In het kort
Wet van 8 november 1910 die de banken van lening (pandhuizen) en daarmee gelijkgestelde inrichtingen regelt.
Wat het regelt
- Definieert de banken van lening en de begrippen pand, beleensom en beleening (art. 1).
- Bepaalt dat in gemeenten met voldoende behoefte een gemeentelijke bank van lening wordt opgericht (art. 2).
- Regelt de oprichting, opheffing en het reglement van gemeentelijke banken van lening (art. 3-4).
- Stelt verplichte reglementsbepalingen vast ter bescherming van cliënten (art. 5).
Voor wie
- Gemeenten, banken van lening en hun cliënten.
Belangrijkste punten
- Een bank van lening is een inrichting die geregeld roerende zaken in ontvangst neemt tegen afgifte van geld en die tegen terugbetaling weer afgeeft (art. 1).
- Een gemeentelijke bank van lening wordt opgericht en opgeheven bij besluit van burgemeester en wethouders, die er een reglement voor vaststellen (art. 3).
- Het reglement regelt onder meer het bestuur, de pandbewijzen, de rente, de verkooptermijn van niet-geloste panden en de verkoop ervan (art. 4).
- De bank is op zondagen en christelijke feestdagen gesloten, en van kinderen beneden zestien jaar of van kennelijk dronken personen worden geen panden aangenomen (art. 5).
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.