelegd Wet vorm van de eed Wij WILHELMINA, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz., enz., enz.
Allen, die deze zullen zien of hooren lezen, saluut! doen te weten:
Alzoo Wij in overweging genomen hebben, dat onzekerheid bestaat ten aanzien van den vorm, waarin eeden, beloften en bevestigingen moeten worden afgelegd en dat mitsdien voorziening te dier zake noodig is;
Zoo is het, dat Wij, den Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
Artikel 1
Hij, die ter uitvoering van een wettelijk voorschrift mondeling een eed, belofte of bevestiging moet afleggen, zal: a. indien hij een eed aflegt, onder het opsteken van de twee voorste vingers van zijn rechterhand, uitspreken de woorden: "Zoo waarlijk helpe mij God Almachtig", b. indien hij een belofte aflegt, uitspreken de woorden: "Dat beloof ik", indien hij een bevestiging aflegt, uitspreken de woorden: "Dat verklaar ik", tenzij hij aan zijn godsdienstige gezindheid den plicht ontleent den eed, de belofte of de bevestiging op andere wijze te doen.
Artikel 2
Indien bij het wettelijk voorschrift andere uit te spreken woorden zijn vastgesteld als de in het vorige artikel voorgeschrevene, treden de bij het bijzonder wettelijk voorschrift vastgestelde voor deze in de plaats.
Artikel 3
Hij, die tengevolge van een lichaams- of spraakgebrek den eed, de belofte of de bevestiging niet kan afleggen op de bij de artikelen 1 en 2 bepaalde wijze, zal den eed, de belofte of de bevestiging afleggen op een wijze, zooveel mogelijk overeenstemmende met het bij die artikelen voorgeschrevene, te bepalen door dengene in wiens handen de eed, de belofte of de bevestiging wordt afgelegd.
Lasten en bevelen, dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst, en dat alle Ministerieele Departementen, Autoriteiten, Colleges en Ambtenaren, wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
Gegeven ten Paleize het Loo den 17den Juli 1911 WILHELMINA.
De Minister van Justitie, E. R. H. REGOUT. den vijf en twintigsten Juli 1911.
De Minister van Justitie, E. R. H. REGOUT.