In het kort
Wet van 27 april 1912 (oorspronkelijk de Armenwet) die het armbestuur regelt; van deze wet zijn de bepalingen over de instellingen van weldadigheid bewaard gebleven.
Wat het regelt
- Definieert de instellingen van weldadigheid als instellingen die voortdurend armenverzorging ten doel hebben (art. 1).
- Onderscheidt kerkelijke en bijzondere (niet-kerkelijke) instellingen (art. 2).
- Verplicht tot kennisgeving van oprichting, wijziging en opheffing aan de armenraad en burgemeester en wethouders (art. 6-7).
- Verplicht tot jaarlijkse opgaven van bedeelden, inkomsten en uitgaven (art. 13).
Voor wie
- Besturen van kerkelijke en bijzondere instellingen van weldadigheid, de armenraden en burgemeester en wethouders.
Belangrijkste punten
- Instellingen van weldadigheid zijn die welke voortdurend armenverzorging, in of buiten gestichten, ten doel hebben (art. 1).
- Van de oprichting wordt binnen drie maanden kennisgegeven aan de armenraad en aan burgemeester en wethouders, met overlegging van statuten of reglement (art. 6).
- Ook van wijziging en opheffing wordt kennisgegeven (art. 6-7).
- De besturen zenden jaarlijks opgaven van het aantal bedeelden of verpleegden, de inkomsten en de uitgaven voor onderstand (art. 13).
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.