In het kort
Wet van 15 december 1917 met voorschriften over de aanleg en instandhouding van spoorwegen met beperkte snelheid op wegen die niet onder beheer van het Rijk staan.
Wat het regelt
- Definieert de begrippen spoorwegen, wegen en concessionaris (art. 1).
- Bepaalt dat Gedeputeerde Staten beschikken op vergunningen tot aanleg en instandhouding (art. 2).
- Regelt de verhouding tussen de vergunning en de concessie (art. 5).
- Regelt de gedoogplicht, de schadevergoeding en de strafbepalingen (art. 7-8).
Voor wie
- Concessionarissen van locaalspoor- en tramwegen, Gedeputeerde Staten en wegbeheerders.
Belangrijkste punten
- Gedeputeerde Staten beschikken op verzoeken om vergunning tot aanleg en instandhouding van een spoorweg op wegen in hun provincie; de kosten worden door de concessionaris vergoed (art. 2).
- De vergunning mag niet in strijd zijn met de concessie (art. 5).
- Iedereen is verplicht te gedogen dat spoorwegen met inachtneming van de vergunning worden aangelegd en in stand gehouden; de daaruit voortvloeiende schade wordt vergoed (art. 7).
- Aanleg of instandhouding zonder of in strijd met de vergunning wordt gestraft met hechtenis of geldboete en geldt als overtreding (art. 8).
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.